ECLI:NL:GHDHA:2025:728 Gerechtshof Den Haag , 18-02-2025 / 200.338.309/01
internationale koopovereenkomst; bevoegdheid Nederlandse rechter; forumkeuzebeding of arbitragebeding van toepassing
12 min de lecture · 2 437 mots
Inhoudsindicatie. internationale koopovereenkomst; bevoegdheid Nederlandse rechter; forumkeuzebeding of arbitragebeding van toepassing
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer : 200.338.309/01
Zaaknummer rechtbank : C/10/658976 / HA ZA 23-503
Arrest van 18 februari 2025
in de zaak van
[appellante] Cheese B.V.,
gevestigd in Arnhem,
appellante,
advocaat: mr. T.F.J. van Oorschot te Stevensbeek,
tegen
Girolac GmbH,
gevestigd in Ludwigsburg, Duitsland,
geïntimeerde,
advocaat: mr. K.S. Guldemond te Amsterdam.
Het hof zal partijen hierna [appellante] en Girolac noemen.
1De zaak in het kort
[appellante] stelt dat Girolac, die in Duitsland is gevestigd, tekort is geschoten in haar afnameverplichtingen uit drie overeenkomsten tot de verkoop en levering van kaas, en vordert schadevergoeding.
In deze uitspraak gaat het om de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om deze zaak te beoordelen en te beslissen. [appellante] stelt van wel en beroept zich op een forumkeuzebeding in haar algemene voorwaarden. Girolac betwist dat het forumkeuzebeding tussen partijen is overeengekomen. Zij stelt dat er andere algemene voorwaarden van toepassing zijn en beroept zich op een arbitragebeding in die voorwaarden.
De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard (ECLI:NL:RBROT:2023:124). Het hof oordeelt anders en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.
2Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 5 februari 2024 waarbij [appellante] hoger beroep heeft ingesteld tegen i) het vonnis van 27 december 2023 waarin de rechtbank Rotterdam zich onbevoegd heeft verklaard, en ii) het vonnis van 24 januari 2024 waarin de rechtbank het verzoek van [appellante] om het vonnis van 27 december 2023 te herzien of te verbeteren heeft afgewezen;
de memorie van grieven van [appellante] , met bijlagen;
de memorie van antwoord van Girolac.
3Feitelijke achtergrond
Het hof gaat bij de beoordeling uit van de volgende, tussen partijen niet in geschil zijnde, feiten:
[appellante] en Girolac zijn handelsondernemingen op het gebied van zuivelproducten. [appellante] is gevestigd in Nederland, Girolac in Duitsland.
[appellante] heeft in de periode van juli 2021 tot en met augustus 2022 meerdere partijen kaas verkocht aan Girolac. De wijze waarop partijen handel dreven was altijd gelijk, waarbij [appellante] de door Girolac geplaatste bestellingen bevestigde door middel van een contract (dan wel opdrachtbevestiging) dat zij aan Girolac toestuurde. Een deel van de contracten is tot stand gekomen via het handelsplatform voor de zuivelindustrie genaamd de NUI Marketplace, ook wel bekend als het DAO-platform.
In de periode medio juni tot en met medio augustus 2022 heeft [appellante] drie verkoopcontracten voor partijen kaas aan Girolac verzonden die gedateerd zijn op 15 juni 2022, 21 juni 2022 respectievelijk 25 augustus 2022 (hierna ook te noemen: overeenkomst I, II en III). Deze verkoopcontracten bevatten alle de volgende tekst:
“Verkaufs-Kontrakt
Hiermit bestätigen wir Ihnen folgenden Verkauf.
(…)
Bemerkungen
– (…) Zur Anwendung kommen die Allgemeine Einkaufs- und Verkaufsbedingungen der [appellante] Cheese B.V., deponiert am 25. Mai 2012 unter Nummer 09165524 bei der Industrie- und Handelskammer in Arnheim, siehe Anlage. Alle zwischen den Parteien eingegangenen Vertrage werden – unter Ausschluss der Bestimmungen des Wiener Kaufvertrages – durch niederländisches Recht geregelt. Die Allgemeine Einkaufs- und Verkaufsbedingungen sind auch auf unserer Website [website] einsehbar.
