ECLI:NL:RBDHA:2023:1972 Rechtbank Den Haag , 22-02-2023 / C/09/616443 / HA ZA 21-726
Burenrecht. Eisers wonen in een 2-onder-1-kapwoning. Zij vorderen vergoeding van schade die volgens hen het gevolg is van werkzaamheden aan de fundering van de buren. De rechtbank benoemt een deskundige bij tussenvonnis.
27 min de lecture · 5 784 mots
Inhoudsindicatie. Burenrecht. Eisers wonen in een 2-onder-1-kapwoning. Zij vorderen vergoeding van schade die volgens hen het gevolg is van werkzaamheden aan de fundering van de buren. De rechtbank benoemt een deskundige bij tussenvonnis.
RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaaknummer: C/09/616443 / HA ZA 21-726
Vonnis van 22 februari 2023
in de zaak van
1 [eiser] te [woonplaats] ,
2. [eiseres] te [woonplaats] ,
eisers,
advocaat: mr. C.G. Huijsmans te Goes,
tegen
1 [gedaagde 1] te [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.F. Ronday te Mijdrecht,
2. [gedaagde 2] te [woonplaats] ,
advocaat: mr. C.W. Wernink te Den Haag,
gedaagden.
Partijen worden hierna [eiser] c.s., [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding van 6 augustus 2021, met producties 1 tot en met 9;
– de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] , met producties 1 tot en met 9;
– de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] , met producties 1 tot en met 3;
– het tussenvonnis van 4 mei 2022, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;
– de akte overleggen producties van [eiser] c.s., met producties 10 tot en met 14;
– het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 mei 2022;
– de brief van [eiser] c.s. van 15 juni 2022 met opmerkingen over het proces-verbaal;
– de berichten van de rechtbank aan partijen van 23 december 2022, 15 februari 2023 en 17 februari 2023;
– de berichten van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] van 15 februari 2023 respectievelijk 16 februari 2023.
Na de mondelinge behandeling van 20 mei 2022 is de zaak aangehouden voor een mediationtraject. Partijen hebben de rechtbank 14 oktober 2022 bericht dat het mediationtraject zonder overeenstemming is geëindigd. De rechtbank heeft partijen vervolgens bericht dat de behandeling van de zaak was overgenomen door een andere rechter en dat zij konden verzoeken om een nadere mondelinge behandeling. [eiser] c.s. hebben daarop verzocht om een nadere mondelinge behandeling.
De nadere mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 januari 2023. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht naar aanleiding van bericht van de rechtbank van 23 december 2022 waarin zij heeft aangekondigd mogelijk voornemens een deskundige te benoemen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die zijn toegevoegd aan het griffiedossier.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2De feiten
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] respectievelijk [eiser] c.s. zijn eigenaren van de woningen [adres 1] en [adres 2] te [plaats] (hierna: [adres 1] respectievelijk [adres 2] ). [adres 1] en [adres 2] vormen samen een zogenoemde twee-onder-een-kapwoning.
In 1988 hebben [eiser] c.s. hun woning verbouwd en daarbij een zogenoemde broodjesvloer in hun woning geplaatst. Daarbij zijn betonnen balken in/aan de gemeenschappelijke fundering bevestigd.
De woningen staan op veengrond. Sinds 2013 heeft FUGRO in opdracht van de gemeente [gemeente] jaarlijks metingen uitgevoerd om de verzakking van de woningen in kaart te brengen.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in 2016 een met palen onderheide aanbouw geplaatst aan de achterzijde van [adres 1] . Verder hebben zij een schuimbetonvloer in het oorspronkelijke gedeelte van [adres 1] laten storten.
Medio 2009 zijn werkzaamheden gestart voor woningbouw aan [straatnaam] in [woonplaats] . In de periode van 2009 tot en met 2019 is ten behoeve van deze woningbouw veelvuldig zwaar bouw- en vrachtverkeer langs de woningen van partijen gereden. Daardoor ontstonden veel trillingen in de veengrond, waardoor zich scheurvorming in [adres 1] en [adres 2] heeft ontwikkeld. [eiser] c.s. en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben afzonderlijke schadeclaims ingediend bij de gemeente [gemeente] .
Op 4 september 2018 heeft ing. [naam 1] van ONE Expertise BV (hierna: [naam 1] ) een rapport opgesteld over de schade aan [adres 1] als gevolg van trillingen door vracht- en bouwgerelateerd verkeer. In dit rapport staat als conclusie:
‘De scheurvorming in het interieur en deels in het exterieur vloeien voort uit de funderingswijze, ouderdom en constructiewijze van de woning.
In beperkte mate kan een mate van scheurvorming in de buitengevels het gevolg zijn van trillingen door zwaar vrachtverkeer ten behoeve van de bouwactiviteiten.’
