ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.596
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.596 Rolnummer: A. 242881/IX-10538 Zaak: Arrest 260596 - Examens (onderwijs) - 11/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-12 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-04 01:50 Fiche Arrest nr 260.596 van 11 september 2024 Onderwijs...
13 min de lecture · 2,804 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 11 september 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.596
Rolnummer:
A. 242881/IX-10538
Zaak:
Arrest 260596 – Examens (onderwijs) – 11/09/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-09-12
Raadplegingen:
88 – laatst gezien 2026-06-04 01:50
Fiche
Arrest nr 260.596 van 11 september 2024 Onderwijs en cultuur – Examens
(onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.596 no lien 278555 identiques
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 260.596 van 11 september 2024
in de zaak A. 242.881/IX-10.538
In zake: XXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VZW ORGANISATIE BROEDERS VAN LIEFDE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Neil Braeckevelt en Marie-Mathilde Vermeyen kantoor houdend te 8000 Brugge Ezelstraat 25
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 4 september 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Organisatie Broeders van Liefde van 21 augustus 2024 waarbij het aan verzoekster toegekende oriënteringsattest C
wordt gehandhaafd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 september 2024 om 11.30 uur.
IX-10.538-1/12
Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Neil Braeckevelt, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Pierrot T’Kindt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoekster is in het schooljaar 2023-2024 leerling in het eerste leerjaar van de derde graad bedrijfswetenschappen in het Sint-Victorinstituut te Turnhout, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is.
3.2. Op het einde van het schooljaar behaalt verzoekster een algemeen totaal van 58%, met jaartekorten voor aardrijkskunde (42%), Frans (46%), geschiedenis (48%) en natuurwetenschappen (47%).
De klassenraad beslist om aan verzoekster een oriënteringsattest C toe te kennen. De motivering luidt als volgt:
“Wegens aanzienlijk structurele tekorten op zowel examens als jaartotalen voor de vakken aardrijkskunde, Frans, geschiedenis en natuurwetenschappen zijn de leerplandoelen in onvoldoende mate bereikt om geslaagd te zijn.”
De klassenraad “[raadt] sterk af om te dubbelen”.
IX-10.538-2/12
Het overleg met de directeur leidt tot een nieuwe samenkomst van de klassenraad.
Van het resultaat van die nieuwe bijeenkomst wordt verzoekster als volgt op de hoogte gebracht:
“Deze klassenraad kwam op 28 juni 2024 opnieuw samen, en besprak het globale dossier van de leerling (behaalde studieresultaten, begeleiding leerondersteuning, betoonde studie-inzet m.b.t. inleveren opdrachten, ingaan op aangeboden remediëring, …). De delibererende klassenraad heeft zijn beslissing niet fundamenteel gewijzigd ten opzichte van de eerder uitgesproken beslissing van 24 juni 2024.”
Het individueel syntheseblad vermeldt dezelfde motivering als de eerste klassenraadbeslissing. Het advies van de klassenraad luidt thans:
“[d]ubbelen in 5 bedrijfswetenschappen.”
Verzoekster stelt daarop bezwaar in bij het schoolbestuur.
3.3. Op 21 augustus 2024 handhaaft de beroepscommissie het C-
attest. Die beslissing is als volgt gemotiveerd:
“● De interne beroepscommissie (IBC) baseert zich voor haar beslissing op het volledige dossier van [verzoekster]: rapporten, leerlingvolgsysteem, verslagen van klassenraden, notulen van de deliberatie.
● De IBC kwam tot het besluit dat de school voldoende inspanningen heeft geleverd op vlak van leerlingenbegeleiding en zorgondersteuning voor [verzoekster]. De leerkrachten hadden inderdaad tijdig de informatie ter beschikking om op een gepaste manier aandacht te schenken aan de problematiek van [verzoekster].
● Bijkomende proeven werden door de IBC niet weerhouden, gelet op het feit dat het evaluatiedossier volledig is en dat werd aangegeven dat 4
bijkomende proeven afleggen in een erg korte tijdspanne geen oplossing biedt.
● Op basis van de resultaten en de tekorten voor 4 vakken (aardrijkskunde, Frans, geschiedenis, natuurwetenschappen) is de IBC van oordeel dat de leerplandoelstellingen niet werden bereikt.”
