ECLI:NL:RBDHA:2024:19386 Rechtbank Den Haag , 19-09-2024 / SGR 23/7839
Het taxatieverslag is naar zijn inhoud en bij de omstandigheden van het geval niet een deskundigenbericht in de zin van artikel 1 onderdeel b Besluit proceskosten bestuursrecht.
9 min de lecture · 1 775 mots
Inhoudsindicatie. Het taxatieverslag is naar zijn inhoud en bij de omstandigheden van het geval niet een deskundigenbericht in de zin van artikel 1 onderdeel b Besluit proceskosten bestuursrecht.
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/7839
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2024 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser(gemachtigde: D. van der Locht),
en
de heffingsambtenaar van Belastingen Bollenstreek, verweerder.
Procesverloop
Op 4 maart 2023 deed verweerder uitspraak op het bezwaar van eiser tegen de na te noemen beschikking en aanslag.
Eiser is in beroep gekomen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2024.
Namens belanghebbende is verschenen J.F.J.M. van Abbe, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.E. Westrate en
W.B.J. Rolvers.
Overwegingen
1. Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] (de woning).
2. Verweerder heeft bij beschikking de waarde van de woning op waardepeildatum
1 januari 2022 voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 563.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eiser opgelegde aanslag onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2023 (de aanslag).
Bij uitspraak op het bezwaar van eiser tegen de beschikking en de aanslag heeft verweerder de waarde van de woning op de waardepeildatum nader vastgesteld op € 524.000 en de aanslag dienovereenkomstig verlaagd.
3. Met de uitspraak op bezwaar heeft verweerder een proceskostenvergoeding toegekend van € 592 ter zake van rechtsbijstand, maar niet voor het door eiser in de bezwaarfase overgelegde, zo door hem genoemde woningwaarderapport (het rapport). In geschil is alleen of verweerder terecht geen kostenvergoeding heeft toegekend voor het rapport.
4. Eiser stelt aanspraak te hebben op een kostenvergoeding voor het rapport, zonder te preciseren tot welk bedrag.
5. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat het rapport niet als deskundigenverslag kan gelden, waarmee terecht is dat hij daarvoor geen kostenvergoeding heeft toegekend. Subsidiair stelt hij dat met de opstelling van het rapport een zo geringe tijdsbesteding van de deskundige was gemoeid dat het niet in aanmerking komt voor een kostenvergoeding.
6. Bij de beoordeling van het geschil gaat de rechtbank uit van de navolgende, uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting gebleken feiten.
7. Het bezwaar- en het beroepschrift zijn gesteld op briefpapier van JUIST. JUIST is een handelsnaam van Previcus BV (Previcus). Artikel 5, tweede lid, van de algemene voorwaarden van Previcus bepaalt dat iedere opdracht geacht wordt uitsluitend te zijn verstrekt aan en te zijn aanvaard door Previcus. De gemachtigde in deze zaak is statutair bestuurder en de algemeen directeur van Previcus.
8. Het rapport draagt op de eerste bladzijde het logo van JUIST. De laatste bladzijde bevat de vermelding “powered by Previcus Vastgoed”. Het telt 15 bladzijden, waarvan zes alleen standaardtekst bevatten (blz. 1-2 en 12-15).
Op blz. 4 zijn de locatiegegevens van de woning opgenomen. Blz. 5 vermeldt het bouwjaar, woon- en perceeloppervlakte, kadastrale gegevens en het energielabel.
Blz. 7 en 8 bevatten 11 detailfoto’s van stukken muur, ramen, kozijnen en een deur.
Op blz. 6 is in drie bolletjes met een getal een waardering toegekend, op een schaal van 1 tot en met 5, voor kwaliteit, onderhoud en luxe. Die waardering komt blijkens de vermelding op deze bladzijde tot stand “op basis van informatie verstrekt door de opdrachtgever en waar mogelijk visuele waarneming middels fotomateriaal”. Ter zitting is namens eiser verklaard dat het bij dat laatste gaat om de op blz. 7 en 8 weergegeven, van eiser afkomstige foto’s.
Op blz. 9 tot en met 11 wordt van drie als referentiewoningen aangeduide, woningen de ligging, bouwjaar, gebruiks- en perceeloppervlakte en een waardering van de kwaliteit weergegeven, met daarbij de verkoopprijs en de datum van de transactie.
Blz. 3 vermeldt de WOZ-waarde die volgens het rapport aan de woning moet worden toegekend. Hoe die waarde uit de in het rapport opgenomen gegevens is afgeleid, is in het rapport niet op enige wijze toegelicht. Als de taxateur staat op deze bladzijde [naam] vermeld. Namens eiser is ter zitting verklaard dat de heer [naam] ten tijde van de totstandkoming van het rapport full-time in dienstbetrekking was bij Previcus.
9. Over de manier waarop het rapport tot stand is gekomen, is het navolgende komen vast te staan.
Aan de basis van het rapport staat een database met gegevens van verkochte woningen die is samengesteld en actueel wordt gehouden door Previcus.
