ECLI:NL:GHSHE:2024:3283 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 17-10-2024 / 20-003508-19 (OWV)
Gepubliceerd ivm cassatieberoep
10 min de lecture · 2 177 mots
Inhoudsindicatie. Gepubliceerd ivm cassatieberoep
Parketnummer : 20-003508-19 OWV
Uitspraak : 17 oktober 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 4 november 2019 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-993335-15 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1955,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op
€ 713.224,- en heeft aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor dat bedrag.
Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft verweren gevoerd betreffende de hoogte van het vastgestelde voordeel en van de opgelegde betalingsverplichting.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank van 20 april 2018 onder parketnummer 01/993335-15 onder meer veroordeeld ter zake van feit 1:
“medeplegen van om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen,
een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen,
een ander middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en
vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd”.
Kort gezegd komt de veroordeling ter zake feit 1 er op neer dat verdachte in vereniging met een ander of anderen in de periode van 17 augustus 2015 tot en met 12 januari 2016, zich schuldig heeft gemaakt aan grootschalige handel in chemische stoffen die gebruikt kunnen worden voor de productie dan wel de bewerking of verwerking van synthetische drugs.
De wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de betrokkene door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten. Waarbij uit het dossier en het strafvonnis van de rechtbank (zie hierna) voldoende aanwijzingen zijn af te leiden dat betrokkene niet alleen de chemische stoffen ten behoeve de productie van drugs bestelde en vervoerde maar deze ook verkocht waarmee door betrokkene voordeel werd behaald.
Geen soortgelijke feiten
De rechtbank heeft in het ontnemingsvonnis niet alleen voordeel ontnomen uit de bewezenverklaarde feiten maar eveneens uit andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door betrokkene zijn begaan, te weten het bestellen en verkopen van chemische stoffen ten behoeve van de drugsproductie in de periode van 15 juni 2015 tot 17 augustus 2015.
Met de verdediging en anders dan de advocaat-generaal en de rechtbank zal het hof deze andere feiten niet in de voordeelsberekening betrekken nu uit het dossier van onvoldoende aanwijzingen blijkt dat deze feiten door betrokkene zijn begaan. De door de rechtbank aan deze andere feiten ten grondslag gelegde overzichtslijsten uit de bedrijfsadministratie van de firma [bedrijf] waar de chemische stoffen werden besteld zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende om als een dergelijke aanwijzing te dienen.
Schatting van het voordeel
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene enkel als tussenpersoon en chauffeur heeft gefungeerd. Betrokkene kreeg van anderen een lijstje mee met chemische stoffen die hij bij de firma [bedrijf] in België moest ophalen, heeft deze bestellingen opgehaald en vervolgens aan anderen afgegeven. De rol van betrokkene is geen andere geweest dan die van chauffeur waarvoor betrokkene een vergoeding heeft ontvangen, aldus de verdediging.
Het hof gaat aan dit standpunt voorbij onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank in de strafzaak van betrokkene heeft overwogen (pagina 22 van het strafvonnis):
“Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de grootschalige handel in chemische stoffen die kunnen worden gebruikt voor de productie dan wel de bewerking of verwerking van
synthetische drugs. Uit het dossier komt het beeld naar voren dat verdachte de spil was bij de voorbereidingshandelingen. Verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer vijf maanden al dan niet met gebruikmaking van een tussenpersoon grote hoeveelheden chemicaliën van de firma [bedrijf] te Luik afgenomen en leverde deze een aantal malen door aan derden. In totaal is betrokkenheid van verdachte bij elf transporten van chemicaliën bewezen.
Verdachte heeft met voornoemd handelen weliswaar niet zelf synthetische drugs geproduceerd, maar was wel een onmisbare schakel in het productieproces.”
