ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260428.2N.4
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 april 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260428.2N.4 Rolnummer: P.25.1751.N Zaak: Y. contra Fluvius System Operator CV Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2026-05-07 Raadplegingen: 229 - laatst gezien 2026-05-18 14:54 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog...
15 min de lecture · 3,162 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Hof van Cassatie
Vonnis/arrest van 28 april 2026
ECLI nr:
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260428.2N.4
Rolnummer:
P.25.1751.N
Zaak:
Y. contra Fluvius System Operator CV
Kamer:
2N – tweede kamer
Rechtsgebied:
Internationaal publiekrecht
Invoerdatum:
2026-05-07
Raadplegingen:
226 – laatst gezien 2026-05-18 12:34
Versie(s):
Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar
Fiche
Samenvatting(en) nog niet beschikbaar
Thesaurus CAS:
INTERNATIONALE RECHTSHULP
Tekst van de beslissing
Nr. P.25.1751.N
I
A. Y.,
beklaagde,
eiser,
met als raadsman mr. Ine Bergs, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Maastrichterstraat 99, waar de eiser woonplaats kiest,
tegen
FLUVIUS SYSTEM OPERATOR cv, met zetel te 9090 Merelbeke-Melle, Brusselsesteenweg 199, ON 0477.445.084,
burgerlijke partij,
verweerster.
II
S. G.,
beklaagde,
eiser,
met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent.
III
M. V.,
beklaagde,
eiser,
met als raadsman mr. David Thoeng, advocaat bij de balie Limburg.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 5 december 2025.
De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
De eiser III voert geen middel aan.
Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I en III
1. Het arrest spreekt de eiser I vrij voor de telastleggingen D en J.1 en de eiser III voor de telastleggingen B, F.1, H.1, J.1 en N.1.
In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen I en III bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
Eerste middel van de eiser I
2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 66 en 324ter, § 3, Strafwetboek: het arrest kan uit de feiten die het vaststelt met betrekking tot de deelname van de eiser I aan de besluitvorming van een criminele organisatie niet wettig afleiden dat hij dader of mededader is van de feiten van de telastleggingen H.1 (ondernemen van voorbereidende handelingen voor de vervaardiging van cocaïne, in vereniging), F.1 (vervaardigen van cocaïne, in vereniging) en N.2 (verkoop van cocaïne, in vereniging); het misdrijf van deelnemen aan de besluitvorming van een criminele organisatie is immers een autonoom misdrijf, dat geen kennis vereist van de in het kader van de organisatie gepleegde misdrijven; het arrest specificeert evenmin uit welke bewijselementen blijkt dat de deelnemingshandeling van de eiser I, bestaande in het uitlenen van zijn voertuig aan derden, ook werd gepleegd met het deelnemingsopzet gericht op de specifieke feiten van de telastleggingen H.1, F.1 en N.2, gepleegd in het kader van de criminele organisatie; uit de feiten die het arrest vaststelt, kan het immers enkel afleiden dat de eiser I zijn voertuig wetens en willens heeft uitgeleend voor het plegen van feiten in verband met cannabis, maar niet dat de eiser I dat heeft gedaan voor wat betreft het plegen van feiten in verband met cocaïne; die onderscheiden feiten betreffen twee aparte deelluiken van de criminele organisatie; het arrest beveelt bovendien de bijzondere verbeurdverklaring (hierna verbeurdverklaring) van het voertuig van de eiser I overeenkomstig artikel 43quater, § 4, Strafwetboek, waarmee het oordeelt dat de criminele organisatie de macht had om over dit voertuig te beschikken.
3. Het middel preciseert niet hoe en waarom het arrest artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR schendt.
In zoverre is het middel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
4. Het misdrijf van het deelnemen aan de besluitvorming van een criminele organisatie maakt een autonoom misdrijf uit, te onderscheiden van de misdrijven die worden gepleegd in het raam van deze organisatie. Een deelnemer aan de besluitvorming van een criminele organisatie heeft dan ook niet noodzakelijk kennis van alle activiteiten van die organisatie. Evenmin levert de mogelijke kennis door de betrokkene van een in het kader van de organisatie gepleegd misdrijf als dusdanig daderschap of mededaderschap van dat misdrijf op.
