ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.789

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.789 Rolnummer: Zaak: Arrest 260789 - ION - Aanwerving en loopbaan - 25/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-03 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-04 20:17 Fiche Arrest nr 260.789 van 25 september 2024...

Source officielle

27 min de lecture 5 869 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 25 september 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.789

Rolnummer:

Zaak:

Arrest 260789 – ION – Aanwerving en loopbaan – 25/09/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-10-03

Raadplegingen:

85 – laatst gezien 2026-06-04 20:17

Fiche

Arrest nr 260.789 van 25 september 2024 Openbaar ambt – ION – Aanwerving
en loopbaan Beslissing : Verwerping Samenvoeging

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
IXe KAMER
nr. 260.789 van 25 september 2024
in de zaken A. 237.787/IX-10.164 (I)
A. 238.631/IX-10.223 (II)
In zake : I. + II.
R.V.
woonplaats kiezend te
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karo De Jonge kantoor houdend te 9660 Brakel Marktplein 20
tegen :
I. + II.
DE VLAAMSE WATERWEG, nv van publiek recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gitte Laenen en Wouter Rubens kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij:
I. + II.
R.V.D.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van de beroepen
1.1. Het beroep in de zaak A. 237.787/IX-10.164, ingesteld op 29 november 2022, strekt tot de nietigverklaring van:
IX-10.164-1/24
“1) De beslissing van onbekende datum van ir. [C.D.], gedelegeerd bestuurder, om – in het kader van de toewijzing van 41 statutaire betrekkingen van scheepvaartbegeleider (-buffer) – verzoeker ongeschikt te verklaren voor de statutaire betrekking van scheepvaartbegeleider met standplaats Denderleeuw Zoals blijkt uit een schrijven gedateerd op 30
sept. 2022 van [C.D.] aan verzoeker […].
2) De beslissing dd. 29 sept. 2022 van ir. [C.D.], gedelegeerd bestuurder, waarbij de betwiste betrekking werd toegewezen aan [R.V.D.]. Zoals blijkt uit een nota dd. 26 sept. 2022 van [C.D.], afgevaardigd bestuurder, betreffende bestendige invulling via statutarisering van 41
scheepvaartbegeleiders (buffers) […] die verzoeker ontving op 14 okt.
2022 […]
3) De beslissing van onbekende datum waarbij [R.V.D.] werd toegelaten tot de stage. Deze beslissing is (nog) niet in het bezit van verzoeker, maar werd opgevraagd bij de werkgever […].
4) De nog te nemen beslissing waarbij [R.V.D.] desgevallend wordt benoemd. Deze beslissing is (nog) niet in het bezit van verzoeker, maar werd opgevraagd bij de werkgever […].”
1.2. Het beroep in de zaak A. 238.631/IX-10.223, ingesteld op 13 maart 2023, strekt tot de nietigverklaring van:
“1) De beslissing van 7 nov. 2022 van de gedelegeerd bestuurder van De Vlaamse Waterweg waarbij [R.V.D.] werd toegelaten tot de proeftijd. Deze beslissing werd aan verzoeker bezorgd bij e-mail dd. 12 jan. 2023 […].
2) De nog te nemen beslissing waarbij [R.V.D.] desgevallend wordt benoemd. Deze beslissing is (nog) niet in het bezit van verzoeker, maar werd opgevraagd bij de werkgever […].”
II. Verloop van de rechtspleging
2. In beide zaken heeft de verwerende partij een memorie van antwoord ingediend en heeft de verzoekende partij een memorie van wederantwoord ingediend.
R.V.D. heeft in beide zaken een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikkingen van respectievelijk 27 februari 2023 en 24 april 2023. De tussenkomende partij heeft in beide zaken een memorie ingediend.
IX-10.164-2/24
Eerste auditeur Joke Goris heeft in beide zaken een verslag opgesteld.
