ECLI:NL:GHARL:2025:1553 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 18-03-2025 / 200.326.633
In deze zaak liggen twee kwesties voor: (a) een beroep op pauliana door de curator ter zake een vaststellingsovereenkomst die ING (huisbankier van gefailleerde) sloot met een huurder van een bedrijfspand met deze gefailleerde. (b) de (principieel ingestoken) vraag of een pandhouder (ING) bevoegd is om (ter zake de vordering waarop het pandrecht rust) met een debiteur van de (inmiddels gefaillee...
12 min de lecture · 2 486 mots
Inhoudsindicatie. In deze zaak liggen twee kwesties voor:
Inhoudsindicatie. (a) een beroep op pauliana door de curator ter zake een vaststellingsovereenkomst die ING (huisbankier van gefailleerde) sloot met een huurder van een bedrijfspand met deze gefailleerde.
Inhoudsindicatie. (b) de (principieel ingestoken) vraag of een pandhouder (ING) bevoegd is om (ter zake de vordering waarop het pandrecht rust) met een debiteur van de (inmiddels gefailleerde) schuldeiser (pandgever) een schikking te treffen.
Inhoudsindicatie. Het hof (a) verwerpt het beroep op pauliana. Genoemde vraag (b) beantwoordt het hof – na een tussenarrest – ontkennend:
Inhoudsindicatie. ING kon niet op grond van haar inningsbevoegdheid een vaststellingsovereenkomst met de debiteur sluiten. Zie ook HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:415 (Neo River) en HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2833 (Megalim/Veenbloem).
Inhoudsindicatie. ING beroep zich ook (subsidiair) op haar algemene voorwaarden. Dit beroep gaat niet op omdat de algemene voorwaarde waarop de schikkingsbevoegdheid van ING rust, valt onder de reikwijdte van artikel 7:424 lid 1 BW (lastgeving) en daarmee onder het bereik van artikel 7:422 lid 1 BW zodat genoemde (contractuele) schikkingsbevoegdheid met het faillissement van de schuldeiser is geëindigd.
Inhoudsindicatie. Beroep in cassatie is ingesteld.
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.326.633
(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 270484)
arrest van 18 maart 2025
in de zaak van
[appellant]
, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van
J.T.M. Vastgoed B.V.
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiser
hierna: de curator
advocaat: mr. O.J. de Vries
tegen
ING Bank N.V.
die is gevestigd in Amsterdam
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: ING
advocaten: mr. E.J.R. Verwey en S. Klinkhamer
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Naar aanleiding van het arrest van 15 oktober 2024 (hierna: het tussenarrest) hebben partijen elk een akte genomen. Hierna is arrest bepaald.
2De motivering van de beslissing
Het hof blijft bij hetgeen in het tussenarrest is overwogen en beslist. In dat tussenarrest is onder meer het volgende overwogen:
Op de zitting bij het hof is nog besproken dat artikel 18 lid 3 mogelijk is aan te merken als (privatieve) lastgeving.
Lastgeving is de overeenkomst van opdracht waarbij de ene partij (lasthebber) zich tegenover de andere partij (lastgever) verbindt om – in eigen naam danwel in naam van de lastgever – voor rekening van de lastgever een of meer rechtshandelingen te verrichten (artikel 7:414 BW). Bij een privatieve lastgeving is bedongen dat de lasthebber een aan de lastgever toekomend recht in eigen naam en met uitsluiting van de lastgever zal uitoefenen en dat de lastgever de bevoegdheid tot deze uitoefening voor de duur van de overeenkomst mist, ook tegenover derden (artikel 7:423 BW). Evenals een volmacht bij het faillissement van de volmachtgever, eindigt ook lastgeving bij het faillissement van de lastgever (artikel 7:422 BW).
Overigens kenmerkt lastgeving zich daardoor dat de lasthebber verplicht is om voor de lastgever de rechtshandelingen te verrichten die hij toezegt. Artikel 18 lid 3 strekt er echter (slechts) toe dat ING bevoegd is om voor rekening van JTM rechtshandelingen te verrichten maar niet om haar daartoe opdracht te geven of haar daartoe te verplichten. Dat betekent dat deze bepaling niet als lastgeving (als bedoeld in artikel 7:414 BW) kan worden aangemerkt.