– (…)”
In de bij overeenkomst I begeleidende e-mail van 16 juni 2022 is onder meer vermeld:
“I am sending you the sales contracts for Mozzarella Cheese and the trading conditions of our company. Please find mentioned documents attached to this email.”
De begeleidende e-mails bij overeenkomst II en III bevatten een soortgelijke zin.
In artikel 16 van de algemene voorwaarden van [appellante] is het volgende forumkeuzebeding opgenomen:
“2. All disputes between [appellante] Cheese and the Customer shall be settled by the competent court of Rotterdam.”
De branchevoorwaarden voor de zuivelindustrie, hierna: de MPC Condities, bevatten een arbitragebeding waarbij wordt verwezen naar het MPC-arbitragereglement dat op haar beurt verwijst naar arbitrage in (thans) Den Haag, Nederland.
Girolac heeft slechts een deel van de in de overeenkomsten I, II en III vermelde partijen kaas afgenomen en betaald.
4Procedure bij de rechtbank
[appellante] heeft Girolac gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam tot betaling van – kort gezegd – schadevergoeding. [appellante] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Girolac is tekortgeschoten in haar afnameverplichtingen uit de overeenkomsten I, II en III, als gevolg waarvan [appellante] schade heeft geleden.
Girolac heeft vervolgens een bevoegdheidsincident geopend, waarin zij de bevoegdheid van de Nederlandse rechter heeft betwist. Op de rol van 13 september 2023 heeft de rechtbank in het incident aan [appellante] akte van niet-dienen verleend.
De rechtbank heeft zich vervolgens bij eindvonnis van 27 december 2023 onbevoegd verklaard om van de vordering kennis te nemen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] de stellingen van Girolac in het bevoegdheidsincident niet had weersproken.
[appellante] heeft hierop aan de rechtbank verzocht om het vonnis van 27 december 2023 “te herzien dan wel te verbeteren”, omdat dit vonnis er ten onrechte op was gebaseerd dat [appellante] niet voor antwoord in het incident zou hebben geconcludeerd. De rechtbank heeft dit verzoek bij vonnis van 24 januari 2024 afgewezen.
5Vordering in hoger beroep
[appellante] is zowel van het vonnis van 27 december 2023 als van het vonnis van 24 januari 2024 in hoger beroep gekomen. Zij vordert dat het hof de beide vonnissen vernietigt, de incidentele vordering van Girolac tot onbevoegdverklaring alsnog afwijst en Girolac zal veroordelen tot terugbetaling van de bedragen die [appellante] op basis van de uitspraak in eerste aanleg aan Girolac heeft betaald. [appellante] vordert verder dat het hof zal oordelen dat de rechtbank Rotterdam wel bevoegd is om van de vordering kennis te nemen en dat het hof, voor zover rechtens vereist, de zaak zal terugverwijzen naar de rechtbank Rotterdam, met veroordeling van Girolac in de kosten van deze procedure en het incident in eerste aanleg, met rente en nakosten.
6Beoordeling in hoger beroep
Het hoger beroep tegen het vonnis van 24 januari 2024: ontvankelijkheid
Voor zover het hoger beroep zich richt tegen het vonnis van de rechtbank van 24 januari 2024, zal het hof [appellante] niet-ontvankelijk verklaren. In dit vonnis heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] om het vonnis van 27 december 2023 “te herzien dan wel te verbeteren” afgewezen. Aangezien het vonnis van 27 december 2023 een eindvonnis is, waarmee een einde aan de procedure kwam, kon de rechtbank die uitspraak niet meer wijzigen. Wel had de rechtbank nog de mogelijkheid om voor eenvoudig herstel lenende kennelijke fouten in een vonnis te verbeteren via de weg van artikel 31 Rv. De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] dan ook terecht in die zin begrepen en (overigens eveneens terecht) geoordeeld dat van een fout in de zin van artikel 31 Rv geen sprake is. Tegen de beslissing van de rechtbank op dit verzoek in haar vonnis van 24 januari 2024 staat echter op grond van artikel 31 lid 4 Rv geen hoger beroep open, reden waarom de niet-ontvankelijkheid volgt.
