Pays-Bas Rechtbank Midden-Nederland Divers 12 février 2025 N° 11226502 \ UC EXPL 24-5011 NL

ECLI:NL:RBMNE:2025:3655 Rechtbank Midden-Nederland , 12-02-2025 / 11226502 \ UC EXPL 24-5011

Facturen incassobureau. Oneerlijk kostenbeding en niet voldaan aan informatieplicht.

Source officielle

15 min de lecture 3 179 mots

Inhoudsindicatie. Facturen incassobureau. Oneerlijk kostenbeding en niet voldaan aan informatieplicht.

RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: 11226502 \ UC EXPL 24-5011 RvdH/1037

Vonnis van 12 februari 2025

in de zaak van

[eiser]
,

te [plaats 1] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

procederend in persoon,

tegen

[gedaagde] B.V.,

te 's- [plaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: [gedaagde] B.V.

1De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding met producties 1 tot en met 99,
– de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12,
– de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

– de mondelinge behandeling van 15 januari 2025, waarop [eiser] zijn eis heeft vermeerderd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.

2Waar gaat deze zaak over?

[eiser] heeft een vordering van ruim € 18.000,00 op [A] (hierna: [A] ). [A] is tot betaling van die vordering veroordeeld in een vonnis van 10 november 2021 van de kantonrechter. [A] had geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland. [eiser] schakelde in maart 2022 [gedaagde] in om zijn vordering op [A] te innen, nadat pogingen daartoe door een op Nederland gericht incassobureau waren mislukt. Het werkgebied van [gedaagde] is groter.

[eiser] heeft zijn zaak bij [gedaagde] aangemeld via haar website. Hij hoopte dat het [gedaagde] zou lukken om [A] te vinden en de vordering bij hem te incasseren. [gedaagde] heeft de opdracht aangenomen en is voor [eiser] aan het werk gegaan. Zij stuurde [eiser] voor die werkzaamheden meerdere facturen. Enkele facturen betreffen in feite een uren-verantwoording en verrekening met reeds betaalde voorschotten. In het kader van deze procedure zijn de volgende facturen relevant:

Factuurnummer en omschrijving

Datum

Bedrag incl. btw

Status

Tenuitvoerlegging vonnis

117656 (voorschot executie België, kosten opvragen EET en opstartkosten)

13 mei 2022

€ 1.391,50

Betaald

Faillissementsprocedure – voldaan voor uitbrengen dagvaarding

119849 (faillissementsaanvraag en steunvordering-onderzoek)

9 september 2022

€ 2.578,51

Betaald

121883 (voorschot i.v.m. oproepingsexploot faillissementsprocedure)

2 december 2022

€ 544,50

Betaald

121966 (voorschot i.v.m. zitting en onderhandelen faillissementsprocedure)

2 december 2022

€ 1.270,50

Betaald

Faillissementsprocedure – voldaan na uitbrengen dagvaarding

124639 (4,40 uur)

6 september 2023

€ 1.026,08

€ 578,71 verrekend, € 541,32 betaald

135410

9 augustus 2024

€ 3.626,30

Betaald

[eiser] heeft in totaal € 9.952,63 aan [gedaagde] betaald, maar [gedaagde] heeft de vordering op [A] niet geïncasseerd. [eiser] vindt dat [gedaagde] de opdracht niet goed heeft uitgevoerd. Hij verwijt [gedaagde] dat zij zich in strijd met de afspraken niet heeft ingespannen om [A] in België te vinden, terwijl dat de eerste en belangrijkste stap was. Ook verwijt hij [gedaagde] dat niet is gebleken wat zij wél heeft gedaan van de overeengekomen werkzaamheden. Hij stelt dat [gedaagde] vooral onduidelijke en tegenstrijdige e-mails heeft gestuurd en werkzaamheden heeft verricht die niet waren overeengekomen, terwijl daarvoor aanzienlijke kosten in rekening werden gebracht tegen niet-overeengekomen uurtarieven. Daarbij zou onder meer gelogen zijn over het starten van een faillissementsprocedure in België, terwijl in werkelijkheid een procedure in Nederland werd gestart. Hij wil dat de overeenkomst wordt ontbonden en dat [gedaagde] de door hem betaalde facturen terugbetaalt, te vermeerderen met rente en kosten. [eiser] wil ook dat [gedaagde] zijn werkelijke proceskosten betaalt.

