ECLI:NL:RBMNE:2025:5656 Rechtbank Midden-Nederland , 06-08-2025 / 586630 / HA ZA 25-22

Aanneming van werk. Richtprijs afgesproken.

Source officielle

14 min de lecture 3 058 mots

Inhoudsindicatie. Aanneming van werk. Richtprijs afgesproken.

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/586630 / HA ZA 25-22

Vonnis van 6 augustus 2025

in de zaak van

[eiseres] B.V.,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. M.W.P. Buers Bakker,

tegen

[gedaagde]
,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. M.R. van Leeuwen.

1De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding met producties 1 tot en met 13
– de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 9
– de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald

– de mondelinge behandeling van 23 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt

– de akte van [eiseres] met productie 14.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De kern van de zaak

[eiseres] heeft verbouwingswerkzaamheden verricht aan de woning van [gedaagde] in [plaats] . Partijen verschillen van mening over de prijs die [gedaagde] daarvoor aan [eiseres] verschuldigd is. Volgens [eiseres] is dit € 149.174,31. [gedaagde] is het daar niet mee eens. Volgens hem heeft hij met [eiseres] een vaste aanneemsom of in elk geval een richtprijs afgesproken van €100.000,-. De rechtbank oordeelt dat partijen een richtprijs hebben afgesproken. De vordering van [eiseres] wordt voor een deel toegewezen.

3De beoordeling

De werkzaamheden zijn verricht en [eiseres] eist betaling

Tussen [eiseres] en [gedaagde] bestaat een overeenkomst van aanneming. [eiseres] eist nu nakoming van die overeenkomst. Volgens [eiseres] is geen vaste (of richt)prijs afgesproken voor de door hem uitgevoerde werkzaamheden aan het woonhuis van [gedaagde] in [plaats] . Op grond van artikel 7:752 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is opdrachtgever [gedaagde] daarom een redelijke prijs verschuldigd, zo stelt [eiseres] . Deze redelijke prijs bedraagt volgens [eiseres] € 149.174,31 en is als volgt opgebouwd:

voorschotnota 1 oktober 2021 € 24.200,00

voorschotnota 20 oktober 2021 € 30.250,00

voorschotnota 17 november 2021 € 36.300,00

eindfactuur 1 november 2022 € 58.424,31

[gedaagde] heeft de drie voorschotnota’s betaald, zodat hij volgens [eiseres] nog € 58.424,31 moet betalen. [eiseres] vordert in deze procedure betaling van dat bedrag, te vermeerderen met rente en kosten.

Redelijke prijs?

[gedaagde] betwist dat de kosten die [eiseres] factureert redelijk zijn. Volgens hem is niet inzichtelijk dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. De rechtbank vindt dat [gedaagde] zijn betwisting onvoldoende heeft onderbouwd. [eiseres] heeft namelijk in productie 14 een nadere onderbouwing gegeven van de materiaal- en arbeidskosten op basis waarvan is gefactureerd. [eiseres] stelt dat [gedaagde] ook de onderliggende bonnen heeft gezien van het in productie 14 beschreven overzicht. [gedaagde] betwist dat niet. Onder die omstandigheden is het onvoldoende dat [gedaagde] alleen zegt dat de kosten niet kloppen, zonder daarvoor verder enig concreet aanknopingspunt te noemen. De opmerking van [gedaagde] dat op het overzicht ten onrechte btw is vermeld, heeft [eiseres] voldoende weersproken door erop te wijzen dat [gedaagde] btw verschuldigd is.

Hoewel hiervoor is komen vast te staan dat het gefactureerde bedrag redelijk is, betekent dat nog niet dat [gedaagde] dit bedrag ook aan [eiseres] verschuldigd is. [gedaagde] heeft namelijk aangevoerd dat partijen een vaste aanneemsom of in elk geval richtprijs van

€ 100.000,00 hebben afgesproken. Primair stelt [gedaagde] dan ook dat [eiseres] niet meer in rekening mag brengen dan de vaste aanneemsom van € 100.000,00. Subsidiair – in het geval van een richtprijs – voert [gedaagde] aan dat [eiseres] op grond van artikel 7:752 lid 2 BW maximaal € 110.000,00 in rekening mag brengen (€ 100.000,00 + 10%). [eiseres] betwist dat partijen een vaste aanneemsom of richtprijs overeengekomen zijn.

