ECLI:NL:RBDHA:2025:14736 Rechtbank Den Haag , 28-04-2025 / C/09/681727 / FA RK 25-1840
Afwijzing verzoek wijziging voorlopige voorzieningen. Geen sprake van omstandigheden die ertoe moeten leiden dat de eerdere zorgregeling niet kan voortduren.
8 min de lecture · 1 561 mots
Inhoudsindicatie. Afwijzing verzoek wijziging voorlopige voorzieningen. Geen sprake van omstandigheden die ertoe moeten leiden dat de eerdere zorgregeling niet kan voortduren.
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1840
Zaaknummer: C/09/681727
Datum beschikking: 28 april 2025
Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 11 maart 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.A.G. Balkenende te [plaats] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.S. Gerson te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek;
het F9-bericht van de vrouw van 8 april 2025, met bijlagen.
Op 14 april 2025 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Feiten
Partijen zijn op [datum] 2021 te [plaats] een geregistreerd partnerschap aangegaan.
Zij zijn de ouders van het volgende, minderjarige kind:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .
Partijen zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
De man heeft de Italiaanse nationaliteit en de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit.
Verzoek en verweer
Naar aanleiding van door de vrouw verzochte voorlopige voorzieningen is bij beschikking van deze rechtbank van 18 december 2024 :
– bepaald dat [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd;
– een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige] vastgesteld, waarbij [minderjarige] – conform de overeenstemming van partijen –:
– van 12 december 2024 tot en met 19 december 2024 bij de man verblijft;
– van 19 december 2024 tot en met 26 december 2024 bij de vrouw verblijft;
– van 26 december 2024 tot en met 9 januari 2025 bij de man verblijft;
en waarbij met ingang van 9 januari 2025 een week-op-week-af-regeling ingaat met de wisseldag op de donderdag uit de crèche/opvang (17.30 uur), waarbij [minderjarige] :
– vanaf 9 januari 2025 een week bij de vrouw verblijft, en
– vanaf 16 januari 2025 een week bij de man verblijft,
– enzovoorts.
De vrouw verzoekt voormelde beschikking te wijzigen in die zin dat voorlopig geen zorgregeling zal gelden tussen de man en [minderjarige] , in afwachting van een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming.
De vrouw doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking zijn gewijzigd en dat de rechtbank bij het geven van de beslissing is uitgegaan van onjuiste en/of onvolledige gegevens.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. De man heeft daarnaast verzocht om een dwangsom te bepalen van € 250,- per dag voor iedere dag waarop de vrouw de zorgregeling frustreert en/of [minderjarige] aan het gezag onttrekt, met een maximum van € 250.000,-, althans een door de rechtbank te bepalen dwangsom.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De rechtbank overweegt dat de Nederlandse rechter te dezen rechtsmacht toekomt en dat zij in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht zal toepassen.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 824 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een voorlopige voorziening worden gewijzigd indien de omstandigheden na de beschikking zodanig zijn gewijzigd of in zodanige mate van onjuiste gegevens is uitgegaan dat, alle betroken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven.
Door de vrouw is gesteld dat aan voornoemd criterium is voldaan en dat de voorlopige zorgregeling moeten worden gewijzigd. Hoewel de vrouw aanvankelijk met de man tot overeenstemming is gekomen en deze afspraken zijn vastgelegd in de beschikking, is zij nadien tot het inzicht gekomen dat tussen partijen sprake was van een ongelijkwaardige relatie, waarbij de man zich ook verbaal en fysiek (dreigend) uitte jegens de vrouw. Zij vreest daarom voor de veiligheid van [minderjarige] bij de man. Deze vrees wordt gedeeld door haar omgeving. De vrouw heeft ook een filmpje ontvangen waarop de man sturende vragen stelt aan [minderjarige] . Na een gesprek met de politie heeft zij daarom op 26 februari 2025 de zorgregeling stopgezet. Naar de mening van de vrouw kan er op dit moment geen contact tussen de man en [minderjarige] plaatsvinden, maar moet er eerst een raadsonderzoek plaatsvinden.
