ECLI:NL:RBDHA:2025:22081 Rechtbank Den Haag , 24-07-2025 / NL24.43344
Intrekking verblijfsvergunning bij partner, Marokko, achterhouden van informatie, belangenafweging, hardheid en evenredigheid, beroep ongegrond.
10 min de lecture · 1 983 mots
Inhoudsindicatie. Intrekking verblijfsvergunning bij partner, Marokko, achterhouden van informatie, belangenafweging, hardheid en evenredigheid, beroep ongegrond.
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.43344
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. D. Gürses),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Kuster).
Inleiding
1. Met het primaire besluit van 10 april 2024 heeft de minister de verblijfsvergunning van eiseres voor verblijf bij [referent] (referent) ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 5 september 2023. Met het bestreden besluit van 15 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de intrekking gebleven.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft zij verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden tot op het beroep is beslist.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, NL24.43345, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de machtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Eiseres was niet aanwezig.
Overwegingen
Achtergrond
2. Op 8 november 2022 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor verblijf bij haar huidige partner [referent] . Bij brief van 1 augustus 2023 is aan eiseres bericht dat de minister van plan is om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’ aan haar te verstrekken. Op 1 september 2023 is aan eiseres het verblijfsdocument uitgereikt. Deze verblijfsvergunning ging in op 5 september 2023 en had een geldigheidsduur van vijf jaar.
Bij beschikking van 10 april 2024 is deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht vanaf 5 september 2023 ingetrokken, zodat de minister deze verblijfsvergunning daarmee als nooit verleend beschouwt. Ook is aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken omdat referent
en eiseres ten tijde van de behandeling van de aanvraag en bij de uitreiking van het verblijfsdocument op 1 september 2023 niet hebben gemeld dat sprake is van een gewijzigde arbeidssituatie van referent. De arbeidsovereenkomst van referent is namelijk geëindigd op 31 augustus 2023. Gezien de opzegtermijn van een maand, moet de overeenkomst uiterlijk op 1 augustus 2023 opgezegd zijn. Daarover is de minister niet is geïnformeerd. Het bezwaar dat is gericht tegen het bestreden besluit van 15 oktober 2024 is door de minister ongegrond verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
Het beroep is ongegrond. De minister mocht de verblijfsvergunning van eiseres intrekken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achterhouden van de informatie
4. Eiseres voert in haar beroepsgronden aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat er nader onderzoek had moet worden verricht omdat de arbeidsovereenkomst buiten toedoen van referent is beëindigd. Referent wist niets af van de beëindiging van de overeenkomst, waardoor er geen sprake is van het opzettelijk achterhouden van informatie. Daarbij voert eiseres aan dat referent veel papieren moest ondertekenen bij het doen van de aanvraag van de verblijfsvergunning en niets snapte van wat er ondertekend moest worden.
De rechtbank stelt voorop dat de intrekking van een verblijfsvergunning een belastend besluit is, waarbij het op de weg van de minister ligt om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan. De minister moet in het voorliggende geval aannemelijk maken dat sprake is van het achterhouden van gegevens die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag zouden hebben geleid. Volgens artikel 19 en artikel 18, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een verblijfsvergunning namelijk worden ingetrokken als er onjuiste gegevens zijn verstrekt, dan wel gegevens zijn achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag zouden hebben geleid.
Uit het dossier van eiseres blijkt dat referent op 31 oktober 2022 een arbeidsovereenkomst is aangegaan met [bedrijf] BV. Gezien de wettelijke opzegtermijn van één maand gaat de minister ervan uit dat referent uiterlijk op 1 augustus 2023 op de hoogte moet zijn geweest van het einde van zijn arbeidsovereenkomst, aangezien referent heeft verklaard dat 31 augustus 2023 zijn laatste werkdag was. Ter zitting heeft referent verklaard dat zijn werkgever hem heeft verteld dat er geen werk meer voor hem was en dat hij zich moest melden bij het UWV. Referent gaf toen aan het UWV niet te kennen, maar zijn werkgever had hem uitgelegd dat hij daar geld zou kunnen krijgen zonder te hoeven werken. Vervolgens heeft referent een uitkering aangevraagd. Uit het dossier blijkt dat referent de WW-uitkering sinds 1 september 2023 heeft ontvangen.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank de minister in het standpunt dat de arbeidsovereenkomst van referent is opgezegd ten tijde van de behandeling van de aanvraag van eiseres en dat eiseres hiervan ten onrechte geen melding heeft gemaakt. Niet ten tijde van de behandeling, niet na de brief van 1 augustus 2023 en ook niet toen eiseres het
verblijfsdocument uitgereikt kreeg op 1 september 2023. De verklaringen van referent ter zitting maken duidelijk dat hij wist dat zijn werkzaamheden zouden stoppen en dat er veranderingen zouden komen in zijn inkomenssituatie. Onder deze omstandigheden mocht van (referent en) eiseres worden verwacht dat zij dit aan de minister zou doorgeven, zodat de aanvraag op juiste en volledige gronden kon worden beoordeeld.