5. De rechter kan evenwel bij een beklaagde het bestaan van een voor een bepaald misdrijf vereist opzet afleiden uit een handeling die de betrokkene heeft gesteld in het kader van een ander door de rechter bewezenverklaard misdrijf. Aldus kan de rechter het oordeel dat een beklaagde het vereiste deelnemingsopzet voor het plegen van een misdrijf in het raam van een criminele organisatie had, afleiden uit handelingen van de betrokkene op grond waarvan de rechter hem schuldig verklaart aan het misdrijf van het deelnemen aan de besluitvorming van dezelfde criminele organisatie. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar.
6. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt.
7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
8. Het arrest (p. 178-179) oordeelt onder meer dat:
– het is aangetoond dat het voertuig van de eiser I op 19 december 2018 werd ingezet om chemicaliën, dienstig voor het produceren van cocaïne, in bezit te nemen en op een specifieke locatie te verzamelen;
– de eiser I zulks op zich niet betwist, maar zich verweert door te stellen dat hij zijn voertuig regelmatig uitleent, dat uit niets blijkt dat hij het zelf was die met zijn voertuig reed en dat het loutere feit dat zijn voertuig werd gebruikt niet bewijst dat hij betrokken was;
– het onderzoek echter aantoont dat wanneer de eiser I zijn voertuig uitleent in het kader van criminele activiteiten, hij daarvan op de hoogte is en, meer nog, dat het in zijn opdracht gebeurt;
– het daarbij volstaat te verwijzen naar het uitlenen door de eiser I van zijn voertuig aan oorspronkelijk medebeklaagde G., die het op zijn instructie gebruikte om de cannabisplantages te gaan onderhouden;
– de besproken waarnemingen in het dossier-Beethoven en de verplaatsingen van het voertuig van de eiser I op 19 december 2018 niet los kunnen worden gezien van zijn relatie met beklaagde C. en van het feit dat de organisatie waaraan C. leiding gaf, de locatie te Balen gebruikte om chemicaliën dienstig voor de productie van cocaïne op te slaan;
– eisers actieve daad van deelneming erin bestaat dat hij de aanvoer van de chemicaliën aanstuurde en zijn voertuig ervoor ter beschikking stelde. Hij leverde op die manier hulp zonder dewelke het misdrijf geviseerd door de telastlegging H.1 niet zou kunnen zijn gepleegd zoals dat het geval was. De eiser I is met betrekking tot de feiten van deze telastlegging dan ook te beschouwen als mededader in de zin van artikel 66, eerste lid, Strafwetboek.
Het arrest (p. 181) oordeelt onder meer ook dat:
– de eiser I voor de uitbating van cannabisplantages de rechterhand was van beklaagde C., namens wie hij onder meer locaties zocht en mensen aanstuurde;
– daarmee alleen al is uitgemaakt dat de eiser I wetens en willens deel uitmaakte van en een substantiële bijdrage leverde aan een criminele organisatie;
– de eiser I eenzelfde rol speelde voor het cocaïne-luik van de door de beklaagde C. geleide criminele organisatie. Ook hier speelde de eiser I een sturende rol bij de aanvoer van chemicaliën. Hij stuurde onder andere een uitvoerder aan en stelde daartoe zijn voertuig aan deze mededader ter beschikking;
– er is vastgesteld dat de eiser I en C. op verschillende plaatsen en verschillende momenten overlegden. In het licht van de onderzoeksresultaten is het duidelijk dat deze samenkomsten kaderden in het functioneren van de criminele organisatie en niet bedoeld waren om elkaar louter vriendschappelijk te ontmoeten.
Die redenen steunen op hun beurt op een geheel van onderzoeksgegevens die het arrest (p. 84-129) omstandig beschrijft. Daartoe behoren de vaststellingen, voortvloeiend uit afgeluisterde gesprekken (p. 99-100, nr. 17), dat de eiser I met beklaagde C. de verscheping van containers van Colombia naar Antwerpen, alsook de inval door de politie in de loods te Balen heeft besproken.
9. Op grond van die redenen kan het arrest (p. 178-179) wettig besluiten tot het bestaan van het deelnemingsopzet van de eiser I voor het plegen van de telastleggingen H.1, F.1 en N.2 en kan het hem bijgevolg wettig schuldig verklaren aan de feiten van die telastleggingen.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
Tweede middel van de eiser I
10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, de artikelen 17 en 149 Grondwet en artikel 43quater, § 4, Strafwetboek.
11. Het middel preciseert in geen van zijn onderdelen hoe en waarom het arrest artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR schendt.
