ECLI:NL:RBZWB:2025:1896 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-04-2025 / BRE 23/2310

verzet ongegrond; geen sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb, geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en schadevergoeding

Source officielle

6 min de lecture 1 204 mots

Inhoudsindicatie. verzet ongegrond; geen sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb, geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en schadevergoeding

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 23/2310

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2025 op het verzet van

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 november 2024 in het geding tussen

belanghebbende

en

de invorderingsambtenaar van de gemeente Roosendaal, de invorderingsambtenaar.

Inleiding

1. Op 28 maart 2023 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte invorderingskosten van de aanslag gemeentelijke- en waterschapsbelastingen over het jaar 2022 met [aanslagnummer]. Op 31 maart 2023 heeft de invorderingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft op 4 april 2023 beroep ingesteld. Dit beroep is op 22 oktober 2024 ingetrokken met het verzoek om de invorderingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten. Belanghebbende heeft hierbij ook verzocht om een schadevergoeding. Bij uitspraak van 29 november 2024 zijn beide verzoeken als kennelijk ongegrond afgewezen. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 29 november 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.

Belanghebbende heeft het beroep ingetrokken naar aanleiding van de brief van de heffingsambtenaar aan de rechtbank van 22 oktober 2024. In deze brief heeft de invorderingsambtenaar besloten om de aanslag met [aanslagnummer] en de getroffen invorderingsmaatregelen oninbaar te verklaren. Belanghebbende hoeft de aanslag niet meer te betalen.

In de uitspraak van 29 november 2024 is het verzoek om proceskosten als kennelijk ongegrond afgewezen, omdat de invorderingsambtenaar niet aan het beroep van belanghebbende tegemoet is gekomen. De aanmaningskosten waren terecht opgelegd. De rechtbank is om die reden ook niet bevoegd om te beslissen op een verzoek om schadevergoeding.

Belanghebbende stelt in verzet dat de invorderingsambtenaar aan het beroep is tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a Awb. Het beroep van belanghebbende is niet inhoudelijk behandeld en daarmee is zij in haar procesbelang geschaad. Zij heeft stress ervaren en verzoekt haar positie als gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire mee te wegen bij de beoordeling. Belanghebbende heeft veel tijd aan de zaak besteed en is van mening dat deze kosten onder het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vallen.

Proceskostenvergoeding

De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank merkt op dat belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gehad om haar inhoudelijke gronden aan te voeren. Het beroep is op 3 oktober 2024 op zitting behandeld. Belanghebbende heeft naar aanleiding van de brief van de invorderingsambtenaar het beroep ingetrokken en daarmee zelf de inhoudelijke beroepsprocedure beëindigd.

De rechtbank is overeenkomstig de uitspraak van 29 november 2024 van oordeel dat de aanmaningskosten terecht zijn opgelegd. De oninbaarverklaring van de invorderingsambtenaar heeft enkel tot gevolg dat de invorderingsmaatregelen achterwege worden gelaten. De schuld gaat niet teniet en de invorderingsambtenaar kan – in theorie – zolang de aanslag niet is verjaard hiervoor invorderingsmaatregelen blijven treffen indien is gebleken dat er verhaalsmogelijkheden zijn. De heffingsambtenaar heeft in dit geval echter toegezegd dat de aanslag niet actief zal worden ingevorderd. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in de uitspraak van 29 november 2024 terecht is geoordeeld dat geen sprake is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb. Het verzoek om proceskostenvergoeding is terecht afgewezen.

Schadevergoeding

De rechtbank is bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt als gevolg van een onrechtmatig besluit van dat bestuursorgaan. De rechtbank is van oordeel dat in de uitspraak van 29 november 2024 terecht is geoordeeld dat van een onrechtmatig besluit geen sprake is. Wel is de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase met de verzetsprocedure overschreden.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad wordt in belastingzaken waarin de redelijke termijn voor berechting is overschreden, als regel – dat wil zeggen behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De Hoge Raad heeft in belastingzaken tot bijzondere omstandigheden gerekend het geval dat het financiële belang bij de procedure zeer gering is. In het geval van belanghebbende is het financiële belang € 943,13. Dát belang is echter voor belanghebbende tot nul gereduceerd toen de vordering op 22 oktober 2024 – nog voordat de redelijke termijn eindigde – oninbaar is verklaard. Bij de vaststelling van het financiële belang wordt geen rekening gehouden met beslissingen over vergoeding van proceskosten, griffierechten, wettelijke rente en materiële en/of immateriële schade. Voorgaande houdt in dat de rechtbank, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad van 14 juni 2024, kan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Conclusie en gevolgen

3. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 29 november 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

Voor een proceskostenveroordeling en schadevergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Dekkers, griffier, op 4 april 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op http://www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad http://www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie http://www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 – ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 – het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

  1. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  2. Zie hiervoor artikel 8:88 van de Awb.
  3. Vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.