Op 27 februari 2019 heeft [naam 1] een rapport opgesteld over de schade aan [adres 2] als gevolg van trillingen door vracht- en bouwgerelateerd verkeer. In dit rapport staat, voor zover van belang:
‘Claimant heeft mij diverse scheurvorming in het in- en exterieur getoond. Een deel van de scheuren in het in- en exterieur moeten worden aangemerkt als historisch en het gevolg van ongelijkmatige zetting van de woning alsmede tussen het voorhuis en de aanbouw. Dergelijke scheuren zijn als regulier in een woning als de onderhavige aan te merken.
Met name in de zij- en voorgevel is echter scheurvorming aanwezig die qua aard als trillingsschade kan worden aangemerkt. Daarbij heb ik tevens vastgesteld dat de erker deels is losgescheurd.
(…)
Foto 6 toont scheurvorming in de achtergevel, welke niet aan trillingen kan worden gerelateerd maar aan het ontbreken van een deugdelijke lateiconstructie. Deze scheur is ook als historisch aan te merken.
(…)
Een deel van de geclaimde scheurvorming vloeit voort uit de bouwaard van de woning en het feit dat deze is gefundeerd op staal. De bodem in de Gemeente [gemeente] is vanwege de slappe aard structureel aan ongelijkmatige zettingen onderhevig. In op staal gefundeerde woningen resulteert dat in scheurvorming. Dergelijke scheuren heb ik ook in de woning van claimant geconstateerd.
Trilling door vrachtverkeer/werkmateriaal hebben echter ook scheurvorming in de woning van claimant veroorzaakt. Daarbij is tevens schade aan de erker ontstaan.
De erker zal door middel van ankers weer aan de woning moeten worden gekoppeld.
(…)
Ik heb de herstelkosten vastgesteld op
€ 10.596,96 inclusief B.T.W.
, conform onderstaande specificatie.
Herstel interieur
(…)
Herstel exterieur gevels
(…)
Uitslijpen en herstellen scheuren, incl. materiaal € 960,00
(…)
Herstel exterieur erker
(…)
Herstel scheurvorming en intanden metselwerk € 920,00
(…)
Herstelkosten totaal
(…)’
In reactie op opmerkingen en verzoeken van [eiser] c.s. heeft [naam 1] vermeld:
‘Een nulmeting kan geen uitsluitsel geven over scheurtoename in de periode/jaren daaraan voorafgaand, het is immers een nulmeting. Ik onderschrijf het feit dat er door het transport schade is ontstaan aan de woning. Er is echter ook schade aan de woning welke niet te relateren is aan de genoemde verkeersinvloeden. Ik heb dat toegelicht in het rapport.
(…)
De staat van de fundering is wel degelijk relevant. Een matige fundering in een zwak bodemgebied als het onderhavige, heeft reguliere zettingen van woningen tot gevolg. Dat is ook het geval bij de woning van claimant. Ik heb de schade inherent aan dat aspect buiten beschouwing gelaten als toegelicht.’
Begin 2019 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan [eiser] c.s. gemeld dat zij overwogen om een fundering aan te brengen. In december 2019 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een paalfundering, bestaande uit zes buispaaltjes, onder hun woning aangebracht in de buitenmuren.
Bij brief van 18 december 2019 heeft ing. [naam 2] van [bedrijfsnaam 1] (hierna: [naam 2] ) aan [eiser] c.s. geschreven, voor zover van belang:
‘Middels dit schrijven doen wij u een bondige puntsgewijze uiteenzetting van de veranderende bouwkundige situatie omtren[t] uw woning toekomen. Dit in verband met de funderingswerkzaamheden bij de naburige woning. Achtereenvolgens geven wij een bouwkundige omschrijving van het pand, een omschrijving van de veranderde situatie en tot slot de consequenties die deze verandering tot gevolg hebben.
(…)
Omschrijving van de situatie:
Alleen bij de linker woning ( [adres 1] ) en niet de rechter woning ( [adres 2] ) van de twee-onder-een-kapwoning vind[t] funderingsherstel plaats. Dit gebeurd door een gedeelte van de bestaande fundering op staal te funderen middels nieuwe paalfundering.
Consequenties:
– Er zal een zettingsverschil optreden tussen beide woningen. [adres 1] zal (nagenoeg) niet meer zetten en [adres 2] zal ten gevolge van inklinking van het veen steed[s] verder zakken zetten;
– In de voor- en achtergevel inclusief fundering zullen door spanning scheuren ontstaan;
– De tussenmuur (woningscheidende wand) op de nog steeds op staal gefundeerde fundering zal ten opzichte van de voor- en achtergevel een nog niet in te schatten mate vervorming en scheurvorming ontstaan.’
Partijen hebben correspondentie gevoerd over de funderingswerkzaamheden uit december 2019, waarbij [eiser] c.s. hebben vermeld dat zij eerder hadden aangegeven hierin geen noodzaak te zien.
