ECLI:NL:RBDHA:2025:19278 Rechtbank Den Haag , 08-07-2025 / NL24.12926
Visum kort verblijf Marokko, gegrond.
6 min de lecture · 1 273 mots
Inhoudsindicatie. Visum kort verblijf Marokko, gegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.12926
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] ,
geboren op [geboortedatum] 1974, van Marokkaanse nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. J. Ruijs),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een visum voor kort verblijf.
Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 4 april 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 maart 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2025 op zitting behandeld. Partijen zijn niet verschenen.
Overwegingen
Vrijstelling van het griffierecht
2. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe, omdat aannemelijk is dat zij aan de voorwaarden voldoet. Dit betekent dat eiseres geen griffierecht hoeft te betalen.
Achtergrond
3. Eiseres heeft op 28 maart 2023 verzocht om afgifte van een visum voor kort verblijf bij haar echtgenoot, [naam] (hierna: referent) voor de periode van 28 april 2023 tot en met 27 juli 2023.
Besluitvorming
4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Daarnaast heeft eiseres niet aangetoond dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikt. Ook bestaat er redelijke twijfel over het voornemen om tijdig terug te keren, omdat eiseres haar sociale en economische binding met Marokko niet aannemelijk heeft gemaakt.
Standpunt eiseres
5. Eiseres heeft het volgende aangevoerd. Het doel van het bezoek is volgens eiseres duidelijk. Eiseres wil naar Nederland om haar echtgenoot te bezoeken, om te kijken hoe referent in Nederland leeft en om zijn kinderen te bezoeken. Eiseres en referent zijn van plan de rest van hun leven in Marokko door te brengen. Eiseres woont al haar hele leven, inmiddels ruim vijftig jaar, in Marokko en heeft geen binding met een ander land. Daarnaast moet eiseres voor haar zieke moeder zorgen en heeft hiervoor een verklaring van een arts overgelegd. Deze arts geeft aan dat de moeder van eiseres slechtziend is en dat de aanwezigheid van eiseres nodig is. Verder heeft eiseres een verklaring overgelegd waarin eiseres garandeert dat zij terug zal keren, een reservering van een retourticket van en naar Marokko, en een reisverzekering. Daarbij heeft eiseres aangegeven dat zij, als verweerder dit wenst, nadere informatie kan overleggen. Eiseres voert aan dat verweerder niet zonder nadere motivering voorbij had mogen gaan aan het onafgebroken verblijf van ruim vijftig jaar in Marokko en de daarbij behorende sociale binding. Verder stelt eiseres dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden.
Oordeel van de rechtbank
6. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in bezwaar vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit.
7. Volgens verweerder is terecht afgezien van een hoorzitting. In bezwaar zijn geen stukken overgelegd over de woon- en leefsituatie van eiseres in Marokko. Verweerder ziet niet in waarom deze stukken niet konden worden overgelegd. Een hoorzitting had daarom niets veranderd aan de binding van eiseres met Marokko.
8. De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder in de besluitvorming ten onrechte niet alle door eiseres overgelegde stukken heeft betrokken. Zo is verweerder in het besluit niet ingegaan op de zorg die eiseres heeft voor haar moeder in Marokko. Dit is een zorgvuldigheidsgebrek.
9. Verder kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kon leiden dan in het primaire besluit. De rechtbank stelt daarbij voorop dat bij de beoordeling van het vestigingsgevaar het gaat om het voorspellen van toekomstig gedrag, namelijk of eiseres het voornemen heeft om op tijd weer terug naar Marokko te gaan. Het horen biedt dan bij uitstek mogelijkheid om de intenties van eiseres nader te onderzoeken. De hoorzitting kan daarnaast ook benut worden om helderheid te verkrijgen over de bij verweerder kennelijk nog spelende onduidelijkheden, zoals de geplande duur van de reis en de andere familieleden van eiseres in Marokko. De rechtbank overweegt dat in een dergelijke situatie, het in het kader van een zorgvuldige besluitvorming essentieel is om eiseres te horen. Zeker wanneer eiseres zich actief heeft ingespannen om verduidelijking te bieden, daarbij heeft aangeboden om meer informatie te geven indien dat nodig is en de gemachtigde van eiseres ook expliciet om een hoorzitting heeft verzocht.
10. Verweerder had het bezwaar dan ook niet kennelijk-ongegrond mogen verklaren. Verweerder had juist door middel van een hoorzitting nadere duidelijkheid kunnen verkrijgen. Door dit niet te doen heeft verweerder eiseres geen eerlijke kans gegeven om verweerder van het tegendeel te overtuigen.
11. In het kader van de finale geschilbeslechting merkt de rechtbank voorts nog op dat verweerder ten aanzien van de sociale binding van eiseres met Marokko zich in het besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van ‘enige sociale binding’ met Marokko. Eiseres heeft haar hele leven in Marokko gewoond, inmiddels meer dan vijftig jaar. Zonder nadere onderbouwing, die niet gegeven is, kan verweerder zich dan niet op het standpunt stellen dat van ‘enige’ sociale binding is gebleken. Er is in het leven van eiseres, naast haar echtgenoot in Nederland met wie zij voornemens is om samen met hem diens laatste levensjaren in Marokko te slijten, geen andere sociale binding dan met Marokko. Verweerder dient daar in het nieuwe besluit dan ook het gewicht aan toe te kennen dat daarbij passend is.
12. Het beroep van eiseres is gegrond, omdat verweerder ten onrechte niet alle door eiseres overgelegde stukken in de besluitvorming heeft betrokken en er in de bezwaarfase ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. Wat eiseres verder heeft aangevoerd behoeft daarom nu geen bespreking meer. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen eiseres te horen en een nieuw besluit te nemen naar aanleiding van het door eiseres ingestelde bezwaar.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb omdat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
14. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 907,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend.
Beslissing
De rechtbank,
– verklaart het beroep gegrond;
– vernietigt het bestreden besluit;
– draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
– veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Voetnoten
- Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
- Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
- Uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.
- Algemene wet bestuursrecht.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...