ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.543

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 augustus 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.543 Rolnummer: A. 238518/IX-10211 Zaak: Arrest 260543 - ION - Aanwerving en loopbaan - 29/08/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-03 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-03 21:10 Fiche Arrest nr 260.543 van 29...

Source officielle

28 min de lecture 6 118 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 29 augustus 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.543

Rolnummer:

A. 238518/IX-10211

Zaak:

Arrest 260543 – ION – Aanwerving en loopbaan – 29/08/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-09-03

Raadplegingen:

86 – laatst gezien 2026-06-03 21:10

Fiche

Arrest nr 260.543 van 29 augustus 2024 Openbaar ambt – ION – Aanwerving
en loopbaan Beslissing : Verwerping

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.543 no lien 278440 identiques

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
IXe KAMER
nr. 260.543 van 29 augustus 2024
in de zaak A. 238.518/IX-10.211
In zake : XXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Maenhout kantoor houdend te 2600 Antwerpen Filip Williotstraat 30 bus 0102
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het ALGEMEEN ZIEKENHUIS JAN PALFIJN GENT, vereniging van publiek recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Sichien kantoor houdend te 9000 Gent Kortrijksesteenweg 1007
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 24 februari 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de bestuurder-directeur van de autonome verzorgingsinstelling Algemeen Ziekenhuis Jan Palfijn Gent van 27 december 2022 waarbij de aan verzoekster opgelegde dienstvrijstelling wordt verlengd voor een periode van zes weken, meer bepaald tot en met 8 februari 2023.
II. Verloop van de rechtspleging
IX-10.211-1/22
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 juni 2024.
Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht.
De verzoekende partij, advocaat Mats Mertens, die loco advocaat Koen Maenhout verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoekster is als statutair hoofdapotheker in dienst van de autonome verzorgingsinstelling Algemeen Ziekenhuis Jan Palfijn Gent (hierna: het AZ Jan Palfijn Gent).
3.2. Op 26 oktober 2022 ontvangen de raad van bestuur en de bestuurder-directeur van het AZ Jan Palfijn Gent een brief, ondertekend door elf
IX-10.211-2/22
personeelsleden van de ziekenhuisapotheek, waarin aandacht wordt gevraagd voor de “moeilijke werkomstandigheden in de apotheek”:
“Concreet gaat dit over een ondoelmatige en gebrekkige organisatie van de taken door het niet stellen van correcte prioriteiten, de afwezigheid van formeel en informeel overleg en een ongelijke behandeling van werknemers. Daarenboven blijft ondanks eerdere verzoeken de huidige taakverdeling onduidelijk waardoor onvoldoende transparantie bestaat binnen verantwoordelijkheden. Dit alles leidt reeds geruime tijd tot een zeer hoge werkdruk en een aanzienlijk verloop van personeel. Daarbij is er weinig aandacht voor de invulling van openstaande vacatures en opleiding van nieuwe medewerkers.
Ondanks verschillende kansen die reeds aangeboden werden (cfr. de opmaak van een actieplan door Idewe, de inzet van een teamcoach (mei 2021 – december 2021) alsook het beroep op een externe consulent met het oog op de optimalisatie van de werking van de apotheek (november 2021 –
juni 2022)) stellen wij geen verbetering vast.”
De betrokken personeelsleden vragen om actie te ondernemen om de kwaliteit van de dienstverlening in de apotheek te kunnen blijven garanderen en de motivatie van de medewerkers en het geloof in de toekomst van de apotheek te herstellen.
3.3. Op 27 oktober 2022 heeft de bestuurder-directeur een gesprek met de aanwezige personeelsleden van de ziekenhuisapotheek, die aanvullende schriftelijke verklaringen afleggen. Hierin worden klachten en bezorgdheden omtrent de werking van de ziekenhuisapotheek in detail uiteengezet; verschillende personeelsleden geven aan een (collectief) ontslag te overwegen.
3.4. Op 28 oktober 2022 beslist de bestuurder-directeur om verzoekster bij hoogdringende ordemaatregel met onmiddellijke ingang dienstvrijstelling te verlenen voor een periode van twee maanden.
3.5. De bestuurder-directeur nodigt verzoekster uit om te worden gehoord in het kader van het al dan niet bekrachtigen van de ordemaatregel bij hoogdringendheid op 3 november 2022.
IX-10.211-3/22
Op vraag van verzoekster wordt deze hoorzitting tweemaal uitgesteld. Ze vindt uiteindelijk plaats op 17 november 2022.
3.6. Op 23 november 2022 beslist de bestuurder-directeur om de beslissing van 28 oktober 2022 te bevestigen. Hij herneemt de motieven die tot die beslissing hebben geleid, antwoordt op de argumenten die verzoekster op de hoorzitting heeft aangevoerd en besluit tot het volgende:
“Na kennisname van het verweer van [verzoekster] is geen enkel element aangereikt dat afbreuk zou doen aan de vaststelling dat er op heden sprake is van een gebrek aan minimale verstandhouding binnen de ziekenhuisapotheek en zulks, onder meer middels de dreiging van collectief ontslag van verschillende personeelsleden, de continuïteit van de werking van de ziekenhuisapotheek en bij uitbreiding van het AZ Jan Palfijn in zijn geheel zeer ernstig hypothekeert of onmogelijk maakt.
In het kader van deze ordemaatregel wordt geen uitspraak gedaan over de schuld of onschuld van wie dan ook. De ordemaatregel heeft als enig doel de verstoorde werking te verhelpen en de continuïteit te garanderen.
Beslissing:
Artikel 1
De beslissing van 28 oktober 2022 om [verzoekster], hoofdapotheker, bij wijze van hoogdringende ordemaatregel met onmiddellijke ingang dienstvrijstelling te verlenen voor een periode van twee maanden wordt bekrachtigd.
De vrijstelling van dienst betekent dat [verzoekster] met behoud van loon niet meer aanwezig mag zijn op de dienst apotheek en [haar] taken tijdelijk door een ander personeelslid worden waargenomen.
Om de sereniteit op de dienst apotheek te bewaren, moeten daarbij de volgende afspraken […] worden nageleefd gedurende de periode van dienstvrijstelling:
 De dienst apotheek niet meer fysiek te betreden.
 Geen contact […] opnemen met medewerkers tewerkgesteld binnen de apotheek.
 Geen opdrachten of taken uit te oefenen uit naam van AZ Jan Palfijn.
 Geen e-mails te versturen vanuit het e-mailadres van AZ Jan Palfijn. De dienst IT zal een out of office instellen met een neutrale boodschap ter kennisgeving van [haar] afwezigheid en met de vraag de e-mails door te sturen naar een generiek e-mailadres.”
De beslissingen van 28 oktober 2022 en 23 november 2022
worden door verzoekster aangevochten met een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring gekend onder rolnummer A. 237.758/IX-10.162.
IX-10.211-4/22
3.7. Op 1 december 2022 treedt een nieuwe bestuurder-directeur in dienst. Op 23 december 2022 hoort hij verzoekster met het oog op een eventuele verlenging van de ordemaatregel. In een beslissing van 27 december 2022
overweegt de bestuurder-directeur het volgende:
“In de beslissingen van 28 oktober 2022 en 23 november 2022 is een evaluatie van de ordemaatregel omwille van de korte tijdsduur aangekondigd. De eerste bekommernis is daarbij het welzijn van alle personeelsleden van [de] ziekenhuisapotheek, ook dat van [verzoekster], én het waarborgen van de continuïteit van de werking van de ziekenhuisapotheek en bij uitbreiding van AZ Jan Palfijn in zijn geheel.
Na de voorbereidende contacten van mijn voorganger, heb ikzelf eerst op 02 december 2022 en vervolgens formeel op 14 december 2022 opdracht gegeven aan de externe preventiedienst om zo spoedig mogelijk een kwalitatieve psychosociale risicoanalyse uit te voeren, bij voorkeur aan de hand van een individuele bevraging van elk van de medewerkers van de ziekenhuisapotheek, uiteraard inclusief [verzoekster]. Het voorwerp van de bevraging beoogt minimaal de volgende vijf arbeidsdomeinen:
arbeidsorganisatie, -inhoud, -omstandigheden, -voorwaarden en interpersoonlijke relaties op het werk, alsook de samenwerking met de andere diensten van het ziekenhuis. Er is gevraagd om een verslag te ontvangen met een overzicht/samenvatting van de diverse interviews (al dan niet geanonimiseerd – dit naargelang de wensen van de betrokken medewerkers) alsook van [de] bevindingen [van de preventiedienst] en suggesties rond mogelijke verbeterpunten, gericht op het optimaliseren van het psychosociaal welbevinden binnen de organisatie. Tot slot is verzocht om de risicoanalyse op zo kort mogelijke termijn te bezorgen, bij voorkeur uiterlijk tegen half januari 2023.
Het lijkt wenselijk om in afwachting van de resultaten van de risicoanalyse de lopende ordemaatregel te verlengen.
Ondertussen mocht ik bovendien enkele bijkomende documenten ontvangen welke ik omwille van de transparantie in het algemeen en het recht op tegenspraak in het bijzonder eveneens ter kennis breng van [verzoekster]:
– een verslag van de dienst facturatie over de samenwerking met de ziekenhuisapotheek van 23 november 2022;
– een tussentijdse analyse van apotheker [H.M.] over de vaststellingen die hij heeft gedaan als extern begeleider en procesoptimalisator van 14 december 2022;
– een verslag van het waarnemend diensthoofd van de apotheek [J.V.]
van 15 december 2022, opgesteld op basis van gesprekken met het apotheekteam.
Op heden lijken er (nog) geen elementen te bestaan die afbreuk zouden doen aan de vaststelling dat er sprake is van een gebrek aan minimale verstandhouding binnen de ziekenhuisapotheek en zulks, onder meer middels de dreiging van collectief ontslag van verschillende personeelsleden, de continuïteit van de werking van de ziekenhuisapotheek
