ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
31 min de lecture · 6 660 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Ondernemingsrechtbank Gent
Vonnis/arrest van 12 mei 2026
ECLI nr:
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
Rolnummer:
O/25/00961
Rechtsgebied:
Insolventierecht – Overige
Invoerdatum:
2026-05-13
Raadplegingen:
126 – laatst gezien 2026-05-18 12:30
Fiche 1
Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229
WER zijn voldaan, kan de rechtbank rekening houden met alle omstandigheden
en feiten voor het bepalen van de duurtijd van het verbod. Ook met die
feiten die dateren van vóór het concrete faillissement waarin de kennelijk
grove fouten werden vastgesteld. De noodzaak aan bescherming van het
handelsverkeer wordt immers gedetermineerd door tal van factoren in hun
samenhang beschouwend. Niet enkel de zwaarte van de concrete fout bepaalt
de duurtijd van het verbod.
UTU-thesaurus:
HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT – INSOLVENTIE
Vrije woorden:
XX.229 WER bepalen duurtijd verbod
Wettelijke bepalingen:
Wetboek van economisch recht – 28-02-2013 – XX.229 – 19
ELI link Pub nr 2013A11134
Fiche 2
Verweerder kan worden beschouwd als een faillissementsrecidivist die gedurende
zijn ondernemersactiviteiten aanzienlijke schade heeft veroorzaakt en
daarbij herhaaldelijk heeft aangetoond misbruik te maken van de mogelijkheden
en kansen die het handelsverkeer biedt. Verweerder is een gevaar voor
het eerlijke handelsverkeer. Zijn weerkerende en totale aversie ten aanzien
van de fiscale en sociale verplichtingen is manifest. Door zijn handelen
ondermijnt hij de eerlijke mededinging en benadeelt hij ondernemers die
wel bijdragen tot de publieke middelen en aan hun wettelijke verplichtingen
voldoen. Een effectief verbod van 10 jaar dringt zich op.
UTU-thesaurus:
HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT – INSOLVENTIE
Vrije woorden:
noodzaak verbod XX.229 WER
Fiche 3
Een verbod bedoeld in artikel XX.229 WER kan gevorderd worden bij dagvaarding.
Wanneer een rechtsplegingsbepaling stelt dat de inleiding van een bepaald
geding bij verzoekschrift moet plaatsvinden maakt deze regel de inleiding
van het geding middels een dagvaarding niet ongeldig. Het in artikel
XX.230 WER bedoelde “tegensprekelijk verzoekschrift” veronderstelt
een vordering tegen de gefailleerde dan wel tegen een persoon die krachtens
artikel XX.229 WER met de gefailleerde wordt gelijkgesteld. Het verzoekschrift
strekt derhalve niet tot het instellen van een vordering tegen de curator.
Het tegensprekelijke karakter ervan heeft uitsluitend betrekking op de
gefailleerde of de bestuurder. De loutere kennisgeving van het verzoekschrift
aan de curator heeft niet tot gevolg dat deze partij wordt in de procedure.
De wet bepaalt enkel dat de inleidende akte ter kennis van de curator
moet worden gebracht. In dat verband is het zonder belang of de curator
kennis neemt van een dagvaarding dan wel van een tegensprekelijk verzoekschrift.
Met deze kennisgevingsverplichting heeft de wetgever beoogd de curator
in te lichten over het bestaan van een vordering tot oplegging van een
verbod, zodat deze de opportuniteit van een eigen initiatief of van een
vrijwillige tussenkomst kan beoordelen.
UTU-thesaurus:
GERECHTELIJK RECHT – GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN
Vrije woorden:
Gebruik dagvaarding in plaats van verzoekschrift cfr. XX.230 WER
Wettelijke bepalingen:
Wetboek van economisch recht – 28-02-2013 – XX.230 – 19
ELI link Pub nr 2013A11134
Fiche 4
Een verbod bedoeld in artikel XX.229 WER is in de eerste plaats een burgerrechtelijke
beveiligingsmaatregel ter bescherming van het economisch weefsel. Uit
de kennelijke grove fouten uit het verleden, kan naar recht afgeleid worden
dat de betrokkene ongeschikt is om deel te nemen aan het handelsverkeer
en een dermate potentieel gevaar vormt voor een eerlijk handelsverkeer,
dat bescherming van dat handelsverkeer zich opdringt. Het is juist dat
na het verstrijken van een beroepsverbod geen enkele garantie bestaat
dat de betrokkene vanaf dat ogenblik wél geschikt of betrouwbaar zal
zijn of geen gevaar meer zal vormen voor het handelsverkeer. Niettemin
mag worden aangenomen dat de betrokkene gedurende de verbodsperiode de
gelegenheid aangrijpt om zich bijkomend te vormen of te informeren teneinde
herhaling in de toekomst te voorkomen, of dat kan worden verwacht dat
deze periode wordt benut om ervaring op te doen onder toezicht of in dienst
van derden, dan wel om tot inzicht te komen omtrent het kennelijk grove
karakter van het eerdere eigen handelen. In bijkomende orde heeft een
beroepsverbod een sanctionerend karakter waaraan noodzakelijkerwijze een
ontradend effect is verbonden.
UTU-thesaurus:
HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT – INSOLVENTIE
Vrije woorden:
karakter van maatregel verbod XX.229 WER
Tekst van de beslissing
De ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, tweede kamer heeft volgend vonnis verleend:
.
PARTIJEN IN HET GEDING
.
Procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen – afdeling Gent, woonst kiezend op zijn parket te 9000 Gent, Opgeëistenlaan 401/B, ter zitting vertegenwoordigd door mevrouw [H], substituut procureur des Konings.
.
Eiser
[X]
Eerste verweerder
[Y]
Tweede verweerster
Beiden vertegenwoordigd door mr. [VO]
.
MEDE INZAKE:
Mr. [P], in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de BV [MEAT]
.