In zoverre is het middel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
Eerste onderdeel
12. Het onderdeel voert aan dat het arrest de verbeurdverklaring beveelt van de in het dictum vermelde goederen op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek zonder die goederen daadwerkelijk te specificeren en zonder te motiveren welke goederen en voertuigen ter beschikking van de criminele organisatie stonden, op welke wijze dat het geval was en waarom die goederen en voertuigen om die reden moeten worden verbeurdverklaard.
13. In zoverre het onderdeel betrekking heeft op verbeurdverklaarde goederen waarvan niet wordt aangevoerd dat ze toebehoren aan de eiser I of dat hij aanspraak erop maakt, dit zijn alle opgesomde goederen behalve het voertuig VW Passat van de eiser I, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
14. Het arrest (p. 181) oordeelt onder meer dat de eiser I voor wat betreft de uitbating van cannabisplantages de rechterhand was van beklaagde C., namens wie hij onder meer locaties zocht en mensen aanstuurde en dat daarmee alleen al is uitgemaakt dat de eiser I wetens en willens deel uitmaakte van en een substantiële bijdrage leverde aan een criminele organisatie. Het stelt ook vast dat de eiser I alleszins zijn voertuig wetens en willens uitleende opdat derden er misdrijven behorende tot het cocaïne-luik van de criminele organisatie mee konden plegen.
15. Na te hebben geoordeeld dat de verbeurdverklaarde vermogensvoordelen, zoals in billijkheid bepaald, geen onredelijk zware straf voor de beklaagden uitmaken, oordeelt het arrest (p. 219, nr. 4.4.4.8.2.) bovendien, zoals het beroepen vonnis (arrest, p. 29-31), dat de goederen die het verder in het dictum opsomt, waaronder de vermelde VW Passat, ter beschikking stonden van de criminele organisatie en daarom moeten worden verbeurdverklaard overeenkomstig artikel 43quater, § 4, Strafwetboek. Vervolgens worden die goederen in het dictum van het arrest (p. 232-234) individueel opgesomd en verbeurdverklaard.
16. Met die redenen en beschikkingen, samen gelezen met de redenen die in de aanhef van het middel worden aangehaald, specificeert het arrest het voertuig VW Passat waarvan het op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek de verbeurdverklaring beveelt en motiveert het waarom het die verbeurdverklaring beveelt. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moet het arrest voor het overige niet preciseren op welke wijze die zaak ter beschikking van de criminele organisatie stond. Evenmin moet het arrest dat vaststelt dat de verbeurdverklaring verplicht is, verder motiveren waarom het die verbeurdverklaring beveelt.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
17. Het onderdeel voert aan dat het arrest op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek overgaat tot de verbeurdverklaring van het voertuig VW Passat van de eiser I; die verbeurdverklaring is, als verbijzondering van de verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf, een bijkomende straf; ondanks het persoonlijk karakter van deze straf spreken de appelrechters ze niet specifiek uit ten aanzien van de eiser I; aldus is de verbeurdverklaring in strijd met het grondwettelijke verbod op een algemene verbeurdverklaring.
18. De verbeurdverklaring op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek is een straf. Het persoonlijk karakter van de straf vereist dat de rechter de persoon aanduidt ten aanzien van wie hij die verbeurdverklaring beveelt. De rechter moet die persoon echter niet noodzakelijk nominatim aanwijzen in zijn specifieke motivering of beschikking in verband met de verbeurdverklaring. Het volstaat dat uit de redenen of de beschikkingen van het vonnis of arrest zonder twijfel blijkt ten aanzien van wie de verbeurdverklaring wordt uitgesproken.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
19. Het arrest dat de eiser I veroordeelt wegens het deelnemen aan de besluitvorming van de criminele organisatie die het (p. 129-133) omschrijft en oordeelt dat die deelneming onder meer bestond in het ter beschikking stellen door de eiser I van zijn voertuig VW Passat om drugmisdrijven in het kader van die criminele organisatie te plegen (p. 87, 94, 97, 125, 169,177-182 en 185), preciseert dat het dat voertuig ten aanzien van de eiser I verbeurdverklaart op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
Derde onderdeel
20. Het onderdeel voert aan dat het arrest de redelijkheid van de overeenkomstig artikel 43quater, § 4, Strafwetboek lastens de eiser I bevolen verbeurdverklaring niet toelicht, zoals nochtans vereist door artikel 43, eerste lid, Strafwetboek, alsook dat het zodoende eisers desbetreffende verweer niet beantwoordt.