De verwerende partij, de verzoekende partij en de tussenkomende partij hebben in beide zaken een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn in beide zaken opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 april 2024.
Staatsraad Jim Deridder heeft in beide zaken verslag uitgebracht.
Advocaat Sven Boullart, die loco advocaat Karo De Jonge verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Wouter Rubens, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn in beide zaken gehoord.
Eerste auditeur Joke Goris heeft in beide zaken een andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker neemt in 2021 deel aan een selectieprocedure “voor de aanleg van een wervingsreserve voor statutaire en contractuele functies van scheepvaartbegeleider en scheepvaartbegeleider-buffer bij De Vlaamse Waterweg NV – voor de Afdeling Sturing-Scheepvaartmanagement”.
Het ‘Selectiereglement – selectieprocedure voor de aanleg van een wervingsreserve voor statutaire en contractuele functies van
IX-10.164-3/24
scheepvaartbegeleider en scheepvaartbegeleider-buffer bij De Vlaamse Waterweg NV – voor de afdeling Sturing-Scheepvaartmanagement – diverse standplaatsen:
februari 2021’ (hierna: ‘het selectiereglement 2021’) omvat naast de termijnen voor kandidaatstelling en de timing van de selectieprocedure onder meer ook het selectieprogramma en bepalingen omtrent de wervingsreserve.
Het selectiereglement 2021 bepaalt in randnummer 8:
“Er wordt naar aanleiding van deze selectie een wervingsreserve (zonder rangschikking) aangelegd voor de functie van scheepvaartbegeleider (-buffer) in de graad van technisch assistent bij de Vlaamse Waterweg die bestaat uit de lijst van geschikten.
Deze reserve heeft een geldigheidsduur van maximaal 2 jaar en gaat in vanaf de datum van het proces-verbaal van de selectieprocedure. De wervende entiteit kan je gedurende deze periode voorstellen om in dienst te komen als scheepvaartbegeleider (-buffer). Desgevallend kan de lijnmanager beslissen om de geldigheidsduur van deze reserve te verlengen.
De wervende entiteit kan optioneel beslissen om kandidaten uit de wervingsreserve uit te nodigen voor een bijkomend gesprek waarin motivatie, wederzijdse verwachtingen en de inzetbaarheid in de functie aan bod kunnen komen.”
Verzoeker wordt opgenomen in de wervingsreserve.
3.2. Begin 2022 start de verwerende partij een nieuwe selectieprocedure met hetzelfde doel. In het ‘Selectiereglement – selectieprocedure voor de aanleg van een wervingsreserve voor statutaire en contractuele functies van scheepvaartbegeleider en scheepvaartbegeleider-buffer bij de Vlaamse Waterweg NV – voor de afdeling Sturing-Scheepvaartmanagement – diverse standplaatsen: februari 2022’ (hierna: ‘het selectiereglement 2022’) worden het takenpakket en het functieprofiel bepaald, alsook de deelnemingsvoorwaarden. De selectieprocedure bestaat uit:
 een CV-screening;
 een psychotechnische screening door een extern selectiekantoor, waarbij de kandidaat de beoordeling ‘gunstig’ moet behalen om verder deel te nemen;
IX-10.164-4/24
 een vaktechnische proef en een functiegericht eindgesprek met één of meer afgevaardigden van de wervende entiteit en een externe selectieverantwoordelijke, met beoordeling van vaktechnische competenties, motivatie voor de functie, inpasbaarheid binnen de organisatie en zelfstandig werken. Deze selectiefase is eliminerend.
Op grond van het totaalbeeld krijgen de kandidaten een beoordeling ‘geschikt’ of ‘niet geschikt’. De geschikt bevonden kandidaten krijgen toegang tot de wervingsreserve, zonder rangschikking, die twee jaar geldig is.