IX-10.538-3/12
Dat is de bestreden beslissing.
IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
V. Ernst van het enige middel
Uiteenzetting van het middel
5. In een enig middel voert verzoekster de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
Verzoekster betoogt dat de bestreden beslissing op “geen enkele wijze correct [antwoordt] op het meest cruciale argument”, terwijl zij “zeer duidelijke, gedetailleerde en pertinente grieven” had aangevoerd. Verzoekster verduidelijkt dat zij heeft aangegeven dat “de school niet op zorgvuldige wijze is omgegaan met de problematiek inzake de leerstoornissen van [verzoekster] en het ontbreken van de gepaste remediëring daaromtrent”. Volgens haar ligt deze “onzorgvuldige handelswijze” aan de basis van haar niet-slagen. Minstens werden de resultaten daardoor “aangetast” en zouden bijkomende proeven gerechtvaardigd zijn. Minstens plaatst een en ander de cijfers in een ander daglicht. Verzoekster meent dat de beroepscommissie volledig voorbijgaat aan het feit dat haar resultaten aangetast zijn door “de bijzondere omstandigheden” en het ontbreken van de gepaste begeleiding. De motieven van de beroepscommissie noemt verzoekster “zeer summier” en “niet gefundeerd”. Ten onrechte oordeelt
IX-10.538-4/12
de beroepscommissie dat de school voldoende inspanningen heeft geleverd. De commissie had onderzoeksmaatregelen kunnen treffen, maar heeft dit niet gedaan. Dat voldoende inspanningen werden geleverd door de school, strookt niet met de inhoud van het bezwaar van verzoekster. De bestreden beslissing leert ook niet waarom de commissie de inspanningen voldoende vindt. Een slecht resultaat is inderdaad één zaak, de oorzaak een andere, maar wanneer er duidelijke en heldere argumenten door verzoekster worden aangehaald, mogen die niet terzijde worden geschoven met een stelling die niet met de realiteit strookt. De impact van het ontbreken van de begeleiding is duidelijk te zien: de voorbije jaren kon verzoekster steeds overgaan naar het volgende leerjaar. De beroepscommissie kan de oorzaak niet zomaar negeren. De vraag rijst, aldus verzoekster, of er een “volledig beeld van het dossier voorligt”. Een zorgvuldig handelende beroepscommissie zou het argument van verzoekster terdege hebben behandeld en het niet gewoon van tafel hebben geveegd met een op niets gesteunde stelling die strijdt met het dossier.
Een zorgvuldig handelende beroepscommissie had op grond van de “bijzondere omstandigheden” een A-attest kunnen verlenen of moeten vaststellen dat “men een zekere twijfel heeft omtrent de representativiteit van deze cijfers in het licht van de kennis van de leerling, de voorgaande schooljaren en het ontbreken van de begeleiding”. Verzoekster zet in dat verband uiteen wat volgt (met weglating van de voetnoten):
“In dat laatste geval dient dus een bijkomende proef of alternatieve maatregel opgelegd te worden. Een uitgestelde proef kan, zo men daartoe redenen ziet, uitwijzen of een onverwacht zwak resultaat mogelijk door een externe factor is veroorzaakt, veeleer dan door het inherente falen van de leerling.
Nu de leerling voordien steeds goede/voldoende resultaten had, kan en moet dit voor de Interne Beroepscommissie wel een knipperlicht zijn waarmee hij rekening had dienen te houden om eventueel te besluiten dat de resultaten, die thans van de leerling voorliggen, geen betrouwbaar of geloofwaardig beeld geven van het kennen en kunnen van de bedoelde leerling en dat er, bijgevolg, reden is om zijn beslissing over het al dan niet slagen van de leerling uit te stellen, om door middel van bijkomende proeven aanvullende informatie in te winnen.
IX-10.538-5/12
Als een leerling uitzonderlijk[e] omstandigheden inroept om een bijkomende proef te krijgen, moet de Interne Beroepscommissie die vraag ernstig onderzoeken en zijn weigering in beginsel ook verantwoorden. Dit gebeurt in casu niet. Men schuift dit al te doorzichtig van zich af.