Op 7 januari 2020 heeft [naam 1] , na een tweede melding, opnieuw een rapport opgesteld over de schade aan [adres 1] als gevolg van trillingen door vracht- en bouwgerelateerd verkeer. In dit rapport staat, voor zover van belang:
‘Uit de zettingsmetingen valt op te maken dat de hoek aan de linker voorzijde van de woning in de periode tussen 29 augustus 2013 en 27 juni 2016 5,4 millimeter is verzakt. In hoeverre dit aan trillingen kan worden gerelateerd is de vraag, aangezien dit deel van de woning is gefundeerd op koeie[n]huiden/staal in een gebied dat structureel onderhevig is aan bodemzettingen. Tevens blijkt uit de metingen dat de mate van zetting fluctueert, soms is die minder, dan weer meer. Dat bevestigt het beeld dat er sprake is van een zwakke bodem.
(…)
Uit de meetresultaten volgt dat de aanbouw aan de achterzijde van [adres 1] in een periode van zes jaar sinds de nulmeting 3 tot 4 millimeter is verzakt. De overige bouten zijn in die periode 17 tot 23 millimeter verzakt, waarbij met name in de voorgaande drie jaar een sterkere zetting wordt vastgesteld.
(…)
Het negatieve zettingsaspect vanwege de bodemopbouw in relatie tot de verschillende funderingswijze zal zich de komende decennia continueren. Dit is inherent aan de bouwwijze.
(…)
Wel wijzen wij erop dat uitsluitend funderingsverbetering bouwkundige problemen in de toekomst kan voorkomen.’
In januari 2020 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de funderingswerkzaamheden van 2019. Zij hebben hun aanvraag aangevuld met gegevens van constructiebureau [bedrijfsnaam 2] . In diens rapport van 28 april 2020 staat, voor zover van belang:
‘De
woningscheidende muur
is niet opgevangen omdat toen reeds het schuimbeton in de kruipruimte was aangebracht en de vloer klaar was.
In de
woning van de buren
(nr [adres 2] ) is een PS-combinatievloer gemaakt op betonnen balken. Volgens mijn informatie zijn die betonnen balken niet onderheid.
Tpv de woningscheidende muur zit een scheur in de voorgevel. Voor het funderingsherstel op nr [adres 1] was deze onderin het breedst en werd naar boven toe minder tot nul. Dit duidt erop dat de woningscheidende muur (meer) verzakt tov. de kopgevels.
Op het moment van maken van dit rapport is de scheur nagenoeg weer helemaal dicht.’
Burgemeester en wethouders van [woonplaats] hebben de omgevingsvergunning voor de funderingswerkzaamheden uit 2019 verleend.
In opdracht van [eiser] c.s. heeft ing. [naam 3] van [bedrijfsnaam 3] (hierna: [naam 3] ) onderzoek verricht naar de consequenties van de funderingswerkzaamheden voor de woning van [eiser] c.s. Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie aan het pand [adres 2] en een lintvoegmeting van de gehele bouweenheid. Op 10 juni 2020 heeft [naam 3] een rapport uitgebracht.
In de beschrijving van de visuele inspectie staat dat aan de achtergevel lichte scheurvorming is aangetroffen die het gevolg is van zettingsverschillen van de fundering.
Als consequenties van de nieuwe paalfundering bij het pand [adres 1] heeft [naam 3] genoemd:
de toenemende mate van klemmende ramen en deuren,
scheuren in het metselwerk van de achter- en voorgevel en
het risico van forse constructieve cascoschade van de gemeenschappelijke bouwmuur.
Als opties om architectonische en constructieve schade te voorkomen of te beperken heeft [naam 3] drie opties genoemd:
alle huidige funderingspalen van het pand [adres 1] ontkoppelen van de fundering;
de panden [adres 1] en [adres 2] van elkaar scheiden door het plaatsen van een extra gedilateerde tussenbouwmuur;
het gehele pand [adres 2] voorzien van een nieuwe paalfundering.
Als bijlage 3 is de volgende foto bij het rapport van [naam 3] gevoegd.
Op 15 maart 2021 heeft [bedrijfsnaam 4] BV (hierna: [bedrijfsnaam 4] ) op verzoek van [eiser] c.s. een offerte opgesteld voor het maken van een nieuwe constructievloer, met de functie van een nieuwe herstelde fundering van [adres 2] . [bedrijfsnaam 4] bood aan deze werkzaamheden uit te voeren voor € 82.092,96 incl. btw.
