ECLI:NL:RBMNE:2020:6095 Rechtbank Midden-Nederland , 17-04-2020 / UTR 19/3100
WABO. Weigering vergunning
7 min de lecture · 1 431 mots
Inhoudsindicatie. WABO. Weigering vergunning
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/3100
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Barada),
en
College van Gedeputeerde Staten van Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. H.S. Heite).
Procesverloop
Bij besluit van 8 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om aan eiser een ontheffing te verlenen voor het dempen van een lengtesloot.
Bij besluit van 2 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en M.C. Vijfhuize-Salm Msc, werkzaam bij verweerder.
Overwegingen
Feiten en grondslag bestreden besluit
1. Eiser is eigenaar van het perceel gelegen aan [adres 1] in [plaats] . Eiser wil de grond graag gebruiken voor zijn bedrijfsvoering en wil daarvoor percelen samenvoegen. Daarom wil hij 190 meter van de sloot die daar ligt, dempen. Daarvoor heeft hij een ontheffing aangevraagd bij verweerder. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen die onder het kopje ‘Procesverloop’ staan.
2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het dempen van de lengtesloot een onaanvaardbare aantasting oplevert van de op de locatie aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Daarom wordt niet voldaan aan het bepaalde in artikel 5.6.1 van de Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017 (hierna: VNL), zodat verweerder geen ontheffing kan verlenen.
Standpunten van partijen
3. Eiser voert aan dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt op grond waarvan juist deze lengtesloot van zodanige landschappelijke en cultuurhistorische waarde is dat het dempen ervan deze waarden onaanvaardbaar zou schaden en het bedrijfseconomische belang van eiser minder zwaar zou moeten wegen. Er is in geen enkel opzicht sprake van een oorspronkelijk landschap.
Verder doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Tijdens de uitvoering van het realiseren van Natuurgebied Willeskop zijn er bij alle boeren, aangrenzend aan dit natuurgebied, lengtesloten gedempt. Ook deze sloten waren op de kaarten uit 1811 zichtbaar en toch heeft verweerder daarvoor ontheffingen verleend.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit in redelijkheid, zorgvuldig en voldoende gemotiveerd tot stand is gekomen. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan volgens verweerder niet slagen.
Toetsingskader
5. Artikel 5.3.1 van de VNL bepaalt, samengevat, dat het verboden is om wateren geheel of gedeeltelijk te dempen. Onder dempen wordt, volgens artikel 5.1.1 verstaan: het geheel of gedeeltelijk dichtgooien en/of dichtgegooid houden van wateren of tijdelijk drooggevallen wateren, zoals sloten, greppels, slenken, wielen en sleuven.
Artikel 5.6.1 bepaalt in het eerste lid dat verweerder een ontheffing kan verlenen van dit verbod. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat ontheffingen worden verleend, voor zover daardoor de betrokken natuurwetenschappelijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of archeologische waarden niet onaanvaardbaar worden geschaad.
6. De beoordeling of deze waarden onaanvaardbaar worden geschaad, is een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Dat betekent dat de rechtbank deze beoordeling slechts terughoudend kan toetsen. De rechtbank moet beoordelen of verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Verder geldt dat het bij die beoordeling, gelet op de definitie van artikel 5.3.1 van de VNL, niet relevant is of de lengtesloot al dan niet is drooggevallen.
Landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft onderbouwd dat de lengtesloot landschappelijke en cultuurhistorische waarde heeft.
Verweerder heeft in het primaire besluit de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied beschreven. Daarin wordt onder meer beschreven dat het landschap een sterke lengterichting heeft en dat de diepte van de ruimte zijn basis heeft in de cope-ontginning. De locatie bestaat uit een 190 meter lang onderdeel van een watergang te midden van het veenweidegebied in het oosten van Willeskop. Het is onderdeel van het Agrarische Cultuurlandschap en de omgeving wordt gekenmerkt door bebouwingslinten met achterkades en daartussen een langgerekt slotenpatroon. Verder wordt geschreven dat de strakke maatvoering van de 12de-eeuwse cope-ontginning, met een breedtemaat van 113 meter, hier destijds niet is toegepast, maar dat de lengtemaat bij de percelen wel allemaal nagenoeg gelijk is, namelijk ongeveer 1300 meter. Verweerder heeft toegelicht dat deze lengtemaat van meet af aan vast lag en altijd zo is gebleven en dat de lengtesloot zichtbaar is op de oudst beschikbare kaarten uit 1811. Op de zitting heeft verweerder de betreffende lengtesloot aangewezen op deze kaart. Ook op een kaart uit 1859, die door verweerder op de zitting is getoond, is de lengtesloot zichtbaar.