I. INFORMATIE OVER DE PROCEDURE
1.1. Het geding werd ingeleid met dagvaarding betekend op 27 augustus 2025.
De rechtbank heeft een tussenvonnis uitgesproken op 23 december 2025.
Bij conclusie van 3 maart 2026 komt mr. [P] vrijwillig tussen
De rechtbank heeft de partijen in raadkamer op de zitting van 17 maart 2026 gehoord, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
De rechtbank heeft kennis genomen van het rechtsplegingsdossier en de neergelegde stukken.
De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken worden nageleefd.
.
II. SAMENVATTING VAN DE RELEVANTE FEITEN
2.1. [X] (hierna “eerste verweerder”) was oprichter en bestuurder van de BV [AB GROUP] dewelke door deze rechtbank in staat van faillissement werd verklaard op 16 juni 2023.
[Y] (hierna “tweede verweerster”) was oprichter en bestuurder van de BV [MEAT] dewelke door deze rechtbank in staat van faillissement werd verklaard op 12 maart 2024.
Op 27 augustus 2025 ging de procureur des Konings over tot dagvaarding van verwerende partijen in toepassing van artikel XX.229 WER.
2.2. Op 23 december 2025 wijst de rechtbank een tussenvonnis waarbij zij ambtshalve de debatten heropent om de procureur des Konings schriftelijk toe te laten standpunt in te nemen over de wijze van inleiding van het geding.
.
III. DE VORDERINGEN
.
3.1. In de dagvaarding vordert de procureur des Konings om:
“In toepassing van artikel XX.229 van het Wetboek van Economisch Recht te horen zeggen bij een met redenen omkleed vonnis dat het [X] verboden wordt om persoonlijk of door een tussenpersoon, een onderneming uit te baten en enige taak uit te oefenen die de bevoegdheid inhoudt om een rechtspersoon rechtsgeldig te verbinden gedurende een termijn van 10 jaar effectief.
In toepassing van artikel XX.229 van het Wetboek van Economisch Recht te horen zeggen bij een met redenen omkleed vonnis dat het [Y]verboden wordt om persoonlijk of door een tussenpersoon, een onderneming uit te baten en enige taak uit te oefenen die de bevoegdheid inhoudt om een rechtspersoon rechtsgeldig te verbinden gedurende een termijn van 5 jaar effectief.”
.
De procureur des Konings is van oordeel dat verweerders een kennelijk grove fout hebben begaan die heeft bijgedragen tot het faillissement. Deze kennelijk grove fout kan – aldus de procureur des Konings – worden afgeleid uit de volgende omstandigheden:
“Gezien [X], thans de eerste gedaagde een kennelijk grove fout beging die heeft bijgedragen tot het faillissement van volgende ondernemingen:
– [MEAT] BV als feitelijk bestuurder
Curator: [P]
– [AB GROUP]BV, als bestuurder in rechte
Curator: [C]
Gezien [Y], thans de tweede gedaagde, een kennelijk grove fout beging die heeft bijgedragen tot het faillissement van [MEAT] BV als bestuurder in rechte,
waarbij de kennelijk grove fout kan afgeleid worden uit volgende omstandigheden:
[MEAT] BV
– [MEAT] BV werd opgericht op [2022] Als bestuurder in rechte werd [Y]aangesteld sedert de oprichting en zij is dit gebleven tot aan het faillissement.
– Uit het strafonderzoek (en een eerder onderzoek door het arbeidsauditoraat) is echter gebleken dat [X] de feitelijke bestuurder was van [MEAT] BV. [Y ]verklaarde in haar verhoor dat zij als bestuurder in rechte is aangesteld omwille van een lopend beroepsverbod van haar echtgenoot, thans [X]. Evenwel is na onderzoek gebleken dat [X] geen lopend beroepsverbod had. Immers had hij bij vonnis van de correctionele rechtbank van Oost-Vlaanderen, afdeling Gent van 28 juni 2019 voor feiten van valsheid in geschrifte een beroepsverbod gekregen, doch deze beslissing werd in graad van beroep door het Hof van Beroep te Gent bij arrest van 7 juni 2021 hervormd, in die zin dat [X] geen beroepsverbod (meer) kreeg opgelegd.
– [Y] verklaarde in haar verhoor dat zij het administratieve gedeelte van de vennootschap voor haar rekening nam. Uit het onderzoek van het arbeidsauditoraat is evenwel gebleken dat de RSZ-inspectie op 42 laattijdige DIMONA-meldingen en/of annuleringen is gestoten op een periode van amper 6 maanden (26/1/23-31/7/23). Deze vaststellingen tonen aan dat de administratie van de gefailleerde vennootschap en dus het bestuurderschap van [Y] ernstig tekort schoot.
– In het kader van de afhandeling van het faillissement van [MEAT] BV meldde de curator dat er ernstige aanwijzingen waren van verduistering van activa door de feitelijke bestuurder, [X]. Aan de hand van camerabeelden kon het komen en gaan rond de loods van de gefailleerde gefilmd worden en kon er vastgesteld worden dat er heel wat activa verplaatst werden uit de loods naar een zeecontainer. Op een later tijdstip worden de materialen uit de containers leeg gehaald en weg gebracht. Ook verschillende voertuigen en aanhangwagen worden weggehaald. Geconfronteerd met deze camerabeelden ontkende de gedaagde evenwel.
– Het passief van de gefailleerde vennootschap bedraagt volgens laatste pv van schuldvorderingen maar liefst 551.321 euro, waarvan 302.060 euro is aanvaard als bevoorrecht passief. RSZ (180.811 euro), FOD FINANCIEN (44.826 euro), PDOK (33.083 euro) zijn de zwaarst getroffen geduldige schuldeisers. Er is derhalve sprake van ernstig misbruik van geduldige schuldeisers. De curator haalt in zijn memorie aan dat de sociale bijdragen van de werknemers van meet af aan niet werden betaald, hetgeen de grote schuldvordering van RSZ verklaart in het pv van schuldvorderingen.