[gedaagde] is het niet eens met de vorderingen van [eiser] . Zij voert verweer en stelt een tegeneis in. [gedaagde] vordert in reconventie betaling van facturen 124639 en 135410. Die laatste factuur ziet voornamelijk op een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten bij het einde van de incasso-overeenkomst, op grond van artikel 9.3 van de algemene voorwaarden.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3De beoordeling

in conventie en in reconventie

De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] een groot deel van het door [eiser] betaalde bedrag aan hem moet terugbetalen, omdat [gedaagde] haar informatieplichten heeft geschonden en omdat het kostenbeding dat zij hanteert onredelijk bezwarend (oneerlijk) is. De eis in reconventie wijst de kantonrechter af. De beslissing wordt hierna toegelicht.

Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie met elkaar verband houden, worden die samen behandeld.

De vermeerdering van eis

[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn eis vermeerderd. Hij heeft de facturen van [gedaagde] van 6 september 2023 en 9 augustus 2024 (124639 en 135410) voor een totaalbedrag van € 4.167,62 inclusief btw inmiddels ook betaald. Dat de facturen betaald zijn, is door [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling erkend en staat dus niet ter discussie. [eiser] wil dat [gedaagde] ook dat bedrag aan hem terugbetaalt, op dezelfde gronden als het eerder ingediende deel van zijn vordering. [gedaagde] heeft bezwaren geuit tegen deze eisvermeerdering, omdat [eiser] die tien dagen voor de zitting had moeten indienen en het moeilijk is nu nog op deze vermeerdering van eis te reageren.

De kantonrechter overweegt dat [eiser] zijn eis ook nog op de mondelinge behandeling kon vermeerderen, omdat er nog geen eindvonnis is. De eiswijziging is zeer eenvoudig: het gevorderde bedrag wordt hoger, maar de grondslag en de daarbij gestelde feiten zijn hetzelfde. [gedaagde] wordt bij het toestaan van de vermeerdering van eis niet in enig belang geschaad. De kantonrechter oordeelt daarom dat de eiswijziging niet in strijd is met de goede procesorde en staat die toe.

De tenuitvoerlegging van het vonnis tegen [A] (factuurnummer 117656)

Het eerste deel van de afspraken tussen [eiser] en [gedaagde] ziet op de tenuitvoerlegging van het vonnis in de zaak tussen [eiser] en [A] . Op 31 maart 2022 heeft [eiser] een opdracht gegeven aan [gedaagde] om op basis van no cure no pay ‘de zaak te nemen om dit in België uit te voeren’. [gedaagde] heeft echter nooit werkzaamheden op die basis verricht. Zij heeft toegelicht dat de website weliswaar vermeldt dat [gedaagde] op basis van no cure no pay werkt, maar dat de definitieve betalingscondities pas worden vastgesteld nadat een zaak is beoordeeld. Uit die beoordeling bleek dat de zaak van [eiser] zich niet leende voor een behandeling op basis van no cure no pay, omdat er al een vonnis tegen [A] lag. [gedaagde] stelt naar aanleiding daarvan contact opgenomen te hebben met [eiser] dat zij de opdracht wel kon aannemen tegen betaling van bepaalde kosten. Hoewel het [eiser] daarbij niet duidelijk is geweest dat de no cure no pay afspraken kwamen te vervallen, heeft hij wel expliciet ingestemd met betaling van kosten voor de te verrichten werkzaamheden. De gemaakte prijsafspraken over deze werkzaamheden zijn vastgelegd in de e-mail van 11 mei 2022 van mr. Boeters: er zijn vaste kosten verbonden aan het aanvragen van een Europese executoriale titel (€ 100,00 exclusief btw) en voor opstartkosten (€ 150,00 exclusief btw voor het aanmaken van het dossier en het bestuderen van het vonnis) en er is een voorschot van € 900,00 exclusief btw gevraagd voor executiekosten. [eiser] heeft de genoemde kosten en het voorschot, plus 21% btw aan [gedaagde] – in totaal een bedrag van € 1.391,50 – betaald (factuur 13 mei 2022 met nummer 117656).

