ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.518
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 augustus 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.518 Rolnummer: A. 237526/IX-10147 Zaak: Arrest 260518 - Examens (onderwijs) - 22/08/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-08-29 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-03 20:48 Fiche Arrest nr 260.518 van 22 augustus 2024 Onderwijs...
30 min de lecture · 6,589 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 22 augustus 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.518
Rolnummer:
A. 237526/IX-10147
Zaak:
Arrest 260518 – Examens (onderwijs) – 22/08/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-08-29
Raadplegingen:
97 – laatst gezien 2026-06-03 20:48
Fiche
Arrest nr 260.518 van 22 augustus 2024 Onderwijs en cultuur – Examens
(onderwijs) Beslissing : Verwerping
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.518 no lien 278327 identiques
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
IXe KAMER
nr. 260.518 van 22 augustus 2024
in de zaak A. 237.526/IX-10.147
In zake : Y.B.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marnix Moerman kantoor houdend te 9930 Lievegem Dekenijstraat 30
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de VZW VRIJ KATHOLIEK SECUNDAIR ONDERWIJS
LIEVEGEM
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Fiers kantoor houdend te 9090 Melle Lindestraat 87
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 20 oktober 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Vrij Katholiek Secundair Onderwijs Lievegem van 15 september 2022 waarbij aan verzoeker een oriënteringsattest C wordt toegekend.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Adjunct-auditeur Daniël Plas heeft een verslag opgesteld.
IX-10.147-1/25
De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 juni 2024.
Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Marnix Moerman, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fiers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Adjunct-auditeur Daniël Plas, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is in het schooljaar 2020-2021 ingeschreven als leerling in het tweede jaar van de derde graad van de richting ‘Moderne talen –
wetenschappen’ van het Instituut Sint-Lutgardis te Lievegem, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is.
Verzoekers eindrapport vermeldt dertien vakken en één talentenmodule. Verzoeker behaalt een jaartekort voor zeven vakken: godsdienst (45,3%), wiskunde (19,8%), chemie (37,5%), fysica (38,8%), Nederlands (46,8%), Duits (47%) en Frans (44,4%).
De delibererende klassenraad kent aan verzoeker een oriënteringsattest C toe. De klassenraad adviseert om met het CLB contact op te
IX-10.147-2/25
nemen om een heroriëntering te bekijken en eventueel een alternatief traject uit te stippelen.
3.2. In het schooljaar 2021-2022 doet verzoeker het jaar over binnen een individueel aangepast programma, waarbij hij enkel nog de vakken moet volgen waarvoor hij niet slaagde. Het rapport op het einde van dat schooljaar toont twee jaartekorten: fysica (43,2%) en wiskunde (45,7%).
De delibererende klassenraad kent opnieuw een oriënteringsattest C toe.
3.3. Het overleg met de directeur leidt tot een nieuwe bijeenkomst van de klassenraad op 29 augustus 2022, waarbij het C-attest wordt bevestigd.
3.4. Op 31 augustus 2022 tekent verzoeker beroep aan bij de beroepscommissie van de school. Hierin worden vijf grieven uiteengezet: (i) het C-attest is disproportioneel, (ii) er werd geen of onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke eigenschappen en interesses van verzoeker, (iii) het is minstens disproportioneel om geen bijkomende proeven af te leggen, (iv) het C-attest is gebrekkig gemotiveerd en (v) beweringen van de deliberatiebeslissing worden door niets ondersteund.
3.5. De hoorzitting van de beroepscommissie vindt plaats op 13 september 2022. De beroepscommissie beslist om aan verzoeker een oriënteringsattest C toe te kennen. De motivering hierbij luidt:
“De beroepscommissie onderzoekt de ontvankelijkheid van het beroep, en beoordeelt het beroep als ontvankelijk. Inhoudelijk geeft de beroepscommissie de argumentatie van de raadsman van [verzoeker]
voorlopig het voordeel van de twijfel en neemt het volledige dossier opnieuw door, met het oog op het nemen van een nieuwe beslissing. De commissie vraagt volgende documenten op: het eindrapport, stavingsstukken van de vakleerkrachten en documenten uit het leerlingvolgsysteem. De beroepscommissie doet aldus de deliberatie opnieuw op basis van het volledige dossier, het verslag van de hoorzitting en de bijkomende opgevraagde informatie.
IX-10.147-3/25
De beroepscommissie stelt vast dat [verzoeker] in het schooljaar 2021-2022 alleen de vakken waarvoor hij een tekort had in het voorgaande schooljaar moest herkansen. Hierdoor kreeg hij meer tijd, ruimte en studietijd om zich te focussen op de resterende vakken.
De beroepscommissie heeft de stavingsstukken van de leerkrachten fysica en wiskunde grondig bekeken en bevestigt dat dit gaat om ernstige tekorten voor vakken van de basisvorming en specifieke vorming. De beroepscommissie constateert bovendien dat er onvoldoende gebruik gemaakt is van de aangeboden remediëring voor beide vakken, zoals die beschikbaar is voor alle leerlingen die hier nood aan hebben.
De commissie is daarenboven nagegaan in welke mate [verzoeker]
ondersteuning kreeg voor zijn leerstoornissen (zie documenten leerlingenvolgsysteem). De commissie is van oordeel dat de school meer dan voldoende inspanningen gedaan heeft om [verzoeker] te ondersteunen.