21. De rechter die een verbeurdverklaring op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek beveelt, dient bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie niet vast te stellen dat die verbeurdverklaring geen onredelijk zware straf uitmaakt.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
22. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser I in zijn appelconclusie aan de appelrechters heeft gevraagd om het bedrag van het verbeurd te verklaren vermogensvoordeel te verminderen om de eiser I geen onredelijk zware straf op te leggen. Daaruit blijkt echter niet dat de eiser I de appelrechters ook om mildheid heeft gevraagd voor wat betreft de verbeurdverklaring op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek, hoewel de eerste rechter de verbeurdverklaring van zijn voertuig op grond van die bepaling reeds had bevolen en de eiser I ze in zijn appelconclusie ter sprake heeft gebracht.
23. Het arrest oordeelt voor wat betreft de redelijkheid van de verbeurd te verklaren vermogensvoordelen zoals vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel. Het oordeelt verder zoals aangehaald in de aanhef van het middel. Met die redenen beantwoordt het arrest het verweer van de eiser I en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
Middel van de eiser II
24. Het middel voert schending aan van artikel 29 van de wet van 22 mei 2017 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (hierna Wet Europees Onderzoeksbevel) en artikel 13 van de wet van 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering (hierna Wet Internationale Rechtshulp): het arrest beslist dat de inzet van de burger-vrachtwagenchauffeur naar Nederlands recht wetsconform is en er dus geen sprake is van onregelmatig verkregen bewijs; het stelt evenwel niet vast dat een beslissing van de officier van justitie voorligt waaruit blijkt dat deze heeft vastgesteld dat het niet mogelijk was om bij die onderzoekshandeling beroep te doen op een opsporingsambtenaar in plaats van een particulier; nochtans heeft medebeklaagde C. bij appelconclusie aangevoerd “dat er geen enkele machtiging werd verleend voor het uitvoeren van een infiltratie, laat staan enige burgerinfiltratie”.
25. Artikel 29 Wet Europees Onderzoeksbevel bepaalt:
“In het kader van een in België gevoerde strafrechtspleging mag geen gebruik worden gemaakt van bewijsmateriaal:
1° dat in de uitvoerende Staat op onregelmatige wijze is verzameld indien de onregelmatigheid:
– volgens het recht van de uitvoerende Staat volgt uit de overtreding van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste;
– de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal aantast; of
2° waarvan de aanwending een schending inhoudt van het recht op een eerlijk proces.”
Artikel 13 Wet Internationale Rechtshulp heeft eenzelfde draagwijdte.
26. Onder de hoofding “Pseudo-koop of -dienstverlening” bepaalt artikel 126i, eerste lid, c, van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering dat in het daar bepaalde geval de officier van justitie in het belang van het onderzoek kan bevelen dat een opsporingsambtenaar diensten verleent aan de verdachte.
Onder de hoofding “Burgerpseudo-koop of -dienstverlening” bepaalt artikel 126ij, eerste lid, c, van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering dat in het daar bepaalde geval de officier van justitie in het belang van het onderzoek met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, kan overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door diensten te verlenen aan de verdachte. Overeenkomstig het tweede lid van die bepaling vindt de toepassing van het eerste lid alleen plaats indien de officier van justitie van oordeel is dat geen bevel als bedoeld in artikel 126i, eerste lid, kan worden gegeven.
27. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie vereist geen van de vermelde bepalingen de vaststelling door de rechter dat in Nederland de overeenkomst van dienstverlening tussen een officier van justitie en een persoon die geen opsporingsambtenaar is, wordt voorafgegaan door de vaststelling dat de officier van justitie van oordeel is dat geen bevel tot eenzelfde dienstverlening kon worden gegeven aan een opsporingsambtenaar.
In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
28. Met de redenen die het arrest vermeldt (p. 56-58, nr. 9-10), verantwoordt het de beslissing naar recht. De in het middel vermelde aanvoering van de medebeklaagde C. volstaat niet als conclusie die de appelrechters tot een verdere of andere motivering zou verplichten.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
Ambtshalve onderzoek
29. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.
Onmiddellijke aanhouding
30. Gelet op de verwerping van de cassatieberoepen, heeft het arrest kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissingen over de onmiddellijke aanhouding van de eisers I en III, de cassatieberoepen geen bestaansreden meer hebben.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.
Bepaalt de kosten in het geheel op 940,02 euro, waarvan de eiser I 313,34 euro is verschuldigd, de eiser II 313,34 euro is verschuldigd en eiser III 313,34 euro is verschuldigd.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 28 april 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant.
PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260428.2N.4
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...