De kantonrechter is het met [eiser] eens dat [gedaagde] [eiser] beter had kunnen informeren over de gewijzigde betalingsafspraken. Het moest voor [eiser] immers duidelijk zijn wat de financiële gevolgen van de overeenkomst konden zijn. De kantonrechter verbindt hier echter geen gevolgen aan, omdat [gedaagde] voor dit deel van de afspraken wel (een begin van) een indicatie heeft gegeven van de kosten. De kosten voor tenuitvoerlegging en de opstartkosten zijn vaste bedragen en de executiekosten – de kantonrechter begrijpt dat het daarbij (uitsluitend) nog gaat om kosten van de deurwaarder – zijn gemaximeerd op de genoemde vaste tarieven en de wettelijke deurwaarderstarieven. [eiser] heeft bovendien niet betwist dat de kosten voor de aanvraag van de EET en het opstarten van het executiedossier zijn gemaakt. Er is daarom geen aanleiding om deze overeenkomst geheel te ontbinden of ambtshalve te vernietigen: [eiser] kan geen aanspraak maken op volledige terugbetaling van deze kosten. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] wel een deel daarvan moet terugbetalen. Hierna wordt uitgelegd waarom.

Het voorschot

Een van de stellingen van [eiser] luidt dat [gedaagde] – in ieder geval voordat zij een faillissementsprocedure startte – geen executiewerkzaamheden heeft (laten) verricht(en) om [A] in België te vinden. Voor het voorschot voor de executiewerkzaamheden in België geldt dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat in dat kader – vóór de aanvang van de werkzaamheden voor de faillissementsprocedure – dergelijke executiewerkzaamheden zijn verricht . Dat betekent dat [gedaagde] het door [eiser] betaalde voorschot van € 1.089,00 inclusief btw aan [eiser] moet terugbetalen op grond van onverschuldigde betaling.

De EET- en opstartkosten

De kantonrechter zal de betalingsverplichting van [eiser] verminderen, omdat [gedaagde] onvoldoende heeft voldaan aan haar informatieplichten die – kort gezegd – inhouden dat [eiser] duidelijk geïnformeerd moet zijn over de voorwaarden waaronder de overeenkomst wordt aangegaan. Op de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] zijn namelijk de informatieplichten van de artikelen 6:230m en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van toepassing. Dit zijn consumentenbeschermende bepalingen die zo belangrijk worden gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd.

De kantonrechter constateert dat onvoldoende is gesteld of gebleken dat [gedaagde] op een juiste wijze informatie heeft gegeven over de totale prijs, inclusief belastingen (artikel 6:230m lid 1 sub e BW). De prijs die [gedaagde] noemt is namelijk steeds exclusief btw. Dat is niet toegestaan: de consument moet weten wat de prijs inclusief btw is. Bovendien geeft [gedaagde] geen inschatting van de deurwaarderskosten. Gelet op de Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten, vermindert de kantonrechter daarom de resterende betalingsverplichting (na aftrek van het voorschot, zie 3.7) van [eiser] met 25% en dan komt de betalingsverplichting neer op € 226,88. Het deel van € 75,62 waarmee de betalingsverplichting is verminderd, heeft [eiser] onverschuldigd aan [gedaagde] betaald. [gedaagde] wordt daarom veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan [eiser] .

Tussenconclusie 1

[gedaagde] moet ten aanzien van de factuur met nummer 117656 (€ 1.089,00 + € 75,62 =) € 1.164,62 aan [eiser] terugbetalen. [gedaagde] is over dit bedrag de wettelijke rente verschuldigd vanaf 28 juni 2024, de datum van de dagvaarding, tot de voldoening.