Er zijn daarnaast ook vanuit het brede onderwijsveld voldoende alternatieven aangereikt vanuit de school om toch het diploma secundair onderwijs te halen waardoor [verzoeker] toegang kon krijgen tot de politieschool. [Verzoeker] koos toch voor deze richting, voor zijn vertrouwde omgeving en vrienden, omdat hij dacht dat hij het wel zou kunnen. De beroepscommissie merkt op dat de klassenraad in het verleden herhaaldelijk het advies heeft gegeven tot heroriëntering – in samenspraak met het vCLB – naar studierichtingen met reële slaagkansen, om [verzoeker] zijn droom, politieschool, te realiseren. Ook op deze school zelf waren er overigens alternatieven om het diploma secundair onderwijs te halen.
De beroepscommissie concludeert dat er voldoende objectieve evaluatiegegevens zijn om niet in te gaan op de aanvraag voor bijkomende proeven. De commissie steunt zich hiervoor op de verslagen van beide vakleerkrachten, die als bijlagen zijn opgenomen bij onderstaande beslissing.
De beroepscommissie komt na grondig onderzoek tot volgende uitspraak:
C-attest.”
Dat is de bestreden beslissing.
IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
Standpunt van de verzoekende partij
4.1. In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de memorie van antwoord en het administratief dossier laattijdig zijn neergelegd, zodat de memorie van antwoord uit het debat moet worden geweerd en verzoekers aanspraken, overeenkomstig artikel 21, derde lid, RvS-wet, geacht moeten worden bewezen te zijn.
IX-10.147-4/25
4.2. In zijn laatste memorie zet verzoeker omstandig uiteen waarom een eerste betekening van het verzoekschrift met een brief van 8 november 2022
(aan het adres van de school, niet aan de zetel van het schoolbestuur) rechtsgeldig is en de zestigdagentermijn voor het indienen van de memorie van antwoord en het administratief dossier doet ingaan. Een tweede betekening met een brief van 14 december 2022 is volgens verzoeker a fortiori rechtsgeldig, aangezien het ontvangstbewijs door een aangestelde van de verwerende partij werd ondertekend.
Verzoeker wijst erop dat het adres van de school in de Kruispuntbank van Ondernemingen als een vestigingseenheid is vermeld en dat dit ook het enige adres is dat tijdens de interne procedure werd gebruikt.
Beoordeling
5.1. Het algemeen procedurereglement bevat strikt genomen geen uitdrukkelijke bepaling die voorschrijft op welke plaats de verzending van de procedurestukken, betekeningen, kennisgevingen en oproepingen ten aanzien van de administratieve overheden dient te geschieden. Daarbij moet worden opgemerkt dat Belgische administratieve overheden overeenkomstig artikel 84, § 2, van dat reglement niet ertoe gehouden zijn in hun eerste processtuk woonplaats te kiezen.
Dat betekent dat die overheden, behoudens een uitdrukkelijke woonplaatskeuze op een ander adres of een andersluidende wetskrachtige bepaling, geacht worden de aan hen gerichte betekeningen, kennisgevingen en oproepingen te ontvangen op het adres waar hun zetel is gevestigd.
5.2. Bovendien luidde artikel 2, § 1, van het algemeen procedurereglement vóór de wijziging door het koninklijk besluit van 25 april 2007 ‘tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ dat in het verzoekschrift opgave moest worden gedaan van “de namen en de woning of zetel van de tegenpartij”. Uit de wijziging van de vóórmelde bepaling naar “de naam en het adres van de verwerende partij” kan niet worden afgeleid dat de regelgever een andere aanwijzing beoogde dan de zetel van de verwerende partij. Daaruit blijkt
IX-10.147-5/25
dat het adres van de zetel van de rechtspersoon van belang is voor de afwikkeling van de procedure.
5.3. Per analogie kan worden verwezen naar de artikelen 34 en 35
van het Gerechtelijk Wetboek.
Naar luid van voormeld artikel 34 wordt de betekening aan een rechtspersoon geacht aan de persoon te zijn gedaan wanneer het afschrift van de akte ter hand is gesteld aan het orgaan dat of de aangestelde die krachtens de wet, de statuten of een regelmatige opdracht bevoegd is om de rechtspersoon, zelfs samen met anderen, in rechte te vertegenwoordigen. Het aan de Raad van State terugbezorgde bewijs van ontvangst van de aangetekende zending van 8 november 2022 toont aan dat die zending door de postdiensten niet is uitgereikt en dus niet aan een aangestelde van de verwerende partij zoals bedoeld in artikel 34 van het Gerechtelijk Wetboek ter hand is gesteld.
Krachtens artikel 35 van het Gerechtelijk Wetboek geschiedt de betekening, indien ze niet aan de persoon kan worden gedaan, aan de “maatschappelijke of de administratieve zetel” van de rechtspersoon, waarbij het afschrift van de akte ter hand wordt gesteld aan een “dienstbode of aangestelde”
van de geadresseerde.
5.4. De Raad besluit uit wat voorafgaat dat de betekeningen aan de verwerende partij in casu dienden te gebeuren aan het adres waar haar zetel is gevestigd. Een vestigingseenheid is te onderscheiden van de zetel van de rechtspersoon.