Er is een richtprijs afgesproken

Omdat de inhoud van de overeenkomst ter discussie staat (namelijk of er een prijsafspraak is gemaakt en zo ja, welke), zal de rechtbank de overeenkomst uitleggen aan de hand van de zogeheten Haviltex-maatstaf. Toepassing van deze uitlegmaatstaf brengt mee dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet kan worden beantwoord op grond van een uitsluitend taalkundige uitleg van hun afspraken. Doorslaggevend bij de uitleg daarvan is de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en wat zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij spelen alle omstandigheden van het geval een rol. Verder geldt dat een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen heeft, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de redelijkheid en billijkheid voortvloeien. De uitleg van de overeenkomst enerzijds en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid anderzijds hoeven niet altijd scherp te worden onderscheiden en kunnen in elkaar overlopen als het gaat om de bepaling van de uit de overeenkomst tussen partijen voortvloeiende rechtsgevolgen.

Gelet op de Haviltex-maatstaf komt de rechtbank tot het oordeel dat partijen geen vaste aanneemsom maar wel een richtprijs zijn overeengekomen voor de werkzaamheden van [eiseres] . Hiervoor bestaan de volgende redenen.

[eiseres] heeft eerder een woning van [gedaagde] verbouwd, namelijk een woning in [plaats] . [gedaagde] en [eiseres] wilden bij de verbouwing van de woning in [plaats] beiden op dezelfde manier zaken met elkaar doen. Daarom zijn de afspraken die bij de verbouwing in [plaats] zijn gemaakt en de wijze waarop daar facturering en betaling heeft plaatsgevonden, ook relevant voor de verwachtingen die partijen mochten hebben bij de verbouwing in [plaats] . De rechtbank is op basis van correspondentie tussen partijen van oordeel dat bij de verbouwing in [plaats] een richtprijs is afgesproken.

[eiseres] en [gedaagde] hebben tijdens de verbouwing in [plaats] onder meer de volgende berichten naar elkaar gestuurd:

[gedaagde] : Klinkt goed! Valt t dan nog binnen t 40-50k bereik?

[eiseres] : Ja dat levert geen probleem. (…)”

En:

[eiseres] : “De financiële stand staat nu op ongeveer 30.000 incl. Btw, incl. meubelmaker. Uren en materialen. Excl. elektricien loodgieter. Dus ik denk dat we redelijk uitkomen in de buurt van 45/50 K straks.

[gedaagde] : Dankjewel hiervoor [A] . Die 45/50K is dat incl de keuken enz die wij hebben gekocht of is dat puur het werk enz vanaf jouw kant?

[eiseres] : Ik denk dat het net over 50 gaat met keuken maar en zijn nog geen facturen van containers, kraan, loodgieter, elektricien, dus t is nog een beetje gokken. Mn gevoel zegt dat het zo rond de 50 moet blijven

Uit deze correspondentie leidt de rechtbank af dat partijen hebben afgesproken dat de verbouwing van de woning in [plaats] zou plaats vinden voor ongeveer € 40.000,00 tot € 50.000,00. Daarmee is geen sprake van een vaste aanneemsom maar wel van een richtprijs. Het uiteindelijke totaalbedrag dat door [eiseres] in rekening is gebracht voor de verbouwing in [plaats] past ook bij deze richtprijs. Het totaalbedrag bedraagt namelijk € 52.483,92, dus binnen de 10% overschrijding van artikel 7:752 lid 2 BW.

Partijen zijn vervolgens voor de start van de verbouwingswerkzaamheden in [plaats] door de woning van [gedaagde] gelopen aan de hand van de lijst van [gedaagde] in productie 2 bij dagvaarding/ 9 bij conclusie van antwoord (‘de wensenlijst’). Partijen zijn het erover eens dat [eiseres] bij die gelegenheid tegen [gedaagde] heeft gezegd dat je met € 100.000,00 “een eind weg” of “een heel eind” komt. Zij verschillen van mening of dit in antwoord was op een vraag van [gedaagde] wat je met een ton kunt doen of dat [eiseres] dit bedrag uit zichzelf noemde. Duidelijk is in ieder geval dat zij over € 100.000,00 als bedrag spraken en dat [eiseres] verwachtte daarvoor (veel van) de door [gedaagde] gewenste werkzaamheden te kunnen verrichten. De wensenlijst van [gedaagde] was weliswaar nog grof en moest nader worden uitgewerkt (zodat van een vaste aanneemsom geen sprake kan zijn), maar door het noemen van een bedrag van € 100.000,00 door [eiseres] mocht [gedaagde] er (mede in het licht van de eerdere ervaringen en afspraken bij de verbouwing in [plaats] ) gerechtvaardigd vanuit gaan dat zij een richtprijs met [eiseres] had afgesproken.