De faillissementsprocedure tegen [A]

Het tweede deel van de afspraken ziet op de door [gedaagde] te starten faillissementsprocedure tegen [A] met als doel onder druk van deze procedure alsnog betaling te ontvangen. Deze afspraken zijn vastgelegd in de opdrachtbevestiging van 8 september 2022. [gedaagde] heeft de volgende afspraken over het tarief voor de werkzaamheden opgenomen:

Het voorgaande kostenbeding met de afspraken over de door [eiser] aan [gedaagde] te betalen kosten is een kernbeding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn), in combinatie met artikel 6:231 BW, moeten zogeheten ‘kernbedingen’ waarover niet afzonderlijk is onderhandeld ambtshalve worden getoetst op oneerlijkheid, als deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Om te bepalen of het beding op oneerlijkheid moet worden getoetst, moet dus eerst beoordeeld worden of het kostenbeding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd (het transparantievereiste).

Het kostenbeding is niet transparant

De kantonrechter oordeelt dat het kostenbeding niet voldoet aan de vereisten van transparantie die worden gesteld in artikel 4 lid 2 van de richtlijn. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C:2023:14, hierna: het arrest) volgt dat een juridische dienstverlener aan de consument informatie moet geven waardoor de consument bij benadering de totale kosten van de diensten kan inschatten. Door alleen een uurtarief – ook nog zonder btw – te noemen kon [eiser] niet inschatten wat hij voor de diensten van [gedaagde] moest betalen. Dat is niet transparant.

Het kostenbeding is oneerlijk

Nu is vastgesteld dat het kostenbeding niet transparant is, moet vervolgens worden beoordeeld of het kostenbeding ook oneerlijk is. Op grond van artikel 3 lid 1 van de richtlijn is het kostenbeding oneerlijk als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst volgende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van [eiser] aanzienlijk verstoort. Dat het kostenbeding niet transparant is, betekent niet meteen dat het beding oneerlijk is, maar uit het hiervoor aangehaalde arrest volgt wel dat het een van de onderdelen is die moet worden meegewogen.

Het tussen [gedaagde] en [eiser] overeengekomen kostenbeding is, gelet op alle omstandigheden van het geval, oneerlijk. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat het beding niet transparant is, maar ook dat [eiser] zich als consument zonder juridische achtergrond en zonder kennis van de incassoprocedure in een aanzienlijk zwakkere positie bevindt ten opzichte van [gedaagde] met haar deskundigheid en kennis.

In 2022 was [gedaagde] al verplicht om [eiser] vooraf te informeren over de totale prijs. Dat zij destijds (nog) moeilijk een inschatting kon geven, door bijvoorbeeld de mate van haar ervaring met dit soort procedures, maakt dat niet anders. Het had op haar weg gelegen om al het nodige te doen om [eiser] , als consument, te kunnen informeren over het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig was om de diensten te verlenen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. In plaats daarvan heeft zij zichzelf in feite een vrijbrief gegeven om onbeperkt kosten in rekening te brengen.

De overeenkomst van 8 september 2022 vervalt

Het voorgaande betekent dat de kantonrechter het kostenbeding op grond van artikel 6:233 sub a BW moet vernietigen. Dit heeft als gevolg dat het kostenbeding wordt geacht nooit te hebben bestaan. Omdat een overeenkomst van opdracht niet kan bestaan zonder loon (artikel 7:405 eerste lid BW), betekent dat dat de hele overeenkomst over de faillissementsprocedure van 8 september 2022 vervalt en daarmee ook de grondslag voor de betaling van de facturen na die datum. [eiser] heeft al die facturen dus onverschuldigd aan [gedaagde] betaald.

Dat laatste geldt dus ook voor de factuur die [gedaagde] op 9 augustus 2024 aan [eiser] heeft verstuurd voor de buitengerechtelijke incassokosten na intrekking van de opdracht. Het beding waarop die vordering is gebaseerd maakt namelijk deel uit van de overeenkomst van 8 september 2022.

[gedaagde] wordt daarom veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 8.561,13, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2024 tot de voldoening.

De vernietiging van de overeenkomst van 8 september 2022 heeft ook tot gevolg dat de grondslag voor de eis in reconventie ontbreekt. Die eis is immers gegrond op de overeenkomst van 8 september 2022. Dat betekent dat de vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen.