IX-10.211-5/22
en bij uitbreiding van het AZ Jan Palfijn in zijn geheel zeer ernstig hypothekeert of onmogelijk maakt.
De bijkomende stukken waarvan ik kennis heb genomen, worden in het kader van de eventuele verlenging van de ordemaatregel niet ten gronde beoordeeld. Er wordt enkel vastgesteld dat deze bijkomende documenten de acute situatie bevestigen en wijzen op een verschil in zienswijze en perceptie tussen de verschillende betrokken personen en actoren. Het verschil in visie over verantwoordelijkheden of schuld of onschuld van wie dan ook is alhier niet aan de orde. De eventuele verlenging van de ordemaatregel is enkel een mogelijk antwoord op een acute escalatie en een poging om daaraan (tijdelijk) te verhelpen.
De onderliggende problematiek zal – met inbegrip van de bijkomende documenten – in het kader van een ander forum (verder) moeten worden onderzocht, maar niet in het kader van de eventuele verlenging van de voorliggende ordemaatregel.
Het spreekt voor zich dat een nieuwe evaluatie op zo kort mogelijke termijn moet plaatsvinden, niettemin rekening houdend met de eindejaarsperiode.
Om deze redenen wordt de duurtijd van de eventuele verlenging van de ordemaatregel beperkt tot een periode van zes weken, meer bepaald tot en met 08 februari 2023.
De bevindingen van de externe preventiedienst Mensura zullen informatie verschaffen over de wijze waarop met het welzijn van alle personeelsleden van de ziekenhuisapotheek, uiteraard ook dat van [verzoekster], kan of moet worden omgegaan en welke initiatieven, alternatieven, maatregelen, … zich al dan niet opdringen binnen het kader van het waarborgen van de continuïteit van de werking van de ziekenhuisapotheek en bij uitbreiding van het AZ Jan Palfijn in zijn geheel.”
Na te zijn ingegaan op de argumenten van verzoekster beslist de bestuurder-directeur:
“Na kennisname van het verweer van [verzoekster] is geen enkel element aangereikt dat afbreuk zou doen aan de vaststelling dat er op heden sprake is van een gebrek aan minimale verstandhouding binnen de ziekenhuisapotheek en zulks, onder meer middels de dreiging van collectief ontslag van verschillende personeelsleden, de continuïteit van de werking van de ziekenhuisapotheek en bij uitbreiding van het AZ Jan Palfijn in zijn geheel zeer ernstig hypothekeert of onmogelijk maakt.
Beslissing:
Artikel 1
De beslissing van 28 oktober 2022, bekrachtigd op 23 november 2022, om [verzoekster], hoofdapotheker, bij wijze van ordemaatregel dienstvrijstelling te verlenen, wordt verlengd voor een periode van zes weken, meer bepaald tot en met 08 februari 2023.”
IX-10.211-6/22
Het verbod om op de dienst aanwezig te zijn en de andere op 23 november 2022 aan verzoekster opgelegde maatregelen, zoals aangehaald sub 3.6, worden hernomen.
Dat is de bestreden beslissing.
IX-10.211-7/22
IV. Verzoek tot samenvoeging
4.1. In de memorie van wederantwoord vraagt verzoekster om de drie hangende beroepen met betrekking tot het opleggen casu quo de verlenging van de ordemaatregel (A. 237.758/IX-10.162, A. 238.518/IX-10.211 en A.
238.819/IX-10.237) samen te voegen.
4.2. In het auditoraatsverslag wordt ter zake gesteld:
“Al deze zaken zijn in staat en betreffen de ordemaatregel van de dienstvrijstelling en respectievelijk de verlengingen ervan. De meeste middelen hebben dezelfde strekking maar zijn niet volledig identiek. Om die redenen verdient het aanbeveling om de zaken op dezelfde zitting te behandelen, zonder dat het noodzakelijk is ze te voegen.”
4.3. In haar laatste memorie stelt verzoekster dat zij akte neemt van het standpunt van de auditeur-verslaggever en “hieraan niets toe te voegen” heeft.
4.4. Het blijkt niet dat een behoorlijke rechtsbedeling een samenvoeging van de voormelde zaken vergt. Het kan volstaan dat de zaken op dezelfde terechtzitting worden behandeld en in beraad worden genomen.
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
5. In een eerste middel beroept verzoekster zich op een schending van artikel 36 van de statuten van het AZ Jan Palfijn Gent en de onbevoegdheid van de steller van de bestreden handeling.
Verzoekster zet uiteen dat de maatregelen die haar met de bestreden beslissing zijn opgelegd, niet kunnen worden beschouwd als “opvolging, bewaking en bijsturing” en dus geen rechtsgrond vinden in artikel 36 van de
IX-10.211-8/22
statuten. Zij stipt bovendien aan dat het in die bepaling bedoelde ‘dagelijks bestuur’ toebehoort aan de bestuurder-directeur én het directiecomité, dat de statuten aan de bestuurder-directeur niet de bevoegdheid verlenen om enige ordemaatregel te nemen en dat de residuaire bevoegdheid op grond van artikel 29
van de statuten toekomt aan de raad van bestuur.