Het hoger beroep tegen het vonnis van 27 december 2023: bevoegdheid
Kernvraag in dit hoger beroep is of de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard om van de vorderingen van [appellante] kennis te nemen. Het hof overweegt hierover het volgende.
Hoofdregel
Het hof verenigt zich met het – in hoger beroep niet bestreden – oordeel van de rechtbank dat op dit geschil met een internationaal karakter de verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: ‘Brussel I-bis’) zowel materieel, temporeel als formeel van toepassing is. Aangezien Girolac geen woonplaats heeft in Nederland, heeft de Nederlandse rechter geen rechtsmacht op grond van de hoofdregel van bevoegdheid zoals geregeld in artikel 4 lid 1 Brussel I-bis. Bevoegdheid kan evenmin worden ontleend aan een andere bevoegdheidsgrond uit Brussel-bis waaronder die genoemd in de afdelingen 2 tot en met 6 van Hoofdstuk II Brussel I-bis, tenzij op grond van het hierna te bespreken forumkeuzebeding.
Forumkeuzebeding
[appellante] beroept zich voor de bevoegdheid van de rechtbank op het forumkeuzebeding in artikel 16 van haar algemene voorwaarden (zie hierboven onder 3.4). De vraag of partijen een rechtsgeldige forumkeuze hebben gemaakt moet worden beantwoord aan de hand van artikel 25 Brussel I-bis.
Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat sprake is van een rechtsgeldige forumkeuze. Vast staat dat [appellante] en Girolac enkele jaren veelvuldig zaken met elkaar hebben gedaan waarbij [appellante] in de door haar aan Girolac verzonden verkoopcontracten telkens uitdrukkelijk heeft gewezen op de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden op de betreffende koopovereenkomst. Eveneens staat, als niet weersproken, vast dat [appellante] deze algemene voorwaarden bij het toesturen van de overeenkomst telkens heeft bijgevoegd en dat Girolac tegen de toepasselijkheid ervan of tegen het daarin opgenomen forumkeuzebeding nooit heeft geprotesteerd.
Een forumkeuze is mogelijk door middel van een schriftelijke overeenkomst of een schriftelijke bevestiging van een mondelinge overeenkomst (artikel 25 lid 1 sub a Brussel I-bis). Daarnaast is een forumkeuze mogelijk als deze is geschied in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden (artikel 25 lid 1 sub b Brussel I-biso). De strekking van laatstgenoemd voorschrift is dat wanneer partijen regelmatig zaken met elkaar doen waardoor sprake is van een lopende handelsbetrekking en zij hun relatie steeds hebben geregeld op basis van algemene voorwaarden van de ene partij waarin een forumkeuzebeding is opgenomen die aan de andere partij zijn meegedeeld, die andere partij daardoor is gebonden, ook al heeft hij op die mededeling niet uitdrukkelijk gereageerd. Daarvoor is vereist dat de voorwaarden met het forumkeuzebeding aan de andere partij zijn meegedeeld op een zodanige wijze dat deze het forumkeuzebeding kende of kon kennen. Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden oordeelt het hof dat de mededeling op een zodanige wijze heeft plaatsgevonden dat Girolac het forumkeuzebeding kende of kon kennen.
Uit het voorgaande volgt dat op grond van het forumkeuzebeding in artikel 16 van de algemene voorwaarden van [appellante] de rechtbank bevoegd is om het geschil tussen partijen inhoudelijk te beoordelen en te beslissen. De omstandigheid dat Girolac de geldigheid van overeenkomst II betwist en de omstandigheid dat de overeenkomsten geheel of gedeeltelijk tot stand zijn gekomen via het DAO-platform, doen aan deze bevoegdheid niet af. Dit kan slechts anders zijn als, zoals Girolac verdedigt, de MPC-voorwaarden op één of meer van de in geschil zijnde overeenkomsten van toepassing zijn, welke voorwaarden een arbitragebeding bevatten. Het hof overweegt hierover het volgende.