De kantonrechter komt als gevolg van het voorgaande niet toe aan de behandeling van de inhoudelijke bezwaren van [eiser] tegen de wijze waarop [gedaagde] de opdracht heeft uitgevoerd en als gevolg daarvan evenmin aan de vordering tot ontbinding van de overeenkomst. Zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling is echter op zijn minst opvallend te noemen dat uit de stukken blijkt dat [eiser] alleen rechtsmaatregelen, waaronder faillietverklaring, wenst voor zover die in België worden getroffen, [gedaagde] diverse malen heeft bevestigd dat het zou gaan om faillietverklaring in België, maar het verzoek tot faillietverklaring is gedaan bij de rechtbank Zeeland-West Brabant. Ook indien een geldige overeenkomst zou zijn gesloten, lijkt daarmee grondslag voor betaling van een groot deel van de factuur te ontbreken.

Tussenconclusie 2

[gedaagde] moet alle bedragen die [eiser] in het kader van de faillissementsaanvraag heeft betaald terugbetalen. Dit is een bedrag van in totaal € 8.561,13.

Rente van 7% en/of wettelijke rente

[eiser] heeft € 397,00 gevorderd aan rente van 7% per jaar over het bedrag van € 5.664,00 (het globaal betaalde bedrag ten tijde van de dagvaarding). De grondslag voor die vordering ontbreekt: partijen zijn die rente niet overeengekomen en het percentage wijkt af van de wettelijke rente. Deze vordering wijst de kantonrechter daarom af.

Tevens heeft [eiser] wettelijke rente gevorderd over het door hem totaal gevorderde bedrag vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening. [eiser] kan op grond van artikel 6:119 BW wel aanspraak maken op vergoeding van de wettelijke rente als bedoeld in dat artikel, over de tijd dat [gedaagde] in verzuim is met terugbetaling van de onverschuldigd betaalde gelden. Als gevolg van de vernietiging van de overeenkomst, wordt deze geacht nooit te hebben bestaan en is de vordering tot terugbetaling opeisbaar vanaf het moment dat de betaling onverschuldigd is gedaan. Verzuim treedt vervolgens in als betaling na ingebrekestelling uitblijft. De kantonrechter merkt de e-mail van 16 mei 2023 van [eiser] aan [gedaagde] aan als een dergelijke ingebrekestelling. Dat betekent dat verzuim nog voor het uitbrengen van de dagvaarding is ingetreden, zodat dit deel van de vordering kan worden toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

[eiser] vordert vergoeding van € 983,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, maar die vordering wordt afgewezen omdat niet aan de wettelijke eisen is voldaan. [eiser] heeft namelijk niet gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.

Conclusie

[gedaagde] moet in totaal € 9.725,75 inclusief btw (€ 1.164,62 plus € 8.561,13) aan [eiser] betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding. De vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen.

Proceskosten

[gedaagde] is in conventie en in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [eiser] procedeert in persoon en kan slechts aanspraak maken op de proceskosten volgens het daarbij passende forfaitaire tarief. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kunnen de werkelijke proceskosten worden toegewezen. Dat daarvan sprake is, heeft [eiser] niet gesteld en is ook niet gebleken. Het door [eiser] gevorderde bedrag van € 2.350,00 voor het maken van de dagvaarding wordt daarom afgewezen. Dat geldt ook voor de vordering van € 959,87, die ziet op de werkelijke kosten van de deurwaarder die de dagvaarding heeft nagelezen en heeft betekend.

De proceskosten van [eiser] in conventie en in reconventie samen worden volgens het forfaitaire tarief begroot op:

– kosten van de dagvaarding

139,42

– griffierecht

706,00

– verletkosten

50,00

– nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.030,42

4De beslissing

De kantonrechter

in conventie

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 9.725,75, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 28 juni 2024 tot de voldoening,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen van [gedaagde] af,

in conventie en in reconventie

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.030,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2025.

Voetnoten

  1. € 100,00 en € 150,00 plus 21% btw = € 302,50. € 302,50 – 25% = € 226,88.
  2. Artikel 81 en verder BW.
  3. Het griffierecht is verhoogd tot het griffierecht dat partijen verschuldigd zouden zijn geweest als de vermeerderde eis was opgenomen in de dagvaarding (artikel 12 Wet griffierechten burgerlijke zaken).

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.