6. Een eerste betekening van het verzoekschrift is geschied op 8 november 2022. Die brief was gericht aan het adres ‘Dreef 47’ te Lievegem. Met een akte van 29 juni 2021, neergelegd op de griffie van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent op 10 maart 2022, heeft de verwerende partij haar zetel evenwel gewijzigd naar het adres ‘Luitenant Dobbelaerestraat 16’ te Lievegem. De aangetekende zending, die niet in ontvangst is genomen en door de postdiensten
IX-10.147-6/25
werd teruggezonden met de vermelding “adres onvolledig/onjuist”, kan niet als een rechtsgeldige betekening worden beschouwd.
Een tweede aangetekend schrijven werd op 14 december 2022
verzonden aan hetzelfde adres ‘Dreef 47’. Het feit dat deze zending wél in ontvangst werd genomen, doet geen afbreuk aan het feit dat ze niet aan de zetel van de verwerende partij werd gezonden en dat de handtekening onleesbaar is, en ze dus geen rechtsgeldige betekening uitmaakt. Dat schrijven heeft bijgevolg evenmin de in artikel 6, § 2, van het algemeen procedurereglement bedoelde zestigdagentermijn doen ingaan.
Het verzoekschrift is vervolgens met een aangetekend schrijven van 31 mei 2023 betekend aan de zetel van de verwerende partij. Die zending werd door de postdiensten uitgereikt op 1 juni 2023. Dat betekent dat de termijn voor het indienen van de memorie van antwoord en het administratief dossier is ingegaan op (vrijdag) 2 juni 2023 om te eindigen op (maandag) 31 juli 2023. De verwerende partij heeft de memorie van antwoord en het administratief dossier op 31 juli 2023
– en dus tijdig – voor aangetekende zending ter post aangeboden.
Dat de school en de beroepscommissie in hun briefwisseling een ander correspondentieadres vermeldden, doet aan het voorgaande geen afbreuk.
7. De memorie van antwoord van de verwerende partij wordt niet uit het debat geweerd en er is geen reden om toepassing te maken van artikel 21, derde lid, RvS-wet – waaraan verzoeker overigens een verkeerde draagwijdte geeft.
V. Ontvankelijkheid – belang
Uiteenzetting van de exceptie
8. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat verzoeker gelet op het tijdsverloop “wellicht geen belang meer” heeft bij de
IX-10.147-7/25
vernietiging van de bestreden beslissing en dat verzoeker een andere procedure had moeten instellen.
In haar laatste memorie stelt de verwerende partij ter zake nog:
“Verzoeker heeft wellicht toch geen belang meer bij de vernietiging van de bestreden beslissing, gezien het tijdsverloop. Hoewel het tijdsverloop, omwille van de hierboven aangehaalde problematiek van de betekening, an sich geen voldoende argument hoeft te zijn, heeft verzoeker op geen enkele wijze de andere mogelijkheden benut om intussen studievoortgang te boeken en gebruik te maken van de mogelijkheden die hem door verweerder herhaaldelijk waren aangereikt, zoals via het volwassenenonderwijs, wat beter bij zijn profiel zou hebben gepast. In die zin heeft verweerder [bedoeld wordt: verzoeker] zich genesteld in deze positie, om eigenlijk kunstmatig zijn belang te kunnen aanhouden. Dat hij zich intussen niet heeft kunnen aanmelden in de politieschool, is dan ook in zeer belangrijke mate aan hemzelf te wijten. De beslissing van de beroepscommissie staat hier in zekere [zin] intussen helemaal los van.”
Beoordeling
9. De voorwaardelijke wijs die de verwerende partij hanteert bij het formuleren van de exceptie (“wellicht”, “in zekere [zin]”) geeft de indruk dat zij zelf twijfelt aan de overtuigingskracht van haar betoog.
Die twijfel is terecht. Een leerling ontleent aan het verlies van een schooljaar dat met het niet-geslaagd verklaren gepaard gaat, een gekwalificeerd moreel belang dat het rechtens vereiste belang bij een beroep tot nietigverklaring in beginsel blijft schragen.
De verwerende partij brengt met haar zeer summier uiteengezette exceptie geen gegevens bij die de Raad van State in casu tot een andere beoordeling zouden kunnen brengen.
10. De exceptie wordt verworpen.
IX-10.147-8/25
VI. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
11. In een eerste middel beroept verzoeker zich op een schending van artikel 123/15, § 4, van de Codex Secundair Onderwijs en artikel 3.6.4, randnummer 3, derde lid, van het schoolreglement. Hij voert aan dat de beslissing van de beroepscommissie, met miskenning van die voorschriften, niet uiterlijk op 15 september is meegedeeld. De bestreden beslissing is daarom, volgens verzoeker, onwettig.
Verzoeker voegt daaraan nog toe dat de beroepscommissie, in strijd met artikel 35 van het decreet van 26 maart 2004 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’, heeft nagelaten om de beroepsmodaliteiten te vermelden.
Beoordeling
12. Het door verzoeker als rechtsgrond aangewezen decreet van 26 maart 2004 is krachtens artikel IV.273, 4°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 met ingang van 1 januari 2019 opgeheven. Voor zover het middel aldus steunt op een onbestaande bepaling, is het onontvankelijk.
Bovendien heeft het niet-vermelden van de beroepsmogelijkheden niet de onwettigheid van de bestreden beslissing tot gevolg.
13. Wat de datum van de kennisgeving van de bestreden beslissing betreft, kan het volgende worden vastgesteld.
Artikel 123/15, § 4, van de Codex Secundair Onderwijs luidt:
IX-10.147-9/25
“Het resultaat van het beroep wordt aan de betrokken personen schriftelijk ter kennis gebracht hetzij uiterlijk op 15 september, hetzij – doch uitsluitend voor een opleiding die op 31 januari eindigt – uiterlijk op 15
maart daaropvolgend.”