Artikel 7:424 BW bepaalt dat – onder meer – artikel 7:422 BW van overeenkomstige toepassing is op andere overeenkomsten dan lastgeving “krachtens welke de ene partij verplicht
of bevoegd is
[onderstreping hof] voor rekening van de andere partij rechtshandelingen te verrichten voor zover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de overeenkomst zich daartegen niet verzet.”
Als artikel 18 lid 3 via artikel 7:424 BW onder het bereik van artikel 7:422 lid 1 onder a BW zou vallen, zou dat betekenen dat de in artikel 18 lid 3 neergelegde overdracht van de bevoegdheid tot het treffen van een schikking met debiteuren van JTM (waaronder Emtes) met het faillissement van JTM is vervallen en dat de schadevergoedingsvordering van de curator – tegen de hoogte ervan heeft ING (bewust) geen verweer gevoerd – toewijsbaar is.
Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over toepasselijkheid van artikel 7:424 BW. Beide partijen hebben daarvan gebruik gemaakt.
ING voert in haar akte, met verwijzing naar haar memorie van antwoord, allereerst aan dat zij bij de vestiging van het pandrecht met JTM aanvullende afspraken heeft gemaakt over de met de verpande vorderingen samenhangende bevoegdheid en dat partijen daarbij de inhoud van het pandrecht nader hebben geregeld. De schikkingsbevoegdheid – de bevoegdheid om een regeling te treffen met debiteuren van verpande vorderingen een regeling te treffen – is daarmee volgens ING onderdeel van het goederenrechtelijke (pand)recht.
Het hof begrijpt dat ING met de nadere afspraken doelt op artikel 18 lid 3 van haar algemene voorwaarden. Die bepaling (geciteerd in rov. 3.18 van het tussenarrest) regelt dat de geldgever (ING) bevoegd is ter zake de verpande vorderingen voor rekening van de schuldenaar (JTM) “regelingen te treffen, dadingen aan te gaan en andere rechtshandelingen te verrichten” en verder alles te verrichten wat de geldgever nodig acht. Er worden aldus bevoegdheden aan ING toegekend. Dit omvat mede de bevoegdheid om vorderingen (gedeeltelijk) kwijt te schelden.
Het hof volgt dit standpunt van ING niet. De in artikel 18 lid 3 onder c aan ING toegekende schikkingsbevoegdheid is een contractuele regeling, niet een nadere goederenrechtelijke regeling van het pandrecht. De bewoordingen van dit artikel bevestigen dit. In lid 3 onder a is een regeling opgenomen over de goederenrechtelijke nevenrechten. Dat onderdeel begint met de bewoordingen “Pandrecht op een vordering omvat ook pandrecht op nevenrechten (…)”. Onderdeel c is niet een uitwerking van deze goederenrechtelijke nevenrechten, maar begint met de bewoordingen “De geldgever is voorts bevoegd terzake van de verpande vordering geheel naar eigen goeddunken voor rekening voor rekening van de schuldenaar (…) regelingen te treffen, dadingen aan te gaan en andere rechtshandelingen te verrichten (..)”. Als de schikkingsbevoegdheid in artikel 18 lid 3 onder c wel is bedoeld en moet worden begrepen als een goederenrechtelijke uitbreiding van het pandrecht, dan is naar het oordeel van het hof die uitbreiding als door ING bepleit in strijd met de geslotenheid van het goederenrechtelijke systeem. Onder deze regel van het privaatrecht wordt over het algemeen verstaan het uitgangspunt dat partijen in het rechtsverkeer alleen de in de wet geregelde goederenrechtelijke rechten kunnen vestigen en dus niet zelf nieuwe typen goederenrechtelijke rechten kunnen creëren. Partijen kunnen de inhoud van de in de wet geregelde beperkte rechten alleen aanvullen of beperken voor zover de wet daartoe ruimte biedt. De wet biedt geen ruimte om het pandrecht uit te breiden met een schikkingsbevoegdheid (voor de pandhouder). Dit volgt ook uit de in het tussenarrest genoemde Neo River- en Megalim/Veenblom-arresten van de Hoge Raad uit 2014 en 2016. In laatstgenoemd arrest staat uitdrukkelijk (het desbetreffende citaat is vermeld in het tussenarrest onder 3.12) dat andere schuldeisersbevoegdheden met betrekking tot de vordering ingevolge de wet bij de pandgever blijven rusten en dat de wetgever daarbij heeft gedacht aan handelingen ”als het verlenen van kwijtschelding”. De bevoegdheid om “regelingen te treffen, dadingen aan te gaan en andere rechtshandelingen te treffen” omvat, zoals overwogen, juist (mede) de bevoegdheid tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding. Gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de verpande vordering kan – anders dan inning door de pandhouder – de belangen van de pandgever en zijn andere schuldeisers diepgaand treffen, terwijl de pandhouder slechts in de verpande vordering is geïnteresseerd voor zover dit voldoening van zijn vordering waarborgt.