Tijdens die periode kan het bestuur hetzij aan een kandidaat voorstellen om in dienst te komen als scheepvaartbegeleider(-buffer), hetzij beslissen om de kandidaten uit te nodigen voor een bijkomend gesprek (toewijzingsgesprek)
waarin de criteria ‘motivatie’, ‘wederzijdse verwachtingen’ en ‘inzetbaarheid in de functie’ aan bod kunnen komen.
3.3. Vervolgens worden de wervingsreserves van 2021 en 2022
aangesproken om kandidaten op te roepen voor de toewijzing van de eenenveertig beschikbare plaatsen.
De verwerende partij opteert voor de mogelijkheid om toewijzingsgesprekken te organiseren waarin de drie vóórmelde criteria worden beoordeeld op een schaal van 1 (zwak) tot 5 (sterk). De kandidaten moeten op elk criterium minstens een score 3 behalen om geschikt te worden bevonden; de totaalscore is de som van de drie deelscores.
De toewijzing geschiedt per standplaats aan de kandidaat met de hoogste totaalscore, met inachtneming van de volgende regels:
“[…]
Regel 2: Indien ex-aequo tussen 2 of meerdere kandidaten:
Dit zijn allen volwaardige kandidaten ongeacht hun prioritering. Echter om zo veel mogelijk tegemoet te komen aan de voorkeur van de kandidaten, wordt voor elke kandidaat eerst nagegaan of er een standplaats kan toegewezen worden waaraan de kandidaat een hogere prioriteit heeft meegegeven.
IX-10.164-5/24
[…]
Regel 3:
De plaats wordt toegewezen aan het personeelslid dat reeds op deze standplaats of vervolgens binnen het samenwerkingsverband werkt.
Indien dit niet tot een toewijzing leidt, m.a.w. meerdere personeelsleden hieraan beantwoorden, gaan we over naar regel 4
Regel 4:
De plaats wordt toegewezen aan het personeelslid met de hoogste anciënniteit op deze standplaats of vervolgens binnen dit samenwerkingsverband of indien geen van beide kandidaten op deze standplaats of binnen het samenwerkingsverband werkt, bepaalt de totale anciënniteit bij DVW van de kandidaat de toewijzing.”
3.4. Verzoeker stelt zich kandidaat.
Met een e-mail van 25 maart 2022 deelt de verwerende partij aan verzoeker mee dat hij al deel uitmaakt van de wervingsreserve van 2021 en dus niet moet deelnemen aan de vaktechnische proef of het jurygesprek van de nieuwe selectieprocedure.
3.5. Met een e-mail van 2 juni 2022 wordt aan verzoeker meegedeeld:
“U bent opgenomen in een werfreserve Scheepvaartbegeleider (buffer) bij De Vlaamse Waterweg. Recentelijk heeft u een mail ontvangen met een keuzelijst met de openstaande plaatsen voor deze functie.
U heeft zich kandidaat gesteld voor één of meerdere openstaande plaatsen.”
3.6. Op 7 juni 2022 vindt het toewijzingsgesprek met verzoeker plaats.
3.7. Met een e-mail van 15 juli 2022 deelt de externe selectieverantwoordelijke A. (hierna: bureau A.) aan verzoeker mee dat hem geen standplaats kon worden toegewezen. Met betrekking tot de standplaats Denderleeuw luidt de conclusie van de beoordeling:
“Op basis van het toewijzingsgesprek zien we [verzoeker] als niet geschikt voor Denderleeuw (vaste), ondanks het feit dat zijn motivatie voldoende is,
IX-10.164-6/24
overtuigt hij nog te weinig op vlak van inzetbaarheid en wederzijdse verwachtingen voor deze standplaats.
Op basis van het toewijzingsgesprek zien [we verzoeker] als niet geschikt voor Denderleeuw (buffer). Hij overtuigt nog te weinig op vlak van motivatie, inzetbaarheid en wederzijdse verwachtingen voor deze standplaats.”
Verzoeker wordt aldus ‘niet geschikt’ bevonden.
Op 18 juli 2022 bezorgt bureau A. aan verzoeker het selectieverslag. Daaruit blijkt dat verzoeker voor de standplaats Denderleeuw (vast) voor ‘motivatie’ een score 3 (‘voldoende’) behaalt, maar voor ‘wederzijdse verwachtingen’ en ‘inzetbaarheid in de functie’ telkens een score 2 (‘eerder zwak’). Voor de standplaats Denderleeuw (buffer) scoort verzoeker voor de drie selectiecriteria 2 (‘eerder zwak’).
