ECLI:NL:RBDHA:2024:23862 Rechtbank Den Haag , 11-07-2024 / AWB 24/2455

Vreemdelingenrecht, afwijzing visum kort verblijf, beroep ongegrond.

Source officielle

9 min de lecture 1 975 mots

Inhoudsindicatie. Vreemdelingenrecht, afwijzing visum kort verblijf, beroep ongegrond.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 24/2455

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2024 in de zaak tussen

[eiseres 1] , geboren op [geboortedatum] 1981, van Iraanse nationaliteit, eiseres,

[eiser 1]
, geboren op [geboortedatum] 1979, van Iraanse nationaliteit, eiser,

[eiseres 2]
, geboren op [geboortedatum] 2009, van Iraanse nationaliteit, eiseres,

[eiser 2]
, geboren op [geboortedatum] 2015, van Iraanse nationaliteit, eiser,

Tezamen: eisers

(gemachtigde: mr. J. van Koesveld),

en

de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Gündoğdu).

Procesverloop

Bij besluiten van 16 mei 2023 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een visum voor kort verblijf bij referent [referent] afgewezen.

Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

Eisers hebben verweerder op 19 september 2023, herhaald op 12 februari 2024, in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Vervolgens hebben eisers op 20 februari 2024 een regulier beroep ingesteld.

Bij besluit van 23 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard.

Eisers hebben op 12 maart 2024 gronden ingediend tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2024. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en referent. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers hebben op 30 april 2023 een visum kort verblijf aangevraagd voor verblijf bij referent. Referent is hun (schoon)broer en oom.

2. Verweerder heeft de aanvragen getoetst aan en afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, onder a, aanhef onder ii, en onder b, van de Visumcode.Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de sociale en economische binding met Iran onvoldoende is aangetoond dan wel gering is gebleken, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat eisers (tijdig) het Schengengebied zullen verlaten. Voor verweerder bestaat hierdoor ook geen zekerheid over de uiteindelijke verblijfsduur. In het verlengde kan ook de juistheid van het opgegeven reisdoel volgens verweerder onvoldoende worden vastgesteld.

Het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf

3. Eisers hebben in beroep en ter zitting aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit niet zelfstandig heeft gemotiveerd waarom het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onduidelijk zijn. Eisers stellen dat sprake is van een cirkelredenering.

4. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit ten aanzien van de weigeringsgronden die ten grondslag liggen aan de afwijzing van de visumaanvraag het volgende heeft opgenomen:

”In dit geval komen de vreemdelingen niet in aanmerking voor een visum voor kort verblijf. De reden hiervoor is dat er sprake is van het onder a) ii. en b) gestelde.

(…)

De visumaanvraag is onder andere afgewezen omdat de sociale en economische binding met het land van herkomst of bestendig verblijf onvoldoende is aangetoond dan wel gering is gebleken, waardoor niet aannemelijk is gemaakt dat de vreemdelingen (tijdig) het Schengengebied zullen verlaten. Deze afwijzingsgrond wordt in bezwaar gehandhaafd.”

5. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit vervolgens uitsluitend wordt ingegaan op de weigeringsgrond van artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode, die ziet op de redelijke twijfel over tijdige terugkeer naar Iran, maar op geen enkele wijze in wordt gegaan op de weigeringsgrond van artikel 32, eerste lid, onder a, aanhef en onder ii van de Visumcode, die ziet op het niet aantonen van het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf.

6. Het betoog van verweerder ter zitting, dat de weigeringsgrond van artikel 32, eerste lid, onder a, aanhef en onder ii van de Visumcode voortvloeit uit de weigeringsgrond van artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode, volgt de rechtbank niet. De weigeringsgronden van artikel 32 van de Visumcode zijn zelfstandige weigeringsgronden die ieder op zichzelf een eigen beoordelingskader hebben. Alhoewel voorstelbaar is dat de economische en sociale binding in combinatie met de gegeven feiten en omstandigheden zouden kunnen maken dat er (ook) getwijfeld moet worden aan het doel en de omstandigheden van het verblijf in Nederland, moet per weigeringsgrond gemotiveerd worden waarom die wordt tegengeworpen.

7. Dat betekent dat de rechtbank met eisers niet ziet dat de weigeringsgrond van artikel 32, eerste lid, onder a, aanhef en onder ii van de Visumcode aan hen is tegengeworpen. Hoewel deze beroepsgrond slaagt, leidt dit niet tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank moet namelijk vervolgens beoordelen of verweerder de weigeringsgrond van artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode aan eisers heeft mogen tegenwerpen en dus of het bestreden besluit op grond daarvan gehandhaafd kan blijven.

Twijfel aan tijdige terugkeer

8. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder de sociale en economische omstandigheden van eisers in Iran en de algehele situatie in Iran heeft miskend. Eisers hebben een goed leven in Iran. De kern van hun bestaan ligt daar en dat zullen ze niet verruilen voor een onzeker illegaal bestaan in Nederland. Verweerder bagatelliseert volgens eisers ook de economische banden met Iran. In bezwaar stelt verweerder dat eiser met bankafschriften moet onderbouwen dat hij een netto salaris op zijn bankrekening krijgt, maar dat kan al worden afgeleid uit de overgelegde bankafschriften. Voor zover verweerder die stukken niet begrijpt, had hij dat duidelijk moeten aangeven en navraag moeten doen bij eisers. Verweerder miskent de waarde van de bezittingen van eisers in Iran, de school en opleiding van de kinderen. Ook is het in Iran niet ongebruikelijk dat de vrouw niet werkt. Verweerder kan dit niet ten nadele van eisers meewegen. Ten slotte kan verweerder niet zomaar voorbij gaan aan het gegeven dat eisers eerder een visum is verleend.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat verweerder aan eisers heeft mogen tegenwerpen dat er twijfel over hun tijdige terugkeer bestaat. Verweerder heeft de economische en sociale binding met Iran als land van herkomst onvoldoende substantieel mogen vinden. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat er geen achterblijvend gezin(slid) is, dat de aanwezigheid van de grootouders in Iran geen zodanig sterke sociale binding geeft en dat niet is gebleken dat eisers zorgen voor een familielid of zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen hebben. Dat eisers de kern van hun bestaan in Iran hebben, heeft verweerder onvoldoende mogen vinden om de tijdige terugkeer te waarborgen. De redenering van eisers dat zij genoodzaakt zijn om één gezinslid achter te laten in Iran, om zo een sociale binding te bewerkstelligen en tijdige terugkeer te waarborgen, volgt de rechtbank niet. Bij een toereikende economische binding kan de twijfel over de tijdige terugkeer immers ook worden weggenomen. De sociale en economische binding betreffen namelijk communicerende vaten.