Op verzoek van [eiser] c.s. heeft [naam 4] van [bedrijfsnaam 5] (hierna: [naam 4] ) de gegevens betreffende de funderingswerkzaamheden uit 2019 van [adres 1] beoordeeld. In zijn rapport van 12 april 2022 heeft hij geconcludeerd, voor zover van belang:
‘Bij de toetsing van de ingediende gegevens voor de omgevingsvergunning voor het plaatsen van buispaaltjes om de muren op te vangen voor het pand [adres 1] te [woonplaats] is een aantal constructieve aspecten niet getoetst of niet onderkend:
Met de waarde van de kalendering is het draagvermogen van de palen niet aangetoond. Een berekening va het draagvermogen van de palen conform NEN9997-1:2016+C2:2017 ontbreekt.
Controle van de sterkte van de oude betonsloof fundering ontbreekt.
Controle of het metselwerk voldoende sterk is om de krachten via boogwerking naar de palen met de consoles af te voeren ontbreekt.
Niet onderkend is dat de berekening van de betonnen neus onder de fundering onjuist is.
Niet onderkend is dat door het niet rekenen van alle belastingen de paalbelastingen aanmerkelijk hoger uitvallen dan in de berekening aangegeven.
Niet opgemerkt is dat door de hogere belasting op de consoles zowel deze consoles als de stalen buispalen niet sterk genoeg zijn en wat de consequenties hiervan zijn voor het metselwerk van de gevel.
Op grond bovenstaande argumenten en de bespreking in deze rapportage van de door het constructiebureau uitgevoerde berekeningen is de conclusie dat de omgevingsvergunning voor het plaatsen van buispaaltjes om de muren op te vangen voor het pand [adres 1] te [woonplaats] niet voldoet aan het Bouwbesluit 2012 en derhalve niet had mogen worden verleend. Om het pand alsnog te laten voldoen is het onontkoombaar dat aanvullende maatregelen worden genomen om de constructieve veiligheid te waarborgen.’
3Het geschil
[eiser] c.s. vorderen – samengevat – dat de rechtbank:
I. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aansprakelijk zijn voor de schade van [eiser] c.s. als gevolg van het aanbrengen van een paalfundering onder de voorgevel, zijgevel en aanbouw van [adres 1] ;
II. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van een voorschot op de schade van € 82.092,96, vermeerderd met rente, en bepaalt dat de resterende schade nader wordt opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet;
een en ander onder veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de buitengerechtelijke kosten en de kosten van deze procedure.
Aan hun vorderingen leggen [eiser] c.s. ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] maatschappelijk onbetamelijk hebben gehandeld door een paalfundering onder hun woning aan te brengen. Zij hadden wetenschap van het feit dat hun woning gebouwd is op een bodem die verzakt. Van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kon daarom extra oplettendheid worden verwacht. Die oplettendheid hebben zij niet betracht. Zij hebben er niet eens voor gezorgd dat de gemeenschappelijke muur op dezelfde wijze werd ondersteund als de andere muren van hun woning. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hadden logischerwijs kunnen bevatten dat dit sowieso al tot verzakkingsschade zou kunnen leiden. Ook hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geconstateerd dat hun onderheide aanbouw zakkingsverschil toonde met het niet-onderheide voorgedeelte van hun woning en hadden zij volgens [eiser] c.s. dus kunnen weten dat dit door de funderingswerkzaamheden in 2019 ook zou ontstaan bij de aan elkaar vastzittende woningen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [eiser] c.s.
Verder leggen [eiser] c.s. aan hun vorderingen ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gehandeld in strijd met artikel 3:170 Burgerlijk Wetboek (BW) door niet met [eiser] c.s. te overleggen over het plaatsen van paalfundering onder de woningen van partijen. De gemeenschappelijke muur is volgens [eiser] c.s. een mandelige muur in de zin van artikel 5:62 lid 2 BW. Dit betekent dat [eiser] c.s. en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] samen het beheer voeren en dat de toestemming van [eiser] c.s. dus nodig was voor de funderingswerkzaamheden in 2019, aldus [eiser] c.s.
Ook leggen [eiser] c.s. aan hun vorderingen ten grondslag dat hun eigendom door de funderingswerkzaamheden is beschadigd of vernield. De eigendom van [eiser] c.s. is in waarde verminderd en zal nog verder in waarde verminderen. Er is al scheurvorming in hun woning, nog los van het te prognosticeren verschil in zakking van beide panden.
[eiser] c.s. benadrukken dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de funderingswerkzaamheden in 2019 in eigen beheer hebben uitgevoerd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geen verzekering afgesloten. Voorafgaand aan die werkzaamheden hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen nulmeting laten uitvoeren, geen omgevingsvergunning aangevraagd en zich kennelijk onvoldoende laten informeren, aldus [eiser] c.s.
Ten aanzien van het causaal verband stellen [eiser] c.s. dat door de funderingswerkzaamheden een zakkingsverschil is ontstaan tussen [adres 1] en [adres 2] . Verder stellen zij dat door de gemeenschappelijke muur onvoldoende te ondersteunen de gemeenschappelijke muur is losgetrokken van de gevel, waardoor de totale bouwkundige constructie in verval is geraakt.