3.8. Op 29 september 2022 beslist de gedelegeerd bestuurder over de toewijzing van de statutaire betrekkingen.
De standplaats Denderleeuw (vast) wordt toegewezen aan de tussenkomende partij.
Dat is de tweede bestreden beslissing in de zaak A.
237.787/IX-10.164.
3.9. Met een brief van 30 september 2022 deelt de gedelegeerd bestuurder aan verzoeker mee dat hij op basis van het voorstel van de directieraad een beslissing tot toewijzing heeft genomen. Aan verzoeker wordt zijn persoonlijk resultaat met motivering meegedeeld, alsook het beoordelingsverslag van bureau A.
Hierin leest verzoeker de eerste bestreden beslissing in de zaak A. 237.787/IX-10.164.
IX-10.164-7/24
3.10. Op 7 november 2022 beslist de gedelegeerd bestuurder om de tussenkomende partij toe te laten tot de proeftijd.
Dat is de derde bestreden beslissing in de zaak A.
237.787/IX-10.164 en de eerste bestreden beslissing in de zaak A.
238.631/IX-10.223.
3.11. Op 25 april 2023 benoemt de gedelegeerd bestuurder de tussenkomende partij definitief in de graad van technisch assistent bij De Vlaamse Waterweg, met ingang van 16 maart 2023.
Dat is de vierde bestreden beslissing in de zaak A.
237.787/IX-10.164 en de tweede bestreden beslissing in de zaak A.
238.631/IX-10.223.
IV. Samenvoeging
4.1. Het past, met het oog op een goede rechtsbedeling, de zaken A. 237.787/IX-10.164 en A. 238.631/IX-10.223 samen te voegen en er in één arrest uitspraak over te doen.
4.2. Voor zover de verwerende partij in haar laatste memories doet gelden dat er nog vier andere beroepen tot nietigverklaring hangende zijn die eveneens betrekking hebben op de toewijzing van de statutaire betrekking van scheepvaartbegeleider(-buffer) en dat zij in die procedures nog geen kennis heeft van het auditoraatsverslag, merkt de Raad van State op dat zulks de samenvoeging van (enkel) de hiervóór vermelde beroepen niet in de weg staat. Evenmin is het noodzakelijk dat deze dossiers, die zich niet in dezelfde stand van de procedure bevinden, gelijktijdig zouden worden behandeld.
V. Ontvankelijkheid
A. De vormelijke regelmatigheid van het beroep in de zaak A. 237.787/IX-10.164
IX-10.164-8/24
Uiteenzetting van de exceptie
5. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij als eerste exceptie op dat het beroep tot nietigverklaring in de zaak A.
237.787/IX-10.164 niet ontvankelijk is omdat het niet werd gedagtekend of ondertekend.
IX-10.164-9/24
Beoordeling
6.1. Verzoeker heeft voor de neerlegging van zijn verzoekschrift gebruikgemaakt van de elektronische procesvoering zoals geregeld in artikel 85bis van het algemeen procedurereglement.
6.2. Naar luid van paragraaf 3 van dat artikel, geschiedt elk gebruik van de elektronische procesvoering na identificatie door middel van een in België afgegeven elektronische identiteitskaart. In paragraaf 5 is bepaald dat elk processtuk dat op de website van de Raad van State wordt neergelegd, geacht wordt ondertekend te zijn overeenkomstig artikel 1 van het algemeen procedurereglement door de registratiehouder die het heeft neergelegd.
Het verzoekschrift is derhalve door verzoeker ondertekend.
6.3. Artikel 85bis, § 6, van het algemeen procedurereglement luidt:
“Het tijdstip waarop een processtuk als neergelegd wordt beschouwd, is het ogenblik waarop het wordt neergelegd op de website. De datum van de neerlegging wordt in het elektronisch dossier vermeld.”
Hieruit volgt dat het beroep vaste datum heeft gekregen bij de neerlegging van het verzoekschrift.
6.4. De exceptie wordt verworpen.
