ECLI:NL:RBAMS:2025:2703 Rechtbank Amsterdam , 29-04-2025 / AWB – 25 _ 155

Wmo - noodopvang - bodemprocedure en voorlopige voorziening - belangen van het kind onvoldoende meegewogen - regiobindingseis mocht worden tegengeworpen (onvoldoende bewijs dat eiseres in Amsterdam woonde)

Source officielle

15 min de lecture 3 157 mots

Inhoudsindicatie. Wmo – noodopvang – bodemprocedure en voorlopige voorziening – belangen van het kind onvoldoende meegewogen – regiobindingseis mocht worden tegengeworpen (onvoldoende bewijs dat eiseres in Amsterdam woonde)

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 25/155 (beroep) en AMS 25/2412 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 29 april 2025 in de zaken tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

mede namens haar minderjarige zoontje [naam zoon]

(gemachtigde: mr. R.M. Vaalburg),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (hierna: de gemeente)

(gemachtigde: [namen gemachtigde verweerder] ).

Conclusie

1. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) stelt [eiseres] (eiseres/verzoekster) in het gelijk. De gemeente heeft de belangen van het zoontje van eiseres, [naam zoon] , onvoldoende meegewogen in het besluit op bezwaar, waarbij zij niet zijn toegelaten tot de noodopvang. De gemeente moet eiseres en [naam zoon] opvang bieden voor een periode tot zes weken na de – nieuw te nemen – beslissing op bezwaar, tenzij er andere opvangmogelijkheden zijn in het netwerk van eiseres.

Wat is de aanleiding voor deze rechtszaken?

De situatie van dakloosheid

Eiseres komt uit Ghana en zegt vijf jaar in [woonplaats] te verblijven. Ze heeft hier nooit een eigen woning gehad. Ze was de eerste jaren illegaal in Nederland en ze heeft sinds 29 januari 2024 een verblijfsvergunning, omdat ze een zoontje heeft gekregen met de Nederlandse nationaliteit. Haar zoontje, [naam zoon] , is na zes maanden zwangerschap geboren. Ze verbleef samen met [naam zoon] , van inmiddels twee jaar oud, enige tijd in een kerk in [wijk] . Daar zijn ze op 30 september 2024 uitgezet. Sindsdien verbleven ze op wisselende adressen bij kennissen.

Eiseres heeft op 9 april 2025 te horen gekregen dat ze het logeeradres, waar ze een tijd konden verblijven, op 15 april 2025 moest verlaten omdat de woning wordt gerenoveerd. Op de zitting is uitgelegd dat eiseres en [naam zoon] maximaal drie weken bij een andere kennis kunnen verblijven. Eiseres zwerft met [naam zoon] al deze maanden overdag veelal op straat rond in [wijk] , omdat ze geen sleutel kreeg van de woningen waar ze verbleef en overdag niet in de woning kon zijn. Ook zijn eiseres en [naam zoon] via de Regenbooggroep een aantal keer in een hotel geplaatst in januari toen ze geen plek meer hadden om te verblijven. Er zijn verder geen instanties betrokken bij het gezin.

De gemeente heeft eiseres niet toegelaten tot de noodopvang

Na uitzetting uit de kerk heeft eiseres zich samen met haar gemachtigde op 3 oktober 2024 gemeld bij Centraal Meldpunt Dakloze Gezinnen (CMDG) voor kortdurende noodopvang. De gemeente heeft deze aanvraag ter plekke afgewezen. Met het besluit op bezwaar van 27 november 2024 heeft de gemeente bevestigd dat eiseres niet in aanmerking komt voor noodopvang. Ze voldoet namelijk niet aan het vereiste van regiobinding, omdat ze niet minstens vier jaar staat ingeschreven in [woonplaats] in de Basisregistratie personen (Brp).

De procedures bij de rechtbank

Tijdens de bezwaarfase bij de gemeente heeft eiseres de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen en haar alsnog toe te laten tot de noodopvang. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen in een uitspraak van 22 oktober 2024, onder andere omdat de gemeente de regiobindingseis mocht tegenwerpen.

Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het besluit op bezwaar. Eiseres heeft vlak voor de zitting – vanwege de opnieuw dreigende dakloosheid – ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om eiseres en [naam zoon] toegang te verlenen tot een vorm van opvang. De rechtbank hield zitting op 22 april 2024, waar de zaken zijn besproken met partijen. Op de zitting waren aanwezig eiseres, [naam zoon] , haar gemachtigde, een tolk en de gemachtigden van de gemeente.

Waarom vindt eiseres dat ze wel moet worden toegelaten tot de noodopvang?

Eiseres kan niet in onderdak voorzien

Eisers en [naam zoon] zwerven al lange tijd van plek naar plek en zwerven overdag veelal op straat. Ze kunnen niet langer op hun laatste logeeradres verblijven, vanwege een renovatie van de woning, en mogen maximaal drie weken bij een kennis verblijven. Eiseres kan niet op een andere manier in onderdak voorzien en aan het eerste vereiste om in aanmerking te kunnen komen voor de noodopvang, is dus voldaan.

De regiobindingseis – eiseres verblijft al sinds 2018 in [woonplaats]

Eiseres vindt de weigering van de noodopvang vanwege de regiobindingseis onredelijk. Eiseres woont namelijk al sinds 2018 in [woonplaats] en heeft daarom ruim voldoende binding met de stad. Anders dan de gemeente lijkt te stellen, kan dit niet alleen onderbouwd worden met een inschrijving in de Basisregistratie personen (Brp). In het bestuursrecht geldt namelijk een vrije bewijsleer. Eiseres kon dit eerder tijdens de procedure over de eerste voorlopige voorziening nog niet onderbouwen vanwege de zeer korte termijn tussen het indienen van bezwaar en de zitting. Eiseres heeft de volgende stukken overgelegd om te onderbouwen dat zij al vijf jaar in [woonplaats] woont:

– een brief dat ze een persoonlijke ov-chipkaart heeft ontvangen op 20 november 2018.

– een e-mail van een arts van Dokters van de Wereld op de [adres] in [woonplaats] dat eiseres in 2019 en 2022 daar in behandeling is geweest.

– Een brief van de afdeling Gynaecologie van het [ziekenhuis 1] dat eiseres daar op 16 maart 2022 een afspraak had.

– Een brief van [tandarts] van 30 mei 2022, waaruit blijkt dat eiseres behandeld is.

– Twee brieven van [ziekenhuis 2] waaruit blijk dat eiseres op 31 oktober 2022 en op 13 maart 2024 op de poli Vasculaire Geneeskunde is geweest.

– Een brief van de poli Vasculaire Geneeskunde van 11 juli 2024, waarin vragen worden beantwoord door de behandelend arts in het kader van de Wmo procedure.

– Observaties van [stichting] over [naam zoon] over de periode van 28 december 2023 tot en met 5 september 2024.

Eiseres heeft in de bezwaarfase uitgelegd waarom zij aan de bindingseis voldoet en de gemeente is hier helemaal niet op ingegaan. De toon van het bestreden besluit is aanmatigend. Het lijkt erop dat de gemeente eiseres in een negatief daglicht probeert te zetten door haar af te schilderen als een afnemer van gemeentelijke voorzieningen, die niet voor eiseres en [naam zoon] bedoeld zouden zijn. De noodopvang is niet alleen bedoeld voor Nederlandse gezinnen, dit zou leiden tot onrechtmatig onderscheid op grond van nationaliteit. Eiseres wijst er overigens op dat het hebben van vier jaar rechtmatig verblijf evenmin als voorwaarde voor toegang tot de noodopvang kan worden gesteld, nu volgens het College voor de Rechten van de Mens daarmee een verboden onderscheid op grond van ras

wordt gemaakt.