Daarnaast betoogt verzoekster dat niet duidelijk is wat met een ‘dienstvrijstelling’ als ordemaatregel wordt bedoeld, dat de bestreden beslissing moet worden aangezien als een preventieve schorsing en dat de statuten daarin niet voorzien. Wat dit laatste betreft, merkt verzoekster op dat artikel 488, § 1, derde lid, van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (hierna: het decreet lokaal bestuur) een autonome verzorgingsinstelling zoals de verwerende partij niet toelaat om af te wijken van de in dat decreet vervatte tuchtregeling.
Hoewel de tuchtregeling in het decreet lokaal bestuur voorziet in een ‘preventieve schorsing’, is het voor verzoekster onduidelijk of de bestuurder-directeur die procedure voor ogen had bij het nemen van de bestreden beslissing, terwijl de overheid duidelijk de rechtsgrond van haar beslissing moet aanduiden.
6. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoekster, in repliek op het standpunt van de verwerende partij, dat zelfs indien de bestuurder-directeur de ‘aanstellende overheid’ zou zijn, dit nog niet betekent dat hij bevoegd is om ordemaatregelen op te leggen. Het beginsel van de toegewezen bevoegdheden, zo stelt verzoekster, laat niet toe bevoegdheden uit te oefenen waarin niet is voorzien in de wet of de statuten. Zij verwijst ter zake opnieuw naar de artikelen 29 en 36 van de statuten.
Beoordeling
7. Zoals bij de beoordeling van het tweede middel zal blijken, moet de bestreden beslissing worden aangemerkt als een ordemaatregel en blijkt uit de daarin vervatte afspraken voor verzoekster voldoende duidelijk wat precies met de ‘dienstvrijstelling’ wordt bedoeld. De Raad verwijst ter zake naar die beoordeling.
IX-10.211-9/22
8. Op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, bepaalde artikel 488, § 1, derde lid, van het decreet lokaal bestuur dat de tuchtregeling vervat in deel 2, titel 2, hoofdstuk 4, afdeling 6, van dat decreet ook op personeelsleden zoals verzoekster van toepassing is.
In die tuchtregeling is voorgeschreven dat een preventieve schorsing kan worden opgelegd indien tegen het personeelslid een tuchtprocedure, een opsporingsonderzoek of een strafvervolging loopt.
Uit het dossier blijkt niet – en het wordt ook niet beweerd – dat lastens verzoekster zulk een procedure of onderzoek hangende is. Het moest voor verzoekster dan ook voldoende duidelijk zijn dat de bestuurder-directeur als enige rechtsgrond voor de bestreden beslissing in aanmerking neemt, datgene wat hij uitdrukkelijk vermeldt, namelijk artikel 36 van de statuten en de continuïteit van de dienstverlening.
In dat opzicht overtuigt het middel niet.
9. Het vóórmelde artikel 36 van de statuten van de verwerende partij luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
“Dagelijks bestuur Het dagelijkse bestuur, alsook de voorbereidende werkzaamheden gekoppeld aan te nemen beslissingen op niveau van de raad van bestuur en de uitvoering van genomen beslissingen, behoort toe aan de bestuurder-
directeur en aan het directiecomité, organen waarvan de bevoegdheden in deze statuten nader worden bepaald.
[…]
De bestuurder-directeur is bevoegd voor:
– het dagelijks beheer van het ziekenhuis en de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur;
– de opvolging, bewaking en bijsturing waar nodig van de operationele werking in de verschillende departementen van het ziekenhuis;
[…]
– de opvolging, bewaking en bijsturing van het HR beleid van het ziekenhuis rekening houdend met het personeelsstatuut van het ziekenhuis;
– de aanwerving en het ontslag van het personeel;
– de sanctie- en tuchtbevoegdheid ten aanzien van het personeel;
[…]
IX-10.211-10/22
Het directiecomité is samengesteld uit zeven (7) leden, namelijk – De bestuurder-directeur, die het directiecomité voorzit;
[…]
Het directiecomité heeft beleidsvoorbereidende, coördinerende en uitvoerende taken.”
Deze bepaling moge dan, ter inleiding, “[h]et dagelijkse bestuur” in globo toewijzen “aan de bestuurder-directeur en aan het directiecomité”, dit doet geen afbreuk aan het feit dat vervolgens het dagelijks beheer en de operationele werking, alsook het HR-beleid met inbegrip van aanwerving, ontslag en tuchtbevoegdheid als individuele bevoegdheden aan de bestuurder-directeur worden toegewezen.
Het gegeven dat ordemaatregelen ten aanzien van personeelsleden daarbij niet uitdrukkelijk worden vermeld, betekent op zich niet dat ze buiten de hiervoor vermelde bevoegdheden inzake personeelsaangelegenheden moeten worden gerekend en dus overeenkomstig artikel 29 van de statuten tot de residuaire bevoegdheid van de raad van bestuur zouden behoren.
