ECLI:NL:RBDHA:2025:21326 Rechtbank Den Haag , 18-07-2025 / 23/5021
Deze uitspraak gaat over het recht op kinderbijslag voor een uitwonend kind. Nu het kind per 1 januari 2023 op het adres van de vader staat ingeschreven en niet verplicht is om kinderalimentatie ten behoeve van hetzelfde kind te betalen, komt de vader over het eerste kwartaal van 2023 de uitbetaling van het recht op kinderbijslag toe. Het beroep tegen het gewijzigde besluit is ongegrond.
12 min de lecture · 2 431 mots
Inhoudsindicatie. Deze uitspraak gaat over het recht op kinderbijslag voor een uitwonend kind. Nu het kind per 1 januari 2023 op het adres van de vader staat ingeschreven en niet verplicht is om kinderalimentatie ten behoeve van hetzelfde kind te betalen, komt de vader over het eerste kwartaal van 2023 de uitbetaling van het recht op kinderbijslag toe. Het beroep tegen het gewijzigde besluit is ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5021
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser,
en
de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (de Svb), verweerder
gemachtigde: mr. K. Verbeek,
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] , uit [woonplaats 2] .
Procesverloop
Bij besluit van 27 maart 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser geen recht heeft op kinderbijslag over het eerste, tweede, derde en vierde kwartaal van 2022 en over het eerste kwartaal van 2023.
Bij besluit van 21 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2024. Ter zitting zijn verschenen: eiser, de gemachtigde van verweerder en de derde-partij.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen om het bestreden besluit te heroverwegen in het licht van de beschikking van 19 december 2023.
Bij besluit van 4 juni 2024 (het gewijzigde besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser in zoverre gegrond verklaard dat eiser recht heeft op de kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2023.
Op verzoek van de derde-partij heeft de rechtbank het beroep op 25 juni 2025 nogmaals op zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen: eiser, de gemachtigde van verweerder en de derde-partij.
Beoordeling door de rechtbank
Wat vooraf ging aan de procedure
1. Eiser (hierna: de vader) en de derde-partij (hierna: de moeder) zijn samen ouders van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010, [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2008 en [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum 3] 2007. De vader en de moeder hebben afspraken over de verdeling van de kinderbijslag. In het ouderschapsplan van 2013 is afgesproken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder wonen en [jongmeerderjarige] bij de vader woont. Zo is afgesproken dat ieder de kinderbijslag voor het op zijn en/of haar adres ingeschreven staande kind ontvangt, tenzij de Svb eensluidend anders wordt bericht. Afgesproken is ook dat de vader kinderalimentatie betaalt voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder betaalt kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] .
Op 4 augustus 2020 is een andere regeling afgesproken met betrekking tot het verblijf van de kinderen bij de ouders. Op 17 juni 2021 is de regeling met betrekking tot het verblijf van de kinderen bij beide ouders nogmaals aangepast. In beide gevallen heeft geen wijziging plaatsgevonden met betrekking tot de kinderalimentatieverplichting.
Op 2 december 2021 is [minderjarige 1] opgenomen in een gesloten accommodatie voor jeugdzorg. Per 12 september 2022 is [minderjarige 1] overgeplaatst naar het [instelling] . Op 4 november 2022 heeft de vader een aanvraag tot wijziging van de kinderbijslag gedaan, op de grond dat [minderjarige 1] vanaf december 2021 niet meer bij de moeder woonde en de vader kosten maakt voor [minderjarige 1] door het betalen van kinderalimentatie.
Bij het primaire besluit heeft verweerder bepaald dat de vader geen recht heeft op kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2022. Verweerder verwijst in dit verband naar de door de vader overgelegde gerechtelijke stukken, waaruit blijkt dat [minderjarige 1] niet thuis woont. De vader heeft bezwaar gemaakt.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft aangegeven dat de vader geen recht heeft op kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2022 tot en met het derde kwartaal van 2022 op grond van artikel 18, zesde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Tevens heeft verweerder aangegeven dat de vader geen recht heeft op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2022 en het eerste kwartaal van 2023, omdat [minderjarige 1] op 1 oktober 2022 en 1 januari 2023 uitwonend was ten opzichte van beide ouders en de vader verplicht is tot het betalen van kinderalimentatie.
Het gewijzigde besluit
2. Bij beschikking van 19 december 2023 heeft de familierechter van deze rechtbank besloten dat de vader vanaf 1 januari 2023 niet langer verplicht is tot het betalen van kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] . Ter zitting van de bestuursrechter in de hier voorliggende zaak heeft de rechtbank besloten het onderzoek te schorsen en verweerder in de gelegenheid gesteld om het recht op kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2023 opnieuw vast te stellen.
