ECLI:NL:RBDHA:2025:20929 Rechtbank Den Haag , 05-11-2025 / NL25.23560

asiel, art. 4 KRI, eerdere confrontatie met wandaden, ambtshalve toetsen artikel 8 evrm, ongegrond.

Source officielle

14 min de lecture 3 002 mots

Inhoudsindicatie. asiel, art. 4 KRI, eerdere confrontatie met wandaden, ambtshalve toetsen artikel 8 evrm, ongegrond.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.23560

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. A.C. Pool),

en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: J.D. Albarda).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres haar vrees om opnieuw slachtoffer te worden van seksueel geweld niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarnaast voldoet eiseres niet aan de voorwaarden om op grond van het beleid “eerdere confrontatie met wandaden” een verblijfsvergunning te verkrijgen. Ten slotte was de minister niet gehouden om bij deze opvolgende aanvraag te beoordelen of uitzetting van eiseres in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 30 januari 2023 een derde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 mei 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2025, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.23561), op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Eerdere procedures

3. Eiseres heeft twee keer eerder een asielaanvraag gedaan, waaraan zij problemen van haar familie met het leger ten grondslag heeft gelegd. De eerste aanvraag is op 7 augustus 2017 afgewezen als ongegrond. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft op

11 september 2017 het beroep hiertegen ongegrond verklaard. Het hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ook ongegrond verklaard, waarmee de afwijzing op de eerste aanvraag onherroepelijk is geworden.

Eiseres heeft op 1 november 2018 een tweede asielaanvraag ingediend, waarbij zij nieuwe documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van haar eerdere asielrelaas. Deze aanvraag is op 11 juli 2019 door de minister niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld waardoor het besluit in rechte vast staat.

Huidige aanvraag

4. Aan de huidige asielaanvraag legt eiseres ten grondslag dat zij slachtoffer is geworden van seksueel misbruik. Hierbij heeft eiseres ook een aantal documenten overgelegd. In de eerdere procedures heeft zij hier al over verklaard, maar zij heeft toen niet alles kunnen vertellen. Dit was vanwege haar leeftijd, culturele achtergrond en trauma moeilijk voor eiseres. Eiseres vreest dat zij bij terugkeer naar Congo-Kinshasa (Congo) nogmaals slachtoffer zal worden van seksueel geweld, omdat zij daar een beperkt netwerk heeft en dus erg kwetsbaar is.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. verklaringen over seksueel geweld.

De minister acht beide asielmotieven geloofwaardig. Eiseres loopt echter volgens de minister bij terugkeer naar Congo geen reëel risico op ernstige schade. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij opnieuw slachtoffer zal worden van seksueel misbruik. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.

Beroepsgrond ingetrokken op zitting

6. Eiseres heeft in haar (schriftelijke) beroepsgronden betoogd dat het terugkeerbesluit van 7 augustus 2017, dat onderdeel was van het afwijzende asielbesluit, dient te worden heroverwogen. De gemachtigde van eiseres heeft deze beroepsgrond tijdens de zitting ingetrokken. De rechtbank zal hierover daarom geen oordeel geven. Ook zal zij daarom geen oordeel geven over het betoog dat de minister ambtshalve de oplegging van het terugkeerbesluit had moeten toetsen aan artikel 7 van het EU Handvest.

Heeft de minister artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn onjuist toegepast?

7. Eiseres betoogt dat de minister artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn ten onrechte niet heeft toegepast. Zoals in dat artikel is bepaald moet de bewijslast voor het aannemen van een reëel risico op ernstige schade worden omgekeerd, waardoor de bewijslast bij de minister ligt. Hiertoe voert eiseres aan dat dit artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn niet slechts ziet op gevreesde vervolging dan wel ernstige schade veroorzaakt door één specifieke dader, maar dat het ook dient te zien op andere mogelijke actoren als er sprake is van een in het land van herkomst wijdverspreid probleem, zoals seksueel geweld in Congo. Bovendien is het mogelijk dat de dader van het seksueel geweld bij eiseres in Congo verblijft.

Artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn is geïmplementeerd in artikel 31, vijfde lid, van de Vw 2000. Uit artikel 31, vijfde lid, van de Vw 2000 volgt dat eerdere blootstelling aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Goede redenen om dit aan te nemen kunnen zijn dat de eerdere daders van vervolging of de ernstige schade niet meer aanwezig zijn in het land van herkomst of dat de situatie in het land van herkomst in aanzienlijke mate is verbeterd. Ook is het mogelijk dat de eerdere vervolging of ernstige schade geen verband houdt met hetgeen de vreemdeling nu voor vreest. De bewijslast om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen ligt bij de minister.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Hoewel de rechtbank ermee bekend is dat seksueel geweld in Congo op grote schaal voorkomt en ook begrijpt dat dat eiseres als slachtoffer van seksueel geweld in een heel moeilijke situatie verkeert, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de bewijslast niet bij hem is komen te liggen. De minister mag namelijk, gelet op de verklaringen van eiseres, aannemen dat de dader van het seksueel geweld bij eiseres is vertrokken uit Congo. De rechtbank volgt niet het tijdens de zitting ingenomen standpunt van de gemachtigde van eiseres dat het onduidelijk zou zijn waar de dader is. Eiseres heeft namelijk in de eerste procedure verklaard dat ze samen met de dader en zijn gezin Congo is ontvlucht, waarbij de eindbestemming de Verenigde Staten was. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar betoog dat artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn ook al van toepassing is omdat vrienden van de dader hebben nagelaten in te grijpen en zij nog altijd in Congo verblijven of omdat seksueel geweld in Congo wijdverspreid is. Er zijn geen aanknopingspunten dat ‘daders’ in de zin van dat artikel zo ruim moet worden gelezen.

Heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eiseres geen risico loopt op vervolging dan wel ernstige schade in Congo?

8. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat zij geen risico loopt op vervolging dan wel ernstige schade in Congo. De vage stelling dat seksueel geweld in Kinshasa in mindere mate voorkomt dan in conflictgebieden elders in het land, is geen deugdelijke motivering daarvoor, gelet op het feit dat seksueel geweld in Congo wijdverspreid is en eiseres daar eerder aan is blootgesteld. Het is daarnaast onvoldoende voor de minister om enkel te wijzen op het feit dat degene die eerder betrokken is geweest bij het seksuele geweld tegen eiseres, is vertrokken uit Congo. Artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn ziet namelijk ook op gevreesde ernstige schade van andere mogelijke daders. Verder heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eiseres aanspraak kan maken op de bescherming van een netwerk in Congo. Dat de minister ongeloofwaardig heeft gevonden dat de moeder en broer van eiseres zijn overleden, betekent namelijk niet zonder meer dat er van uit mag worden gegaan dat eiseres in Congo een netwerk heeft. De aanspraak op bescherming van een netwerk kan bovendien alleen worden tegengeworpen als ook daadwerkelijk effectieve bescherming van dat netwerk verwacht kan worden. De minister heeft daarnaast onvoldoende bij de besluitvorming betrokken dat de biologische vader van eiseres in Nederland verblijft. Ook heeft de minister bij de zwaarwegendheid ten onrechte niet meegewogen dat eiseres behoort tot de groepering Bundu dia Kongo. Dit maakt haar namelijk kwetsbaarder dan de gemiddelde Congolese vrouw.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres haar vrees om opnieuw slachtoffer te worden van seksueel geweld niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de omstandigheid dat seksueel geweld een wijdverspreid probleem is in Congo, niet op zichzelf een individueel risico oplevert om hiervan bij terugkeer slachtoffer te worden. Daarnaast stelt de minister terecht dat niet elke jonge vrouw bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade, enkel omdat vrouwen een kwetsbare positie hebben in de Congolese samenleving. Daarbij heeft de minister betrokken dat jonge (alleenstaande) vrouwen niet als risicoprofiel zijn aangemerkt in het landgebonden beleid voor Congo. De minister heeft ook terecht meegewogen dat, hoewel seksueel geweld in Congo wijdverspreid is, het volgens het ambtsbericht met name in conflictgebieden voorkomt. Kinshasa, waar eiseres vandaan komt, wordt daarbij niet genoemd als een gebied waar seksueel geweld bijzonder veel voorkomt. De minister heeft de omstandigheid dat eiseres in het verleden eerder slachtoffer is geweest van seksueel geweld meegewogen bij de risico-inschatting, maar stelt zich terecht op het standpunt dat die omstandigheid het voorgaande niet anders maakt. Daarbij is van belang dat, zo stelt de minister terecht, eiseres heeft verklaard dat de dader van dat misbruik niet meer in Congo woont. De minister stelt ook terecht dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat ze slachtoffer zal worden van de vrienden van de dader van het eerdere misbruik. Uit de verklaringen van eiseres blijkt dat de vrienden van de dader niet actief hebben deelgenomen aan het misbruik van eiseres. Daarnaast is het onbekend wie deze vrienden zijn, waar ze zich bevinden en of ze het specifiek op eiseres hebben voorzien. Ook is onduidelijk hoe zij op de hoogte zouden kunnen raken van de terugkeer van eiseres. De minister mag er verder van uitgaan dat eiseres een netwerk heeft in Congo. Het staat namelijk in rechte vast, zo stelt de minister terecht, dat de verklaringen van eiseres over de dood van haar moeder en broer en de verdwijning van haar stiefvader niet geloofwaardig zijn. Zij zouden nog in Congo kunnen verblijven, zodat eiseres zich tot hen kan wenden voor hulp en het opbouwen van een netwerk. De minister heeft daarnaast voldoende gemotiveerd gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat ze geen overige familieleden, vrienden of kennissen heeft in Congo. Eiseres heeft namelijk 16 jaar in Kinshasa gewoond en ging daar naar school. Dat de biologische vader van eiseres in Nederland woont, maakt het voorgaande ook niet anders. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat aanspraak op bescherming van een netwerk alleen kan worden tegengeworpen als er ook daadwerkelijk effectieve bescherming van dat netwerk verwacht kan worden. Eiseres heeft niet onderbouwd waaruit deze voorwaarde volgt. De gemachtigde van de minister heeft zich op de zitting tot slot terecht op het standpunt gesteld dat de minister het behoren tot de groepering Bundu dia Kongo op zich aannemelijk heeft geacht, maar dat eiseres hiermee – zo volgt uit het landenbeleid voor Congo – geen verhoogd risico op seksueel geweld loopt.

Had de minister aan eiseres een verblijfsvergunning moeten verlenen op grond van een eerdere confrontatie met wandaden?

9. Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat zij niet voldoet aan de voorwaarden om op grond van het beleid “eerdere confrontatie met wandaden” een verblijfsvergunning te verkrijgen. In het nader gehoor in de eerste procedure heeft eiseres verklaard dat ze wist dat de man die haar heeft misbruikt militair was. Deze verklaring is niet zo twijfelachtig als de minister stelt. Bovendien is weinig doorgevraagd naar de reden waarom eiseres dit wist. Verder is het feit dat de man die haar heeft misbruikt inmiddels is vertrokken uit Congo en dat eiseres niet met hem zal worden geconfronteerd bij terugkeer niet relevant, nu dit geen voorwaarde is voor verlening van een verblijfsvergunning op deze grond.

