ECLI:NL:HR:2025:496 Hoge Raad , 01-04-2025 / 23/01522
Medeplegen mensensmokkel, meermalen gepleegd (art. 197a.1 Sr), medeplegen mensenhandel, meermalen gepleegd (art. 250ter (oud) en 250a (oud) Sr) en medeplegen vervalsen paspoort (art. 231 Sr). 1. Hof heeft volstaan met opmaken van verkort p-v van tz. in hoger beroep, art. 327a Sv. 2. Verjaring medeplegen vervalsen paspoort (feit 4), absolute verjaringstermijn (art. 70.1.3 jo. 72.2 Sr). Ad 1. Hof...
3 min de lecture · 647 mots
Inhoudsindicatie. Medeplegen mensensmokkel, meermalen gepleegd (art. 197a.1 Sr), medeplegen mensenhandel, meermalen gepleegd (art. 250ter (oud) en 250a (oud) Sr) en medeplegen vervalsen paspoort (art. 231 Sr). 1. Hof heeft volstaan met opmaken van verkort p-v van tz. in hoger beroep, art. 327a Sv. 2. Verjaring medeplegen vervalsen paspoort (feit 4), absolute verjaringstermijn (art. 70.1.3 jo. 72.2 Sr).
Inhoudsindicatie. Ad 1. Hof heeft aan HR bericht dat uitgewerkt p-v van tz. in h.b. van 5-11-2004 niet is opgemaakt. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat in art. 327a.3 Sv bedoelde aanvulling van verkort p-v niet heeft plaatsgevonden.
Inhoudsindicatie. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Feit 4 is strafbaar gesteld bij art. 231 Sr en hierop was gevangenisstraf van ten hoogste 4 jaren gesteld. Feit is volgens tll. begaan in of omstreeks periode van 1-8-1999 tot en met 30-1-2001. O.g.v. art. 70.1.3 jo. 72.2 Sr bedroeg absolute verjaringstermijn tweemaal 12 jaren. Daarom is recht tot vervolging van feit 4 verjaard. HR verklaart OM voor dit feit n-o in vervolging.
Inhoudsindicatie. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01522
Datum 1 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 november 2004, nummer 22-000377-04, in de strafzaak
tegen
[verdachte] (volgens opgave BRP: [verdachte]),
geboren op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van hetgeen onder 4 aan de verdachte ten laste is gelegd en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak met inachtneming van de hiervoor genoemde beslissing op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof in strijd met artikel 327a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) heeft volstaan met het opmaken van een verkort proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2004.
Het hof heeft aan de Hoge Raad bericht dat een uitgewerkt proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2004 niet is opgemaakt. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat de in artikel 327a lid 3 Sv bedoelde aanvulling van het verkorte proces-verbaal niet heeft plaatsgevonden.
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het.
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel voert aan dat voor feit 4 het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 3.
De Hoge Raad zal voor feit 4 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.
4Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de cassatiemiddelen voor het overige niet nodig.
5Beslissing
De Hoge Raad:
– vernietigt de uitspraak van het hof;
– vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2002, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 4 tenlastegelegde;
– verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging voor het onder 4 tenlastegelegde;
– wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak – met uitzondering van het onder 4 tenlastegelegde – opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2025.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...