– De onderzoekers bepaalden de datum van virtueel faillissement op 30 april 2023. Gezien het faillissement van [MEAT] BV pas werd uitgesproken op [2024] is er manifest sprake van een laattijdige aangifte van faillissement.
– Uit het strafonderzoek en de memorie van de curator is gebleken dat uit de houding van de feitelijk bestuurder [X] blijkt dat er geen volledige medewerking is geweest bij de opmaak van de inventaris van de gefailleerde vennootschap. Er is derhalve sprake van niet-medewerking met curator [P]
[AB GROUP]BV
– [AB GROUP]BV werd opgericht op [2017] door [X]. Sedert de oprichting werd [X] aangesteld als bestuurder in rechte van [AB GROUP ]BV en hij is bestuurder gebleven tot aan het faillissement op [2023].
– Er werd geen passende en betrouwbare boekhouding gevoerd voor de gefailleerde. De BTW werd slechts aangegeven tot en met vierde kwartaal 2022. Tevens werden er geen aangiftes in de vennootschapsbelasting ingediend. De laatste jaarrekening werd neergelegd op [2011]
– Volgens het laatste pv van schuldvorderingen bedraagt het passief ruim 869.577 euro, waarvan RSZ (78.624 euro), FEDRIS (12.270 euro), PARTENA (35.683 euro) en FOD FINANCIEN (668.595 euro) de belangrijkste schuldeisers zijn. Er is derhalve sprake van misbruik van geduldige schuldeisers.
– [X] had een schuld in rekening courant aan de gefailleerde vennootschap. Volgens de historiek van de rekening courant had de bestuurder een schuld aan de vennootschap ten belope van 311.801 euro. De bestuurder zelf wijt dit bedrag aan de dading die hij afsloot met een curator in een ander faillissement. Er is in ieder geval sprake van verduistering van activa en/of misbruik van vennootschapsgoederen.
– Gelet op de hoegrootheid van het passief is er manifest sprake van laattijdige aangifte van faillissement.
De ernstige fouten van [X], thans de eerste gedaagde en het feit dat de gedaagde reeds betrokken was bij eerdere falingen noodzaken tot het opleggen van een effectief verbod om persoonlijk of door een tussenpersoon, een onderneming uit te baten (art. XX.229 § 1 WER) en een effectief verbod om enige taak uit te oefenen die de bevoegdheid inhoudt om een rechtspersoon rechtsgeldig te verbinden (art. XX.229 § 3 en § 4 WER) teneinde [X] te verhinderen zijn activiteiten verder te zetten of opnieuw te beginnen. De periode waarover zijn activiteiten zich uitspreiden, zijn ingesteldheid die ogenschijnlijk niet verenigbaar is met een normaal economisch handelen, noodzaken het opleggen van een effectief beroepsverbod gedurende 10 jaar effectief.
De ernstige fouten van [Y], thans de tweede gedaagde noodzaken tot het opleggen van een effectief verbod om persoonlijk of door een tussenpersoon, een onderneming uit te baten (art. XX.229 § 1 WER) en een effectief verbod om enige taak uit te oefenen die de bevoegdheid inhoudt om een rechtspersoon rechtsgeldig te verbinden (art. XX.229 § 3 en § 4 WER) teneinde [Y] te verhinderen haar activiteiten verder te zetten of opnieuw te beginnen. De periode waarover haar activiteiten zich uitspreiden, haar ingesteldheid die ogenschijnlijk niet verenigbaar is met een normaal economisch handelen, noodzaken het opleggen van een effectief beroepsverbod gedurende 5 jaar effectief.”
3.2. In haar laatste conclusie vordert de procureur des Konings:
“Het burgerlijke beroepsverbod uit te spreken zoals gevorderd bij dagvaarding van 27/8/2025”
.
3.3. Verwerende partijen betwisten en vorderen in hun laatste conclusie:
“Preliminair:
De vordering van het openbaar ministerie af te wijzen als on — ontvankelijk wegens strijdig met artikel XX, 230 WER, zijnde niet ingeleid bij tegensprekelijk verzoekschrift.
De vordering van het openbaar ministerie minstens te schorsen op grond van artikel 4 VTSV, in afwachting van de behandeling van de strafzaak, gekend onder rolnummer: 25/G/002879.
In hoofdorde:
De vordering van het openbaar ministerie lastens beide concluanten ontvankelijk te verklaren, doch af te wijzen als ongegrond.
In subsidiaire orde:
De vordering van het openbaar ministerie ontvankelijk te verklaren, doch slechts gedeeltelijk gegrond te verklaren:
In hoofde van concluant sub 1°:
– Ingevolge artikel XX.229 § 6 WER, een voorwaardelijk verbod op te leggen voor een duur van drie jaar of de uitspraak op te schorten voor eenzelfde duur.
– het gevorderde beroepsverbod te beperken tot 1 jaar effectief
In hoofde van concluant sub 2°:
– Ingevolge artikel XX.229 § 6 WER, een voorwaardelijk verbod op te leggen voor een duur van drie jaar of de uitspraak op te schorten voor eenzelfde duur.
– het gevorderde beroepsverbod te beperken tot 1 jaar effectief”
.
3.4. In zijn laatste conclusie vordert mr. [P]:
“Akte te verlenen van de vrijwillige tussenkomst van concluant q.q. in de procedure gekend onder rolnummer O/24/00958, dienvolgens,
de tussenkomst ontvankelijk en gegrond te verklaren.
[X] en [Y] in toepassing van art. XX.229 WER om persoonlijk of door een tussenpersoon, een onderneming uit te baten én enige taak uit te oefenen die de bevoegdheid inhoudt om een rechtspersoon rechtsgeldig te verbinden.
Verweerders te veroordelen tot de kosten.
Dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling en met de uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement.