De bestuurder-directeur beschikt over de bevoegdheid tot aanstelling. Wie de aanstellingsbevoegdheid heeft, beschikt – behoudens de uitdrukkelijke toekenning ervan aan een ander orgaan – ook over de bevoegdheid om ordemaatregelen aan het personeelslid op te leggen. Het is immers de aanstellende overheid die de functies, taken en bevoegdheden van het personeelslid bepaalt. Een ordemaatregel, in casu die van de dienstvrijstelling, grijpt daarop in.
Dat de bestuurder-directeur, naast zijn aanstellingsbevoegdheid, op grond van artikel 36 van de statuten ook uitdrukkelijk bevoegd is inzake “opvolging, bewaking en bijsturing waar nodig van de operationele werking in de verschillende departementen van het ziekenhuis”, spreekt zijn bevoegdheid tot het nemen van ordemaatregelen niet tegen, wel integendeel.
IX-10.211-11/22
De bestreden beslissing miskent derhalve niet de verdeling van bevoegdheden zoals bepaald in de statuten.
10. Het eerste middel is in zijn geheel ongegrond.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
11. Verzoekster steunt een tweede middel op de onbevoegdheid van de bestuurder-directeur, een schending van artikel 36 van de statuten van het AZ
Jan Palfijn Gent, een schending van het evenredigheidsbeginsel en machtsafwending.
Zij zet uiteen dat artikel 36 van de statuten de bestuurder-directeur bevoegd maakt voor “opvolging, bewaking en bijsturing” en dat de bestreden beslissing daarin niet kan worden ingepast.
Verzoekster stelt voorts dat niet duidelijk is wat precies met ‘dienstvrijstelling’ als ordemaatregel wordt bedoeld en zij ziet in de bestreden beslissing eerder een verkapte tuchtmaatregel, minstens een “verkapte preventieve schorsing”, waarvoor de bestuurder-directeur niet bevoegd is. Zij verwijst andermaal naar de bepalingen van het decreet lokaal bestuur inzake tucht.
Verzoekster betoogt dat een ordemaatregel eensdeels enkel kan zijn gericht op de goede werking van de dienst en niet op het bestraffen van het personeelslid en anderdeels niet mag beogen aan het personeelslid meer lasten op te leggen dan noodzakelijk. Alles wat dat ongemak te boven gaat, zo stelt verzoekster, moet als een verkapte tuchtmaatregel worden beschouwd. Het bestuur zal dan ook steeds – en in het bijzonder bij een dienstvrijstelling – moeten nagaan of het beoogde doel niet met een voor het personeelslid minder verstrekkende maatregel kan worden bereikt. Een dergelijk onderzoek is volgens verzoekster in casu niet gebeurd. Zij wijst er tevens op dat zij sinds 9 december 2022 bij het
IX-10.211-12/22
RIZIV staat ingeschreven als ‘apotheker-plaatsvervanger’ en zij “dus geen bijdrage sociaal statuut meer zal ontvangen”.
Door het opleggen van een ‘verkapte tuchtstraf’, minstens een “verkapte preventieve schorsing” en het bijgevolg niet naleven van de voorgeschreven procedures inzake tucht, maakt de verwerende partij zich volgens verzoekster ook schuldig aan machtsafwending.
De bestreden beslissing schendt naar het oordeel van verzoekster tot slot ook het evenredigheidsbeginsel doordat niet is onderzocht of voor het bereiken van het beoogde doel geen minder verstrekkende maatregelen konden volstaan dan een volledige verwijdering uit de dienst.
12. In de memorie van wederantwoord argumenteert verzoekster dat de door de verwerende partij aangestipte beginselen van de veranderlijkheid en de continuïteit van de openbare dienst niet van aard zijn om in te grijpen in bevoegdheidverdelende regels en dus de bestuurder-directeur niet bevoegd kunnen maken om beslissingen te nemen die de draagwijdte van artikel 36 van de statuten te buiten gaan. Zij betoogt voorts dat het hoe dan ook aan de ‘inrichter’ toekomt om in het licht van de vóórmelde beginselen (orde)maatregelen te nemen en dat de bestuurder-directeur niet als ‘inrichter’ kan worden beschouwd.
Verzoekster nuanceert haar grief dat zij door de wijziging van haar inschrijving bij het RIZIV geen bijdrage sociaal statuut meer zal ontvangen en stelt dat de te ontvangen premie voor het jaar 2022 781 euro lager zal liggen.
Met betrekking tot de kwalificatie van de bestreden beslissing stelt verzoekster nog dat de ‘verdoken tuchtmaatregel’ ook blijkt uit het feit dat de bestuurder-directeur enkel steunt op het collectief schrijven van een aantal personeelsleden en niet ingaat op de toelichting omtrent de onderliggende problematiek die verzoekster heeft uiteengezet. Dat onderzoek staat volgens verzoekster los van enige schuldvraag.
Beoordeling ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.543 IX-10.211-13/22
13. In zoverre verzoeksters grieven zijn gesteund op een schending van artikel 36 van de statuten en de bevoegdheid van de bestuurder-directeur, verwijst de Raad naar de beoordeling van het eerste middel, waar die grieven ongegrond zijn bevonden.
De Raad onderzoekt binnen het bestek van het tweede middel de aard van de aan verzoekster opgelegde maatregel en de aangevoerde machtsafwending en schending van het evenredigheidsbeginsel.
