ECLI:NL:HR:2024:1817 Hoge Raad , 10-12-2024 / 22/02738
Medeplegen witwassen van geldbedrag (€ 30.000), art. 420bis.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten voorwaardelijk opzet, medeplegen en gebruik voor bewijs van verklaring van medeverdachte. 2. Redelijke termijn in cassatiefase voor terugwijzing van zaak door HR. Kon hof oordelen dat geen sprake is van overschrijding van redelijke termijn in vorige cassatiefase door voortvarende b...
4 min de lecture · 791 mots
Inhoudsindicatie. Medeplegen witwassen van geldbedrag (€ 30.000), art. 420bis.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten voorwaardelijk opzet, medeplegen en gebruik voor bewijs van verklaring van medeverdachte. 2. Redelijke termijn in cassatiefase voor terugwijzing van zaak door HR. Kon hof oordelen dat geen sprake is van overschrijding van redelijke termijn in vorige cassatiefase door voortvarende behandeling in cassatie?
Inhoudsindicatie. Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: O.g.v. bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, heeft hof kunnen oordelen dat verdachte een plastic tas heeft overgedragen met daarin contant geldbedrag van € 30.000. Hof heeft o.g.v. vaststellingen in zijn nadere bewijsoverwegingen kunnen oordelen dat verdachte door zo te handelen welbewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door haar overgedragen goed van enig misdrijf afkomstig was. Nu verdachte (gelet op hiervoor genoemde vaststellingen) degene is geweest die in opdracht van haar echtgenoot de tas met contant geldbedrag daadwerkelijk heeft overgedragen, is ’s hofs oordeel dat sprake is van medeplegen witwassen eveneens niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De als bewijsmiddel gebruikte verklaring van medeverdachte beschrijft andere gang van zaken dan die ten grondslag lag aan bewezenverklaarde geldoverdracht. Bewezenverklaring is ook met weglating van als b.m. gebruikte verklaring van medeverdachte toereikend gemotiveerd.
Inhoudsindicatie. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG is middel gegrond. CAG: Hof heeft vastgesteld dat inzendtermijn van 8 maanden in vorige cassatieprocedure is overschreden. Vervolgens heeft hof geoordeeld dat HR uitspraak heeft gedaan binnen 2 jaren na het instellen van cassatieberoep, zodat overschrijding van inzendtermijn door voortvarende behandeling in cassatie is gecompenseerd. Dat oordeel getuigt van onjuiste rechtsopvatting, nu overschrijding van inzendtermijn slechts kan worden gecompenseerd doordat HR binnen 16 maanden na het instellen van cassatieberoep uitspraak doet. Dat is hier niet aan de orde.
Inhoudsindicatie. HR doet zaak zelf af door opgelegde taakstraf van 180 uren (mede gelet op overschrijding van redelijke termijn in deze cassatieprocedure) met 25 uren te verminderen. Samenhang met 22/02736. Vervolg op HR:2020:1904.
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02738
Datum 10 december 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 juli 2022, nummer 21-004528-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel komt met verschillende deelklachten op tegen de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 19.
3Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel
Het tweede cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase voor terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad. Het derde cassatiemiddel klaagt dat in de huidige cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Het tweede cassatiemiddel is gegrond. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 22 tot en met 24.
Ook het derde cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden.
De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen door vermindering van de opgelegde taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
4Beslissing
De Hoge Raad:
– vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
– vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 155 uren beloopt, subsidiair 77 dagen hechtenis;
– verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2024.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...