De toepasselijkheid van de MPC- voorwaarden
Het verweer van Girolac dat op de overeenkomsten tussen partijen niet de algemene voorwaarden van [appellante] maar de MPC-voorwaarden van toepassing zijn, wordt verworpen. Dat de MPC-voorwaarden de branchevoorwaarden zijn van de zuivelindustrie, in welke branche beide partijen werkzaam zijn, en dat [appellante] op haar website naast haar eigen algemene voorwaarden ook de MPC-voorwaarden vermeldt, brengt nog niet automatisch mee dat de MPC-voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomsten die partijen hebben gesloten. Noch in de verkoopcontracten noch in de overgelegde correspondentie tussen partijen is de toepasselijkheid van de MPC-voorwaarden vermeld, in tegendeel: [appellante] vermeldt steeds uitdrukkelijk de toepasselijkheid van (alleen) haar eigen algemene voorwaarden. Het betoog van Girolac dat op overeenkomsten die tot stand komen via het DAO-platform altijd de MPC-voorwaarden van toepassing zijn is door [appellante] gemotiveerd weersproken, en heeft zij niet nader gemotiveerd en onderbouwd. De toepasselijkheid van de MPC-voorwaarden blijkt niet uit de door Girolac overgelegde stukken die afkomstig zijn van het DAO-platform. De stelling van Girolac dat het gebruikelijk is om bij gebruik van het DAO-platform de MPC-voorwaarden van toepassing te verklaren, maakt – indien juist – nog niet dat partijen hiervan niet kunnen afwijken. Uit de overgelegde stukken kan niet anders worden geconcludeerd dan dat [appellante] haar eigen algemene voorwaarden van toepassing wenste te verklaren op de overeenkomsten, dat Girolac daartegen niet heeft geprotesteerd en dat van enige wilsovereenstemming tot het (al dan niet via de MPC-voorwaarden) aangaan van een arbitrageovereenkomst niet is gebleken.
Uit het bovenstaande volgt dat de MPC-voorwaarden niet van toepassing zijn op de overeenkomsten die partijen hebben gesloten. Het beroep van Girolac op het in die voorwaarden opgenomen arbitragebeding kan daarom niet slagen.
Conclusie en proceskosten
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellante] tegen het vonnis van 27 december 2023 slaagt. Daarom zal het hof het vonnis van de rechtbank vernietigen, en de incidentele vordering van Girolac in het bevoegdheidsincident alsnog afwijzen. Het hof zal de zaak terugverwijzen naar de rechtbank ter verdere beoordeling en beslissing. Girolac zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, zowel van het bevoegdheidsincident in eerste aanleg als van het hoger beroep.
De door [appellante] gevorderde terugbetaling van de door haar krachtens het vonnis van de rechtbank aan Girolac betaalde bedragen van € 598,- en € 5.737,- , is door Girolac inhoudelijk niet bestreden en voor toewijzing vatbaar (vergelijk HR 30 januari 2004, ECLI:NL:HR: 2004:AN7327 rov 3.3). De gevorderde wettelijke rente over deze bedragen en over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
7Beslissing
Het hof:
verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van 24 januari 2024;
vernietigt het vonnis van de rechtbank van 27 december 2023;
– wijst de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring af;
– verklaart de rechtbank te Rotterdam internationaal bevoegd tot kennisneming van de vorderingen van [appellante] ;
– wijst de hoofdzaak terug naar de rechtbank Rotterdam ter verdere beoordeling en beslissing;
– veroordeelt Girolac in de kosten van het bevoegdheidsincident en van de procedure in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] voor het bevoegdheidsincident in de eerste aanleg begroot op € 598,- aan salaris voor de advocaat, en voor het hoger beroep op € 798,- aan griffierecht, € 112,37 aan kosten dagvaarding in hoger beroep, € 1.214,- aan salaris advocaat (1 punt in liquidatietarief II) en € 178,- aan nasalaris advocaat;
– veroordeelt Girolac tot terugbetaling van de door [appellante] krachtens het vonnis van de rechtbank aan Girolac betaalde bedragen van € 598,- en € 5.737,-;
veroordeelt Girolac tot betaling aan [appellante] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hierboven vermelde proceskosten en terug te betalen bedragen, met ingang van veertien dagen na de dagtekening van dit arrest;
bepaalt dat als Girolac niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Girolac de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, G.C. de Heer en R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...