ECLI:NL:RBROT:2025:11582 Rechtbank Rotterdam , 20-03-2025 / FT RK 24-1642
Verzoek toelating WSNP toegewezen. De duur van de regeling zal worden bepaald op 36 maanden. Het verzoek om de ingangsdatum van de WSNP op een eerdere datum vast te stellen dan de datum van de uitspraak wordt afgewezen.
7 min de lecture · 1 325 mots
Inhoudsindicatie. Verzoek toelating WSNP toegewezen. De duur van de regeling zal worden bepaald op 36 maanden. Het verzoek om de ingangsdatum van de WSNP op een eerdere datum vast te stellen dan de datum van de uitspraak wordt afgewezen.
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
[insolventienummer]
vonnis van: 20 maart 2025
op het verzoek van:
[verzoeker]
,
wonende te [adres 1] ,
[postcode 1] [plaats] .
Waar deze zaak over gaat
De heer [verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).
Dit verzoek wordt toegewezen.
Daarnaast verzoekt de heer [verzoeker] om de ingangsdatum van de WSNP op een eerdere datum vast te stellen dan de datum van de uitspraak. Dit verzoek wordt afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1De procedure
De heer [verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de WSNP.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 6 maart 2025. Op de zitting zijn verschenen:
– de heer [verzoeker] ;
– mevrouw Z. de Boer, schuldhulpverlener van de gemeente Rotterdam.
2De beoordeling van het verzoek
De heer [verzoeker] kan worden toegelaten tot de WSNP als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat aan de verplichtingen van de WSNP zal voldoen.
De heer [verzoeker] heeft een totale schuldenlast van € 81.386,03. De schuld aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van € 65.287,65 vloeit voort uit de onderneming die hij tot 25 juli 2022 heeft gehad, [onderneming] . De heer [verzoeker] heeft verklaard dat hij door een ondoordachte beslissing heeft besloten om tezamen met een derde een subsidie aan te vragen zonder dat hij daar recht op had. Ter zitting heeft de heer [verzoeker] verklaard dat Rijksdienst voor Ondernemend Nederland na ongeveer twee weken ontdekte dat de subsidie was verstrekt op basis van onjuiste en valse gegevens. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft op 14 april 2021 een dwangbevel uitgevaardigd en is vervolgens een procedure gestart.
De heer [verzoeker] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de WSNP. De schuld aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland is niet te goeder trouw ontstaan maar valt buiten de driejaarstermijn van artikel 288 Fw. De rechtbank is echter wel van oordeel dat de regeling – gelet op aard van de schuld aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland – voor de verdubbelde termijn zal moeten duren (artikel 349a lid 1 Fw). De heer [verzoeker] wist of had moeten weten dat hij geen recht had op het bedrag van € 72.000,00 en dat de aanvraag kennelijk niet naar waarheid was ingevuld. De verklaring van verzoeker dat de valse aanvraag is gedaan door een derde en dat hij het geld heeft overgemaakt naar zijn rekening is niet onderbouwd met bewijsstukken en ook verder niet aannemelijk gemaakt. Dit leidt ertoe dat de duur van de regeling ten aanzien van de heer [verzoeker] op 36 maanden zal worden bepaald. De mogelijkheid dat de rechtbank de regeling voor een langere duur zal uitspreken, is ter zitting met de heer [verzoeker] besproken.
De verplichtingen waaraan de heer [verzoeker] tijdens de WSNP moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te laten ontstaan, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting. Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert of de verplichtingen worden nagekomen. Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
Als de heer [verzoeker] zich tijdens het WSNP-traject houdt aan alle verplichtingen die de WSNP met zich brengt, eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de WSNP werkt niet meer op de heer [verzoeker] kunnen verhalen.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan de heer [verzoeker] .
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van de heer [verzoeker] in Nederland ligt.
Het WSNP-traject duurt in dit geval 36 maanden. De Faillissementswet bepaalt dat de termijn van de WSNP in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de termijn eerder te laten ingaan.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Het vtlb wordt berekend met de vtlb-calculator die via het internet beschikbaar is. Om voor een eerdere ingangsdatum in aanmerking te komen, moet dus maandelijks sprake zijn van aflossingen die tenminste gelijk zijn aan het genoemde verschil tussen de netto inkomsten en het vtlb. Daarnaast moet er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt worden of moet er aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
De rechtbank kan op basis van de ingediende stukken en dat wat op zitting is besproken niet vaststellen in hoeverre door de heer [verzoeker] tijdens het minnelijk voortraject aan de vereiste verplichtingen is voldaan. De rechtbank kan namelijk niet vaststellen of de vtlb-berekening juist is vastgesteld. Ook kan de rechtbank niet vaststellen of de heer [verzoeker] maandelijks heeft afgedragen conform de vtlb-berekening. De heer [verzoeker] is in de gelegenheid gesteld om na de zitting aanvullende stukken te overleggen. Desondanks kan de rechtbank ook op basis van deze gegevens niet vaststellen of er voldoende is afgedragen tijdens het minnelijk voortraject noch is duidelijk of het vakantiegeld is gereserveerd. Er ontbrekende diverse onderliggende stukken bij de vtlb-berekening die ziet op de periode 1 juli 2024 tot en met 31 december 2024. Daarnaast zijn er bij de vtlb-berekening die ziet op de periode 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025 geen onderliggende stukken overgelegd.
De rechtbank komt aldus tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.
3De beslissing
De rechtbank:
– spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker]
,
geboren op [geboortedatum] -1990 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] , [postcode 1] [plaats] ;
voorheen handelend onder de naam [onderneming]
gevestigd [adres 2] , [postcode 2] [plaats] ;
– benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema
en tot bewindvoerder mr. N.N. van Klaveren,
gevestigd te Postbus 136,
2990 AC Barendrecht;
– stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 20 maart 2025 en de einddatum op 20 maart 2028;
– draagt de bewindvoerder op de post van de heer [verzoeker] in te zien;
– bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Deze vergoeding is gelijk aan 1/37e deel van de overeenkomstig artikel 2 van dat Besluit te berekenen vergoeding. Dit kan alleen:
– zolang de schuldsaneringsregeling loopt en,
– voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M. Aukema, rechter, in samenwerking met mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2025.
Voetnoten
- Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...