Voor dit oordeel ziet de rechtbank ook bevestiging in de correspondentie die partijen nadien hebben gewisseld. Op 27 september 2021 werd geappt:

[eiseres] : “(…) ik vergat vanmiddag nog te vragen hoe wij het met de financiën gaan doen. Zullen we het net zo doen als de vorige keer. Voorschotnota’s sturen en 1 eind afrekening? (…)

[gedaagde] : Hey, helemaal prima! Goed idee om het zo te doen. (…) En trek je nog aan de bel als je merkt dat er goed over de 100.000 gegaan wordt? Dan kunnen wij bijsturen indien nodig (…)

[eiseres] : Prima, gaan we dat zo regelen. We houden de kosten scherp in de gaten voor je. (…)”

Op 17 november 2021 werd de derde voorschotnota aan [gedaagde] verzonden, waarbij [eiseres] opmerkte dat het totaal aan aanbetalingen daarmee op € 90.750,00 (inclusief btw) kwam. Op die e-mail reageerde [gedaagde] op 19 november 2021:

“Okay prima 🙂

Zou dat dan ongeveer rond de 10k zijn, wellicht met wat uitloop van oa schilder extra werk? [A] gaf aan dat het scherp in de gaten gehouden wordt als het boven de ton uitkomt. Dan kunnen wij daar financieel op anticiperen.”

Uit het whatsappbericht van 27 september 2021 en de e-mail van 19 november 2021 blijkt duidelijk dat [gedaagde] uitging van een richtprijs van € 100.000,00 voor de werkzaamheden.

Op geen moment heeft [eiseres] ook maar een indicatie gegeven dat die verwachting van [gedaagde] onterecht was of niet waargemaakt zou (kunnen) worden, terwijl [eiseres] die toezegging over het scherp in de gaten houden van de kosten had gedaan.

[gedaagde] is niet gewaarschuwd voor een overschrijding van de richtprijs

Er is dus sprake van een richtprijs. De wet bepaalt in artikel 7:752 lid 2 BW dat een richtprijs niet met meer dan 10% mag worden overschreden, tenzij [eiseres] [gedaagde] tijdig waarschuwt dat het bedrag hoger wordt. Op die manier kan een opdrachtgever eventueel de gewenste werkzaamheden aanpassen of stoppen, zodat toch binnen het budget gebleven kan worden. In dit geval moest [eiseres] dus waarschuwen als de kosten hoger werden dan € 110.000,00. Vanwege de totaalprijs van € 149.174,31 was een waarschuwing dus noodzakelijk. [eiseres] waarschuwde [gedaagde] echter niet voor de overschrijding met meer dan 10%/ € 10.000,00, althans hiervoor is onvoldoende gesteld. [gedaagde] is daardoor de kans ontnomen om de uit te voeren werkzaamheden aan te passen zodat binnen financiële kaders van de richtprijs gebleven werd. Volgens [eiseres] is er kort na de derde voorschotfactuur telefonisch contact geweest. Toen zou aan [gedaagde] zijn meegedeeld dat “er nog een en ander komt” wat betreft de kosten. [gedaagde] betwist dat toen telefonisch contact is geweest. Omdat [eiseres] geen nadere onderbouwing geeft van dit contact, kan de rechtbank er niet vanuit gaan dat dit telefoongesprek toen heeft plaatsgevonden. Bovendien is die gestelde mededeling van [eiseres] niet voldoende concreet. [gedaagde] zou op grond daarvan geen rekening hebben hoeven houden met een overschrijding van bijna 50% in de eindfactuur.

[eiseres] heeft nog aangevoerd dat er geen sprake is van overschrijding van de richtprijs maar van divers meerwerk wat tot een hoger totaalbedrag heeft geleid. Dit standpunt wordt door de rechtbank niet gevolgd, omdat [eiseres] heeft nagelaten te onderbouwen welke door hem verrichte werkzaamheden dan buiten de oorspronkelijke opdracht (en richtprijs) vielen en dus meerwerk vormen. Daarnaast wijst de rechtbank ten overvloede op het bepaalde in artikel 6:230m BW. Omdat [gedaagde] een consument is geldt dan op grond van lid 1 sub e van die bepaling de speciale (en ten opzichte van de algemene regel van artikel 7:755 BW: strengere) eis dat de [eiseres] vóór het wijzigen/uitbreiden van de oorspronkelijke opdracht aan [gedaagde] op papier leesbare, duidelijke en begrijpelijk informatie moet verstrekken over (onder andere) de totale prijs van het meerwerk of – indien die prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend – de manier waarop die prijs moet worden berekend. Met deze eis wordt bereikt dat een consument als [gedaagde] op goed geïnformeerde wijze kan beslissen of hij het meerwerk (ondanks de hogere prijs die het tot gevolg heeft) aan een bedrijf als [eiseres] wil opdragen. [eiseres] heeft [gedaagde] op geen enkel moment geïnformeerd over eventuele extra kosten voor meerwerk. Zelfs als er sprake zou zijn van meerwerk, zou [gedaagde] dat naar het oordeel van de rechtbank niet hoeven te betalen omdat hij niet op geïnformeerde wijze heeft kunnen beslissen of hij het (veronderstelde) meerwerk aan [eiseres] wilde opdragen.

