ECLI:NL:RBOVE:2025:4138 Rechtbank Overijssel , 24-06-2025 / 11504139 \ CV EXPL 25-103
De rechtbank wijst de vorderingen af. Eiser is veroordeeld tot betaling van een bedrag, maar volgens haar moet de vordering toch (deels) worden afgewezen, omdat gedaagde geen melding heeft gemaakt van het haar aangeboden onderhandse akkoord. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan het feit dat gedaagde in haar dagvaarding geen melding heeft gemaakt van het haar aangeboden akkoord de door eiser...
4 min de lecture · 712 mots
Inhoudsindicatie. De rechtbank wijst de vorderingen af.
Inhoudsindicatie. Eiser is veroordeeld tot betaling van een bedrag, maar volgens haar moet de vordering toch (deels) worden afgewezen, omdat gedaagde geen melding heeft gemaakt van het haar aangeboden onderhandse akkoord.
Inhoudsindicatie. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan het feit dat gedaagde in haar dagvaarding geen melding heeft gemaakt van het haar aangeboden akkoord de door eiser gewenste consequentie te verbinden.
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11504139 \ CV EXPL 25-103
Vonnis van 24 juni 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats],
eisende partij in verzet,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: NPH Consultant,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats],
gedaagde partij in verzet,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: Van Lith Gerechtsdeurwaarders en Incasso.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het door de kantonrechter op 3 december 2024 tussen [naam] en [eiser] bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer 11422944 CV EXPL 24-2341
– de verzetdagvaarding van 9 januari 2025.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juni 2025. Daarbij is deze zaak gevoegd behandeld met de zaken 11504090 CV EXPL 25-101 en 11427747 CV EXPL 24-2361.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten en het geschil
In voormeld vonnis is [eiser] veroordeeld tot betaling van een bedrag van
€ 21.215,36, vermeerderd met rente en kosten. Zij vordert dat het verzet gegrond wordt verklaard en dat de vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen. Zij erkent de hoofdsom verschuldigd te zijn, maar volgens haar moet de vordering toch (in ieder geval deels) worden afgewezen, omdat [gedaagde] in strijd met artikel 21 Rv geen melding heeft gemaakt van het haar aangeboden onderhandse akkoord.
3. De beoordeling
[eiser] heeft onbetwist gesteld dat zij tijdig verzet heeft ingesteld. Zij kan dan ook worden ontvangen in haar verzet.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan het feit dat [gedaagde] in haar dagvaarding geen melding heeft gemaakt van het haar aangeboden akkoord de door
[eiser] gewenste consequentie te verbinden. Verder wordt als volgt overwogen.
De kantonrechter begrijpt het betoog van [eiser] ter zitting zo dat zij meent dat [gedaagde] verplicht zou moeten worden zich aan te sluiten bij de overeenstemming die met (volgens haar) het merendeel van de overige schuldeisers is bereikt. Zij heeft in haar verzetdagvaarding echter geen daartoe strekkende vordering ingesteld, zodat een en ander niet ter beoordeling voorligt.
Ten overvloede wordt overwogen als volgt.
Het staat een schuldeiser in beginsel vrij om een hem door de schuldenaar aangeboden buitengerechtelijk akkoord – indien dat inhoudt dat de schuldeiser slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand doet van zijn recht op voldoening – te weigeren. Dit kan uitzondering lijden indien de uitoefening van deze bevoegdheid wordt misbruikt (artikel 3:13 BW), en de schuldeiser aldus naar redelijkheid aanvaarding van dit aanbod niet had kunnen weigeren. Bij de toewijzing van een vordering tot medewerking aan een buitengerechtelijk akkoord is terughoudendheid geboden; slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan plaats zijn voor een daartoe strekkend bevel aan de schuldeiser. Zodanig bevel rust dan op de grond dat de schuldeiser naar redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen.
Dergelijke zeer bijzondere omstandigheden zijn in deze zaak gesteld noch gebleken. Het (uiteraard voor [eiser] verdrietige) feit dat zij haar onderneming wegens financiële moeilijkheden niet heeft kunnen voortzetten, is daarvoor onvoldoende.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
– salaris gemachtigde
€
543,00
(1 punt × € 543,00)
– nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
678,00
4De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als
[eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op
24 juni 2025.
Voetnoten
- HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7799
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...