Verder overweegt de rechtbank dat uit het door referent ingevulde en ondertekende aanvraagformulier volgt dat hij gehouden was om wijzigingen in zijn situatie die van invloed zijn op het verblijfsrecht van eiseres direct aan de minister te melden. Deze informatieplicht is bovendien duidelijk kenbaar gemaakt via de website van de minister en komt ook op meerdere plekken in het dossier terug. Dat referent stelt dat hij niet begreep wat hij ondertekende, maakt dit niet anders. Het is aan hem om zich te (laten) informeren over de inhoud en betekenis van documenten die hij ondertekent. Als hij dat nalaat, komt dat voor zijn rekening en risico. Dat maakt niet dat de minister nader onderzoek had moeten doen of dat sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Nu de beroepsgrond over het achterhouden van informatie niet slaagt, ziet de rechtbank geen aanleiding om afzonderlijk in te gaan op de beroepsgrond over de arbeidsongeschiktheid van referent. De achterhouding van informatie vormt op zichzelf namelijk een voldoende grond voor de minister om de verblijfsvergunning van eiseres in te trekken.
Belangenafweging, hardheid en evenredigheid
5. Verder voert eiseres aan dat het bestreden besluit onvoldoende rekening houdt met haar persoonlijke omstandigheden en die van referent. Volgens haar is niet duidelijk gemotiveerd waarom terugkeer naar Marokko niet in strijd zou zijn met het familieleven dat zij samen hebben. Eiseres benadrukt dat er een fair balance moet worden gevonden tussen haar belang en dat van de staat, maar dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat dit is gebeurd. Daarnaast beroept zij zich op de hardheidsclausule en wijst op het onevenredige karakter van het scheiden van het gezin, gezien hun duurzame relatie, hun pasgeboren kind in Nederland en de gezinsbanden met de vier minderjarige kinderen van referent uit een eerder huwelijk, met wie een omgangsregeling bestaat. Volgens eiseres is het aan de minister om op basis van concrete omstandigheden vast te stellen in hoeverre referent dagelijks contact heeft met deze kinderen, of hij een structurele omgangsregeling naleeft, en of deze omgang binnen een stabiel gezinsleven past.
De rechtbank is van oordeel dat dit betoog niet slaagt. De minister heeft in het besluit de belangen van eiseres afgewogen tegen de belangen van de Nederlandse staat, zowel ten aanzien van het familieleven als het privéleven. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een kenbare en gemotiveerde afweging. Zo wordt op pagina 3 ingegaan op het familieleven en op pagina 5 op het privéleven. De minister heeft verder naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres haar familieleven met referent niet in Marokko kan uitoefenen. Alle door eiseres naar voren gebrachte belangen zijn in het bestreden besluit betrokken. Dat eiseres het niet eens is met de uitkomst van deze belangenafweging, betekent niet dat deze daarom onzorgvuldig of onvolledig is.
Ten aanzien van het jongste kind van eiseres en referent, dat in Nederland geboren is, overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel het toetsmoment voor de minister het moment van het bestreden besluit is en het kind op dat moment nog geen verblijfsvergunning had, staat inmiddels vast dat het kind op 12 juni 2025 wél een verblijfsvergunning heeft gekregen. Dit betekent dat bij terugkeer van eiseres naar Marokko sprake zou kunnen zijn van een scheiding tussen haar en het kind. De rechtbank is van oordeel dat de minister over deze situatie terecht heeft overwogen dat het aan eiseres en referent is om te bepalen waar het kind zal verblijven: óf bij referent in Nederland, óf met eiseres in Marokko. Welke keuze daarin wordt gemaakt, ligt bij hen. Daarnaast heeft de minister ter zitting gewezen op de mogelijkheid voor eiseres om een nieuwe mvv-aanvraag in te dienen, waarin de na het toetsmoment ontstane omstandigheden, waaronder de verblijfsstatus van het kind, kunnen worden meegewogen. Daardoor zou de scheiding tijdelijk van aard kunnen zijn. Niet is gebleken dat het familieleven gedurende die periode niet op afstand kan worden uitgeoefend.
Wat betreft de overige kinderen van referent, zijnde hun vader, is van belang dat de status van hun vader hetzelfde blijft met dit besluit en kan tussen referent en die kinderen het gezinsleven uitgeoefend worden zoals dat voorheen het geval is geweest. Voor zover referent al door dit besluit genoodzaakt zou zijn om het gezinsleven met zijn jongste kind en zijn echtgenote uit te oefenen in Marokko, heeft de minister er terecht op gewezen dat onvoldoende onderbouwd is dat er sprake is van een hechte gezinsband tussen de vader en de oudste kinderen. Daarbij is er slechts in algemene zin melding gemaakt van een omgangsregeling, zonder nadere toelichting over de aard of frequentie dan wel onderbouwing daarvan. Bovendien heeft referent ter zitting verklaard dat nog maar één kind minderjarig is.
Het enkele, niet gemotiveerde beroep op de hardheidsclausule, kan eiseres evenmin baten. Het is immers aan eiseres om haar stellingen met concrete gegevens te onderbouwen. De rechtbank ziet dan ook geen reden voor het oordeel dat de minister op dit punt een verdergaande motiveringsplicht had. Daarnaast heeft eiseres enkel gesteld dat de intrekking onevenredig is, maar dat vormt op zichzelf geen grond voor het verlenen van een andere verblijfsvergunning, zoals eiseres wenst. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een zodanig bijzondere of schrijnende situatie dat de minister op grond van de hardheidsclausule dan wel het evenredigheidsbeginsel gehouden was om hierover anders te oordelen. De grond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de verblijfsvergunning op goede gronden heeft mogen intrekken en eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 juli 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...