Bij het gewijzigde besluit heeft verweerder ongewijzigd gelaten de motivering voor het recht op kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2022 tot en met het derde kwartaal van 2022. Omdat de vader niet eerder dan op 4 november 2022 een aanvraag heeft ingediend bestaat er pas recht op kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 2022.
Wat betreft het recht op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2022, heeft verweerder bepaald dat de vader geen recht heeft op kinderbijslag omdat de vader over die maand nog verplicht is tot het betalen van kinderalimentatie voor [minderjarige 1] . Nu de scheiding is uitgesproken voor 1 juli 2014 en de alimentatieverplichting niet is gewijzigd, is daarbij niet van belang welke ouder de hoogste onderhoudsbijdrage heeft geleverd.
Verweerder heeft de vader het recht op kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2023 toegekend. Volgens verweerder heeft de vader recht op kinderbijslag omdat sprake is van een gewijzigde regeling met betrekking tot de kinderalimentatieverplichting.
Het beroep tegen het bestreden besluit
3. Het is de rechtbank niet gebleken dat de vader nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Omdat het gewijzigde besluit niet volledig tegemoet komt aan de bezwaren van de vader, heeft het beroep gericht tegen het bestreden besluit, op grond van artikel 6:19, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht, van rechtswege mede betrekking op het gewijzigde besluit.
Gronden van de vader
4. De vader voert in beroep het volgende aan. Hij betoogt dat hij kinderalimentatie betaalt en daarbij veel voor [minderjarige 1] heeft gezorgd en nog steeds zorgt. De dagen dat [minderjarige 1] thuis verbleef waren meer bij de vader dan bij de moeder. Hoewel er dus het gehele jaar 2022 nauwelijks kosten waren, was de vader wel verplicht maandelijks kinderalimentatie voor [minderjarige 1] aan de moeder te betalen. Hij voert aan dat hem werd voorgehouden dat de ouder die het meest had uitgegeven aan [minderjarige 1] , recht zou hebben op volledige kinderbijslag en dat ze tot één jaar terug konden gaan. Bij de hoorzitting bleken echter de uitgaven opeens helemaal niet relevant te zijn. De vader voert aan dat hij op het verkeerde spoor is gezet door verweerder.
De vader heeft op 17 juni 2025 de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 14 mei 2025 ingestuurd. In die beschikking wordt de eerdere uitspraak van 19 december 2023 van de rechtbank Den Haag bevestigd. Het hof heeft bepaald dat de moeder vanaf 1 januari 2023 de onverschuldigd aan kinderalimentatie ontvangen bedragen aan de vader dient terug te betalen.
5. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat tussen partijen alleen in geschil is of de vader recht heeft op kinderbijslag over de vier kwartalen van 2022. De rechtbank zal allereerst ingaan op het recht op kinderbijslag over de eerste drie kwartalen van 2022.
Vervolgens zal de rechtbank het recht op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2022 behandelen. Hoewel door partijen overeenstemming is over het recht op kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2023, zal de rechtbank daar toch kort bij stilstaan, in de hoop verdere procedures tussen de vader en de moeder te voorkomen.
Heeft de vader recht op kinderbijslag over de eerste drie kwartalen van 2022?
6. In artikel 18, zesde lid, aanhef en onder a, van de AKW is het volgende bepaald:
“Zolang de persoon aan wie op grond van het vierde of vijfde lid kinderbijslag zou moeten worden betaald geen aanvraag daartoe heeft ingediend, blijft de kinderbijslag, in afwijking van het vierde en vijfde lid, betaald worden aan de persoon die daartoe wel een aanvraag heeft ingediend. Indien de persoon die geen aanvraag heeft ingediend, alsnog een aanvraag indient, wordt de kinderbijslag aan die persoon betaald:
(a) na afloop van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag is ingediend, indien deze is ingediend in de eerste twee maanden van dat kalendermaand.”
De rechtbank stelt voorop dat de kinderbijslag per kwartaal wordt vastgesteld. Hoewel de rechtbank begrijpelijk acht dat de vader vanwege de kosten die hij heeft gemaakt, wenst dat de kinderbijslag over de eerste drie kwartalen van 2022 aan hem wordt uitbetaald, ziet de rechtbank – gelet op hetgeen is bepaald in artikel 18, zesde lid, van de AKW – daartoe geen mogelijkheid. Nu de vader niet eerder dan op 4 november 2022 de aanvraag voor kinderbijslag heeft ingediend, staat de wet in de weg aan eerdere toekenning. Het betoog slaagt niet.