Redelijke uitleg: richtprijs + 10% moet betaald worden

Omdat er sprake is van een richtprijs en [eiseres] niet heeft gewaarschuwd voor een overschrijding daarvan, kan zij maximaal € 110.000,- bij [gedaagde] in rekening brengen voor de werkzaamheden. Omdat [gedaagde] al € 90.750,00 aan voorschotnota’s heeft betaald, resteert een bedrag van € 19.250,00. [gedaagde] voert aan dat het nog openstaande deel van de eindfactuur niet opeisbaar is, omdat het werk aan buitenzijde van de woning niet af is. [gedaagde] voert aan in ieder geval een deel van de werkzaamheden aan de buitenzijde al was vermeld op het wensenlijstje op basis waarvan de richtprijs is afgesproken. Tijdens de mondelinge behandeling is niet voldoende duidelijk geworden welke werkzaamheden inderdaad al op de wensenlijst stonden en welk deel er later nog bij kwam. Gaandeweg is het idee ontstaan om werkzaamheden aan de buitenzijde samen met de buren van [gedaagde] door [eiseres] te laten doen en daarvoor stelde [eiseres] een afzonderlijke offerte op. Een redelijke uitleg van de overeenkomst brengt met zich dat [gedaagde] een totaalbedrag van € 110.000,00 voor de uitgevoerde werkzaamheden aan [eiseres] verschuldigd is. Duidelijk is dat [eiseres] de alle werkzaamheden aan de woning naar tevredenheid van [gedaagde] heeft uitgevoerd. Het bedrag van € 110.000,00 ligt aanmerkelijk lager dan de waarde die – gelet op de hoogte van de eindfactuur – vermoedelijk aan de woning van [gedaagde] is toegevoegd. Mede gelet op de goede kwaliteit van het werk is het onder deze omstandigheden redelijk dat [gedaagde] daarom dit bedrag aan [eiseres] verschuldigd is, ook als niet het afgesproken werk volledig zou zijn uitgevoerd. Daarbij is ook van belang dat niet is gesteld of gebleken dat deze (mogelijk) afgesproken buitenwerkzaamheden op het wensenlijstje een groot onderdeel waren van de totale afgesproken werkzaamheden.

De vordering van [eiseres] zal worden toegewezen voor een bedrag van € 19.250,00.

Rente is verschuldigd

[gedaagde] moet nog € 19.250,00 aan [eiseres] betalen. Op 9 november 2022 sommeerde [eiseres] hem binnen veertien dagen te betalen, zodat [gedaagde] op 24 november 2022 in verzuim raakte. Vanaf die datum zal de geëiste wettelijke rente worden toegewezen. Daar heeft [eiseres] volgens artikel 6:119 BW recht op. Dat de verschuldigde rente door tijdsverloop inmiddels is opgelopen, is te wijten aan het niet betalen door [gedaagde] . Niet is gesteld of gebleken dat [eiseres] betaling verhinderde, dus [gedaagde] moet deze rente betalen.

[gedaagde] moet ook de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten betalen

[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [gedaagde] is een consument (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom. Dat is het gevolg van een omstandigheid die zich na het versturen van de aanmaning heeft voorgedaan. De rechtbank zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom. Daarom zal een bedrag van € 967,50 worden toegewezen.

[gedaagde] moet proceskosten betalen

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Bij het bepalen van de hoogte van de proceskosten is de rechtbank uitgegaan van het liquidatietarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom.

De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

– kosten van de dagvaarding

113,54

– griffierecht [eiseres]

2.995,00

– salaris advocaat

1.228,00

(2 punten × € 614,00)

– nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

4.514,54

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Uitvoerbaar bij voorraad

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals [eiseres] heeft gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 19.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 november 2022, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 967,50 aan buitengerechtelijke kosten,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.514,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van de Lustgraaf en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2025.

4197

Voetnoten

  1. Voor het plaatsen van nieuwe kozijnen door [eiseres] is nog een factuur verzonden van € 18.000,-., die door [gedaagde] is betaald. Tijdens de mondelinge behandeling waren [eiseres] en [gedaagde] het erover eens dat voor het plaatsen van de kozijnen een aparte opdracht en vaste prijs is afgesproken die los stond van de overige verbouwingswerkzaamheden. Deze factuur (en de betaling daarvan) is dus geen onderdeel van het geschil.
  2. Arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981, 635 (Haviltex). Dat geldt ook geldt bij mondelinge overeenkomsten: Hoge Raad 4 september 2009, nr. 07/11019, ECLI:NL:HR:2009:BI6319, NJ 2009, 397
  3. En de aannemingsovereenkomst geen overeenkomst betreft waarop artikel 6:230m BW niet van toepassing is (artikel 6:230h lid 2 sub g BW).
  4. ECLI:NL:GHARL:2024:5445, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 200.323.200

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.