ING beroept zich verder op het oordeel van de Hoge Raad in het al genoemde Veenbloem-arrest dat een pandhouder in het kader van de inningsbevoegdheid (artikel 3:246 lid 1 BW) tevens bevoegd is het faillissement van de debiteur van een verpande vordering aan te vragen en dat dit ook geldt wanneer de te verwachten uitkering in dat faillissement slechts de vordering van de pandhouder op de pandgever zou kunnen voldoen. Inning door de pandgever van het overgebleven deel van de vordering van de panddebiteur is daarna doorgaans, aldus ING, illusoir terwijl het voorstelbaar is dat inning van de gehele vordering buiten faillissement wel mogelijk zou zijn geweest.
Die vergelijking en redenering gaan niet op. Genoemde beslissing betekent niet dat de schikkingsbevoegdheid bij de pandhouder rust. Het oordeel van de Hoge Raad is (enkel) gebaseerd op de (in artikel 3:246 lid 1 BW bedoelde) inningsbevoegdheid van de pandhouder. Deze inningsbevoegdheid omvat, aldus de Hoge Raad in het Veenbloem-arrest (rov. 3.3.4), de bevoegdheid tot verhaal van de vordering op het vermogen van de schuldenaar. Ook de bevoegdheid tot het aanvragen van een faillissement strekt tot verhaal van de vordering op het vermogen van de schuldenaar. Daarom moet de houder van een pandrecht op een vordering (vanaf het moment dat dit pandrecht aan de schuldenaar/debiteur van de pandgever is medegedeeld) worden aangemerkt als schuldeiser in de zin van artikel 1 lid a Faillissementswet. Daar komt bij dat in het Veenbloem-arrest uitdrukkelijk wordt overwogen dat de bevoegdheid tot het verlenen van kwijtschelding bij de pandgever blijft rusten.
Subsidiair voert ING in haar akte (onder 1.5) aan dat geen sprake is van een overeenkomst krachtens welke ING bevoegd is voor rekening van JTM rechtshandelingen te verrichten in de zin van artikel 7:424 lid 1 BW. Het gaat, zo begrijpt het hof, volgens ING niet om een bevoegdheid om rechtshandelingen te verrichten voor rekening van een ander, maar om een aan ING toegekende eigen bevoegdheid om een rechtshandeling te verrichten met betrekking tot een vordering waartoe zij zelf, als pandhouder, mede (beperkt) gerechtigd is. De rechtshandeling, de overeen te komen schikking, raakt niet alleen JTM maar juist ook ING als pandhouder op die vordering, aldus ING.
Het hof kan ING hierin niet volgen. In artikel 18 lid 3 van de algemene voorwaarden van ING staat juist wel dat ING bevoegd is om “voor rekening van de schuldenaar”, kort gezegd, regelingen treffen en aangaan van dadingen met debiteuren van JTM. Bovendien strekt de in artikel 18 lid 3 genoemde schikkingsbevoegdheid er toe om in het kader van de inning van aan haar (tot zekerheid) verpanden vorderingen van in dit geval JTM deels kwijt te schelden, wat voor rekening van de pandgever komt. Zoals het hof hiervoor reeds overwoog (rov. 2.5) brengt de geslotenheid van het goederenrechtelijke systeem verder met zich mee dat geen sprake kan zijn van een aan ING als pandhouder toegekende eigen bevoegdheid als door ING bedoeld.