Onder alle voorbehoud.”
.
IV. DE BEOORDELING
.
Tussenkomst mr. [P]
.
4.1. Mr. [P] heeft op 3 maart 2026 een conclusie neergelegd met het verzoek akte te verlenen van zijn vrijwillige tussenkomst.
De rechtbank is van oordeel dat ook onder gelding van artikel XX.4 WER een tussenkomst middels een conclusie mogelijk is. Artikel XX.4 WER heeft weliswaar een toegevoegde waarde, doch er kan niet ontkend worden dat de wetgever de bijzondere striktheid van het toenmalige artikel 5 WCO heeft verlaten. De tussenkomende partij die een conclusie heeft neergelegd met daarin haar middelen waarover de partijen uitleg hebben gegeven, is partij in het geding geworden. Dit wordt geacht in overeenstemming met artikel 813 Ger.W. te zijn (Cass. 27 januari 2006, AR C.04.0201.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060127.1).
.
Ontvankelijkheid
.
4.2. Verwerende partijen voeren de onontvankelijkheid aan omwille van de wijze waarop het geding werd ingeleid. De vordering tot het opleggen van een beroepsverbod werd ingeleid bij dagvaarding en niet bij tegensprekelijk verzoekschrift zoals de wet voorziet. Verwerende partijen stellen verder dat de dagvaarding niet werd betekend de curator.
Artikel XX.230 WER, dat van toepassing is op insolventieprocedures geopend vanaf 1 mei 2018 tot en met 31 augustus 2023, bepaalt het volgende:
“De gefailleerde of een van de personen krachtens artikel XX.229 gelijkgesteld met de gefailleerde, worden gedagvaard voor de insolventierechtbank op vordering van het openbaar ministerie of van een schuldeiser die niet werd betaald in het faillissement.
De termijn om te verschijnen is acht dagen.”
Bij wet van 7 juni 2023 (BS 7 juli 2023) werd artikel XX.230 WER evenwel gewijzigd. Voor insolventieprocedures die vanaf 1 september 2023 worden geopend, luidt het artikel als volgt:
“De verbodsbepaling bedoeld in dit hoofdstuk kan opgelegd worden door de insolventierechtbank op vordering van het openbaar ministerie, van de curator, of van een schuldeiser die niet werd betaald in het kader van het faillissement.
Onverminderd artikel XX.171, worden de gefailleerde of een van de personen krachtens artikel XX.229 gelijkgesteld met de gefailleerde, opgeroepen per tegensprekelijk verzoekschrift voor de insolventierechtbank. De griffier geeft er kennis van aan de verweerder en in voorkomend geval, aan de curator als het verzoekschrift niet door de curator is neergelegd.
De termijn om te verschijnen is acht dagen.”
In het tussenvonnis van 23 december 2025 werd reeds vastgesteld dat:
– Het geding werd ingeleid bij dagvaarding van 27 augustus 2025
– BV [MEAT] failliet werd verklaard op [2024]
– BV [AB GROUP]failliet werd verklaard op [2023]
– Het beroepsverbod voor eerste verweerder gevorderd wordt wegens kennelijk grove fouten die hebben bijgedragen tot het faillissement van BV [MEAT] en BV [AB GROUP]
– Het beroepsverbod voor tweede verweerster gevorderd wordt wegens kennelijk grove fouten die hebben bijgedragen tot het faillissement van BV [MEAT]
.
4.3. Wanneer een rechtsplegingsbepaling stelt dat de inleiding van een bepaald geding bij verzoekschrift moet plaatsvinden maakt deze regel de inleiding van het geding middels een dagvaarding niet ongeldig (Cass. 1 oktober 1990, Arr.Cass. 1990-91, 111, RW 1990-91, 962).
Artikel XX.230 WER voorziet niet in een sanctie.
Het in artikel XX.230 WER bedoelde “tegensprekelijk verzoekschrift” veronderstelt een vordering tegen de gefailleerde dan wel tegen een persoon die krachtens artikel XX.229 WER met de gefailleerde wordt gelijkgesteld. Het verzoekschrift strekt derhalve niet tot het instellen van een vordering tegen de curator. Het tegensprekelijke karakter ervan heeft uitsluitend betrekking op de gefailleerde of de bestuurder. De loutere kennisgeving van het verzoekschrift aan de curator heeft niet tot gevolg dat deze partij wordt in de procedure. De wet bepaalt enkel dat de inleidende akte ter kennis van de curator moet worden gebracht. In dat verband is het zonder belang of de curator kennis neemt van een dagvaarding dan wel van een tegensprekelijk verzoekschrift. Met deze kennisgevingsverplichting heeft de wetgever beoogd de curator in te lichten over het bestaan van een vordering tot oplegging van een verbod, zodat deze de opportuniteit van een eigen initiatief of van een vrijwillige tussenkomst kan beoordelen.
Dat de curator kennis heeft van de inleidende akte blijkt uit het feit dat de curator van de BV [MEAT], mr. [P] q.q. vrijwillig is tussengekomen in huidig geding.
Het faillissement waarover mr. [C] curator is, dateert van vóór 1 september 2023.
De vordering is ontvankelijk.
.
De grond van de zaak
4.4. De vraag van verwerende partijen tot schorsing van deze zaak is niet langer actueel gelet op de uitspraak van de correctionele rechtbank.
4.5. Een beroepsverbod kan opgelegd worden indien blijkt dat de gefailleerde of een persoon die krachtens artikel XX.229 WER met de gefailleerde wordt gelijkgesteld, een kennelijk grove fout heeft begaan die heeft bijgedragen tot het faillissement.
Een ‘kennelijk grove fout’ betreft een ernstige inbreuk op de essentiële normen van het vennootschapsleven of een flagrante fout die getuigt van een niet verschoonbare lichtzinnigheid of onzorgvuldigheid. Het kennelijk karakter duidt erop dat het een manifeste fout betreft die ook als dusdanig door elk redelijk voorzichtig en vooruitziend ondernemer wordt aanzien.