De rechtbank oordeelt ten aanzien van de economische binding dat verweerder heeft mogen tegenwerpen dat niet gebleken is dat eisers over een substantieel en regelmatig inkomen beschikken om zelfstandig in het onderhoud te kunnen voorzien. Het gestelde inkomen van eiser kan niet worden teruggevonden op zijn bankafschriften . Eiseres werkt niet en genereert dus geen substantieel en regelmatig inkomen. Verweerder mag dit in de beoordeling betrekken, aangezien dit een omstandigheid is die economische binding met het land van herkomst kan aantonen. Dat het gebruikelijk is in Iran dat de vrouw niet werkt, maakt de beoordeling of sprake is van voldoende economische binding niet anders. Ook heeft verweerder mogen betrekken dat het onroerend goed van eisers geen dusdanige economische binding geeft dat de tijdige terugkeer is gewaarborgd.

Eisers hebben gezien het bovenstaande dan onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij aan de voorwaarden voldoen om in aanmerking te komen voor een visum voor kort verblijf. De weigeringsgrond van artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode kan de afwijzing van de visumaanvragen dragen.

Dat eisers eerder een visum hebben gekregen, maakt bovenstaande beoordeling niet anders, omdat elke visumaanvraag op zijn eigen merites moet worden beoordeeld. Daarbij hebben eiseres niet onderbouwd dat de situatie waaronder dat eerdere visum is verleend, volledig gelijk is aan de situatie van eisers nu.

Schending hoorplicht

10. Eisers hebben ook aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar. Dit lijkt ingegeven door de wil om een dwangsom te ontlopen, aldus eisers. Eisers verwijzen hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 6 juli 2022.

11. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen concluderen dat aan de voorwaarden om af te zien van het horen in bezwaar is voldaan. In bezwaar hebben eisers nadere gegevens overgelegd over de economische binding en het inkomen van eiser. Verweerder heeft op basis van deze gegevens het gestelde netto inkomen van eiser, aangegeven op de vragenlijst, niet kunnen terugvinden op de bankafschriften. Verweerder heeft dan kunnen concluderen dat niet is gebleken van een substantieel en regelmatig inkomen. Een hoorzitting had geen nieuw licht op deze conclusie kunnen werpen. Eisers hebben overigens ook in beroep geen nadere toelichting op dit punt gegeven. De door eisers genoemde uitspraken geven de rechtbank geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. De omstandigheden zoals beschreven in die uitspraken wijken daarvoor teveel af van de omstandigheden bij eisers. In de uitspraak van zittingsplaats Arnhem was volgens de rechtbank al sprake van een motiveringsgebrek ten aanzien van de economische en sociale binding en had verweerder in het verlengde daarvan niet kunnen afzien van het horen in bezwaar. In de uitspraak van zittingsplaats Middelburg waren in bezwaar nadere gegevens omtrent de sociale en economische binding naar voren gekomen die volgens de rechtbank uitgevraagd hadden moeten worden tijdens een hoorzitting. In de uitspraak van de ABRvS heeft zij in zijn algemeenheid uitgangspunten geformuleerd over het horen in bezwaar. De rechtbank ziet zonder nadere toelichting niet waarom deze uitspraak maakt dat in het geval van eisers gehoord had moeten worden.

Motivering primaire besluit

12. Eisers hebben tenslotte aangevoerd dat het primaire besluit ontoereikend is gemotiveerd. Dit blijkt ook uit het gegeven dat eisers in bezwaar worden gevraagd een vragenlijst in te vullen. Dan heeft verweerder kennelijk onvoldoende informatie gehad om te beslissen op de aanvragen. Eisers stellen ook dat er aanwijzingen zijn voor een ongeoorloofde vorm van detournement de pouvoir.

13. De beroepsgrond slaagt niet. Deze stellingen van eisers kunnen de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet raken. De rechtbank oordeelt in beroep namelijk niet over het primaire besluit, maar de beslissing op bezwaar. De motivering van het primaire besluit valt daarbuiten. De rechtbank ziet zonder nadere toelichting ook niet waarom hier sprake is van een ongeoorloofde vorm van detournement de pouvoir.

Conclusie

14. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat eisers op grond van artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode niet in aanmerking komen voor de gevraagde visa kort verblijf.

15. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2024.

De rechter is verhinderd

om de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Op grond van artikel 84, onder b, van de Vw staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.

Voetnoten

  1. Verordening (EG) Nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.
  2. Pagina 4 van het bestreden besluit van 23 februari 2024
  3. zittingsplaats Arnhem, van 5 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:218.
  4. zittingsplaats Middelburg, van 27 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:2699.
  5. ECLI:NL:CRVB:2022:1918
  6. Artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.