De man heeft verweer gevoerd. Naar zijn mening is geen sprake van zodanig gewijzigde omstandigheden dat de voorlopige zorgregeling niet in stand kan blijven. De man betwist niet alleen het gestelde huiselijk geweld en de onveiligheid van [minderjarige] , maar de man wijst er ook op dat deze omstandigheden ook al ten tijde van het overeenkomen van de zorgregeling bekend waren, nu de vrouw immers stelt dat het huiselijk geweld zich voordeed gedurende de relatie van partijen. De man erkent wel het bestaan van het filmpje en is zich ervan bewust dat hij dit filmpje niet had moeten maken en de betreffende vragen niet aan [minderjarige] moeten stellen. Dit leidt er naar zijn mening echter niet toe dat er geen contact meer kan bestaan tussen hem en [minderjarige] . De zorgregeling moet zo snel mogelijk worden hervat. Om te voorkomen dat de vrouw opnieuw eenzijdig de zorgregeling zal stopzetten, acht hij een dwangsom vereist. De man is daarbij bereid om hulpverlening aan te gaan om de communicatie tussen partijen te verbeteren en het onderlinge vertrouwen te herstellen.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat bij de toepassing van artikel 824 lid 2 Rv geldt dat niet bij elke onjuistheid of onvolledigheid wijziging van de voorziening mogelijk is. Immers, met het opnemen van de zinssnede ‘in zodanige mate’ en ‘alle betrokken belangen in aanmerking genomen’ heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat niet iedere onjuistheid of onvolledigheid van gegevens waarvan de rechtbank is uitgegaan tot een wijziging of intrekking kan leiden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het moet gaan om evidente, zeer sprekende gevallen en dat de wetgever een eventuele wijzigingsmogelijkheid aan een streng criterium heeft willen binden. Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank de stellingen van partijen beoordelen.
De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat de omstandigheden na de beschikking van 18 december 2024 dusdanig zijn gewijzigd dat de zorgregeling die partijen toen in onderling overleg zijn overeengekomen moet worden gewijzigd of dat is gebleken dat op dat moment van onjuiste gegevens is uitgegaan. Zoals ook door de man naar voren is gebracht, waren de omstandigheden die de vrouw aan haar huidige verzoek ten grondslag heeft gelegd – met uitzondering van het door de man gemaakte filmpje – ook ten tijde van het wijzen van de beschikking bekend. De vrouw is – mede door inzet van hulpverlening – tot het inzicht gekomen dat sprake was van een ongezonde relatie en zij zet zich in voor haar persoonlijke groei en ontwikkeling. Zij wordt daarbij ook gesteund door haar netwerk. Het gevoel dat de vrouw (achteraf) heeft over de relatie staat echter los van de vraag of contact tussen de man en [minderjarige] onveilig is. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank niet of onvoldoende gebleken. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het contact daarom zo snel mogelijk weer moet worden opgestart. De overdracht kan daarbij conform de zorgregeling plaatsvinden via de crèche, zodat partijen niet onnodig met elkaar worden geconfronteerd. De rechtbank ziet tot slot op dit moment ook onvoldoende aanleiding om – zoals door de vrouw verzocht – een onderzoek door de Raad te gelasten.
Nu geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw niet-ontvankelijk verklaren. De bij beschikking van 18 december 2024 getroffen voorlopige voorzieningen zullen daarom in stand blijven.
Dwangsom
Door de man is verzocht om aan de nakoming van de zorgregeling een dwangsom te verbinden, om te voorkomen dat de vrouw opnieuw eenzijdig zal beslissen tot het stopzetten daarvan. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Namens de vrouw is op de zitting toegezegd dat zij zich – ongeacht de uitkomst – zal houden aan de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de vrouw zal meewerken aan de uitvoering van de overeengekomen zorgregeling. Daar komt bij dat de rechtbank oplegging van een dwangsom – gelet op de al moeizame onderlinge verhoudingen – niet bevorderlijk acht. Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen.
Ten overvloede
De rechtbank ziet aanleiding om – gelet op hetgeen uit de stukken volgt en op de zitting is besproken – ten overvloede kort aandacht te besteden aan de situatie van partijen. Zoals in het voorgaande al is benoemd, is tussen partijen sprake geweest van een onstuimige relatie. Partijen hebben hierdoor geen vertrouwen meer in de ander en de onderlinge communicatie verloopt zeer moeizaam. De vrouw ervaart daarbij veel steun vanuit haar familie en vrienden, maar tegelijkertijd is hun betrokkenheid niet constructief gebleken bij het plaatsvinden van onbelast contact. De rechtbank acht het daarom van belang dat partijen zich zullen inzetten om de situatie in het belang van [minderjarige] te verbeteren. Mogelijk kan het Wijkteam, waarmee beide partijen al contact hebben, hierin een rol van betekenis spelen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst de verzoeken van de vrouw en de man af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 april 2025.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...