De tussenconclusie is dat artikel 18 lid 3 van de algemene voorwaarden van ING valt onder de reikwijdte van artikel 7:424 lid 1 BW en daarmee onder de reikwijdte van artikel 7:422 lid 1 BW (beëindiging door onder andere faillissement), omdat die bepaling ING bevoegd maakt om voor rekening van JTM rechtshandelingen te verrichten. Dit is slechts anders, zo luidt de tekst van artikel 7: 424 BW, als de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de overeenkomst zich tegen overeenkomstige toepassing van onder meer artikel 7:422 BW verzet. Volgens ING (akte onder 1.6 en 1.7) is dat het geval omdat de strekking van genoemd artikel zich niet verhoudt met de aard van het pandrecht en de daarin besloten liggende schikkingsbevoegdheid. ING voert daarbij ook aan dat de aard van de schikkingsbevoegdheid zo nauw is verbonden met de inningsbevoegdheid ex artikel 3:246 BW dat deze zich verzet tegen toepassing van artikel 7:422 lid 1 BW.
Dat betoog gaat niet op omdat, zoals overwogen, het pandrecht juist niet mede omvat de bevoegdheid tot het treffen van schikkingen. Dat ING vooral belang heeft bij het gebruik van de schikkingsbevoegdheid als haar debiteur failliet is maakt dat niet anders. ING gaat er bovendien aan voorbij dat zij in een faillissement haar goederenrechtelijke (innings)bevoegdheden als pandhouder kan uitoefenen “alsof er geen faillissement is”. Ten overvloede wijst het hof er nog op dat ING, voor het geval zij een schikking wil treffen met een debiteur van een verpande vordering, daarvoor toestemming kan vragen aan de curator, waarbij de curator, die de bevoegdheden van de failliete schuldenaar uitoefent, zich dient te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (zie artikel 6:2 lid 1 BW).
De slotsom is dat artikel 18 lid 3 (van ING’s algemene voorwaarden) via artikel 7:424 BW onder het bereik van artikel 7:422 lid 1 onder a BW valt. De in artikel 18 lid 3 neergelegde overdracht van de bevoegdheid tot het treffen van een schikking met debiteuren van JTM is daarom met het faillissement van JTM geëindigd. Hiermee staat vast dat ING tegenover JTM (en daarmee in dit geval tegenover de curator) onrechtmatig heeft gehandeld door zonder toestemming van de curator een schikking met Emtes te treffen die (mede) inhield een kwijtschelding van een deel van de vordering van JTM op Emtes. De schadevergoedingsvordering van de curator van € 2.000 – tegen de hoogte ervan heeft ING (bewust) geen verweer gevoerd – is daarmee toewijsbaar.
De conclusie
Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk, namelijk voor wat betreft de schikking die ING met Emtes heeft getroffen.
Omdat partijen over en weer in het (on)gelijk worden gesteld zal het hof de proceskosten compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
3De beslissing
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel van 23 november 2022 behoudens voor zover daarin de vorderingen ter zake Emtes (inleidende dagvaarding onder XIV en XV) zijn afgewezen en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart voor recht dat ING tegenover de curator onrechtmatig heeft gehandeld door voor de vordering van JTM op Emtes een schikking te treffen;
veroordeelt ING (ter zake de schikking met Emtes) tot betaling aan de curator van een bedrag ad € 2.000;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten (van de procedure in hoger beroep) draagt;
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. B.J. Engberts, P.J. van der Korst en A. van Hees, en is
door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2025.
Voetnoten
- Ook wel de numerus clausus in het goederenrecht genoemd. Zie ook de Toelichting Meijers, Algemene opmerkingen over boek 5, PG 5, ρ 2, sub 1.
- Aldus de Toelichting Meijers, Algemene opmerkingen over boek 5, PG 5, ρ 3, sub
3 en T.H.D. Struycken, De numerus clausus in het goederenrecht, (diss. Nijmegen), (Serie Onderneming en Recht deel 37,) Deventer: Kluwer 2007, p.1.
- Struycken, diss. (2007), p. 7.
- Struycken, diss. (2007) p. 468.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...