Het bedrag van € 82.092,96 is gebaseerd op de offerte van [bedrijfsnaam 4] . Dit bedrag is exclusief andere werkzaamheden en schadeposten die het gevolg zijn van de omvangrijke aanpassing die moet plaatsvinden.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
[gedaagde 1] voert aan dat [eiser] c.s. een perceel naast [adres 2] hebben gekocht waar zij nieuwbouwplannen willen ontwikkelen. Volgens [gedaagde 1] hebben [eiser] c.s. te kennen gegeven dat zij al lange tijd plannen hebben om [adres 2] af te breken. [gedaagde 1] kan zich niet aan de indruk onttrekken dat [eiser] c.s. het geldbedrag dat zij in deze procedure vorderen willen gebruiken ter financiering van hun plannen. De rechtbank vat dit op als een verweer dat [eiser] c.s. misbruik maken van hun bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW. De rechtbank zal dit verweer als eerste beoordelen, omdat, als het slaagt, de overige rechtsvragen geen behandeling meer behoeven.
In het gestelde ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat van misbruik van bevoegdheid sprake is. Niet in geschil dat [adres 2] verzakt. Voorts is niet in geschil dat [eiser] c.s. – als [adres 2] niet wordt afgebroken – kosten zouden moeten maken om met de gevolgen van de verzakking om te gaan. Verder is niet gebleken van (concrete) plannen om [adres 2] af te breken, zoals een sloopmelding of een aanvraag om een omgevingsvergunning. Het starten van een gerechtelijke procedure om te laten vaststellen of de gevolgen van de verzakking kunnen worden aangemerkt als schade die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dienen te vergoeden is naar het oordeel van de rechtbank niet het uitoefenen van een bevoegdheid met een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.
Aangezien het verweer dat [eiser] c.s. misbruik maken van hun bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW niet slaagt, komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de overige rechtsvragen.
Voor de beoordeling van de overige rechtsvragen acht de rechtbank de benoeming van een deskundige aangewezen omdat deze onlosmakelijk samenhangen met de beoordeling of de toegepaste paalfundering (bouwkundige) risico’s met zich meebrengt. Voor de beantwoording van die vraag is een deskundigenadvies nodig. De rechtbank heeft in haar bericht van 23 december 2022 partijen gevraagd naar hun standpunt over een aantal vragen die aan een deskundige zouden kunnen worden gesteld. De rechtbank neemt de reacties van partijen op deze voorgestelde vragen in aanmerking en komt tot de volgende vragen voor de te benoemen deskundige:
Was er in 2019 een noodzaak werkzaamheden aan de fundering van [adres 1] te verrichten? En zo ja, houdt die noodzaak verband met het feit dat in 2016 een onderheide aanbouw aan [adres 1] is aangebracht en/of het feit dat in [adres 1] een schuimbetonvloer is aangebracht?
Is de wijze van fundering zoals door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gedaan vanuit constructief oogpunt verantwoord? En/of hadden de werkzaamheden verricht kunnen worden op een wijze die minder schadelijk was voor [adres 2] , mede gezien de bouwkundige staat van beide woningen?
Hoe kijkt u aan tegen de constructieberekening van constructiebureau [bedrijfsnaam 2] , gelet op de verklaring van [naam 4] van 12 december 2022?
Worden [adres 1] en [adres 2] gescheiden door één binnenmuur of gaat het om twee (enkelsteens) binnenmuren, met spouwruimte daartussen, op een gemeenschappelijke fundering?
Hebben de funderingswerkzaamheden in 2019 invloed gehad op de gemeenschappelijke fundering en op de binnenmuur/-muren? Was het ondersteunen van de gemeenschappelijke fundering en de daarop staande muur/muren een adequate voorzorgsmaatregel geweest? Of had een andere (meer) adequate voorzorgsmaatregel kunnen worden getroffen?
Heeft de aanwezigheid van de nieuw aangebrachte funderingselementen in 2019 aan [adres 1] nadelige invloed gehad op [adres 2] ? Bestaat de kans dat er binnen een periode van enkele decennia alsnog een nadelige invloed ontstaat, bijvoorbeeld aan de gemeenschappelijke fundering of de binnenmuur/-muren?
Heeft de zogenoemde broodjesvloer in [adres 2] , die is bevestigd in/aan de gemeenschappelijke fundering, (mede) geleid tot de door [eiser] c.s. gestelde schade?
Heeft de aanbouw aan [adres 2] geleid tot de door [eiser] c.s. gestelde schade?
Zou de gestelde schade er ook ten gevolge van de ligging in een veengebied zijn geweest, indien er geen sprake was geweest van funderingswerkzaamheden in 2019 en de onderheide aanbouw die in 2016 aan [adres 1] is aangebracht? Zo ja, in welke mate?