De rol die de betrokkene heeft vervuld is naar het oordeel van de strafrechter – waaraan de ontnemingsrechter is gebonden – van een geheel andere orde geweest dan enkel het optreden als chauffeur. In het licht van wat de strafrechter over de rol van betrokkene heeft overwogen is het aannemelijker dat betrokkene de chemische stoffen niet alleen bestelde maar deze ook doorverkocht waarmee door hem winsten werden behaald.
Het hof volgt derhalve niet het standpunt van de verdediging dat betrokkene enkel als tussenpersoon heeft geopereerd en daarvoor een vergoeding heeft ontvangen.
Andere berekening dan de rechtbank
Medebetrokkenen
Anders dan de rechtbank gaat het hof bij de navolgende schatting er vanuit dat betrokkene telkens in ieder geval met een ander heeft gehandeld. Dit volgt uit de bewezenverklaring in het strafvonnis waarin is opgenomen dat betrokkene “en een of meer van zijn mededaders” (pagina 17 van het strafvonnis) hebben gehandeld. Dat een van de medebetrokkenen, [medeverdachte] , ten aanzien van een aantal bestellingen door de rechtbank is vrijgesproken doet aan dit uitgangspunt niet af. Immers dan nog heeft betrokkene volgens het strafvonnis met een of meer anderen gehandeld.
Grote hoeveelheid chemicaliën
Verder volgt het hof de rechtbank daar waar deze de bewezenverklaarde hoeveelheden bestelde chemicaliën tot uitgangspunt heeft genomen en waarbij in het geval van een bewezenverklaarde “grote hoeveelheid” is aangesloten bij hetgeen daaromtrent uit het dossier blijkt.
Wisselende hoeveelheden
In de bewezenverklaring worden de hoeveelheden zowel in liters als in grammen weergegeven. Met de rechtbank zal het hof deze hoeveelheden telkens niet omrekenen omdat het slechts om een schatting gaat.
Inkoopprijs en opslagfactor
Met de rechtbank gaat het hof uit van een inkoopprijs van de chemische stoffen van 0,70 eurocent per kg/ltr. Eveneens zal bij de verkoopprijs een opslagfactor van 7 worden gehanteerd. Waarbij het hof overigens opmerkt dat deze opslagfactor vervolgens door de rechtbank (op pagina 5 van het vonnis) op onjuiste wijze wordt toegepast door geen opslagfactor van 7 maar van 10 te hanteren.
Transportkosten
Met de rechtbank neemt het hof aan transportkosten tot uitgangspunt € 200,- per 1.000 kilo (hof: bestelde chemicaliën) en € 70,- per dag voor de huur van vrachtauto’s.
De schatting
Uit de bewezenverklaring in de strafzaak blijkt van de navolgende bestellingen:
-Periode 17 augustus 2015 tot en met 19 augustus 2015:
990 liter zwavelzuur
120 liter mierenzuur
600 liter aceton
-op 25 augustus 2015
500 kg mierenzuur
-op 22 september 2015
2160 kg. zoutzuur
990 liter aceton
990 liter methanol
1254 kg. mierenzuur
1000 kg. caustic soda
-omstreeks 2 oktober 2015
2160 kg. zoutzuur
990 liter methanol
2775 kg. zwavelzuur
100 liter dimethylformamide
-omstreeks 8 oktober 2015
4000 kg. caustic soda
2160 kg. zoutzuur
-periode van 29 oktober 2015 tot en met 30 oktober 2015
2790 liter aceton
1380 liter methanol
1850 kg. zwavelzuur
2356 kg. mierenzuur
1836 kg. zoutzuur
-periode van 9 december 2015 tot en met 10 december 2015
een grote hoeveelheid zoutzuur
216 liter – (Schriftelijk bescheid, proces-verbaal van de Federale Gerechtelijke Politie te Luik (pag. 2964)
-op 7 januari 2016
1000 kg. caustic soda
-op 12 januari 2016
935 kg zwavelzuur
81 kg zoutzuur
380 kg mierenzuur
500 kg caustic soda
-12 januari 2016
300 liter zoutzuur
400 liter zwavelzuur
Totaal: 34.813 kg/ltr bestelde (hof: en (door)verkochte hoeveelheden.
