ECLI:NL:RBAMS:2025:2003 Rechtbank Amsterdam , 27-03-2025 / 23/7202
Beroep ongegrond. Ongemaximeerde WIA-maandloon. De wetgever heeft bewust beoogd om alle uitkeringen op grond van een levensloopregeling zonder dat sprake is van onbetaald extra verlof uit te sluiten van het WIA-maandloon.
6 min de lecture · 1 232 mots
Inhoudsindicatie. Beroep ongegrond. Ongemaximeerde WIA-maandloon. De wetgever heeft bewust beoogd om alle uitkeringen op grond van een levensloopregeling zonder dat sprake is van onbetaald extra verlof uit te sluiten van het WIA-maandloon.
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/7202
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser,
(gemachtigde: mr. L.M. Ravestijn),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland, uit Amsterdam, als (voormalig) werkgever van eiser en Stichting Pensioenfonds ABP, uit Heerlen.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling van het WIA-maandloon van zijn uitkering op grond van de Wet WIA.
Verweerder heeft met het primaire besluit van 3 maart 2023 aan eiser een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 – 100 %. Het WIA-maandloon (zonder maximering) is daarbij vastgesteld op € 11.565,78.
De Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 10 november 2023 heeft verweerder het bezwaar (gedeeltelijk) ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder het WIA-maandloon van eiser (zonder maximering) vastgesteld op € 7.245,14.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2025. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland was aanwezig de gemachtigde mr. G.G.E.A. Frederix-Gianotten. Namens de Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: ABP) was aanwezig [naam] .
Totstandkoming van de besluiten
1. Eiser heeft vanaf 1993 28 jaar gewerkt als [functie 1]. Voor het laatst was hij werkzaam als [functie 2] bij [bedrijf] voor gemiddeld 36 uur per week. Eiser heeft zich naast zijn werkzaamheden lange tijd ingespannen om de veilige werksfeer bij de brandweer te verbeteren. Hij heeft zich op 16 februari 2021 ziekgemeld voor zijn werk. De werkgever heeft (een deel van) de gezondheidsklachten van eiser inmiddels ook erkend als beroepsziekte. Eiser heeft de volledige wachttijd van 104 weken doorlopen en hierna een WIA-uitkering aangevraagd.
2. Met het primaire besluit heeft verweerder aan eiser een WIA-uitkering toegekend. Het WIA-maandloon is daarbij vastgesteld op € 11.565,78. Dit bedrag is hoger dan het maximale WIA-maandloon waardoor verweerder een uitkering heeft toegekend naar de maximale hoogte. De Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit heeft verweerder het WIA-maandloon vastgesteld op € 7.245,14. Ook dit bedrag is hoger dan het maximale WIA-maandloon waardoor met het bestreden besluit de hoogte van eisers WIA-uitkering niet is gewijzigd.
Beoordeling door de rechtbank
3. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verweerder op goede gronden het WIA-maandloon van eiser (zonder maximering) heeft vastgesteld op € 7.245,14.
4. Eiser heeft aangevoerd dat hij belang heeft bij het juist vaststellen van zijn WIA-maandloon. Hij ontvangt namelijk een arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP, waarbij het WIA-maandloon geldt als uitgangspunt voor de hoogte van dit pensioen. Het ABP heeft op de zitting bevestigd dat zij het bedrag van het WIA-maandloon overneemt van verweerder zonder controle op de juistheid van dit bedrag. Het ABP vindt daarom eveneens dat eiser een belang heeft in deze procedure. Verweerder heeft op de zitting opgeworpen dat de juiste vaststelling van het WIA-maandloon eventueel nog van invloed kan zijn als eiser in de toekomst weer gaat werken. Hoewel volgens verweerder eiser in het kader van de Wet WIA op dit moment geen belang heeft, kan hij dit in de toekomst mogelijk dus wel nog krijgen. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande – en de uitdrukkelijke wil van alle partijen om een antwoord te krijgen op de rechtsvraag die voorligt – aanleiding om een inhoudelijk oordeel te geven over deze rechtsvraag.
5. Partijen verschillen in de kern van mening over de vraag of bij de vaststelling van het WIA-maandloon de extra werkgeversbijdrage levensloop, ten bedrage van € 45.158,28, moet worden meegenomen. Uit de brief van 26 oktober 2020 van de veiligheidsregio Amsterdam Amstelland volgt dat dit bedrag het gevolg is van de uitbetaling van een extra werkgeversbijdrage levensloop om een fiscale boete te voorkomen. Door een eerdere keuze van eiser is het bedrag in de referteperiode aan hem uitbetaald en niet zoals in andere gevallen gestort op een Loyalis polis. Eiser is van mening dat de bijdrage, nu deze in de referteperiode is uitbetaald, onder zijn WIA-maandloon valt.
6. Eiser heeft de extra werkgeversbijdrage levensloop ontvangen in 2020. Uit het op dat moment geldende artikel 14, onder c, van het Dagloonbesluit volgt – samengevat – dat de uitkering die een werknemer op grond van een levensloopregeling krijgt, zonder dat sprake is van onbetaald extra verlof, geen loon is in de zin van de Wet WIA. Vaststaat dat aan eiser een extra werkgeversbijdrage levensloop is uitgekeerd ontvangen zonder dat hij daarvoor extra onbetaald verlof heeft gekregen. Dat eiser het bedrag niet zelf heeft opgenomen, maar dat dit veroorzaakt is door een uitkering van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland ter voorkoming van een fiscale boete, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank is deze situatie gelijk te stellen aan de situatie in artikel 14, onder c, van het Dagloonbesluit. De wetgever heeft met deze bepaling bewust beoogd om alle uitkeringen op grond van een levensloopregeling zonder dat sprake is van onbetaald extra verlof uit te sluiten van het WIA-maandloon.
7. Het dagloonbesluit geeft verweerder verder geen ruimte voor een belangenafweging waarin ook andere belangen van eiser kunnen worden meegewogen en de uitkering alsnog kan worden meegenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
8. De rechtbank is verder van oordeel dat ook het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is namelijk vereist dat eiser aannemelijk maakt dat van de zijde van een bestuursorgaan toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of, en zo ja hoe, het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Niet is gebleken dat verweerder heeft toegezegd dat de extra werkgeversbijdrage levensloop onderdeel uitmaakt van het WIA-maandloon van eiser. Dat eiser betreurt dat zijn (voormalig) werkgever hem hier onvoldoende over heeft geïnformeerd, maakt niet dat verweerder gebonden is om de extra werkgeversbijdrage levensloop wel te betrekken.
Conclusie en gevolgen
9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder bij de vaststelling van het WIA-maandloon op goede gronden de extra werkgeversbijdrage levensloop niet meegenomen. Anders dan eiser aanvoert, is het WIA-maandloon in het bestreden besluit dus niet te laag vastgesteld.
10. Het beroep van eiser is dan ook ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat bij deze uitkomst ook geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van de Water, voorzitter, en mr. H.J. Tijselink en
mr. M.C. Eggink, leden,in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2025.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Voetnoten
- De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
- Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...