[naam 1] heeft vastgesteld dat bepaalde scheuren zijn ontstaan als gevolg van trillingen door vracht- en bouwgerelateerd verkeer. Kan het feit dat [eiser] c.s. deze scheuren nog niet hebben hersteld invloed hebben gehad op de door [eiser] c.s. gestelde schade?
Kan worden vastgesteld dat de gestelde schade is veroorzaakt door de funderingswerkzaamheden in 2019 of de onderheide aanbouw die in 2016 aan [adres 1] is aangebracht? Indien niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de gestelde schade is veroorzaakt door de funderingswerkzaamheden in 2019 of de onderheide aanbouw die in 2016 aan [adres 1] is aangebracht, omdat er ook andere oorzaken zijn, kunt u de kans dat dit zo is vertalen naar een percentuele aansprakelijkheid? Zo ja, welke percentage?
Hoe kijkt u aan tegen de drie opties om architectonische en constructieve schade te voorkomen of te beperken in het advies van [naam 3] in zijn rapport van 10 juni 2020? Wat zijn de kosten van deze opties, voor zover deze relevant zijn, gewaardeerd zowel naar het prijspeil van nu als naar het prijspeil van 2019? Wilt u in dit verband ingaan op de offerte van [bedrijfsnaam 4] van 15 maart 2021?
Heeft u eventueel andere suggesties voor de wijze waarop herstelwerkzaamheden aan [adres 2] kunnen worden uitgevoerd? Welke kosten zijn daarmee gemoeid?
Heeft u andere opmerkingen die van belang zijn voor deze zaak?
Partijen hebben ook (aanpassingen van) vragen voorgesteld die de rechtbank niet zal overnemen. Zij legt hieronder uit waarom.
[eiser] c.s. hebben voorgesteld de deskundige te vragen naar de invloed van de schuimbetonvloer die in [adres 1] is aangebracht op de gestelde schade en/of de noodzaak om in 2019 werkzaamheden te verrichten aan de fundering van [adres 1] . De eis van [eiser] c.s. heeft slechts betrekking op schade als gevolg van het aanbrengen van een paalfundering. Of schade (mede) is ontstaan door een schuimbetonvloer in [adres 1] is daarom niet van belang bij het beoordelen van die eis. De rechtbank zal daarom de deskundige geen vragen stellen over de invloed van die schuimbetonvloer op de gestelde schade. Dat ligt anders voor het verband tussen de schuimbetonvloer en de noodzaak om in 2019 werkzaamheden te verrichten aan de fundering van [adres 1] . Bij de beoordeling of sprake is van onrechtmatigheid kan van belang zijn of die noodzaak is beïnvloed door de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zelf aangebrachte schuimbetonvloer. Dit gedeelte van de door [eiser] c.s. voorgestelde vraag heeft de rechtbank daarom bij vraag 1 opgenomen.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben voorgesteld de deskundige te vragen of hun wijze van fundering gebruikelijk of vaker voorkomend is. Anders dan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , acht de rechtbank niet zozeer relevant of hun wijze van fundering gebruikelijk of vaker voorkomend is, maar met name of deze wijze vanuit constructief oogpunt verantwoord is. Voorts zal zij, anders dan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben voorgesteld, niet de deskundige verzoeken in acht te nemen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op advies van de gemeente [gemeente] tot de funderingswerkzaamheden zijn overgegaan. [eiser] c.s. hebben bestreden dat de gemeente [gemeente] zo’n advies heeft gegeven. Voor zover [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich op het standpunt stellen dat dit advies blijkt uit het rapport van [naam 1] van 7 januari 2020, overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet blijkt dat de gemeente [gemeente] dit advies integraal voor haar rekening heeft genomen.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben voorts voorgesteld de deskundige te vragen of schade voorzienbaar is geweest bij de wijze van fundering zoals door hen gedaan. De rechtbank stelt de deskundige – naar aanleiding van een voorstel van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] – al de vraag of de wijze van fundering vanuit constructief oogpunt verantwoord is. Deze vraag hangt naar het oordeel van de rechtbank zodanig samen met de vraag naar de voorzienbaarheid van de schade, dat het niet nodig is om de laatste vraag afzonderlijk te stellen.