Heeft de vader recht op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2022?
7. Voor de uitbetaling van kinderbijslag in het geval van gescheiden huishoudens, hanteert verweerder de beleidsregel ‘Kinderbijslagbetaling bij gescheiden huishoudens; echtscheiding en co-ouderschap’ (SB1096). Hierin is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Als de ouders van een kind gescheiden huishoudens voeren en het kind in één van beide huishoudens woont, heeft de ouder in wiens huishouden het kind woont recht op kinderbijslag. Als de andere ouder, tot wiens huishouden het kind niet behoort, het kind onderhoudt, bijvoorbeeld door alimentatie te betalen, heeft ook deze ouder recht op kinderbijslag.”
De rechtbank merkt in dit kader op dat [minderjarige 1] gedurende het vierde kwartaal van 2022 ten aanzien van beide ouders uitwonend was. De hiervoor in 7. geciteerde beleidsregel geldt voor dat kwartaal derhalve niet. Op grond van artikel 9 van het Besluit uitvoering kinderbijslag (BUK) geldt in plaats daarvan dat indien voor een kind over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag bestaat voor twee personen van wie één persoon krachtens overeenkomst of rechterlijke uitspraak verplicht is bijdragen te leveren voor levensonderhoud ten behoeve van dat kind, de kinderbijslag waarop laatstbedoeld persoon recht heeft, niet uitbetaald. Dat betekent dat degene die kinderalimentatie betaalt krachtens een ouderschapsplan of rechterlijke uitspraak, geen recht heeft op uitbetaling van de kinderbijslag. Op grond van het ouderschapsplan uit 2013 was de vader in het vierde kwartaal van 2002 nog verplicht tot het betalen van kinderalimentatie voor [minderjarige 1] aan de moeder Dat betekent dat hij geen recht heeft op kinderbijslag over dat kwartaal. Het betoog slaagt niet.
Het recht op kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2023
8. De rechtbank merkt op dat het ouderschapsplan uit 2013, met de beschikking van de rechtbank Den Haag van 19 december 2023 en de beschikking van het gerechtshof van Den Haag van 14 mei 2025, per 1 januari 2023 is gewijzigd. Het gerechtshof heeft de alimentatieverplichting van beide ouders in zoverre gewijzigd dat de moeder per 1 januari 2023 aan de vader een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] betaalt.
De afspraak die het hof evenwel ongewijzigd heeft gelaten is artikel 2 van het ouderschapsplan uit 2013. Hierin staat het volgende: “Ieder ontvangt de kinderbijslag voor het op zijn en/of haar adres ingeschreven staande kind, tenzij de SVB eensluitend anders wordt bericht.”
Nu [minderjarige 1] per 1 januari 2023 op het adres van de vader staat ingeschreven en de vader niet verplicht is om kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] te betalen, komt de vader over het eerste kwartaal van 2023 de uitbetaling van het recht op kinderbijslag toe.
Is er sprake van gerechtvaardigd vertrouwen?
9. De rechtbank vat het beroep van de vader op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vader dit echter onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling dat verweerder heeft laten weten dat de vader zijn uitgaven moet bijhouden, is geen rechtens relevante toezegging waaruit de vader in de gegeven omstandigheden kon afleiden dat hij recht op kinderbijslag zou hebben over 2022. Nu de vader geen stukken heeft ingebracht waarmee hij zijn standpunt onderbouwd, kan het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen.
Proceskostenvergoeding
10. Ondanks het feit dat verweerder tijdens de beroepsprocedure het bestreden besluit heeft gewijzigd, krijgt de vader geen proceskosten vergoed. Naar het oordeel van de rechtbank is namelijk geen sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Van een tegemoetkomen in deze zin is slechts sprake indien het bestuursorgaan een binnen de grenzen van het geding in het bestreden besluit genomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren.
Verweerder heeft het bestreden besluit echter gewijzigd wegens nieuwe feiten en veranderde omstandigheden, namelijk het feit dat de vader niet langer verplicht is om kinderalimentatie te betalen voor [minderjarige 1] vanaf januari 2023. Dit blijkt immers uit de beschikking van de rechtbank Den Haag van 19 december 2023. Dat betekent dat geen sprake is van redenen om verweerder in de door eiser gestelde proceskosten te veroordelen. Verweerder zal alleen al daarom niet worden veroordeeld in de proceskosten.
De rechtbank komt gelet op het voorgaande niet toe aan een beoordeling van de door eiser gevorderde verletkosten.
Conclusie
11. Het beroep tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het gewijzigde besluit is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Eiser krijgt het betaalde griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Ince, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...