Previcus heeft een computerprogramma ontwikkeld, waar door een medewerker de gegevens van de desbetreffende woning worden ingevoerd (de gegevens van blz. 4 en 5 van het rapport). Deze medewerker voert ook de van de cliënt afkomstige foto’s in en geeft zijn inschatting van kwaliteit, onderhoud en luxe (de waarderingen op blz. 6). Vervolgens wordt met een druk op de knop het rapport door het computerprogramma gegenereerd, naar de rechtbank begrijpt met inbegrip van de op blz. 3 vermelde WOZ-waardering van de desbetreffende woning.
De rol van de taxateur bij de totstandkoming van het rapport bestaat eruit dat hij de bevindingen van het computerprogramma, in het bijzonder de selectie van de referentiewoningen door het programma, controleert op aannemelijkheid.
10. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bestaat recht op vergoeding door het bestuursorgaan van kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van zijn bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Onder deze kosten zijn op grond van het bepaalde in artikel 7:15, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) tevens begrepen de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht.
11. Verweerder heeft primair aangevoerd dat het rapport niet een deskundigenverslag is in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Bpb. Bij de beoordeling van dit verweer stelt de rechtbank voorop dat in de Awb en het Bpb niet wordt gedefinieerd wat onder het begrip ‘deskundige’ moet worden verstaan. Of een ingebracht (woning)waarderapport als verslag van een deskundigen kan worden aangemerkt, is bijgevolg niet aan de hand van algemene richtsnoeren te beoordelen. Dat betekent niet, dat niets valt te zeggen over de rol en positie van een deskundige in het rechtsbedrijf. In de literatuur is er brede consensus over dat de deskundige de rol heeft, de deelnemers aan een procedure voor te lichten over aangelegenheden die buiten het terrein van hun expertise zijn gelegen. Voorts is er brede consensus over dat de deskundige onafhankelijk dient te zijn. Dat sluit niet uit dat de deskundige tot een van de deelnemers aan het proces in dienstbetrekking kan staan, maar dat vereist naar het oordeel van de rechtbank wel dat de rol die de deskundige speelt voldoende los moet staan van de rol die de desbetreffende procesdeelnemer overigens heeft.
12. Naar het oordeel van de rechtbank wordt met het rapport niet enige expertise ingebracht die niet in het domein van de procesdeelnemers ligt. Met het rapport wordt niet méér naar voren gebracht dan enerzijds een globale beoordeling van kwaliteit, onderhoud en luxe van de woning en anderzijds de gegevens van drie referentiewoningen. Dat zijn de elementen waar het debat over de WOZ-waarde in bezwaar en beroep typisch op is toegespitst. Voorts wordt in het rapport niet op enige wijze geanalyseerd hoe uit de (globale) beoordeling van (enkele van de) KOUDV-factoren en de genoemde referentie-objecten tot een waardering wordt gekomen: dat wordt overgelaten voor het debat in bezwaar en beroep. Het rapport bevat aldus niet meer dan enige gegevens die kunnen dienen ter onderbouwing van in bezwaar en beroep naar voren te brengen argumenten.
13. Hier komt bij dat de bemoeienis van de deskundige ertoe is beperkt het rapport op aannemelijkheid te controleren. Daarmee heeft hij naar het oordeel van de rechtbank een te geringe eigen inbreng om hem aan te kunnen merken als deskundige die zijn rol met voldoende onafhankelijkheid verricht, zulks mede in aanmerking genomen dat hij in dienstbetrekking staat tot Previcus.
14. Het komt erop neer dat Previcus een rapport heeft opgesteld met gegevens waar niet enige bijzondere taxatie-technische kennis mee is gemoeid, bestemd om ten grondslag te worden gelegd aan de door Previcus als gemachtigde te voeren argumentatie. Het rapport beantwoordt daarmee niet aan de functie van een deskundigenbericht, te weten het bieden van voorlichting van een of meer van de deelnemers aan een procedure op een terrein dat niet het hunne is. Voorts is de bemoeienis van de deskundige van zo ondergeschikte betekenis dat hij niet een voldoende zelfstandige rol vervult. Om deze redenen is de rechtbank van oordeel dat het rapport niet kan worden aangemerkt als deskundigenverslag in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel b van het Bpb.
15. Verweerder heeft subsidiair gesteld dat voor de deskundige een zo geringe tijdsbesteding was gemoeid met de opstelling van het rapport dat het om die reden niet in aanmerking komt voor vergoeding. De rechtbank overweegt omtrent dit verweer, ten overvloede, dat niet aannemelijk is geworden dat de deskundige meer dan een paar minuten aan het rapport heeft besteed en dat ook om deze reden een vergoeding voor het rapport niet is geboden.
16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwegen moet het beroep ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van
O. van Petersen, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op
19 september 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via http://www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 – bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 – het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voetnoten
- Zie Mark Visser, ‘De deskundige in het recht’, diss., Boom juridisch 2023, onderdelen 2.4, 2.7 en 3.2.2.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...