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verder voorgesteld de deskundige te vragen of [eiser] c.s. de broodjesvloer destijds hebben gelegd volgens het geldende bouwbesluit / de bouwvergunning / de bouwvoorschriften en constructieberekeningen. Ook hebben zij voorgesteld te vragen hoe de deskundige aankijkt tegen de berekeningen betreffende het gewicht van de broodjesvloer. De rechtbank acht de beantwoording van deze vragen niet nodig voor de beslechting van het geschil. In deze procedure is niet van belang of [eiser] c.s. rechtmatig hebben gehandeld bij het (laten) leggen van de broodjesvloer. Zij zijn immers niet aansprakelijk gesteld voor de gestelde schade. Indien de broodjesvloer (deels) heeft geleid tot de gestelde schade, dan heeft dat invloed op het causale verband tussen de werkzaamheden en de gestelde schade. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen dan niet of voor een lager bedrag aansprakelijk zijn voor die schade, ongeacht of [eiser] c.s. rechtmatig hebben gehandeld.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ook voorgesteld de deskundige te vragen welk bedrag aan schadevergoeding de gemeente [gemeente] aan [eiser] c.s. heeft betaald en of zij dit hebben aangewend om eerdere schade te herstellen. [eiser] c.s. hebben tijdens de zitting van 12 januari 2023 gesteld dat de gemeente [gemeente] een schadevergoeding van ruim € 10.000,00 heeft betaald en dat zij de eerdere schade nog niet hebben hersteld omdat de werkzaamheden voor de woningbouw nog maar net zijn afgerond. De rechtbank overweegt dat het genoemde bedrag overeenkomt met wat staat in het rapport van [naam 1] van 27 februari 2019. Belangrijker is naar het oordeel van de rechtbank nog dat de hoogte van die schadevergoeding niet relevant is voor de beoordeling van de eis, die betrekking heeft op andere schade. Aangezien niet in geschil is dat [eiser] c.s. het genoemde bedrag niet hebben aangewend om eerdere schade te herstellen – de rechtbank is daar ook bij vraag 10 van uitgegaan – , ziet de rechtbank ook geen aanleiding om aan de deskundige te vragen of dit het geval is.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben voorts voorgesteld de deskundige te vragen zich uit te laten over mogelijke schade aan [adres 1] en [adres 2] door het bouwplan van [eiser] c.s. naast [adres 2] . De rechtbank stelt voorop dat de eis van [eiser] c.s. betrekking heeft op schade aan [adres 2] . De beantwoording van een vraag over schade aan [adres 1] is dan ook niet van belang bij de beoordeling van die eis. Voor zover [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aanvoeren dat het bouwplan van [eiser] c.s. van invloed is (geweest) op de gestelde schade, is de rechtbank van oordeel dat zij dit hadden moeten concretiseren. Niet gebleken is wat het bouwplan inhoudt, op welke afstand van [adres 2] dit zal worden gerealiseerd en in welke fase van realisering zich dit bevindt.
[gedaagde 2] heeft tot slot voorgesteld de deskundige te vragen onderzoek te doen naar het verband tussen wateroverlast ter plaatse die tweemaal heeft plaatsgevonden en de gestelde schade. Volgens [gedaagde 2] is destijds het water met pompen weggehaald en zou het zo kunnen zijn dat tegelijkertijd grond is weggespoeld, wat gevolgen zou kunnen hebben gehad voor de fundering van [adres 2] . De rechtbank ziet in het aangevoerde geen aanleiding om hierover specifieke vragen te stellen aan de deskundige. [gedaagde 2] heeft een mogelijke verklaring voor de gestelde schade geopperd, maar zij heeft geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht dat het wegpompen van water heeft geleid tot de gestelde schade, zoals dat zij (of iemand anders) grond heeft zien wegspoelen of tegels heeft zien wegzakken.
Partijen hebben ingestemd met de benoeming van een deskundige verbonden aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (Stab). De rechtbank zal de Stab als deskundige benoemen. Voor zover de Stab (voor het ramen van kosten) een externe deskundige zal raadplegen, zal deze deskundige in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de Stab werken.
De Stab heeft een begroting van haar kosten toegezonden aan de rechtbank, die de rechtbank bij bericht van 15 februari 2023 aan partijen heeft voorgelegd. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben daarop laten weten dat zij in beginsel akkoord zijn met deze begroting, maar dat voor de (volledige) beoordeling daarvan de onderzoeksvragen van belang zijn. Partijen zullen daarom (nogmaals) in de gelegenheid worden gesteld zich over de begroting uit te laten. Zij kunnen daarbij thans de vragen betrekken die de rechtbank aan de deskundige zal stellen (zie randnummer 4.4 van dit vonnis). Indien partijen geen bezwaar hebben tegen de begrote kosten, dan hoeven zij niet te reageren.