14. Een ordemaatregel verschilt van een tuchtmaatregel doordat een ordemaatregel louter de goede werking van de dienst beoogt, waarbij de schuldvraag niet wordt gesteld of open blijft, terwijl een tuchtmaatregel ertoe strekt een ambtenaar voor een tekortkoming te bestraffen. Een ordemaatregel mag echter geen verkapte tuchtmaatregel zijn.
Wanneer een verzoekende partij aanvoert dat een opgelegde maatregel die zich naar de vorm als een ordemaatregel aandient, in werkelijkheid een verkapte tuchtmaatregel is, valt het aan haar toe om het voor de Raad van State geloofwaardig te maken dat, ondanks de schijn van het tegendeel, de bestreden beslissing er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekt haar te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen.
Tot het bestaan van een dergelijke, niet-veruitwendigde bedoeling, kan niet worden besloten op grond van louter subjectieve gevoelens van de verzoekende partij. Integendeel dient zij, met verwijzing naar concrete omstandigheden, aannemelijk te maken dat het determinerende, maar niet uitgedrukte motief van de maatregel erin bestaat haar te bestraffen.
15.1. Dat het gedrag van verzoekster bij de afweging van de bestreden beslissing ter sprake komt, duidt erop dat het gaat om een ordemaatregel en niet om een loutere maatregel van inwendige orde, maar volstaat niet om te besluiten dat de bestuurder-directeur een (verkapte) tuchtmaatregel of een preventieve schorsing heeft opgelegd of willen opleggen.
IX-10.211-14/22
In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk overwogen dat er sprake is van een geëscaleerde problematiek binnen de ziekenhuisapotheek, dat uit de verklaringen van verschillende personeelsleden blijkt dat een onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk is en dat de tijdelijke verwijdering van verzoekster uit de dienst zich opdringt om de sereniteit te laten terugkeren, zonder dat daarbij enige schuldvraag ter sprake komt.
Verzoekster toont niet aan dat die vaststellingen en overwegingen kennelijk onjuist zijn. Evenmin maakt zij geloofwaardig dat de bestuurder-directeur, niettegenstaande de omstandig uiteengezette andersluidende overwegingen in zijn beslissing, toch het oogmerk heeft gehad om verzoekster te bestraffen. De bestuurder-directeur motiveert uitdrukkelijk dat hij zich niet uitspreekt over de onderliggende problematiek en de toewijzing van fout of schuld daaromtrent en dat zijn beslissing enkel is ingegeven door de wens om de acute problematische situatie op de dienst te verhelpen.
15.2. De bestuurder-directeur is overigens niet blind gebleven voor de gevolgen die verzoekster onder zijn aandacht heeft gebracht. Hij overweegt immers dat de bestreden beslissing inderdaad (beperkte) nadelige gevolgen heeft, maar dat die in het licht van de belangenafweging in redelijkheid verantwoordbaar zijn. Zo stelt de bestuurder-directeur:
“Er is duidelijk overwogen dat een overplaatsing van [verzoekster] niet mogelijk is. Zulks wordt niet tegengesproken, laat staan weerlegd door de verdediging. Een financieel nadelig gevolg via het RIZIV is evenmin een element dat zelfs maar het begin van bewijs vormt van een verkapte tuchtmaatregel.”
In het licht van het evenredigheidsbeginsel stelt de Raad van State vast dat verzoekster niet aangeeft hoe een minder verregaande ordemaatregel dan precies zou moeten worden geconcretiseerd. Zij laat ook na toe te lichten hoe het aangevoerde – en in de memorie van wederantwoord genuanceerde – financieel nadeel zou kunnen worden vermeden.
IX-10.211-15/22
15.3. Uit het bovenstaande moet worden besloten dat de bestreden beslissing een ordemaatregel is – en dus geen (verkapte) tuchtstraf of (verkapte)
preventieve schorsing. Er was dan ook geen aanleiding om van de tuchtprocedure uit het decreet lokaal bestuur toepassing te maken. Machtsafwending is niet aangetoond. De bestreden beslissing is tot slot niet onevenredig.
16. In zoverre het middel steunt op de onbevoegdheid van de steller van de akte, machtsafwending en een schending van het evenredigheidsbeginsel, is het ongegrond.
17. Voorts zet de bestuurder-directeur in de bestreden beslissing concreet uiteen welke afspraken tijdens de dienstvrijstelling moeten worden nageleefd.
De loutere bewering van verzoekster dat het niet duidelijk is wat de dienstvrijstelling precies inhoudt, kan dan ook niet worden bijgetreden.
18. Het tweede middel is ongegrond.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
19. Een derde middel is gesteund op een schending van het evenredigheidsbeginsel.
Verzoekster betoogt dat de opgelegde maatregel niet proportioneel is, in de mate dat haar een verbod wordt opgelegd om ook buiten de apotheek contact met de medewerkers op te nemen.
Beoordeling
IX-10.211-16/22
20. In de beslissing van 23 november 2022, waarin de dienstvrijstelling wordt bevestigd, heeft de bestuurder-directeur in antwoord op verzoeksters grieven ter zake, het volgende uiteengezet:
