ECLI:NL:RBLIM:2025:5425 Rechtbank Limburg , 16-04-2025 / C/03/340019 / KG ZA 25-105
Mondeling uitspraak in kort geding op de voet van artikel 29a lid 1 Rv, vastlegging in pv van beslissing en gronden, geen spoedeisend belang bij vordering tot meewerken door de moeder aan overeengekomen zorgregeling van fase 2 naar fase 3, vader heeft structureel contact met minderjarige, voor fase 3 lijken de lichten eerder op rood dan groen te staan, zaak ook te ingewikkeld voor een kort geding.
6 min de lecture · 1 107 mots
Inhoudsindicatie. Mondeling uitspraak in kort geding op de voet van artikel 29a lid 1 Rv, vastlegging in pv van beslissing en gronden, geen spoedeisend belang bij vordering tot meewerken door de moeder aan overeengekomen zorgregeling van fase 2 naar fase 3, vader heeft structureel contact met minderjarige, voor fase 3 lijken de lichten eerder op rood dan groen te staan, zaak ook te ingewikkeld voor een kort geding.
proces-verbaal
RECHTBANK LIMBURG
Familie en jeugd
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/340019 / KG ZA 25-105
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
16 april 2025 op grond van artikel 29a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv),
in de zaak van:
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat: mr. P.J.H.C. Glenz, kantoorhoudend in Landgraaf,
en:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.H.I. Degens, kantoorhoudend in Klimmen, gemeente Voerendaal.
Tegenwoordig zijn:
mr. P.H.J. Frénay, voorzieningenrechter;
mr. C.J. Marx, griffier.
Na uitroeping van de zaak verschijnen:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
Partijen lichten hun standpunten toe en reageren vervolgens op elkaars stellingen. Vervolgens doet de voorzieningenrechter op grond van artikel 29a lid 1 Rv in het bijzijn van alle partijen mondeling uitspraak, waarvan dit proces-verbaal een weergave is voor wat betreft de beslissing en de gronden van de beslissing.
1De gronden
De ouders hebben een geregistreerd partnerschap met elkaar gehad. Gedurende de inmiddels beëindigde geregistreerd partnerschap is de nog minderjarige [minderjarige] geboren, op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] .
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
De ouders zijn in het ouderschapsplan van 14 maart 2024 dat is gehecht aan en deel uitmaakt van de beschikking van deze rechtbank van 2 mei 2024 waarin de ontbinding van het geregistreerd partnerschap is uitgesproken, een zorgregeling overeengekomen welke een gelijke verdeling van de zorgtaken inhoudt.
Aan de hiervoor genoemde zorgregeling is geen uitvoering gegeven. In plaats daarvan zijn de ouders een andere regeling overeengekomen waarbij [minderjarige] en de vader als volgt contact zouden hebben met elkaar:
– fase 1: iedere vrijdag is het ‘pappadag’ en dan hebben [minderjarige] en de man, gedurende
een termijn van 2 maanden, onder begeleiding van de zus van de man omgang
tussen 10.00 uur-17.00 uur waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man zal brengen en [minderjarige] ook weer bij de man zal ophalen. De vrouw zal [minderjarige] binnen in de destijds nog
gezamenlijke echtelijke woning afzetten;
– fase 2: na het verloop van de termijn van 2 maanden uit fase 1 kan de man,
gedurende een termijn van 2 maanden, [minderjarige] op donderdag ná de BSO ophalen en
kan [minderjarige] tot vrijdagavond 19.00 uur bij de man blijven slapen;
– fase 3: [minderjarige] kan iedere week bij vader slapen en wel in het navolgende ‘ritme’:
in de ene week van donderdag ná de BSO tot vrijdagavond 19.00 uur;
in de andere week van donderdag ná de BSO t/m zondagavond 18.30 uur.
Op dit moment wordt, tegen de achtergrond van de hiervoor vermelde ‘fase 2’ waarbij [minderjarige] een overnachting per week bij de vader heeft, uitvoering gegeven aan de volgende zorgregeling:
in de ene week van donderdag na de BSO tot vrijdag 19.00 uur;
in de andere week van vrijdag na school om 12.15 uur tot zaterdag 19.00 uur.
De vader vordert bij dagvaarding om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
i. de moeder te bevelen het door partijen ondertekende ouderschapsplan van 14 maart 2024, meer in het bijzonder de in het plan in de artt. 8 t/m 13 opgenomen zorg- en contactregeling, dat is opgenomen in de beschikking van deze rechtbank van 2 mei 2024 na te komen;
subsidiair:
ii. het door partijen ondertekende ouderschapsplan van 14 maart 2024 dat is opgenomen in de beschikking van deze rechtbank van 2 mei 2024, voor zover dat ziet op de zorg- en contactregeling, te wijzigen in die zin dat [minderjarige] in de ene week van donderdag na de BSO tot vrijdag 19.00 uur bij de vader verblijft en in de andere week van donderdag na de BSO tot zondag 18.30 uur;
iii. alsmede dat de moeder te bevelen tot nakoming van de overige bepalingen van het ouderschapsplan;
zowel primair als subsidiair:
iv. zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag, met een maximum van € 7.500,00, wanneer de moeder in gebreke blijft om aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen.
De moeder heeft daartegen verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
De voorzieningenrechter komt, met inachtneming van de stellingen en verweren van partijen, tot de volgende overwegingen. De vader heeft, gelet op het verweer van de moeder, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij een voldoende spoedeisend belang heeft bij de door hem ingestelde vorderingen. Doorslaggevend is daarbij dat de vader op dit moment wekelijks contact met [minderjarige] met overnachting conform fase 2. Dit is een voldoende substantieel en structureel contact en, anders dan de vader stelt, is niet aannemelijk geworden dat [minderjarige] dusdanig last ervaart van de huidige zorgregeling dat deze in het kader van een ordemaatregel gewijzigd dient te worden naar de uitgebreidere fase 3 regeling. Onenigheid aan de zijde van (in ieder geval) de vader over de duur en frequentie van de huidige zorgregeling is onvoldoende om te komen tot een bevestigend antwoord op de vraag of er sprake is van een voldoende spoedeisend belang. Daarbij komt dat het de voorzieningenrechter ter zitting duidelijk is geworden dat het tussen de ouders ontbreekt aan een constructieve samenwerking en communicatie en dat ook een minimale basis van vertrouwen ontbreekt; daarmee staan voor een fase 3 zorgregeling de lichten eerder op rood dan groen. Dit maakt dat de zaak te complex is en zich daarom ook niet leent voor een inhoudelijke beoordeling in deze procedure waar het de voorzieningenrechter aan advies- en onderzoekmogelijkheden door de Raad voor de Kinderbescherming en inzetten van hulpverlening ontbreekt.
De voorzieningenrechter heeft de ouders in overweging gegeven desgewenst een bodemprocedure aanhangig te maken waarin een zorgvuldig en verdergaand onderzoek kan worden gedaan naar alle betrokken belangen in het kader van de zorgregeling en waar ook de mogelijkheden van de inzet van het UHA (Uniform Hulp Aanbod) in de vorm van Nieuw Ouderschap en kindercoaching kan worden onderzocht en ingezet.
2De beslissing
wijst het gevorderde af.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat door de rechter is vastgesteld en op 24 april 2025 is ondertekend.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...