De kennelijk grove fout kan bestaan uit een geheel van feiten en gedragingen die door hun samenhang als kennelijk grof worden beschouwd.
Dat de fout moet ‘bijgedragen’ hebben tot het faillissement, houdt in dat de fout een aandeel moet gehad hebben in het daaropvolgende faillissement. Het volstaat dat zonder de fout, de schade zich niet in dezelfde vorm zou hebben voorgedaan.
4.5. De rechtbank besluit uit de feiten en gegevens, zoals door de procureur des Konings aangebracht, evenals door mr. [P]., dat er sprake is van een kennelijk grove fout in hoofde van verweerders. De feiten en gegevens zoals aangebracht door de procureur des Konings herneemt de rechtbank hier en maakt deze tot de zijne.
.
4.6. Wat betreft eerste verweerder
4.6.1. Eerste verweerder was bestuurder in de BV [AB GROUP], failliet verklaard door deze rechtbank bij vonnis van [2023]
Het aangegeven passief in het faillissement BV [AB GROUP] bedraagt volgens het derde PV van verificatie van schuldvordering 869.577,45 EUR waarvan 89.302,19 EUR bevoorrecht, 33.053,55 EUR gewoon en 747.221,71 EUR betwist. Het betwistte passief bestaat uit enerzijds een schuldvordering van de FOD Financiën ten bedrage van 668.595,64 EUR en anderzijds uit verschillende schuldvorderingen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor 54.186,91 EUR, 17.896,67 EUR en 6.542,49 EUR.
4.6.2. Eerste verweerder zou ook feitelijk bestuurder geweest zijn van de BV [MEAT], failliet verklaard door deze rechtbank bij vonnis van [2024].
Het aangegeven passief in het faillissement BV [MEAT] bedraagt volgens het derde PV van verificatie van schuldvordering 551.321,32 EUR waarvan 302.060,66 EUR bevoorrecht, 234.031,28 EUR gewoon en 15.229,38 EUR betwist.
Overeenkomstig artikel XX.229, §3 WER worden met de gefailleerde gelijkgesteld, de bestuurders en zaakvoerders van een failliet verklaarde rechtspersoon wier ontslag niet een jaar voor de faillietverklaring is bekendgemaakt, alsmede enig ander persoon die zonder beheerder of zaakvoerder te zijn, werkelijk de bevoegdheid zal gehad hebben de failliet verklaarde rechtspersoon te beheren.
Eerste verweerder betwist dat hij feitelijk bestuurder van BV [MEAT] was.
4.6.3. De rechtbank is van oordeel dat eerste verweerder feitelijk bestuurder was van BV [MEAT].
De correctionele rechtbank Oost Vlaanderen, afdeling Gent heeft hierover reeds geoordeeld bij vonnis van 18 februari 2026 in het kader van sociaalrechtelijke misdrijven op vordering van het arbeidsauditoraat:
“De tweede beklaagde [hier eerste verweerder] kende geen daadwerkelijke tewerkstelling bij [MEAT] BV. Immers blijkt er geen gezag over hem te zijn uitgevoerd. Integendeel, hij was diegene die het gezag uitoefende over de andere werknemers. De tweede beklaagde had de dagdagelijkse operationele leiding en oefende zelf het feitelijk werkgeversgezag uit over de arbeiders die de vennootschap tewerkstelde. Door de tweede beklaagde alsnog als werknemer in te schrijve werd hij onderworpen aan de sociale zekerheid der werknemers terwijl hij geen werknemer was. Dit gebeurde bedrieglijk.
[…]
De tweede beklaagde was, zoals hierboven uiteengezet, feitelijk bestuurder van [MEAT] BV zodat op hem dezelfde verplichtingen en verantwoordelijkheden rustten. […]
De tweede beklaagde is op heden 61 jaar. Hij beschikt over een ontzettend bezwaard strafverleden. Niet alleen werd hij 23 keer veroordeeld wegens inbreuken in het verkeer (waarvoor hij overigens reeds gevangenisstraffen tot 1 jaar opgelegd kreeg), hij liep ook reeds 10 correctionele veroordelingen op waaronder voor inbreuken op de milieuwetgeving, inbreuken op het sociaal strafrecht en faillissementsmisdrijven.”
Het erga omnes gezag van het gewijsde op de strafvordering geldt voor al hetgeen de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist over het bestaan van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten, en met inachtneming van de redenen die de noodzakelijke grondslag van de beslissing in strafzaken uitmaken.
Het feitelijk bestuur door eerste verweerder blijkt ook uit:
– het PV verhoor van 21 maart 2024 van de curator in het faillissement van de BV [MEAT] waarbij eerste verweerder het merendeel van de vragen beantwoordt op de vragen van de curator;
– het verhoor van tweede verweerster d.d. 19 april 2024 in het kader van een strafonderzoek door het arbeidsauditoraat in het kader van inbreuken op het sociaal strafwetboek waarbij zij een eerste maal aangeeft dat eerste verweerder feitelijk bestuurder van de BV [MEAT] is;
– Het verhoor van tweede verweerster d.d. 13 november 2024 in het kader van insolventiemisdrijven met betrekking tot het faillissement van de BV [MEAT] en waarbij zij nogmaals aangeeft dat haar man, eerste verweerder, de leiding had over de BV [MEAT] en dat zij enkel bestuurder werd omdat hij geen zelfstandige activiteiten meer mocht uitvoeren;
Het voormeld correctioneel vonnis van 18 februari 2026 had enkel betrekking op sociaalrechtelijke misdrijven en kaderde niet in een onderzoek inzake faillissementsmisdrijven, misbruik van vennootschapsgoederen of diefstal. Er kan geen sprake zijn van dubbele bestraffing, als dat al relevant zou zijn.