Een Interne Beroepscommissie mag het toestaan van een bijkomende proef niet bij voorbaat uitsluiten, bijvoorbeeld omdat aan de leerling een waarschuwing is gegeven, omdat de leerling de suggesties van de klassenraad in de wind sloeg of welke reden dan ook. De delibererende klassenraad en dus ook de Interne Beroepscommissie zal zich steeds een oordeel moeten vormen over het werkelijk bestaan van bijzondere omstandigheden die een uitgestelde beslissing en het opleggen van bijkomende proeven kunnen verantwoorden.”
Verzoekster doet nog gelden dat de bestreden beslissing geen “globale beoordeling” inhoudt. Ze focust enkel op de tekorten. Nochtans moet de beroepscommissie het gehele dossier betrekken en dus ook de positieve resultaten van de leerling.
Tot slot voert verzoekster aan dat de beroepscommissie haar grieven niet zorgvuldig heeft onderzocht en dat van een zorgvuldige beroepscommissie, geplaatst in dezelfde omstandigheden, niet kan worden aangenomen dat zij nalaat de grieven van een leerling te beantwoorden. Om die reden vindt zij de weigering van een uitgestelde proef en het toekennen van een C-attest “manifest kennelijk onredelijk”.
Beoordeling
6.1. Verzoekster verwijt de beroepscommissie niet, minstens niet afdoende, te hebben geantwoord op haar “meest cruciale argument”, namelijk dat “de school niet op zorgvuldige wijze is omgegaan met de problematiek inzake de leerstoornissen van [verzoekster] en het ontbreken van de gepaste remediëring daaromtrent”.
6.2. Verzoekster heeft prima facie maar belang bij een antwoord op een grief, indien zulks kan bijdragen tot een gunstiger beoordeling van haar prestaties. Dat lijkt te dezen evenwel niet het geval te zijn.
IX-10.538-6/12
IX-10.538-7/12
Immers, de grief die verzoekster naar eigen zeggen niet of niet afdoende beantwoord acht, heeft wezenlijk betrekking op een gebrek aan begeleiding en passende remediëring door de school.
Zoals de Raad van State daaromtrent al in tal van arresten heeft overwogen, is het, in beginsel, één zaak of een leerling bewezen heeft de van haar verlangde kennis en kunde te bezitten, een andere, als zij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt. Deze laatste kan diegene zijn die haar op de examens heeft voorbereid door bij die voorbereiding in gebreke te blijven. Zelfs indien een leerling de school terecht zou verwijten niet tijdig over problemen te hebben gecommuniceerd en geïnformeerd, niet in de passende begeleidings- of remediëringsmaatregelen te hebben voorzien of ze niet of niet tijdig te hebben toegepast of aangepast, dan kan dat, zo lijkt, hoogstens betekenen dat de school schuld of mede schuld draagt aan het minder gunstige eindresultaat van die leerling, maar kan zulks dit eindresultaat niet meer zó beïnvloeden dat het gunstiger wordt.
Er valt, met andere woorden, prima facie niet dadelijk in te zien hoe een eventuele tekortkoming in de begeleiding en remediëring tijdens het schooljaar ertoe moet leiden het uiteindelijke resultaat als beter te evalueren dan wat er is geleverd.
Verzoekster lijkt voorts niet ertoe te komen, met de nodige precisie, aan te tonen waarom van het voormelde beginsel voor haar uitzonderlijk moet worden afgeweken, inzonderheid omdat de school tekortgeschoten zou zijn in welbepaalde vooraf gemaakte afspraken, waarbij dat falen daarenboven in een rechtstreeks oorzakelijk verband gebracht moet kunnen worden met de wettigheid van de bestreden beslissing. In het middel beroept verzoekster zich op het eerste gezicht niet op het bestaan van dergelijke niet-nagekomen afspraken. Zij lijkt zich te beperken tot een verwijzing naar het schoolreglement waarin weliswaar is opgenomen dat “[w]ie ernstige (leer)moeilijkheden heeft, […] individuele begeleiding (‘tutoring’) [kan] krijgen” en dat de “begeleidende klassenraad […]
IX-10.538-8/12
geregeld de resultaten, studiehouding en gedragsattitudes van de leerlingen van de klas [bespreekt] en […] waar nodig een gepaste remediëring [afspreekt]”. Dat zijn prima facie evenwel niet de hiervóór bedoelde specifieke en geïndividualiseerde afspraken tussen de school en (één van) haar leerlingen.
