ECLI:NL:GHSHE:2025:1510 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 11-03-2025 / 200.352.114_01
Verschoningsverzoek afgewezen. Het enkele feit dat een raadsheer reeds eerder een medeverdachte heeft veroordeeld in een andere strafrechtelijke procedure is niet voldoende om twijfel te doen rijzen over de onpartijdigheid van de raadsheer.
6 min de lecture · 1 259 mots
Inhoudsindicatie. Verschoningsverzoek afgewezen. Het enkele feit dat een raadsheer reeds eerder een medeverdachte heeft veroordeeld in een andere strafrechtelijke procedure is niet voldoende om twijfel te doen rijzen over de onpartijdigheid van de raadsheer.
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van verschoningsverzoeken
op het schriftelijk verzoek zich te mogen verschonen als bedoeld in artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering van:
mr. R. Lonterman, raadsheer in de zesde meervoudige strafkamer van
het gerechtshof ’s-Hertogenbosch,
hierna ook te noemen: verzoeker,
belast met de behandeling van de strafzaak van verdachte [verdachte] (hierna: de verdachte) onder parketnummer [parketnummer 1] , welke wordt bijgestaan door zijn raadsman mr. K.B.H. Welvaart, advocaat te Maastricht.
1Procesverloop
De verdachte is gedagvaard om op 12 maart 2025 te 14.00 uur ter terechtzitting van het hof te verschijnen. Verzoeker behoort als voorzitter tot de behandelend strafkamer.
Bij brief van 11 maart 2025 heeft verzoeker een schriftelijk verzoek ingediend bij de verschoningskamer, strekkende tot verschoning van zichzelf van de behandeling in voormelde zaak.
Het verzoek is, zonder daaraan voorafgaande mondelinge behandeling, behandeld in raadkamer van 11 maart 2025. De verschoningskamer heeft vervolgens beslist dat zo spoedig mogelijk op het verschoningsverzoek zal worden beschikt.
2De motivering
Aan het verzoek om zich te mogen verschonen heeft verzoeker het volgende ten grondslag gelegd.
Verzoeker is tijdens de bestudering van het procesdossier in de strafzaak tot de conclusie gekomen dat hij eerder, als lid van een andere strafkamer van het hof, de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte] onder parketnummer [parketnummer 2] heeft berecht. In die zaak is ten laste van de medeverdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van afpersing met geweld en bedreiging met geweld. De tenlastelegging in de zaak van de medeverdachte is gelijkluidend aan die in de zaak tegen de verdachte. Hetzelfde geldt voor het onderliggende procesdossier, dat grotendeels bestaat uit uitgewerkte OVC-gesprekken. Volgens verzoeker speelt de verdachte een prominente rol in die OVC-gesprekken. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat het in de lijn der verwachting ligt dat de verdachte in de strafzaak, naast betwisting van zijn (directe) betrokkenheid bij het tenlastegelegde, als (hoofd)verweer zal aanvoeren dat geen sprake is geweest van wederrechtelijke bevoordeling. Die wederrechtelijke bevoordeling dient in rechte te worden vastgesteld om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd. Dit verweer, hoewel het is niet is gevoerd in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] , lijkt in het ten laste van die medeverdachte gewezen arrest wel te zijn beslecht, aldus verzoeker.
Het voorgaande leidt ertoe dat verzoeker bijzondere omstandigheden aanwezig acht die inwilliging van het verzoek rechtvaardigen.
3De beoordeling
Ingevolge artikel 517, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan elk van de raadsheren die een zaak behandelt, verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten of omstandigheden waardoor diens onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Het verzoek kan zowel schriftelijk als mondeling ter terechtzitting geschieden.