De belangen van [naam zoon] zijn onvoldoende meegewogen

Eiseres vindt ook dat de belangen van [naam zoon] onvoldoende zijn meegewogen in het bestreden besluit. De gemeente moet deze belangen meewegen op grond van het IVRK. Het is niet duidelijk wat het afwijzende besluit precies voor gevolgen heeft voor [naam zoon] . De verwijzing naar het screeningsrapport van de GGD – waarin het een en ander is overwogen over [naam zoon] – is onvoldoende. Dit rapport is van mei 2024 en is inmiddels gedateerd. Het zag bovendien op de aanvraag voor maatschappelijke opvang en niet op de noodopvang. De omstandigheden van het gezin zijn veranderd na de screening. Eiseres en [naam zoon] zijn in de tussentijd hun voorlopige opvangplek in de kerk kwijtgeraakt, waardoor een 1-jarig kind op straat dreigde te belanden. Een toetsing aan artikel 3 van het IVRK moet ten minste gebaseerd zijn op actuele informatie. Eiseres verwijst in dit kader naar een uitspraak van deze rechtbank van 3 juni 2024.

Ten slotte heeft de gemeente volgens eiseres de weigering tot het verlenen van noodopvang ten onrechte gebaseerd op de constatering dat eiseres met [naam zoon] terug naar Ghana kan gaan. Als de weigering tot het verstrekken van voorzieningen ertoe leidt dat [naam zoon] het grondgebied van de lidstaten van de Unie moet verlaten schendt dit zijn rechten als Unieburger. De weigering om voorzieningen aan [naam zoon] toe te kennen stelt hem bloot aan een concreet en reëel risico op schending van zijn grondrechten.

Wat is het oordeel van de rechtbank in de beroepsprocedure (AMS 25/155)?

Het beoordelingskader over de noodopvang

Noodopvang voor dakloze gezinnen is geen algemene voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, maar buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit betekent dat de rechtbank moet toetsen of de gemeente het beleid consistent heeft toegepast en of de fundamentele rechten van eiseres en [naam zoon] niet zijn geschonden.

De gemeente heeft in het beleid de toegang tot de noodopvang beperkt tot Amsterdamse gezinnen die feitelijk acuut dak- en thuisloos zijn geworden. Het doel van de noodopvang is om deze Amsterdamse gezinnen een plek te geven van waaruit zij mogelijkheden voor een meer structurele oplossing kunnen zoeken. Zij krijgen opvang voor de duur van drie maanden (met de mogelijkheid om te verlengen met drie maanden als het gezin voldoende meewerkt), als zij aan de regiobindingseis voldoen en actief op zoek zijn naar woningen in of buiten [woonplaats] . De regiobindingseis houdt in dat ieder lid van het gezin minstens vier jaar in [woonplaats] moet wonen, dat wil zeggen ingeschreven zijn in de Brp. De achtergrond van de regiobindingseis is dat de noodopvang beschikbaar blijft voor mensen die een binding hebben met [woonplaats] . Zo wordt voorkomen dat gezinnen de noodopvang gebruiken als een manier om zich te vestigen in [woonplaats] .

Het oordeel van de rechtbank

De gemeente mocht de regiobindingseis tegenwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de gemeente bij het vaststellen of eiseres voldoet aan de regiobindingseis met [woonplaats] uit mag gaan van de inschrijving in de Brp. Een Brp inschrijving is een handige manier voor de gemeente om vast te stellen of er is voldaan aan de regiobindingseis. In het bestuursrecht geldt een vrije bewijsleer, waardoor er ook met andere bewijsmiddelen dan een Brp inschrijving aannemelijk moet kunnen worden gemaakt dat iemand feitelijk al vier jaar in [woonplaats] woont. Als de woonduur in [woonplaats] uitsluitend aannemelijk zou mogen worden gemaakt met een Brp inschrijving, zou dat een te rigide toepassing zijn van het buitenwettelijk begunstigend beleid. Er zijn namelijk bijzondere situaties denkbaar waarbij het aannemelijk is dat iemand wel in [woonplaats] heeft gewoond, maar niet (al die tijd) ingeschreven stond in de Brp.