Verzoeksters grief in dat verband lijkt bijgevolg in rechte te falen.
Om die reden ook kan het uitblijven van een antwoord of een niet-afdoende antwoord van de beroepscommissie op het argument van de gebrekkige begeleiding en remediëring op het eerste gezicht evenmin tot de vernietiging of de schorsing van de bestreden beslissing leiden.
Evident lijkt verzoekster vanuit diezelfde “bijzondere omstandigheden” evenmin aanspraak te kunnen maken op een A-attest.
6.3. In die mate is het middel niet ernstig.
7.1. Verzoekster bekritiseert voorts dat haar geen bijkomende proef werd toegestaan en stelt dat de motivering van de bestreden beslissing in dat verband tekortschiet.
Een en ander lijkt zij de beroepscommissie bezwaarlijk te kunnen verwijten. Volgens de bewoordingen van haar bezwaarschrift was haar vraag aan de commissie “een herziening van het C-attest naar een A-attest door te voeren”. Zij voegde daar nog aan toe:
“Gelet de gevoerde communicatie vanuit de school is het niet wenselijk hiertoe uitgestelde proeven af te leggen noch vakantietaken te maken.”
Het geeft dan ook geen pas, zo lijkt, dat verzoekster zich thans voor de Raad van State erover beklaagt dat de beroepscommissie haar geen bijkomende proeven heeft toegestaan, en nog minder dat zij de indruk wil ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.596 IX-10.538-9/12
wekken uitzonderlijke omstandigheden te hebben ingeroepen om een bijkomende proef af te dwingen en dat de beroepscommissie die vraag niet behoorlijk zou hebben beantwoord.
7.2. Ook in die mate is het middel niet ernstig.
8.1. Verzoekster behaalde, zoals gezien, vier jaartekorten. De beroepscommissie steunt op het eerste gezicht alleen op die tekorten om het C-
attest van verzoekster te handhaven.
8.2. Deze tekorten lijken te kunnen overtuigen om aan te tonen dat verzoekster niet heeft voldaan voor het geheel van de vorming van het betreffende leerjaar. Het motief van die tekorten, dat, zoals aangegeven, lijkt te volstaan om een C-attest te verantwoorden, wordt prima facie niet onregelmatig louter omdat de beroepscommissie “op de tekorten [focust]”, niet het volledige rapport reproduceert en dus de vakken waarvoor verzoekster wél voldoende punten behaalde, onvermeld laat.
In dat geval valt het, zo lijkt, veeleer aan de leerling te beurt om aan te geven welke andere concrete gegevens van haar dossier niet of onvoldoende in ogenschouw zijn genomen en die een zodanig tegengewicht vormen voor de vastgestelde en onbetwiste tekorten, dat ze een andere, gunstigere beslissing mogelijk maken.
Die concrete gegevens levert verzoekster op het eerste gezicht niet aan.
8.3. Het middel is in die mate niet ernstig.
9.1. Om de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel aan te tonen, zoekt verzoekster op het eerste gezicht zonder
IX-10.538-10/12
meer aansluiting bij wat zij voordien in haar enig middel heeft aangevoerd. Zij verwijt de beroepscommissie een onzorgvuldigheid door haar grieven niet zorgvuldig te hebben onderzocht en beantwoord, zodat de weigering van een bijkomende proef en het toekennen van een C-attest “manifest kennelijk onredelijk” zijn. Verzoekster geeft aan de schending van die beginselen prima facie dus geen andere invulling.
Het niet-ernstig bevinden van de voorgaande kritieken betekent derhalve, zo lijkt, dat verzoekster evenmin van een schending van deze beginselen kan overtuigen.
9.2. Ook in die mate is het middel niet ernstig.
VI. Conclusie
10. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt.
IX-10.538-11/12
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Jurgen Neuts
IX-10.538-12/12
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.596
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...