Verweerder heeft verder gewezen op een e-mailbericht van [A] , dat is overgelegd op de zitting. Ook daarin is te lezen dat de lengtemaat van meet af aan vast lag en dat de betreffende lengtesloot een originele sloot is die zich over de gehele perceellengte uitstrekt.
De lengtesloten zijn volgens verweerder de verbinding in het landschap. De rechtbank kan deze beschrijving van het landschap en de daarin gelegen lengtesloten en de toelichting van verweerder daarop goed volgen.
De middeleeuwse structuur is volgens verweerder de kernkwaliteit van het landschap.
De Rijksoverheid heeft het ter plaatse aanwezige slotenpatroon in 2004 bij aanwijzing van Nationaal Landschap het Groene Hart als kwaliteit aangewezen. Het belang van instandhouding van het slotenpatroon is vanaf die tijd geborgd in het beleid van de provincie Utrecht. Volgens dat beleid moet dit Agrarische Cultuurlandschap worden behouden en versterkt. Door het dempen van 190 meter van de watergang wordt het karakter van de strokenverkaveling binnen de locatie onaanvaardbaar aangetast, aldus verweerder.
Met deze motivering heeft verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat met het dempen van de lengtesloot de landschappelijke en cultuurhistorische waarden onaanvaardbaar zouden worden geschaad.
8. De rechtbank kan zich voorstellen dat het voor eiser efficiënter is om zijn land te bewerken met grote machines en dat daarbij de lengtesloot mogelijk in de weg ligt. Verweerder heeft dit agrarische, bedrijfseconomische belang van eiser echter terecht niet meegewogen bij de beoordeling van het ontheffingsverzoek. Zoals hiervoor overwogen heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat met het dempen van de lengtesloot de cultuurhistorische en landschappelijke waarden onaanvaardbaar zouden worden geschaad.
In dat geval is er geen ruimte meer voor een afweging van andere belangen, waaronder het agrarische, bedrijfseconomische belang van eiser. Datzelfde geldt voor het gegeven dat eiser met een watervergunning op een alternatieve locatie een sloot heeft aangelegd ter compensatie. Ook dat kan, gelet op het beperkte kader van artikel 5.6.1 van de VNL, niet leiden tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt dus niet.
Gelijkheidsbeginsel
9. Eiser doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Verweerder heeft toegelicht dat hij heeft onderzocht of er, ten aanzien van het aangrenzende Natuurgebied Willeskop, ontheffingen en/of vergunningen zijn verleend voor het dempen van lengtesloten, maar dat deze hem niet bekend zijn. Ook op de zitting heeft verweerder toegelicht dat hij in de archieven heeft gezocht en geen verleende ontheffingen voor het dempen van lengtesloten heeft aangetroffen.
Eiser heeft op de zitting weliswaar het perceel [adres 2] genoemd. Ten aanzien van dit perceel is in de bezwaarfase echter al duidelijk geworden dat het daar de verwijdering van een pestbosje betrof. Dat is dus niet een vergelijkbaar geval.
Verder heeft eiser zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet concreet kunnen onderbouwen.
Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk gemaakt dat verweerder in vergelijkbare gevallen wel een ontheffing heeft verleend. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.
Conclusie
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht tot de conclusie is gekomen dat het dempen van 190 meter van de lengtesloot een onaanvaardbare aantasting oplevert van de ter plaatse aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat niet op. Het ontheffingsverzoek van eiser is dan ook terecht en op juiste gronden afgewezen.
11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 17 april 2020 door mr. N. van Esch, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
(de griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen)
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...