ECLI:NL:RBDHA:2025:19780 Rechtbank Den Haag , 28-10-2025 / NL25.50116
Bewaring, beroep, wettelijke grondslag van de maatregel van bewaring, bewaringsgronden, lichter middel, ongegrond.
5 min de lecture · 1 015 mots
Inhoudsindicatie. Bewaring, beroep, wettelijke grondslag van de maatregel van bewaring, bewaringsgronden, lichter middel, ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50116
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
[v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).
Procesverloop
Bij besluit van 14 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R. Rahim Ali. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Wettelijke grondslag van de maatregel van bewaring
1. Eiser betoogt allereerst dat hij ten onrechte op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring is gesteld. De inbewaringstelling had moeten plaatsvinden op grond van artikel 59, tweede lid Vw, omdat alle bescheiden voor uitzetting van eiser voorhanden zijn.
2. Naar het oordeel van de rechtbank is de maatregel op de juiste grondslag opgelegd. In tegenstelling tot wat eiser betoogt waren bij de oplegging van de maatregel van bewaring de voor de terugkeer noodzakelijke bescheiden niet voorhanden. De maatregel van bewaring is op 14 oktober 2025 opgelegd en uit de aanbiedingsbrief van 21 oktober 2025 volgt dat op 15 oktober 2025 een vluchtaanvraag is ingediend. Eiser heeft geen paspoort en er was nog geen laissez-passer afgegeven of vlucht geboekt. De beroepsgrond slaagt dus niet.
Bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring niet heeft bestreden. Deze onbestreden gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te dragen.
Lichter middel
5. Eiser voert aan dat verweerder alleen heeft gemotiveerd of kan worden volstaan met een meldplicht. Niet is gemotiveerd of kan worden volstaan met een ander lichter middel, zoals verblijf op een vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel of Budel.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en afdoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval niet met een minder dwingende maatregel dan inbewaringstelling kon worden volstaan. Verweerder heeft daarbij terecht gewezen op de zware en lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Eiser heeft zelf ook meerdere malen aangegeven niet mee te werken aan zijn vertrek, zoals in het gehoor voor inbewaringstelling op 14 oktober 2025 en in het vertrekgesprek van 15 oktober 2025. Bovendien heeft verweerder de verklaringen die eiser heeft afgelegd over zijn medische situatie kenbaar bij de besluitvorming betrokken en heeft hij zich daarover terecht op het standpunt gesteld dat eiser de voor hem nodige medische zorg wel in het detentiecentrum zal krijgen. Eisers medische situatie was bij verweerder al bekend en er is daarom bij de staandehouding, overbrenging en gehoor een sociaal verpleegkundige aanwezig geweest. In het detentiecentrum zal eiser ook een medische intake krijgen en zal op basis daarvan aan hem de nodige zorg worden verleend. Verweerder stelt daarover tot slot dat de medische zorg vanuit het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat verweerder had moeten onderzoeken of een vrijheidsbeperkende instelling een mogelijkheid was. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. In aanvulling daarop is de rechtbank, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), eveneens gehouden ambtshalve te toetsen of artikel 5 van de Richtlijn 2008/115/EG zich verzet tegen de inbewaringstelling. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...