Artikel 3.6.4, randnummer 3, derde lid, van het schoolreglement bepaalt in dezelfde zin:
“[…] De voorzitter van de beroepscommissie zal de gemotiveerde beslissing binnen een redelijke termijn en ten laatste op 15 september van het daaropvolgende schooljaar met een aangetekende brief aan je ouders meedelen.”
14. Zoals de Raad van State al meermaals heeft overwogen, heeft de decreetgever aan de overschrijding van de datum van 15 september geen gevolg gehecht. Nergens is in de regelgeving te lezen dat het verzuim om uiterlijk op 15 september de beslissing mee te delen ertoe leidt dat de beroepscommissie haar bevoegdheid verliest – zodat enkel de klassenraadbeslissing overeind blijft – of dat het beroep geacht moet worden te zijn ingewilligd. De termijn is bijgevolg een termijn van orde. Hetzelfde geldt voor de vóórmelde bepaling in het schoolreglement.
Waar die vaststelling al volstaat om het middel niet gegrond te verklaren, kan daaraan nog worden toegevoegd dat het belang van verzoeker bij dit middel onbestaande is. Indien immers moet worden aangenomen dat de verwerende partij ná het laten voorbijgaan van 15 september zonder bevoegdheid valt, is elke kans om nog een diploma te verkrijgen aan verzoeker ontnomen.
15. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
IX-10.147-10/25
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
16. Verzoeker beroept zich in een tweede middel op een schending van “artikel 123/17, § 2, derde lid, 4° van de Codex voor Secundair Onderwijs”.
Verzoeker voert aan dat T.B. stemgerechtigd lid was van de delibererende klassenraad en van de beroepscommissie, en dat zij daarom door de beroepscommissie niet mocht worden “gehoord”. Bovendien, zo stelt verzoeker, steunt de bestreden beslissing op een schriftelijke verklaring van T.B. die is opgesteld een dag ná de beraadslaging van de beroepscommissie.
17. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker dat uit de vóórmelde bepaling van de Codex Secundair Onderwijs “ondubbelzinnig” volgt dat een lid van de beroepscommissie omwille van een belangenconflict niet door diezelfde beroepscommissie mag worden gehoord.
Beoordeling
18. Artikel 123/17, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
“In het secundair onderwijs bepaalt het school- of centrumbestuur of zijn afgevaardigde de samenstelling van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
1° […]
2° de samenstelling is als volgt: enerzijds ‘interne leden’, zijnde leden van de klassenraad, waaronder alleszins de voorzitter van de klassenraad, die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen, en eventueel een lid van het school- of centrumbestuur; anderzijds ‘externe leden’, zijnde personen die extern zijn aan het school- of centrumbestuur en aan de school of het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betwiste evaluatiebeslissing is genomen.
[…]
In het secundair onderwijs bepaalt het school- of centrumbestuur de werking, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met inachtneming van volgende bepalingen:
[…]
IX-10.147-11/25
4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen; onder ‘stappen’ kan onder meer worden verstaan:
a) het horen van een of meer stemgerechtigde leden van de klassenraad, voor zover niet opgenomen in het eerste lid, 2°, hiervoor, die de betwiste evaluatiebeslissing, heeft genomen;
b) het horen van een of meer raadgevende leden van de klassenraad die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen.”
19. Het is niet betwist dat T.B. als vakleerkracht fysica deel uitmaakte van de delibererende klassenraad en als ‘intern lid’ in de beroepscommissie zetelde.
20. Omtrent de rol die de leden van de delibererende klassenraad die ook van de beroepscommissie deel uitmaken te spelen hebben, heeft de Raad van State in arrest nr. 239.229 van 27 september 2017 het volgende overwogen:
“De decreetgever is bijgevolg niet zo ver willen gaan om de leden van de klassenraad volledig uit te schakelen in de beroepsprocedure; hij ‘acht een volledig externe beroepscommissie niet wenselijk’ omdat zulks ‘de afstand tot de leerling’ te groot zou maken (verklaring van de minister van Onderwijs, Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2421/6, 12). Dat de commissie die van het beroep kennis neemt leden van de klassenraad kan horen volstaat voor de decreetgever niet. Er moeten luidens artikel 123/17, § 2, eerste lid, 2°, VCSO ‘leden van de klassenraad, waaronder alleszins de voorzitter van de klassenraad’ als interne leden bij betrokken worden. Het zijn zij die de leerling en zijn dossier meer van nabij kennen en die, ja ook, de bestreden beslissing kunnen duiden en – onvermijdelijk – zelfs mogen verdedigen bij de externe leden. Deze werkwijze beoogt ‘een evenwicht tussen respect voor de klassenraad en herstelgericht werken’ (ibidem).”
De bedenking – die de Raad van State ook hier maakt – dat de leden van de delibererende klassenraad die in de beroepscommissie zetelen de bestreden beslissing kunnen duiden en verdedigen, houdt in dat zij, bijvoorbeeld specifiek wat het door hen onderwezen vak betreft, aan de beroepscommissie nadere toelichting kunnen verschaffen. Het valt niet in te zien waarom die toelichting niet schriftelijk zou kunnen gebeuren. In die zin kunnen zij wel degelijk door de beroepscommissie worden “gehoord”.
