ECLI:NL:RBMNE:2019:6506 Rechtbank Midden-Nederland , 08-10-2019 / AWB – 18 _ 4797
WOZ. Ongegrond. Verweerder heeft in bezwaar terecht geen pkv toegekend voor de hoorzitting. Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.
4 min de lecture · 774 mots
Inhoudsindicatie. WOZ. Ongegrond. Verweerder heeft in bezwaar terecht geen pkv toegekend voor de hoorzitting.
Inhoudsindicatie. Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 18/4797
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.W. Vugts),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder
(gemachtigde: N.C.M. van Roon).
Procesverloop
Bij beschikking van 31 januari 2018 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning) voor het belastingjaar 2018 vastgesteld op € 246.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2017. Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerende-zaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsgrondslag is gehanteerd.
Bij uitspraak op bezwaar van 7 november 2018 (de bestreden uitspraak op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de waarde verlaagd naar € 215.000,-.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt vast dat de door verweerder in bezwaar vastgestelde WOZ-waarde van € 215.000,- niet in geschil is. Het beroep ziet alleen nog op de proceskostenvergoeding in bezwaar.
2. Eiser voert in beroep aan dat verweerder in bezwaar ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de telefonische hoorzitting, maar alleen voor het indienen van het bezwaarschrift.
3. De rechtbank dient te beoordelen of het telefoongesprek tussen partijen dat heeft plaatsgevonden op 6 juli 2018 kan worden aangemerkt als een hoorzitting over de woning in de zin van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het verschijnen ter hoorzitting als bedoeld in de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), onderdeel A5, sub 2. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad van 1 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7081) kan een telefonische hoorzitting worden gelijkgesteld met het verschijnen ter hoorzitting, als deze wijze van horen zich inhoudelijk niet onderscheidt van een hoorzitting, afgezien van de lijfelijke aanwezigheid. Een van de uitgangspunten daarbij is dat het onderwerp van geschil op de hoorzitting aan de orde komt en dat partijen hun standpunten kenbaar maken.
4. Tussen partijen staat vast dat verweerder in bezwaar een telefonische hoorzitting heeft gepland, met meerdere zaken waarbij deze gemachtigde is opgetreden. Tijdens het telefoongesprek, toen deze zaak aan de beurt was, heeft verweerder aangegeven dat de WOZ-waarde van de woning zou worden verlaagd en dat aan het bezwaar van eiser zou worden tegemoet gekomen. De zaak is vervolgens niet meer inhoudelijk besproken.
5. Uit de hiervoor genoemde rechtspraak blijkt dat de gemachtigde in de bezwaarprocedure over de woning alleen aanspraak kan maken op een proceskostenvergoeding voor het verschijnen ter hoorzitting als tijdens de telefonische hoorzitting ook argumenten naar voren zijn gebracht over de woning. De rechtbank kan niet vaststellen dat dit het geval is geweest. In dit verband is van belang dat partijen het erover eens zijn dat tijdens de telefonische hoorzitting door verweerder is verklaard dat de WOZ-waarde van de woning zou worden verlaagd en dat volledig aan het bezwaar van eiser zou worden tegemoet gekomen. Ook uit de stukken blijkt niet dat de woning tijdens de hoorzitting inhoudelijk aan de orde is geweest. Hieruit leidt de rechtbank af dat de hoorzitting niet inhoudelijk betrekking had op de woning. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen hoorzitting in de zin van onderdeel A5, sub 2, van de bijlage bij het Bpb heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft terecht geen proceskosten vergoed voor het verschijnen ter hoorzitting. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
7. Partijen zijn op de zitting gewezen op de mogelijkheid van deze uitspraak in hoger beroep te komen. Dit kan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Michon, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.A. Bultena, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...