Inkoopprijs totaal: 34.813 kg/ltr x € 0,70= € 24.369,10
Verkoopprijs: € 24.369,10 x € 4,90,-= € 119.408,59.
Brutowinst: (€ 119.408,59 -/- € 24.369,10=) € 95.039,49.
Transportkosten:
Chauffeursvergoeding: 34.813 kg/ltr gedeeld door 1000 x € 200,-= € 6.962,60
Huur vrachtwagen: 34.813 kg/ltr gedeeld door 3000 kg/ltr x € 70,-= € 812,30 +
Totaal: € 7.774,90
Resume
Samenvattend wordt het voordeel geschat op (€ 95.039,49 -/- € 7.774,90=) € 87.264,59.
Toerekening
Het hof heeft hiervoor overwogen dat betrokkene – gelet op de bewezenverklaring in de onderliggende strafzaak – bij de bestellingen in ieder geval met een ander heeft gehandeld
Gelet hierop zal het hof het voordeel ponds-pondsgewijs toerekenen en aan betrokkene als voordeel toerekenen een bedrag van (€ 87.264,59 gedeeld door 2=) € 43.632,- (afgerond) en het voordeel daarop vaststellen.
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Redelijke termijn
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting gematigd dient te worden omdat in het hoger beroep de redelijke termijn als is bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. Voor wat betreft de omvang van de matiging heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Met betrekking tot de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM stelt het hof het navolgende vast.
Voor wat betreft de eerste aanleg stelt het hof de aanvang van deze termijn op 14 februari 2018, zijnde het moment waarop de in art. 511b Sv bedoelde vordering aan de betrokkene is betekend.
Het einde van de termijn wordt gesteld op 4 november 2019, zijnde de datum van het ontnemingsvonnis. In deze fase heeft er geen schending van de redelijke termijn van twee jaren plaatsgevonden.
Voor de fase van het hoger beroep stelt het hof de aanvang van de termijn op 15 november 2019, zijnde het moment waarop door de verdediging hoger beroep is ingesteld. Het einde van de termijn wordt gesteld op de datum van dit arrest, zijnde 17 oktober 2024. Daarmee is de redelijke termijn van twee jaren met 2 jaren en ruim 11 maanden overschreden. In de fase van het hoger beroep hebben zittingen plaatsgevonden op 9 december 2022 en 29 juni 2023 en laatstelijk op 3 oktober 2024. Bij de eerste zitting is het onderzoek aangehouden omdat het hof niet over het complete dossier beschikte. De tweede zitting is aangehouden omdat betrokkene fysiek niet in staat was ter zitting te verschijnen maar is nadien op verzoek van de verdediging de betrokkene nog wel gehoord ten overstaan van de raadsheer-commissaris van dit hof op 27 mei 2024. Met inachtneming van deze omstandigheden ziet het hof aanleiding om de betalingsverplichting met 10% te matigen en aan betrokkene een betalingsverplichting op te leggen van (€ 43.632,- -/- 10%=) € 39.268,-(afgerond).
Gijzeling
Met ingang van 1 januari 2020 heeft het nieuwe elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kracht van wet gekregen. Het hof zal daarom bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel tevens de duur van de gijzeling bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering in de onderhavige zaak ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt.
Het hof hanteert, overeenkomstig de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde uitgangspunten, bij de berekening van de duur van deze gijzeling voor elke volle € 50,00 van de betalingsverplichting één dag. De maximale duur van de gijzeling bedraagt ingevolge artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht drie jaren.
Gelet op de hoogte van de op te leggen betalingsverplichting zal het hof mitsdien de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd hierna bepalen op 785 dagen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 43.632,00 (drieënveertigduizend zeshonderdtweeëndertig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 39.268,00 (negenendertigduizend tweehonderdachtenzestig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 785 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,
mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. F. van Es, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 17 oktober 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...