4.6.4. Eerste verweerder heeft als bestuurder van BV [AB GROUP] en als feitelijk bestuurder van BV [MEAT] kennelijk grove fouten begaan die hebben bijgedragen tot de respectievelijke faillissementen.
Het volstaat ten aanzien van eerste verweerder om, en dit in beide faillissementen, te verwijzen naar:
– Het misbruik van geduldige schuldeisers
– Het nalaten tijdig aangifte van staking van betaling neer te leggen
Daarnaast maakte eerste verweerder zich in het faillissement van BV [AB GROUP] schuldig aan:
– Het niet voeren van een passende en getrouwe boekhouding
– Het nalaten jaarrekening neer te leggen
– Het misbruik van vennootschapsgoederen
In het faillissement van de BV [MEAT] maakte hij zich ook schuldig aan verduistering van activa.
De constructies die eerste en tweede verweerster hebben opgezet, als echtgenoten, houden bovendien meerdere valsheden in.
Dit alles samen maakt een kennelijk grove fout uit.
Uit de aard van het passief blijkt dat eerste verweerder elke overheidsschuldeiser negeert in de onderneming waarin hij (feitelijk) bestuurder was. Hij verschafte de vennootschap op deze manier een oneigenlijk krediet en kon op die wijze een verlieslatende onderneming verderzetten.
Het systematisch weigeren om conform de wettelijke bepalingen bij te dragen tot de publieke middelen is manifest asociaal gedrag en ondermijnt het eerlijke handelsverkeer. Zulk onverschillige houding ingegeven door louter eigen winstbejag, schuift de lasten door naar andere deelnemers in dat handelsverkeer – en bij uitbreiding elkeen die wel bijdraagt aan de maatschappij.
Zo blijkt het passief van het faillissement BV [MEAT] onder meer uit een schuldvordering van de RSZ ten bedrage van 190.258,39 EUR uit hoofde van onbetaalde RSZ-bijdragen sinds 30 april 2023 te bestaan. In het passief van de BV [AB GROUP] blijkt onder meer een schuldvordering van Partena Sociaal Verzekeringsfonds voor 19 kwartalen onbetaalde bijdragen, teruggaand tot 2018.
Er mag van elke ondernemer worden verwacht dat hij zijn beroep uitoefent met de nodige zorgvuldigheid, onder meer wat betreft de naleving van fiscale en sociaalrechtelijke verplichtingen, alsook dat hij een bijzondere zorg besteedt aan het beoordelen van de risico’s die zijn activiteit inhoudt.
Het voeren van een passende en betrouwbare boekhouding vormt een zodanig essentieel onderdeel van het ondernemerschap dat het nalaten hiervan dient te worden aangemerkt als een kennelijk grove fout. Er werden geen jaarrekeningen neergelegd.
Eerste verweerder is zelf verantwoordelijk voor het voeren van een regelmatige en passende boekhouding. Het feit dat men een beroep kan doen op een extern accountant doet hieraan geen afbreuk. Evenmin kan men zich verschuilen achter beweerde wanprestaties van de accountant om zich compleet onwetend te verklaren omtrent de financiële situatie van de onderneming en haar fiscale verplichtingen.
Het misbruik van vennootschapsgoederen en de verduistering van activa worden klaarblijkelijk niet betwist.
Evenmin kan worden ontkend dat het gebruik van vennootschapsgelden voor de financiering van een dading, die door de bestuurder werd aangegaan met de curator in het kader van een ander faillissement, een kennelijke grove fout uitmaakt. Het staat vast dat vennootschapsgelden van de BV [AB GROUP] werden gebruikt voor de financiering van een dading tussen eerste verweerder en de curator van BV [LET]. Een dergelijk bedrag voor privédoeleinden afwenden uit de vennootschap, wetende dat er niet zal kunnen terugbetaald worden, is een kennelijk grove fout.
Uit de stukken en vooral uit het verslag dat de camerabeelden beschrijft kan evenmin ontkend worden dat goederen van de BV [MEAT] werden verduisterd.
.
4.7. Wat betreft tweede verweerster
Tweede verweerster is bestuurder van [MEAT] BV. Ook tweede verweerster heeft kennelijk grove fouten begaan.
Het volstaat te verwijzen naar onder meer:
– Meewerken aan constructies inzake feitelijk bestuur
– Het misbruik van geduldige schuldeisers
– Het nalaten tijdig aangifte van staking van betaling neer te leggen
Toelaten dat de werkelijke leiding over de onderneming wordt uitgeoefend door een feitelijke bestuurder om onder meer derden te misleiden, is een kennelijk grove fout. Dat tweede verweerster deze fouten wetens willens heeft begaan blijkt uit haar eigen verhoren waar zij stelt : “Mijn man was officieel geen zaakvoerder van het bedrijf omdat dit hem verboden werd. Hij mag geen zelfstandige zijn” en “[X] stond als werknemer ingeschreven en was inderdaad de feitelijke bestuurder van het bedrijf.”
Dat een feitelijke bestuurder de leiding had, doet geen afbreuk aan de eigen verantwoordelijkheid van de formele bestuurder. In casu zijn het echtgenoten die samen laakbaar gedrag hebben gesteld en elkaar hebben gefaciliteerd in hun kennelijk grove fouten.
De vaststellingen nopens de BV [MEAT], zoals uiteengezet in randnummer 4.6.4, gelden evenzeer voor tweede verweerster die bestuurder was van [MEAT].
.