De rechtbank is vooralsnog voornemens het voorschot te bepalen op het in de begroting van de Stab opgenomen bedrag van € 16.808,56 inclusief btw. Dit voorschot zullen [eiser] c.s., in overeenstemming met het uitgangspunt van de wet, moeten voorschieten.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5De beslissing
De rechtbank:
beveelt een onderzoek door een deskundige;
benoemt tot deskundige:
Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening
Postbus 95928, 2509 CX Den Haag
Telefoon: [telefoonnummer]
E-mail: [e-mailadres]
verzoekt de deskundige een onderzoek in te stellen en een schriftelijk en met redenen omkleed antwoord te geven op de vragen opgenomen in randnummer 4.4 van dit vonnis;
stelt het voorschot voorlopig vast op een bedrag van € 16.808,56 inclusief btw;
bepaalt dat partijen, desgewenst, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk bij de rechtbank bezwaar kunnen maken tegen de hoogte van dit voorschot;
indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op voormeld bedrag;
indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal daarover worden geoordeeld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing;
bepaalt dat [eiser] c.s. als voorschot op de kosten van de deskundige een bedrag van € 16.808,56 dienen te deponeren na ontvangst van een desbetreffende factuur van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) en bepaalt dat deze factuur niet eerder wordt toegezonden dan nadat de termijn als bedoeld in 5.5 ongebruikt is verstreken, dan wel, indien bezwaar is gemaakt, het voorschotbedrag bij afzonderlijke beslissing als bedoeld in 5.7 is vastgesteld;
bepaalt dat de deskundige de rechtbank zal verzoeken om vaststelling van een nader voorschot indien en zodra haar in de loop van het onderzoek blijkt dat dit meer gaat kosten dan oorspronkelijk begroot;
bepaalt dat het voorschot in het voorkomend geval het nadere voorschot binnen drie weken na ontvangst van de factuur dient te worden voldaan en dat, indien de voorschotten niet tijdig worden voldaan, de zaak wordt verwezen naar de rol voor conclusie wegens niet ontvangen deskundigenbericht;
bepaalt dat de deskundige haar werkzaamheden pas hoeft aan te vangen nadat de griffier van deze rechtbank haar zal hebben bevestigd dat het in 5.8 vermelde voorschot door het LDCR is ontvangen;
bepaalt dat de advocaat van [eiser] c.s. binnen twee weken na de datum van dit vonnis een kopie van alle gedingstukken aan de rechtbank ter beschikking dient te stellen;
bepaalt voorts dat, indien bedoelde kopie van alle gedingstukken niet tijdig aan de rechtbank ter beschikking is gesteld, de zaak na sommatie door de rechtbank, waarbij [eiser] c.s. een termijn van twee weken zal worden gegund om de stukken alsnog te beschikking te stellen, wordt verwezen naar de rol voor conclusie wegens niet ontvangen deskundigenbericht;
bepaalt dat de deskundige, met kennisgeving aan de rechtbank, uiterlijk 5 april 2023 een afspraak moet hebben gemaakt voor het tijdstip van het te verrichten onderzoek en bepaalt dat een verzoek tot uitstel van (het maken van de afspraak voor) het tijdstip van het te verrichten onderzoek met opgave van redenen aan de rechtbank dient te worden gedaan;
bepaalt dat de deskundige het concept van haar schriftelijke en gemotiveerde rapport binnen vier maanden nadat de griffier haar heeft meegedeeld dat het voorschot is voldaan, zal doen toekomen aan de civiele griffie van deze rechtbank, Prins Clauslaan 60 (Postbus 20302, 2500 EH) te Den Haag, met vermelding van het zaak- en rolnummer van deze zaak;
bepaalt dat de deskundige het conceptrapport partijen zal zenden en dat partijen zich uiterlijk binnen drie weken na ontvangst bij akte kunnen uitspreken over dit conceptrapport;
bepaalt dat de griffier de hiervoor bedoelde akten aan de deskundige zal toezenden en dat de deskundige, uiterlijk drie weken na ontvangst van deze akten, haar schriftelijke, gemotiveerde en ondertekende rapport, met een gespecificeerde declaratie, zal doen toekomen aan de civiele griffie van deze rechtbank, Prins Clauslaan 60 (Postbus 20302, 2500 EH) te Den Haag, met vermelding van het zaak- en rolnummer van deze zaak;
bepaalt dat de deskundige haar onderzoek zelfstandig zal verrichten, ter plaatse en op tijdstippen als haar goeddunkt en dat zij in haar rapport zal vermelden op welke wijze zij partijen in de gelegenheid heeft gesteld om opmerkingen te maken en verzoeken te doen alsmede of van die gelegenheid gebruikt is gemaakt en, zo ja, wat dergelijke opmerkingen en verzoeken hebben ingehouden;
bepaalt dat de griffier een afschrift van dit vonnis aan de deskundige zal zenden;
bepaalt dat twee weken nadat het deskundigenbericht bij de griffie van deze rechtbank is ingeleverd en nadat de griffier exemplaren daarvan heeft toegezonden aan partijen, de zaak op de rol wordt gebracht voor uitlaten partijen over conclusie na deskundigenbericht dan wel het vragen van vonnis, met bepaling dat indien partijen kiezen voor een conclusie na deskundigenbericht, zal gelijktijdig dienen te concluderen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2023.
type: 3053
coll:
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...