Als een vreemdeling in het verleden is geconfronteerd met traumatische gebeurtenissen in zijn directe omgeving en zich op grond van de psychologische problematiek als gevolg van de wandaden in een positie bevindt dat hij niet terug kan keren naar zijn land van herkomst, verleent de minister hem onder voorwaarden een verblijfsvergunning asiel. Hiervoor is onder meer vereist dat de betreffende daden zijn veroorzaakt door de autoriteiten van het land van herkomst, door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan of door groeperingen waartegen de overheid niet in staat of niet willens is bescherming te bieden. Ook is vereist dat de vreemdeling aannemelijk maakt dat die daden de aanleiding zijn geweest voor het vertrek uit het land van herkomst.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van dit beleid. Eiseres is namelijk niet misbruikt door de autoriteiten van het land, een politieke of militante groepering die de feitelijke macht uitoefent of een groepering waartegen de overheid geen bescherming kan of wil bieden. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de verklaringen van eiseres al niet concreet genoeg zijn om tot de conclusie te komen dat de dader van het seksueel misbruik militair was. In het nader gehoor van 31 juli 2017 in de eerste procedure heeft eiseres namelijk verklaard dat de dader van het misbruik een overhemd met medailles en een baret had, en dat hij militair was. In deze procedure heeft eiseres verklaard dat hij werkte voor de staat en dat ze niet weet of hij gouverneur was. Daarnaast heeft de minister op de zitting nog toegelicht dat niet het seksueel misbruik, maar de geloofsovertuiging van eiseres voor haar de aanleiding is geweest om Congo te ontvluchten. Zij voldoet daarmee niet aan de voorwaarde dat de vreemdeling aannemelijk moet maken dat de wandaad de aanleiding is geweest voor het vertrek uit het land van herkomst.

Had de minister ambtshalve moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM en/of artikel 7 van het EU-Handvest?

10. Eiseres betoogt dat de minister ambtshalve had moeten beoordelen of uitzetting van eiseres in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM. Er is namelijk sprake van bijzondere omstandigheden die aanleiding bieden om op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af te wijken van het beleid dat bij opvolgende asielaanvragen niet aan artikel 8 van het EVRM wordt getoetst. Eiseres gaf in een vroeg stadium al aan dat in haar situatie aanleiding bestaat om in het kader van artikel 8 van het EVRM een beoordeling te verrichten. Ook heeft eiseres nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht die geen rol speelden in de eerdere procedure, namelijk dat haar biologische vader in Nederland woont en zij al enkele jaren deel uitmaakt van zijn gezin.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Hoewel het weliswaar in geval van eiseres zorgvuldiger en praktischer was geweest om een ambtshalve toets te verrichten, is de minister niet gehouden om bij een opvolgende aanvraag te beoordelen of uitzetting van eiseres in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM. De minister heeft bij zijn beleid kunnen aansluiten en had geen aanleiding hoeven zien om hier van af te wijken vanwege bijzondere omstandigheden. Dat eiseres al in een vroeg stadium heeft aangegeven dat in haar situatie aanleiding zou bestaan om in het kader van artikel 8 van het EVRM een beoordeling te verrichten, is hiervoor onvoldoende.

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus-Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. Rb. Den Haag, zp. Rotterdam, 11 september 2017, zaaknummer: NL17.6885 (niet gepubliceerd).
  2. ABRvS 17 oktober 2017, zaaknummer: 201707463/1/V2 (niet gepubliceerd).
  3. Artikel 29, eerste lid, onder b Vw 2000.
  4. Paragraaf C1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
  5. Zie het algemeen ambtsbericht inzake de DRC van de minister van Buitenlandse Zaken van oktober 2021, p. 76 e.v.
  6. Hierbij wijst eiseres op het Algemeen ambtsbericht van oktober 2021, een rapport van Amnesty International van april 2025 ([website 1]) en een rapport van de Immigration and Refugee Board of Canada van maart 2025 ([website 2]).
  7. Paragraaf C7/11.3.2 en C7/11.4.1.2 van de Vc 2000.
  8. Dit staat in C2/3.3.2.2 van de Vc 2000.
  9. Pagina 10 van het verslag van het nader gehoor van 31 juli 2017.
  10. Pagina 14 van het verslag van het nader gehoor van 19 november 2024 en 6 januari 2025.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.