4.8. Het staat bovendien vast dat voormelde kennelijk grove fouten hebben bijgedragen tot het faillissement.
Dat de fout moet ‘bijgedragen’ hebben tot het faillissement, houdt in dat de fout een aandeel moet gehad hebben in het daaropvolgende faillissement. Het faillissement moet mee veroorzaakt zijn door de kennelijk grove fout. In het kader van een beroepsverbod is er sprake van “hebben bijgedragen tot het faillissement” wanneer zonder de kennelijk grove fout het faillissement zoals dat zich heeft voorgedaan in concreto, zich niet had voorgedaan. »
Het “hebben bijgedragen tot het faillissement” is te onderscheiden van het “hebben bijgedragen tot de faillietverklaring”. Met “het faillissement” wordt niet enkel bedoeld “de faillietverklaring”, maar wel het netto-passief, de boedel én de rangregeling die samen vorm geven aan “het faillissement” in concreto. Niet enkel de loutere omvang van het passief of het netto-passief geeft vorm aan het faillissement in concreto, doch ook de aard en samenstelling van het passief dat tot uiting komt in de rangregeling (zie uitgebreid Orb. Gent (afd. Gent) 23 december 2025, O/22/00864, ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20251223.1).
.
4.9. Een onderneming kan niet op een duurzame wijze met enige kans op succes gevoerd worden wanneer zij niet op regelmatige wijze haar sociale en fiscale verplichtingen voldoet en of geen correcte, accurate boekhouding voert.
Dergelijk verzuim heeft onder meer tot gevolg dat een vertekend beeld wordt gecreëerd met betrekking tot de reële liquiditeitsvereiste en de reële rendabiliteit van de activiteit. Een nauwkeurige opvolging van de financiële situatie van de onderneming wordt hierdoor moeilijk, zo niet onmogelijk. Deze opvolging is nochtans noodzakelijk om correcte beleidsbeslissingen te kunnen nemen, om tijdig te kunnen reflecteren over de toekomst van de onderneming, om desgevallend herstelmaatregelen te nemen, dan wel om de activiteiten te stoppen.
Dit gebrek aan opvolging heeft bijgedragen tot de faillietverklaring.
De laattijdige aangifte van staking van betaling en misbruik van geduldige schuldeisers heeft geleid tot aangroei van schulden.
Dergelijke nalatigheid heeft eveneens bijgedragen tot de faillietverklaring.
Evenmin kan worden ontkend dat het gebruik van vennootschapsgelden voor de financiering van een dading, die door de bestuurder werd aangegaan met de curator in het kader van een ander faillissement, bijgedragen heeft tot het faillissement.
.
4.10. Het wegmaken van activa na datum van faillietverklaring kwalificeert ook als gebrek aan medewerking met de curator.
Verweerders kunnen niet gevolgd worden waar zij stellen dat het weigeren van medewerking niet kan leiden tot een beroepsverbod “aangezien de vennootschap op het ogenblik van de opmaak van de inventaris reeds in faling is, kan dit gegeven zo bewezen, onmogelijk hebben bijgedragen tot het faillissement.” Krachtens artikel XX.229, §2 WER kan een verbod ook worden opgelegd wanneer verweerders hebben verzuimd de verplichtingen gesteld bij artikel XX.146 WER na te leven en wetens willens naar aanleiding van de aangifte van het faillissement of naderhand naar aanleiding van vragen van de rechter-commissaris of van de curator onjuiste inlichtingen hebben verstrekt.
.
4.11. Op grond van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER voldaan is.
.
4.11.1. De procureur des Konings vordert een verbod van 10 jaar voor eerste verweerder en een verbod van 5 jaar voor tweede verweerster.
.
4.11.2. Verweerders stellen dat geen rekening mag gehouden worden met “voorgaanden”. Dit zou geen verzwarend element kunnen zijn in de beoordeling van het opleggen van een effectief beroepsverbod.
Verder zou “een beroepsverbod […] een onherstelbare persoonlijke en professionele schade veroorzaken voor beide concluanten.”. Zij wijzen ook naar “de economische en sociale impact” die een verbod met zich zal meebrengen.
Eerste verweerder laat gelden dat hij “in de afgelopen periode nooit onder hiërarchisch gezag heeft gewerkt, hetgeen op zich al vrij ingrijpende wijziging met zich mee zou brengen en bovendien is [hij] thans 62 jaar, wat omzeggens uitsluit dat hij ooit nog een reguliere arbeidsplaats zal vinden”. Tweede verweerster acht een effectief beroepsverbod “disproportioneel” aangezien zij “nog nooit faillissementen heeft gehad”.
Ondergeschikt vragen verwerende partijen een “tijdelijk beperkt verbod of een waarschuwing in combinatie met een verplichte vorming of toezicht”.
.
4.11.3. Een verbod bedoeld in artikel XX.229 WER is in de eerste plaats een burgerrechtelijke beveiligingsmaatregel ter bescherming van het economisch weefsel.
Uit de kennelijke grove fouten uit het verleden, kan naar recht afgeleid worden dat de betrokkene ongeschikt is om deel te nemen aan het handelsverkeer en een dermate potentieel gevaar vormt voor een eerlijk handelsverkeer, dat bescherming van dat handelsverkeer zich opdringt.
Het is juist dat na het verstrijken van een beroepsverbod geen enkele garantie bestaat dat de betrokkene vanaf dat ogenblik wél geschikt of betrouwbaar zal zijn of geen gevaar meer zal vormen voor het handelsverkeer. Niettemin mag worden aangenomen dat de betrokkene gedurende de verbodsperiode de gelegenheid aangrijpt om zich bijkomend te vormen of te informeren teneinde herhaling in de toekomst te voorkomen, of dat kan worden verwacht dat deze periode wordt benut om ervaring op te doen onder toezicht of in dienst van derden, dan wel om tot inzicht te komen omtrent het kennelijk grove karakter van het eerdere eigen handelen.
In bijkomende orde heeft een beroepsverbod een sanctionerend karakter waaraan noodzakelijkerwijze een ontradend effect is verbonden.
.
4.11.4. Eerste verweerder kan worden beschouwd als een faillissementsrecidivist die gedurende zijn ondernemersactiviteiten aanzienlijke schade heeft veroorzaakt en daarbij herhaaldelijk heeft aangetoond misbruik te maken van de mogelijkheden en kansen die het handelsverkeer biedt:
– Bij vonnis van [2004] van de rechtbank van koophandel Gent werd eerste verweerder persoonlijk failliet verklaard […] waarbij hij niet-verschoonbaar werd verklaard.