IX-10.147-12/25
Anders dan verzoeker het ziet, is de Raad van State van oordeel dat uit het aangehaalde artikel 123/17, § 2, tweede lid, 4°, van de Codex Secundair Onderwijs niet volgt dat enkel díé leden van de delibererende klassenraad kunnen worden gehoord die van de beroepscommissie géén deel uitmaken, maar integendeel dat de beroepscommissie die personen óók kan horen indien zij daartoe aanleiding ziet.
21. Wat betreft de vraag of de bestreden beslissing aan de vóórmelde toelichting is voorafgegaan, wordt verwezen naar de beoordeling van het derde middel.
22. Het tweede middel wordt verworpen.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
23. Verzoeker voert in een derde middel aan dat als bijlage bij de bestreden beslissing verslagen van leerkrachten zijn toegevoegd die 14 september 2022 zijn gedateerd en dus tot stand zijn gekomen ná de bestreden beslissing, die op 13 september 2022 werd genomen. Aldus, zo stelt verzoeker, zijn er a posteriori nog stukken aan het dossier toegevoegd waardoor de bestreden beslissing onwettig, minstens met miskenning van de rechten van verdediging, tot stand is gekomen.
24. In zijn laatste memorie doet verzoeker nog gelden dat uit de vermelding van de datum “15 september 2022” onderaan de bestreden beslissing niet kan worden afgeleid dat ze niet op 13 september 2022 werd genomen, aangezien die datum bovenaan de beslissing is vermeld.
IX-10.147-13/25
Beoordeling
25. Vast staat dat de hoorzitting van de beroepscommissie plaatsvond op 13 september 2022. Van die hoorzitting is ook een verslag opgesteld, dat het opschrift “Verslag Beroepscommissie [verzoeker] – 13/9/2022”
draagt.
De bestreden beslissing verwijst uitdrukkelijk naar de stavingsstukken van de leerkrachten fysica en wiskunde, die beide 14 september 2022 zijn gedateerd en waarin wordt uiteengezet welke leerplandoelstellingen door verzoeker niet werden behaald. Waar de beroepscommissie na die verwijzing “bevestigt dat dit gaat om ernstige tekorten voor vakken van de basisvorming en specifieke vorming”, geeft de beroepscommissie er blijk van die stukken bij haar beraadslaging te hebben betrokken, wat betekent dat zij pas ná de kennisname ervan tot de bestreden beslissing is gekomen.
26. In het licht daarvan is de Raad van State van oordeel dat de vermelding “Deliberatie Beroepscommissie [verzoeker] – 13/9/2022” bovenaan de bestreden beslissing wat de datum betreft een materiële vergissing is. Aangenomen wordt dat de beroepscommissie, zoals onderaan de bestreden beslissing is vermeld, op 15 september 2022 tot haar oordeel is gekomen – wat ook de datum is van de brief waarmee de beslissing aan verzoeker is meegedeeld.
27. Voor zover verzoeker in het middel betoogt dat de verslagen van de vakleerkrachten zijn opgesteld nadat de beroepscommissie tot haar beslissing was gekomen, wordt hij niet bijgevallen.
28. In de mate dat verzoeker wil aanvoeren dat de vóórmelde verslagen niet aan een tegensprekelijk debat zijn onderworpen en hij zich daarover niet heeft kunnen uitspreken, overweegt de Raad van State het volgende.
IX-10.147-14/25
De rechten van verdediging zijn, gelet op een in deze zaak niet bestaand andersluidend voorschrift, niet van toepassing op de evaluatie van een leerling.
Het middel, dat uitgaat van de tegenovergestelde opvatting, faalt in die mate naar recht.
Voorts beslist de beroepscommissie autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen, om over het al dan niet slagen van de leerling te oordelen. Zij beschikt daarbij ook over eigen onderzoeksbevoegdheden. Stukken die de beroepscommissie toevoegt aan het dossier – stukken die zij heeft opgevraagd bij de leden van de klassenraad of die zij zelf heeft uitgewerkt – zijn bijgevolg geen stukken die vanuit het oogpunt van haar beslissing post factum zijn opgesteld.
De door de beroepscommissie op grond van artikel 123/17, § 2, van de Codex Secundair Onderwijs na te leven hoorplicht houdt niet in dat die stukken aan de leerling ter kennis moeten worden gebracht of dat de leerling daarover standpunt moet kunnen innemen, alvorens de beroepscommissie tot haar beslissing komt.
Ook in dat opzicht faalt het middel.
29. Het middel wordt verworpen.
D. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
30. Verzoeker beroept zich in een vierde middel op een schending van “de (formele en materiële) motiveringsplicht”, de wet van 29 juli 1991
‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, artikel 5, § 8, van “het Decreet van 22.07.2002 (Besluit van de Vlaamse regering betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs)”, artikel 115/6 van de Codex
IX-10.147-15/25
Secundair Onderwijs, “het APR”, artikel 3.6.3 van het schoolreglement, het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
31. Verzoeker stelt in een eerste middelonderdeel dat een beslissing formeel en materieel moet zijn gemotiveerd. Hij verwijst naar “de formele en materiële motiveringsplicht volgens de beginselen van behoorlijk bestuur en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen”, naar “het Decreet van 22.08.2002”, artikel 5, § 8, van “het Decreet van 22.07.2002 (Besluit van de Vlaamse regering betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs)”, naar artikel 115/6 van de Codex Secundair Onderwijs, naar “de formele motiveringsplicht volgens het APR nr. 3”
waarvan hij een passage aanhaalt en naar artikel 3.6.3 van het schoolreglement.
