ECLI:NL:RBDHA:2025:9633 Rechtbank Den Haag , 06-02-2025 / C/09/679239 / KG ZA 25-69
Kort geding. Proces-verbaal mondeling vonnis. Vordering tot ontruiming bedrijfsruimte. De vordering wordt afgewezen, omdat eisers de verkeerde partijen hebben gedagvaard.
5 min de lecture · 1 054 mots
Inhoudsindicatie. Kort geding. Proces-verbaal mondeling vonnis. Vordering tot ontruiming bedrijfsruimte. De vordering wordt afgewezen, omdat eisers de verkeerde partijen hebben gedagvaard.
Rechtbank den haag
Team handel – voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/679239 / KG ZA 25-69
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 6 februari 2025
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
2. [eiser 2] ,
3. [eiser 3] ,
allen te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
eisers,
advocaat mr. J.T.A.M. van Mierlo te Zwolle,
tegen:
1 [gedaagde, sub 1] ,
2. Orchid Gardens B.V.,
beiden te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
gedaagden,
advocaat mr. V. van Oosteren te Amsterdam.
Eisers worden hierna gezamenlijk aangeduid als [eisers] . Gedaagden worden hierna ieder voor zich aangeduid als [gedaagde, sub 1] , respectievelijk Orchid Gardens en gezamenlijk als [gedaagden]
Aanwezig is H.J. Vetter, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. I. Diephuis-Timmer, griffier.
Tevens zijn aanwezig
– eiser sub 1 en sub 3, vergezeld van mr. Van Mierlo,
– [gedaagde, sub 1] , vergezeld van mr. Van Oosteren.
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.
1De gronden van de beslissing
[eisers] . zijn gezamenlijk eigenaar zijn van het bedrijfspand aan de [adres] te [plaats] . Dit betreft een kas met aanhorigheden (hierna ook: het bedrijfspand). Tussen eiser sub 1 en [gedaagde, sub 1] en / of Orchid Gardens (waarvan [gedaagde, sub 1] bestuurder is) is in het verleden een pachtovereenkomst gesloten ten aanzien van het bedrijfspand. Deze overeenkomst is geëindigd met ingang van 6 september 2024.
Met ingang van 7 september 2024 is een huur- (aldus [eisers] .) althans pachtovereenkomst (zo stellen [gedaagde, sub 1] c.s.) tot stand gekomen tussen [eisers] . en A.A.A. Flora Sales B.V. (hierna: AAA). Deze overeenkomst heeft een looptijd van één jaar. In de overeenkomst is opgenomen dat AAA niet gerechtigd is de bedrijfsruimte of een deel daarvan aan derden in gebruik te geven of te verhuren / verpachten.
Ook na 6 september 2024 heeft [gedaagde, sub 1] feitelijk werkzaamheden verricht in de bedrijfsruimte en is hij daar aanwezig geweest. Dit is ook nu nog het geval.
[eisers] . vorderen, zakelijk weergegeven:
[gedaagde, sub 1] c.s. te gebieden om de bedrijfsruimte binnen vijf dagen na dit vonnis geheel te ontruimen, inclusief alle daarin opgeslagen goederen en ander materieel en afval en
hen te machtigen over te gaan tot volledige ontruiming met behulp van de deurwaarder en de sterke arm op kosten van [gedaagde, sub 1] c.s., indien zij geen gehoor geven aan voormeld gebod.
[gedaagde, sub 1] c.s. voeren verweer tegen de vorderingen van [eisers] .
Het gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking. Daartoe is het volgende redengevend.
[eisers] . hebben ten aanzien van de bedrijfsruimte een relatie met AAA. AAA is immers de huurder van het pand.
[gedaagde, sub 1] is niet alleen bestuurder van Orchid Gardens, maar ook van Orchid Gardens Productions B.V. (hierna: OGP) en Orchid Gardens Staff B.V. (hierna: OGS). [gedaagde, sub 1] c.s. hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat OGP en OGS op basis van een samenwerkingsovereenkomst met AAA werkzaamheden verrichten of hebben verricht in de bedrijfsruimte en dat [gedaagde, sub 1] (namens OGP en OGS) om die reden in de bedrijfsruimte aanwezig is. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat AAA in relatie staat tot OGP en OGS (en via OGP en OGS tot [gedaagde, sub 1] ).
AAA is in dit kort geding geen partij. AAA heeft geen vordering ingesteld tegen de gebruikers van de bedrijfsruimte. De eigenaren van de bedrijfsruimte ( [eisers] .) willen in dit kort geding bewerkstelligen dat zij degenen die in de bedrijfsruimte aanwezig zijn kunnen laten ontruimen en hebben daarbij de huurder van de bedrijfsruimte (AAA) niet betrokken. Daarmee ontstaat een bijzondere situatie.
De vordering van [eisers] . stuit af op de omstandigheid dat zij partijen hebben gedagvaard ( [gedaagde, sub 1] c.s.) die – naar in dit kort geding moet worden aangenomen – geen directe relatie hebben met AAA en die zelf (in de hoedanigheid waarin zij zijn gedagvaard) geen gebruik maken van de bedrijfsruimte. Zoals [gedaagde, sub 1] c.s. dus terecht stellen hebben [eisers] . de verkeerde partijen gedagvaard. [eisers] . stellen dat dit voor hen niet duidelijk was, omdat zij alleen de aanwezigheid van [gedaagde, sub 1] in de bedrijfsruimte hebben waargenomen. Het had dan echter op hun weg gelegen om navraag te doen naar de achtergrond van die aanwezigheid. Dat hebben zij niet gedaan. Dit alles wordt niet anders door de omstandigheid dat [gedaagde, sub 1] wel de bestuurder is van OGP en OGS. Een vordering tot ontruiming door een rechtspersoon moet zich, bijzondere omstandigheden daargelaten, richten tot die rechtspersoon en niet tot de bestuurder ervan.
Ten overvloede wijst de voorzieningenrechter er nog op dat ook als [eisers] . wel de juiste partijen zou hebben gedagvaard hun vordering niet toewijsbaar zou zijn. De vordering is erop gebaseerd dat er volgens [eisers] . – gezien de inhoud van de overeenkomst tussen hen en AAA – sprake is van verboden onderhuur of ingebruikgeving. Daarvan is echter kennelijk geen sprake, gelet op de omstandigheid dat OGP en OGS op grond van een samenwerkingsovereenkomst met [gedaagde, sub 1] in de bedrijfsruimte aanwezig zijn.
[eisers] . zijn in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde, sub 1] c.s. worden begroot op:
– griffierecht € 714,00
– salaris advocaat € 1.107,
– nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.999,00
2De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen van [eisers] . af;
veroordeelt [eisers] . hoofdelijk in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eisers] . niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
……………………………………….
mr. I. Diephuis-Timmer
……………………………………….
mr. H.J. Vetter
Voetnoten
- Binnen het bestek van dit kort geding kan in het midden blijven of sprake is van een huur- of van een pachtovereenkomst. De voorzieningenrechter duidt de overeenkomst om praktische redenen aan als huurovereenkomst.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...