– Bij vonnis van [2017] van de rechtbank van koophandel Gent werd de BV [ABC] failliet verklaard, waarbij eerste verweerder bestuurder was tot [2017]. Er zou een passief zijn van meer dan 500.000,00 EUR, waarvan de ruime meerderheid sociale en fiscale schulden zouden zijn.
– Bij vonnis van [2019] van deze rechtbank werd de BV [LET]), waarvan eerste verweerder bestuurder was, failliet verklaard. Er zou een passief zijn van meer dan 400.000,00 EUR, waarvan de ruime meerderheid sociale en fiscale schulden zouden zijn.
– Bij vonnis van [2023] van deze rechtbank werd de BV [AB GROUP], waarvan eerste verweerder bestuurder was, failliet verklaard. Er is een passief van meer dan 850.000,00 EUR, met meer dan 700.000,00 EUR sociale en fiscale schulden.
– Bij vonnis van [2024] van deze rechtbank werd de BV [MEAT] waarvan eerste verweerder feitelijk bestuurder was, failliet verklaard. Er is een passief van meer dan 550.000,00 EUR, met meer dan 200.000,00 EUR sociale en fiscale schulden.
In tegenstelling tot wat verweerders voorhouden, kan de rechtbank eens zij heeft vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, rekening houden met alle omstandigheden en feiten voor het bepalen van de duurtijd van het verbod. Ook met die feiten die dateren van vóór het concrete faillissement waarin de kennelijk grove fouten werden vastgesteld.
De noodzaak aan bescherming van het handelsverkeer wordt immers gedetermineerd door tal van factoren in hun samenhang beschouwend. Niet enkel de zwaarte van de concrete fout bepaalt de duurtijd van het verbod.
Eerste verweerder is een gevaar voor het eerlijke handelsverkeer. Zijn weerkerende en totale aversie ten aanzien van de fiscale en sociale verplichtingen is manifest. Door zijn handelen ondermijnt hij de eerlijke mededinging en benadeelt hij ondernemers die wel bijdragen tot de publieke middelen en aan hun wettelijke verplichtingen voldoen.
Een effectief verbod van 10 jaar voor eerste verweerder dringt zich op.
Dat eerste verweerder die 62 jaar oud is met een verbod van 10 jaar “omzeggens” nooit meer zal kunnen ondernemen, kan eerste verweerder niet inroepen als een argument in zijn voordeel. Integendeel, het is net die bescherming die de rechtbank met deze maatregel beoogt.
.
4.11.5. Tweede verweerster, echtgenote van eerste verweerder, heeft in meerdere verhoren toegegeven dat zij enkel formeel bestuurder was om het vermeende bestuursverbod van haar echtgenoot te omzeilen. Zulk handelen impliceert meerdere misdrijven en is kwalijk. Ficties creëren om regels en vonnissen te omzeilen, vormt evenzeer een gevaar voor het eerlijke handelsverkeer. Uit de stukken blijkt niet dat tweede verweerster op heden de ernst van de feiten inziet of enige schuldinzicht vertoont. De kans op herhaling acht de rechtbank groot.
Een effectief verbod van 5 jaar voor tweede verweerster is passend.
.
4.12. Waar artikel 279(1), 4°, W.Reg. in een vrijstelling van rolrechten voorziet voor alle zaken die ingeleid worden in het kader van Boek XX WER, met betrekking tot de insolventie van ondernemingen, is er geen aanleiding om in toepassing van artikel 269(2), §1 W.Reg. enige veroordeling tot betaling van rolrechten uit te spreken.
4.13. Alle andere besluiten wijst de rechtbank af als ongegrond of niet ter zake dienend.
.
V. BESLISSING
.
De rechtbank doet recht op tegenspraak en op grond van alle bovenstaande redenen, alle verdere en meer uitgebreide of strijdige conclusies verwerpende als zijnde niet-gegrond of niet ter zake dienend.
De rechtbank verklaart zich bevoegd tot kennisname van de vordering van de procureur des Konings en van mr. [P].:
.
De rechtbank zegt voor recht dat [X] verboden wordt om persoonlijk of door een tussenpersoon, een onderneming uit te baten (artikel XX.229, §1 WER) en verboden wordt om enige taak uit te oefenen die de bevoegdheid inhoudt om een rechtspersoon rechtsgeldig te verbinden (artikel XX.229, §3 en §4 WER) en dit alles voor een termijn van 10 jaar effectief vanaf heden.
De rechtbank zegt voor recht dat [Y] verboden wordt om persoonlijk of door een tussenpersoon, een onderneming uit te baten (artikel XX.229, §1 WER) en verboden wordt om enige taak uit te oefenen die de bevoegdheid inhoudt om een rechtspersoon rechtsgeldig te verbinden (artikel XX.229, §3 en §4 WER) en dit alles voor een termijn van 5 jaar effectief vanaf heden.
De rechtbank verzoekt de griffier om dit vonnis ter kennis te brengen aan de partijen en te zorgen voor publicatie in het Belgisch Staatsblad zoals voorzien in artikel XX.231, laatste alinea WER.
Wijst het anders- of meergevorderde af als ongegrond.
*****
Gewezen op tegenspraak door de tweede kamer van de ondernemingsrechtbank van Gent – afdeling Gent, samengesteld uit: V. Verlaeckt, rechter en voorzitter van de kamer, P. Van Laere en J. De Vlieger, rechters in ondernemingszaken, en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 12 mei 2026 in aanwezigheid van A. Vriendt, griffier.
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060127.1
ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20251223.1
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.13
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.13
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.13 No Rôle: P.26.0593.F Affaire: S. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 108 - dernière vue 2026-05-18 10:24 Version(s): Traduction...