32. In een tweede middelonderdeel betoogt verzoeker dat geen rekening wordt gehouden met het behaalde eindtotaal en dat niet wordt gemotiveerd waarom de tekorten ‘ernstig’ zijn. De beroepscommissie heeft volgens verzoeker enkel oog voor “de twee (minimale) tekorten” en houdt geen rekening met het volledige dossier.
Verzoeker argumenteert, aan de hand van het jaarcijfer van 58,2%, dat hij “over het algemeen mathematisch met vrucht geslaagd” is en dat niet werd onderzocht of hij bekwaam is om zijn diploma te behalen. Volgens verzoeker heeft de door de beroepscommissie gehanteerde “cijfermatige logica”
tot gevolg dat het behaalde overschot op het eindtotaal “zéér groot” is, een argument dat de beroepscommissie negeert. De minimale tekorten rechtvaardigen volgens verzoeker niet het toegekende C-attest, zodat de bestreden beslissing disproportioneel en onredelijk is.
Verzoeker leest in de bestreden beslissing geen antwoord op zijn argumenten. Ter zake stipt verzoeker aan dat zijn resultaten tegenover het vorige schooljaar aanzienlijk zijn verbeterd (wiskunde van 19,8% naar 45,7% en fysica van 38,8% naar 43,2%) en dat er thans niet meer van ernstige tekorten kan worden gesproken. Tot slot betoogt verzoeker dat hij ook voor de taalvakken een grote
IX-10.147-16/25
vooruitgang boekte en dat de inspanningen daarvoor – omwille van zijn leerstoornissen – mogelijk “kleine consequenties” hebben gehad voor wiskunde en fysica.
33. In een derde middelonderdeel verwijt verzoeker de bestreden beslissing dat ze geen motieven bevat met betrekking tot de doelstellingen of eindtermen die hij niet zou hebben gehaald. Het volstaat in dat opzicht voor verzoeker niet om verklaringen van leerkrachten op te nemen als bijlage, eensdeels omdat niet blijkt dat de beroepscommissie verzoekers merites en bekwaamheden zelf heeft afgetoetst en anderdeels omdat de vóórmelde verklaringen niet alle leerdoelstellingen bevatten, maar enkel die welke door verzoeker niet werden behaald. Het is aldus voor verzoeker niet duidelijk welke essentiële doelstellingen niet werden behaald en waarom dat een C-attest verantwoordt.
34. In een vierde middelonderdeel voert verzoeker aan dat artikel 3.6.1 van het schoolreglement voorschrijft dat de delibererende klassenraad zijn beslissing steunt op drie parameters: (i) de resultaten die in de loop van het schooljaar werden behaald, (ii) beslissingen, vaststellingen en adviezen van de begeleidende klassenraad doorheen het schooljaar en (iii) de mogelijkheden voor de verdere studie- en beroepsloopbaan. Wat dit laatste betreft, ontbreekt volgens verzoeker elke overweging en dus elke prospectieve benadering. Verzoeker haalt aan dat de school op de hoogte was van zijn wens om zich in de politieschool in te schrijven en stelt vast dat geen motieven worden opgegeven waarom verzoeker de daartoe noodzakelijke capaciteiten niet zou bezitten.
35. Verzoeker betoogt in een vijfde middelonderdeel dat de bestreden beslissing geen melding maakt van zijn inzet, motivatie of studiehouding. Ook om die reden acht verzoeker die beslissing ondeugdelijk gemotiveerd.
36. In een zesde middelonderdeel betwist verzoeker de overweging dat er voldoende objectieve evaluatiegegevens voorliggen om niet op het verzoek om bijkomende proeven in te gaan. Het is voor verzoeker niet ernstig dat bijkomende proeven worden afgewezen enkel omdat hij niet geslaagd is; die
IX-10.147-17/25
proeven dienen volgens verzoeker immers precies om de niet-geslaagde leerling een bijkomende kans te geven.
Overigens, zo stelt verzoeker, waren er wel degelijk elementen in het leerlingendossier aanwezig om bijkomende proeven toe te staan. Hij wijst er ter zake op dat hij in het eerste semester voor fysica wel een voldoende behaalde, alsook voor dagelijks werk in het tweede semester, waaruit verzoeker afleidt dat hij het enkel moeilijker had met het eindexamen. Wat wiskunde betreft, wijst verzoeker erop dat het tekort “uiterst beperkt” was en de resultaten aanzienlijk beter waren dan in het voorgaande schooljaar.
Beoordeling
a. eerste middelonderdeel
37. Krachtens artikel 2, § 1, eerste lid, 3°, van het algemeen procedurereglement bevat het verzoekschrift een uiteenzetting van de middelen.
Een middel(onderdeel) bestaat niet enkel uit de aanwijzing of omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel(s), maar ook uit een uiteenzetting van de wijze waarop die regel door de bestreden beslissing concreet zou zijn geschonden.
Nog daargelaten dat de Raad geen ‘decreet’ van 22 juli of 22 augustus 2002 in verband met het secundair onderwijs bekend is en dat het wellicht bedoelde artikel 5, § 8, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ (‘organisatiebesluit’) – net zoals overigens artikel 115/6 van de Codex Secundair Onderwijs en artikel 3.6.3 van het schoolreglement – geen betrekking heeft op de beroepscommissie, moet worden vastgesteld dat verzoeker in het eerste middelonderdeel niet verder komt dan het aanwijzen van een aantal rechtsregels, zonder uiteen te zetten hoe of waarom zij door de bestreden beslissing zouden zijn geschonden.
