ECLI:NL:HR:2026:617 Hoge Raad , 14-04-2026 / 24/02511
Medeplegen invoer van 3.776 kilogram cocaïne (art. 2.A Opiumwet) en medeplegen gewoontewitwassen van geldbedragen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr). 1. Bewijsklacht medeplegen invoer van cocaïne. Heeft hof niet bestaand PGP-bericht aan bewezenverklaring ten grondslag gelegd? 2. Bewijsklachten gewoontewitwassen. Kon hof oordelen dat het niet anders kan zijn dan dat de in tll. opgenomen geldbedra...
3 min de lecture · 497 mots
Inhoudsindicatie. Medeplegen invoer van 3.776 kilogram cocaïne (art. 2.A Opiumwet) en medeplegen gewoontewitwassen van geldbedragen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr). 1. Bewijsklacht medeplegen invoer van cocaïne. Heeft hof niet bestaand PGP-bericht aan bewezenverklaring ten grondslag gelegd? 2. Bewijsklachten gewoontewitwassen. Kon hof oordelen dat het niet anders kan zijn dan dat de in tll. opgenomen geldbedragen van enig misdrijf afkomstig zijn?
Inhoudsindicatie. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/02523, 24/02527 en 24/02659.
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02511
Datum 14 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 juli 2024, nummer 22-001155-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J. Bussink bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren en negen maanden.
4Beslissing
De Hoge Raad:
– vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
– vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en zes maanden beloopt;
– verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...