Het staat vast dat eiseres niet al vier jaar ingeschreven stond in de Brp in [woonplaats] . De stukken die eiseres heeft overgelegd zijn onvoldoende om te kunnen concluderen dat zij al vier jaar in [woonplaats] woont. Uit het feit dat eiseres sinds 2018 een ov-chipkaart heeft, volgt niet dat ze in [woonplaats] woonde omdat deze geldt voor heel Nederland. Uit de medische behandelingen van eiseres in [woonplaats] in 2019, 2022 en 2024 en in Weesp in 2022, blijkt ook niet dat ze hier al die tijd woonde. De gemeente heeft in het verweerschrift uitgelegd dat in [woonplaats] veel zorg wordt verleend aan ongedocumenteerden uit het hele land. De overgelegde observaties van de [stichting] over [naam zoon] zien alleen op de periode van eind 2023 tot en met 5 september 2024. Eiseres heeft verder geen bankafschriften met pinbetalingen of bijvoorbeeld een verklaring van de kerk – waar ze verbleef – overgelegd, waaruit (in samenhang met de nu overgelegde stukken) misschien geconcludeerd had kunnen worden dat ze de afgelopen vier jaar in [woonplaats] heeft gewoond.

Omdat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres de afgelopen vier jaar in [woonplaats] woonde, mocht de gemeente haar de regiobindingseis tegenwerpen. De gemeente heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiseres hierdoor niet voldoet aan één van de vereisten om in aanmerking te kunnen komen voor de Amsterdamse noodopvang.

De gemeente heeft de belangen van [naam zoon] onvoldoende meegewogen

Op grond van artikel 3 van het IVRK moet bij alle besluiten die gevolgen hebben voor kinderen, het belang van het kind voorop staan. Dat betekent dat de gemeente moet onderzoeken welke gevolgen een besluit voor het kind heeft. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente de belangen van [naam zoon] en de gevolgen van het afwijzende besluit voor hem onvoldoende heeft meegewogen.

Het is de rechtbank gebleken dat eiseres en [naam zoon] al maandenlang overdag voornamelijk op straat zwerven, omdat zij geen sleutel hebben gekregen van de plek(ken) waar ze verbleven en overdag niet in de woning kunnen zijn. Dit is een zeer zorgelijke situatie. Dit is bovendien een bijzondere situatie, anders dan bijvoorbeeld inwoning bij een ander huishouden waarbij de woning ook overdag gewoon gebruikt kan worden. Daarbij komt de vroeggeboorte van [naam zoon] , waardoor hij extra kwetsbaar is. De gemeente had deze bijzondere omstandigheden moeten meewegen bij de beoordeling of eiseres en [naam zoon] toegalaten moeten worden tot de noodopvang (of een andere vorm van opvang). In het bestreden besluit gaat de gemeente ervan uit dat [naam zoon] een dak boven zijn hoofd heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet zo, nu eiseres en [naam zoon] dat overdag niet hebben. In het besluit op bezwaar heeft de gemeente uitsluitend verwezen naar het screeningsrapport van de GGD van mei 2024, waarin bepaalde overwegingen met betrekking tot [naam zoon] zijn opgenomen. Dit is onvoldoende alleen al omdat deze informatie op het moment van het besluit op bezwaar niet meer actueel was en de situatie inmiddels anders was.

De rechtbank is het met de gemeente eens dat ouders in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor hun kind. Tegelijkertijd is de rechtbank van oordeel dat de overheid moet ingrijpen als ouders die verantwoordelijkheid niet (kunnen) nemen. In zo’n geval moet de overheid ervoor zorgen dat de rechten en belangen van het kind toch worden beschermd, en waar nodig passende maatregelen nemen. In dit verband wijst de rechtbank op artikel 6, tweede lid, van het IVRK waarin staat dat lidstaten in de ruimst mogelijke mate de ontwikkeling van een kind waarborgen. Daarnaast bepaalt artikel 27 van het IVRK dat ieder kind recht heeft op een levensstandaard die toereikend is voor zijn of haar lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling. Om de rechten van kinderen daadwerkelijk te waarborgen, kan de overheid positieve verplichtingen hebben. Dit geldt ook in situaties waarin sprake is van buitenwettelijk begunstigend beleid.