Vooropgesteld dient te worden dat een raadsheer uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen zouden kunnen opleveren voor het oordeel dat de raadsheer een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
De enkele omstandigheid dat de zaak van de verdachte in hoger beroep wordt behandeld door een kamer van het gerechtshof, waarvan een lid zitting heeft gehad in de kamer van het gerechtshof die voordien, te weten in de zaak tegen de medeverdachte, het oordeel heeft uitgesproken dat die medeverdachte met de nadien terecht staande verdachte het strafbare feit heeft gepleegd, levert geen zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld. Het is immers de normale, wettelijke taak van de raadsheer die heeft te beslissen omtrent de in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde vragen, daarbij uitsluitend te oordelen op de grondslag van het aan de verdachte tenlastegelegde en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande in de zaak van de verdachte, en daarbij hetgeen hij heeft beslist in andere zaken, van een andere verdachte, buiten beschouwing te laten (vgl. HR 26 mei 1992, NJ 1992, 676 en HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5050).
Dit kan echter anders zijn indien bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een zwaarwegende aanwijzing opleveren om te oordelen dat er bij de verdachte een objectief gerechtvaardigde vrees kan bestaan dat de raadsheer jegens hem een vooringenomenheid koestert.
De verschoningskamer stelt vast dat medeverdachte [medeverdachte] bij arrest van dit hof van 30 januari 2023, gewezen onder parketnummer [parketnummer 2] , ter zake van ‘medeplegen van afpersing’ is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Verzoeker was voorzitter van de behandelend strafkamer.
Uit dit arrest komt naar voren dat de medeverdachte als lid van de motorclub [motorclub] , samen met andere leden van de betreffende motorclub, in een clubhuis van de motorclub een ander lid van de motorclub heeft mishandeld en bedreigd en aldus het slachtoffer (op de bewezenverklaarde wijze) heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag van € 5.500,00, diens (Ducati) motorfiets met bijbehorende (kenteken)papieren en tot betaling van een openstaande factuur van € 1.896,00, welke aan voormelde motorfiets was gelieerd. Door de leden van de motorclub, met name door de medeverdachte zelf, is fors geweld gepleegd jegens het slachtoffer, waarbij het slachtoffer meermalen tegen het hoofd en het lichaam is geslagen.
Ofschoon het hof in het arrest tegen medeverdachte [medeverdachte] bewezen heeft verklaard dat hij het tenlastegelegde ‘tezamen en in vereniging’ met anderen heeft gepleegd, komt daaruit niet (ook niet uit de opgenomen, niet nader uitgewerkte, bewijsmiddelen) naar voren wie die anderen in concreto betreffen. Aldus blijkt uit het arrest, ten laste van de medeverdachte gewezen, niet onmiskenbaar van de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde en valt daaruit voorts niet af te leiden dat reeds een oordeel is geveld over zijn schuld aan hetgeen hem in zijn eigen strafzaak wordt verweten.
Het enkele feit dat een raadsheer reeds eerder een medeverdachte heeft veroordeeld in een andere strafrechtelijke procedure is niet voldoende om twijfel te doen rijzen over de onpartijdigheid van verzoeker. Nu in de zaak van de medeverdachte evenmin onmiskenbaar een uitspraak is gedaan over de schuld van de verdachte en er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die nopen tot een andersluidende conclusie, is er naar het oordeel van de verschoningskamer onvoldoende grond om tot honorering van het verzoek over te kunnen gaan (vgl. EHRM 24 maart 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:0324JUD003227104). Hetgeen verzoeker, enigszins prematuur, te berde heeft gebracht aangaande verweren die door of namens de verdachte in zijn strafzaak kunnen worden gevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Het voorgaande leidt ertoe dat de verschoningskamer het verzoek zal afwijzen.
4De beslissing
Het hof:
wijst het verzoek tot verschoning van mr. R. Lonterman af;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, aan mr. K.B.H. Welvaart, advocaat te Maastricht, alsmede aan mr. M. Jansen, advocaat-generaal bij het ressortsparket ’s-Hertogenbosch.
Deze beslissing is gegeven te ’s-Hertogenbosch op 11 maart 2025 door mr. J.W. van Rijkom, voorzitter, mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. E.H. Schulten, leden, bijgestaan door
mr. lic. J.N. van Veen, griffier.
Mrs. Schulten en Van Krieken voornoemd zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...