IX-10.147-18/25
Voor zover verzoeker met de verwijzing naar “het APR nr. 3”
zou doelen op de ‘Algemene Pedagogische Reglementering nr. 3 voor het voltijds secundair onderwijs’ van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, wijst de Raad van State bovendien erop dat de partijen deze tekst niet voorleggen zodat de Raad de authenticiteit van de door verzoeker aangehaalde passage niet kan nagaan en dat, hoe dan ook, verzoeker niet aantoont dat die tekst een reglementaire strekking heeft die door de beroepscommissie moet worden nageleefd.
38. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.
b. tweede middelonderdeel
39.1. De beroepscommissie geeft uitdrukkelijk aan dat zij voor haar eigen deliberatiebeslissing acht slaat op het volledige dossier, met inbegrip van het eindrapport. Anders dan verzoeker aanvoert, beperkt de beroepscommissie zich er vervolgens niet toe vast te stellen dat er twee cijfermatige tekorten zijn. Zij stipt immers aan dat de tekorten voor wiskunde en fysica ernstig zijn en dat het gaat om vakken van de basisvorming en de specifieke vorming – waarmee de beroepscommissie aangeeft dat verzoeker, spijts de ruimte die hij in het individueel aangepast studieprogramma kreeg, voor twee vakken een ernstig tekort behaalde.
De jaarcijfers per vak moeten worden geacht een representatief beeld te geven van de kennis, de vaardigheden en, voor zover opgenomen in het leerplan, de attitudes van de leerling. Aangenomen moet worden dat een jaarcijfer in beginsel een geldige en betrouwbare weergave is van het relatieve belang dat moet worden gegeven aan dagelijks werk en aan de verwerking van grotere gehelen tijdens de examenperiode en aan de verschillende onderdelen van de leerstof die voor het desbetreffende vak in de loop van het jaar aan bod is gekomen en dat het om die reden ook betekenisvol is om later studiesucces te voorspellen.
De beroepscommissie gaat de grenzen van de redelijkheid niet te buiten wanneer zij jaartekorten van 43,2% (fysica) en 45,7% (wiskunde) ernstig noemt. Het gegeven dat verzoeker voor beide vakken (aanzienlijk) beter scoort dan
IX-10.147-19/25
in het voorgaande schooljaar, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat er nog steeds jaartekorten voorliggen.
39.2. Verzoeker verwijst met nadruk naar het ‘eindtotaal’ en stelt dat hij met een jaarcijfer van 58,2% “over het algemeen mathematisch met vrucht geslaagd” is. Daargelaten de bedenking of verzoeker met een algemeen jaarcijfer van 58,2% kan bogen op een “zeer groot overschot”, kan aan dat jaarcijfer niet dezelfde betekenis worden gegeven als aan het jaarcijfer voor een vak. Zoals verzoekers resultaten aantonen, kunnen achter een jaartotaal van meer dan 50%
immers verschillende tekorten voor (profielbepalende) vakken schuilen, die de toekenning van een C-attest kunnen wettigen.
Het argument dat verzoekers inspanningen voor de taalvakken een invloed hebben gehad op de resultaten voor wiskunde en fysica blijkt niet aan de beroepscommissie te zijn voorgelegd; verzoeker kan de beroepscommissie dan ook niet verwijten daarop niet te zijn ingegaan. In de huidige procedure blijft verzoeker bij loutere beweringen.
40. Ten onrechte betoogt verzoeker dat de beroepscommissie met geen enkel ander element rekening heeft gehouden. Niet alleen geeft de beroepscommissie aan dat zij rekening houdt met het volledige dossier, de uiteenzetting op de hoorzitting en de bijkomend opgevraagde informatie, zij overweegt ook uitdrukkelijk dat verzoeker tijdens het schooljaar voldoende ondersteuning heeft gekregen voor zijn leerstoornissen.
41. Een schending van de door verzoeker aangevoerde rechtsregels is niet aangetoond. Het tweede middelonderdeel is ongegrond.
c. derde middelonderdeel
42. De beroepscommissie overweegt uitdrukkelijk dat zij haar beslissing steunt op de bijkomende informatie die zij bij de vakleerkrachten wiskunde en fysica heeft opgevraagd en zij verwijst expliciet naar die stukken. De
IX-10.147-20/25
beroepscommissie komt vervolgens tot de eigen beoordeling dat het gaat “om ernstige tekorten voor vakken van de basisvorming en specifieke vorming”.
Verzoekers stelling dat niet blijkt dat de beroepscommissie de merites en bekwaamheden zelf heeft afgetoetst, overtuigt niet.
In de vóórmelde toelichting van beide vakleerkrachten is concreet aangegeven welke leerplandoelstellingen verzoeker niet heeft behaald.
Dat zijn er zes voor wiskunde en vijftien voor fysica, wat door verzoeker niet wordt betwist. De beroepscommissie heeft die vaststelling tot de hare gemaakt. Het is in het licht van de formelemotiveringsplicht niet vereist dat de beroepscommissie de niet-behaalde leerplandoelstellingen voor elk vak opsomt binnen het integrale leerplan.