“De verdediging betwist de proportionaliteit van de ordemaatregel.
Ik stel vast dat de verdediging het karakter van de ordemaatregel zelf niet ter discussie stelt.
Uit hetgeen wordt geschreven door de verdediging blijkt ook weinig kritiek op de proportionaliteit van de ordemaatregel. Er wordt enkel kritiek gegeven op één van de gevolgen van de ordemaatregel, namelijk dat [verzoekster] geen contact mag opnemen met medewerkers tewerkgesteld binnen de apotheek.
Het valt niet in te zien waarom zulks niet te koppelen valt aan de goede werking van de dienst. De feitelijke vaststelling dat de vereiste minimale verstandhouding bijzonder zwaar is verstoord tot niet meer aanwezig is, noodzaakt tot de ordemaatregel en veronderstelt eveneens dat contacten met medewerkers tewerkgesteld binnen de apotheek om hen te bevragen over hun verklaringen en hun zienswijze tegen te spreken, niet aangewezen zijn. Zulks komt de sereniteit van de werking van de ziekenhuisapotheek niet ten goede en moet worden vermeden. Hetgeen [verzoekster] buiten de professionele omgeving doet, is geen zaak van haar werkgever.”
Het is die beslissing, met inbegrip van de dragende motieven ervan en met handhaving van de daarin opgenomen ‘afspraken’ die gedurende de dienstvrijstelling moeten worden nageleefd, die met de thans bestreden beslissing wordt verlengd.
21. Verzoekster weet derhalve sinds die beslissing dat haar enkel een verbod wordt opgelegd om personeelsleden van de apotheek te contacteren in verband met de door hen afgelegde verklaringen, zonder dat over contacten buiten de professionele omgeving iets wordt gezegd.
22. In de mate dat verzoekster in de bestreden beslissing leest dat zij in haar privéleven naast het vóórmelde geen contact met personeelsleden van de verwerende partij mag hebben, mist het middel feitelijke grondslag.
23. Het derde middel is niet gegrond.
D. Vierde middel
IX-10.211-17/22
Uiteenzetting van het middel
24. Verzoekster beroept zich in een vierde middel op een schending van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel.
De ordemaatregel steunt op een collectieve brief van de medewerkers waarin wordt verwezen naar de moeilijke werkomstandigheden in de apotheek, ondanks de verschillende kansen (actieplan Idewe, inzet van een teamcoach, beroep op een externe consultant) die reeds zijn geboden. Verzoekster stelt dat zij daarop heeft gerepliceerd in een nota die naar aanleiding van de hoorzitting werd neergelegd. Verzoekster verwijt de bestuurder-directeur dat hij met haar opmerkingen geen rekening heeft gehouden en geen onderzoek naar de feiten heeft gevoerd. Verzoekster besluit dat de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen niet bewezen zijn.
Verzoekster stelt voorts dat in de bestreden beslissing weliswaar is te lezen dat een overplaatsing “duidelijk is overwogen”, maar dat dit nergens uit blijkt, en dat het niet op haar weg ligt om alternatieve ordemaatregelen voor te stellen.
25. In de memorie van wederantwoord stipt verzoekster aan dat op 26 mei 2023 werd beslist om haar, bij wijze van permanente ordemaatregel, toch te werk te stellen in het ziekenhuis met mogelijkheid tot contactname met de apotheek. Daarin ziet verzoekster het bewijs dat er wel degelijk andere mogelijkheden waren en dat de verstandhouding niet dermate was verstoord als wordt beweerd.
Beoordeling
26. De Raad herhaalt dat de bestreden beslissing een ordemaatregel inhoudt, die beoogt een einde te stellen aan de verstoring van de goede werking van de dienst. De vraag wie ten gevolge van een dergelijke maatregel het best tijdelijk uit de dienst wordt verwijderd, hangt niet af van wie (de meeste) schuld treft, maar ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.543 IX-10.211-18/22
wel van wiens afwezigheid de werking van de dienst het minst negatief beïnvloedt casu quo het meest kan herstellen. Om het opleggen van een ordemaatregel in rechte en in feite te verantwoorden, is derhalve vereist dat het bestuur aantoont dat er sprake is van een verstoring van de goede werking van de dienst die haar oorsprong vindt in gedrag van bij de dienst betrokken personeelsleden.
Om vervolgens de goede werking van de dienst te waarborgen of te herstellen en de daartoe vereiste organisatorische maatregelen te nemen, beschikt het bestuur over een ruime discretionaire bevoegdheid, die slechts wordt begrensd door de redelijkheid. Het behoort eveneens tot die discretionaire bevoegdheid om, met het oog op het nemen van een ordemaatregel, te beoordelen of er voldoende draagkrachtige gegevens voorliggen om te besluiten dat de goede werking van de dienst is verstoord, of die verstoring – zonder in te gaan op een schuldvraag – aan het gedrag van een of meer personeelsleden kan worden toegeschreven en om te beoordelen welke ordemaatregel het meest geschikt is om die verstoring te herstellen.
27. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat elke administratieve rechtshandeling moet worden gedragen door motieven die in feite juist en in rechte aanvaardbaar zijn en die daarom, naar aanleiding van het wettigheidstoezicht, moeten kunnen worden gecontroleerd.
Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
28. Het zorgvuldigheidsbeginsel tot slot houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.543 IX-10.211-19/22
vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
29.1. In de bestreden beslissing wordt verwezen naar de collectieve brief van personeelsleden van de ziekenhuisapotheek en de gesprekken met en individuele schriftelijke verklaringen van verschillende personeelsleden die aangeven dat er geen minimale verstandhouding is in de ziekenhuisapotheek die voor de goede werking onontbeerlijk is. Uit die stukken blijkt dat deze personeelsleden collectief aangeven dat de verstandhouding op de dienst dermate is verstoord dat verschillende personeelsleden hun ontslag willen indienen, waardoor de dienst niet meer zou kunnen worden verzekerd.
Dit wordt door verzoekster niet tegengesproken. Zij argumenteert enkel dat de malaise haar niet toe te schrijven is.
29.2. In de bestreden beslissing wordt ter zake overwogen:
“Op heden lijken er (nog) geen elementen te bestaan die afbreuk zouden doen aan de vaststelling dat er sprake is van een gebrek aan minimale verstandhouding binnen de ziekenhuisapotheek en zulks, onder meer middels de dreiging van collectief ontslag van verschillende personeelsleden, de continuïteit van de werking van de ziekenhuisapotheek en bij uitbreiding van het AZ Jan Palfijn in zijn geheel zeer ernstig hypothekeert of onmogelijk maakt.
De bijkomende stukken waarvan ik kennis heb genomen, worden in het kader van de eventuele verlenging van de ordemaatregel niet ten gronde beoordeeld. Er wordt enkel vastgesteld dat deze bijkomende documenten de acute situatie bevestigen en wijzen op een verschil in zienswijze en perceptie tussen de verschillende betrokken personen en actoren. Het verschil in visie over verantwoordelijkheden of schuld of onschuld van wie dan ook is alhier niet aan de orde. De eventuele verlenging van de ordemaatregel is enkel een mogelijk antwoord op een acute escalatie en een poging om daaraan (tijdelijk) te verhelpen.
De onderliggende problematiek zal – met inbegrip van de bijkomende documenten – in het kader van een ander forum (verder) moeten worden onderzocht, maar niet in het kader van de eventuele verlenging van de voorliggende ordemaatregel.”
IX-10.211-20/22
Hetgeen volgens verzoekster ten onrechte onbeantwoord is gebleven – de vraag naar de feitelijke juistheid van de verklaringen van de personeelsleden en een onderzoek naar de precieze oorzaak van de “onderliggende problematiek” – is bij het nemen van de hier bestreden ordemaatregel niet aan de orde. De bestuurder-directeur kon er, in de gegeven omstandigheden, mee volstaan vast te stellen dat de verklaringen van de personeelsleden gelijkluidend (en dus niet prima facie onjuist) zijn, dat zij getuigen van disfuncties in de werking van de betrokken dienst en dat deze onmiddellijk moesten worden verholpen.
Van die ordemaatregel – beperkt als hij is tot een tijdelijke dienstvrijstelling om de rust en sereniteit op de werkvloer te laten weerkeren en de goede werking van de dienst te herstellen – moet worden vastgesteld dat hij in afdoende mate verwijst naar de feitelijke elementen waarop hij is gesteund.
29.3. Een schending van de materiëlemotiveringsplicht of het zorgvuldigheidsbeginsel is niet aangetoond.
30. Wat de door verzoekster in de memorie van wederantwoord aangevoerde tewerkstelling in het ziekenhuis betreft, merkt de Raad van State op dat de beslissing daartoe blijkbaar dateert van 26 mei 2023 en dus van vijf maanden ná de thans bestreden beslissing. Dat tijdsverloop laat niet toe te besluiten dat de feitelijke omstandigheden sindsdien ongewijzigd zijn gebleven. Verzoekster verschaft overigens geen nadere toelichting omtrent de precieze functie waarin zij werd aangesteld en onder welke voorwaarden, of wanneer die functie werd gecreëerd.
De beslissing van 26 mei 2023 toont in die omstandigheden dan ook niet, van de weeromstuit, aan dat de bestreden beslissing op ondeugdelijke motieven is gesteund.
31. Het vierde middel is niet gegrond.
IX-10.211-21/22
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende de partij.
3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig augustus tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren
IX-10.211-22/22

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.543

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.543

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.