Wat betreft de beroepsgrond van eiseres over de aanmatigende toon in het besluit op bezwaar, is de rechtbank het met eiseres eens dat terugkeer naar Ghana geen onderdeel vormt van de beoordeling of eiseres en [naam zoon] moeten worden toegelaten tot de noodopvang. Eiseres heeft een verblijfsvergunning en het recht om in Nederland te zijn. [naam zoon] heeft de Nederlandse nationaliteit.

De gevolgen van het oordeel van de rechtbank

7. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De gemeente zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van tien weken. In het kader van het nieuw te nemen besluit op bezwaar moet de gemeente (opnieuw) onderzoek laten doen naar de situatie van eiseres en [naam zoon] .

De proceskosten

Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat de gemeente aan eiseres het door haar betaalde griffierecht voor deze procedure van € 53,- vergoedt.

Eiseres heeft voor deze procedure een gemachtigde ingeschakeld. De rechtbank veroordeelt de gemeente in de proceskosten die eiseres daarvoor heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,-).

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter in de procedure over de voorlopige voorziening (AMS 25/2412)?

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, omdat hiervoor in de beroepsprocedure is vastgesteld dat verzoekster en [naam zoon] overdag geen toegang hebben tot een woning.

De voorzieningenrechter draagt de gemeente op om onmiddellijk, voor een periode tot zes weken na de (nieuw te nemen) beslissing op bezwaar, opvang te bieden aan verzoekster en [naam zoon] . Voorkomen moet worden dat zij geen plek hebben om ’s nachts te verblijven, en ook moet voorkomen worden dat zij overdag noodgedwongen op straat zwerven. Dit betekent niet dat de gemeente verzoekster en [naam zoon] moet toelaten tot de noodopvang, maar wel dat de gemeente ervoor zorgt dat zij in deze periode een dak boven het hoofd hebben. Deze verplichting geldt alleen als er geen andere manier is om opvang voor hen te regelen, bijvoorbeeld binnen het netwerk van verzoekster.

De proceskosten

Omdat er een voorlopige voorziening wordt getroffen, bepaalt de voorzieningenrechter dat de gemeente aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht voor deze procedure van € 53,- vergoedt.

Verzoekster heeft voor deze procedure een gemachtigde ingeschakeld. De voorzieningenrechter veroordeelt de gemeente in de proceskosten die verzoekster daarvoor heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift).

Beslissing

De rechtbank in de zaak met zaaknummer AMS 25/155:

– verklaart het beroep gegrond.

– vernietigt het bestreden besluit.

– draagt de gemeente op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

– draagt de gemeente op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;

– veroordeelt de gemeente in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1814,-.

De voorzieningenrechter in de zaak met zaaknummer AMS 25/2412:

– wijst het verzoek toe, zoals hiervoor onder 9.2. vermeld.

– bepaalt dat de gemeente het griffierecht van € 53,- aan verzoekster vergoedt.

– veroordeelt de gemeente tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.V.A. Teggelaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

29 april 2025.

griffier

rechter

niet aanwezig om te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Dit kan ook digitaal. Aan het instellen van hoger beroep zijn kosten verbonden.

Voetnoten

  1. Een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het arrest Chavez-Vilchez.
  2. Het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
  3. ECLI:NL:RBAMS:2024:3170 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/).
  4. Eiseres wijst op de arresten Chavez-Vilchez (ECLI:EU:C:2017:354) en CG t. Ierland (ECLI:EU:C:2021:602) van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het effectieve genot van de essentie van zijn rechten als burger van de Unie (artikel 20 VWEU) wordt [naam zoon] ontzegd door

    hem te vragen te vertrekken uit Nederland.

  5. ECLI:NL:CRVB:2022:1154.
  6. Zie artikel 3.7 van de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam, versie juli 2024.
  7. Zie de eerdere uitspraak van de rechtbank van 3 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3170.
  8. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
  9. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.