43. Het derde middelonderdeel is niet gegrond.
d. vierde middelonderdeel
44. Het door verzoeker ingeroepen artikel 3.6.1 van het schoolreglement luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
“Op het einde van het schooljaar is het de delibererende klassenraad die beslist:
of je al dan niet geslaagd bent;
welk oriënteringsattest of studiebewijs je krijgt.
Hij steunt zich bij zijn beslissing:
op de resultaten die je in de loop van het schooljaar hebt behaald;
op beslissingen, vaststellingen en adviezen van de begeleidende klassenraad doorheen het schooljaar;
op de mogelijkheden voor je verdere studie- en beroepsloopbaan.”
45. Aangenomen dat deze bepaling, die zich enkel richt tot de delibererende klassenraad, ook op de beroepscommissie van toepassing is, moet worden aangestipt dat artikel 38, 3°, van het organisatiebesluit voorschrijft dat een leerling met vrucht beëindigt:
“het tweede leerjaar van de derde graad van het algemeen, het technisch of het kunstsecundair onderwijs, indien hij in voldoende mate de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.518 IX-10.147-21/25
doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar en bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs.”
Krachtens deze bepaling, die in de hiërarchie der normen voorgaat op het schoolreglement, moet het delibererend orgaan eerst nagaan of de leerling de leerplandoelstellingen van het voorbije jaar in voldoende mate heeft bereikt, vooraleer – prospectief – andere conclusies kunnen worden getrokken.
Te dezen heeft de beroepscommissie vastgesteld dat verzoeker de leerplandoelstellingen níét in voldoende mate heeft bereikt. Een volgende vraag met betrekking tot de verdere studie- of beroepsloopbaan, komt bijgevolg niet aan de orde. Dat de school casu quo de beroepscommissie werd geïnformeerd over de verdere studieplannen van de leerling, doet daaraan geen afbreuk.
46. Het vierde middelonderdeel wordt verworpen.
e. vijfde middelonderdeel
47. De beroepscommissie overweegt dat verzoeker onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de aangeboden remediëring voor wiskunde en fysica.
Het verwijt dat de beroepscommissie de inzet, motivatie of studiehouding van verzoeker onbesproken laat, mist derhalve feitelijke grondslag.
48. Het vijfde middelonderdeel is ongegrond.
f. zesde middelonderdeel
49. In een zesde middelonderdeel voert verzoeker aan dat hem ten onrechte geen bijkomende proeven werden toegestaan.
In tegenstelling tot wat verzoeker betoogt, dienen bijkomende proeven in beginsel níét om een niet-geslaagde leerling een “bijkomende kans” te ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.518 IX-10.147-22/25
geven. De bijkomende proef is immers, anders dan in het hoger onderwijs, geen ‘herexamen’.
50. Artikel 37, § 2, eerste lid, 2°, van het hiervóór vermelde organisatiebesluit bepaalt dat de evaluatiebeslissing in beginsel wordt genomen in de periode vanaf de vijfde laatste lesdag van de maand juni tot en met 30 juni en dat die termijn kan worden verlengd tot uiterlijk de eerste schooldag van het daaropvolgende schooljaar als de delibererende klassenraad (en dus ook de beroepscommissie) “nog niet over voldoende informatie beschikt om een gedegen beslissing te nemen”. Dat kan zijn omdat bepaalde evaluatiegegevens ontbreken of omdat aan de representativiteit van gegevens die wél voorliggen, kan worden getwijfeld.
Het toestaan van bijkomende proeven is dan ook de uitzondering en niet de regel. In de regel beschikt een beroepscommissie integendeel over voldoende inzicht om zich over de prestaties van een leerling te buigen en om zelfs tegenvallende resultaten te duiden.
51. Het ligt op de weg van de leerling om de uitzonderlijke omstandigheden aan te voeren die bijkomende proeven kunnen verantwoorden.
Dat heeft verzoeker niet gedaan. In het beroepschrift van 31 augustus 2022 doet verzoeker enkel gelden dat de klassenraadbeslissing disproportioneel is omdat daarin niet is uiteengezet waarom een bijkomende proef niet meer aangewezen zou zijn, terwijl zulks “[m]ede gezien de tekorten beperkt waren” wel “opportuun” was. Uit het verslag van de hoorzitting, dat verzoeker als dusdanig niet betwist, blijkt evenmin dat verzoeker uiterlijk dan een poging heeft ondernomen om bijzondere omstandigheden aan te voeren die de representativiteit van de voorliggende resultaten in twijfel kunnen doen trekken.
Het loutere feit dat verzoeker voor fysica in het eerste semester wel een voldoende behaalde, is op zich geen bijzondere omstandigheid en doet ook geen afbreuk aan het gegeven dat verzoeker voor dat vak een jaartekort laat
IX-10.147-23/25
optekenen. Uit niets blijkt immers dat verzoeker zelfs maar beweert dat de zwakkere resultaten in het tweede semester toe te schrijven zijn aan onvoorziene, externe factoren.
In die omstandigheden mocht de beroepscommissie ermee volstaan vast te stellen dat ook aan de andere voorwaarde om bijkomende proeven op te leggen – namelijk dat er onvoldoende evaluatiegegevens beschikbaar zijn –
niet was voldaan.
52. Het zesde middelonderdeel is niet gegrond.
53. Het vierde middel is in zijn geheel ongegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro.
IX-10.147-24/25
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig augustus tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren
IX-10.147-25/25
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.518
Gerelateerde publicatie(s)
geciteerd door:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.297
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...