B. Geen inventaris van de stukken in de zaak A. 237.787/IX-10.164
Uiteenzetting van de exceptie
7. De verwerende partij werpt als tweede exceptie in de zaak A. 237.787/IX-10.164 op dat het beroep niet ontvankelijk is omdat geen inventaris van de stukken zou zijn bijgevoegd.
IX-10.164-10/24
Beoordeling
8. Uit het elektronisch dossier van de rechtspleging blijkt dat verzoeker bij zijn beroep een inventaris der stukken heeft gevoegd.
De exceptie mist feitelijke grondslag.
C. Ontvankelijkheid wat het voorwerp betreft in de zaak A. 237.787/IX-10.164
Uiteenzetting van de exceptie
9. In een derde exceptie in de zaak A. 237.787/IX-10.164 doet de verwerende partij gelden dat de vierde bestreden beslissing in dat beroep een onbestaande rechtshandeling is, aangezien de tussenkomende partij op het ogenblik van het instellen van dat beroep de proeftijd nog niet had doorlopen en dus nog niet kon worden benoemd.
Beoordeling
10. De vierde bestreden beslissing in de zaak A. 237.787/IX-10.164
was nog niet genomen op het ogenblik dat verzoeker zijn beroep in die zaak heeft ingesteld. Het beroep is in dat opzicht voorbarig en onontvankelijk. De exceptie is gegrond.
Verzoeker heeft evenwel de benoeming van de tussenkomende partij aangewezen als de tweede bestreden beslissing in de zaak A.
238.631/IX-10.223 en heeft, na kennisname van dat stuk in het door de verwerende partij neergelegde administratief dossier, in de memorie van wederantwoord aangegeven dat hij er belang bij heeft “in huidige zaak opnieuw de beslissingen tot toelating tot de stage en tot benoeming aan te vechten”. Aldus heeft verzoeker impliciet, maar zeker het voorwerp van zijn beroep in die zaak uitgebreid tot die benoemingsbeslissing. De verwerende partij betwist terecht niet de ontvankelijkheid van het beroep in de zaak A. 238.631/IX-10.223 in dat opzicht.
IX-10.164-11/24
D. Wat het belang betreft in de zaak A. 238.631/IX-10.223
Uiteenzetting van de exceptie
11. In de memorie van antwoord in de zaak A. 238.631/IX-10.223
doet de verwerende partij gelden dat een vernietiging van de bestreden beslissingen verzoeker geen voordeel kan opleveren, zodat hij ook geen blijk geeft van het rechtens vereiste belang.
De verwerende partij argumenteert dat een vernietiging geen afbreuk zou doen aan de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van 29 september 2022 om “de statutaire betrekking van scheepvaartbegeleider (-buffer) voor standplaats ‘cluster Teralfene-Denderleeuw (standpl.
Denderleeuw)’ toe te wijzen aan” de tussenkomende partij en dat voor verzoeker aldus geen nieuwe kans ontstaat om zelf te worden benoemd.
Beoordeling
12. De Raad van State wijst erop dat de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van 29 september 2022 de tweede bestreden beslissing is in de zaak A. 237.787/IX-10.164. Die beslissing is dus niet definitief geworden.
De exceptie mist feitelijke en juridische grondslag.
E. Laattijdigheid van het beroep in de zaak A. 238.631/IX-10.223
Uiteenzetting van de exceptie
13. De verwerende partij werpt op dat verzoekers beroep laattijdig is, minstens wat de eerste bestreden beslissing van dat beroep betreft. Ter zake argumenteert de verwerende partij dat individuele beslissingen ten aanzien van de tussenkomende partij weliswaar niet aan verzoeker moesten worden betekend,
IX-10.164-12/24
maar dat de zestigdagentermijn om die beslissingen aan te vechten wel ingaat nadat verzoeker er feitelijk kennis van heeft genomen.
Die feitelijke kennisname is volgens de verwerende partij wat de eerste bestreden beslissing in het beroep betreft onmogelijk in 2023 te situeren, aangezien verzoeker die beslissing reeds in de zaak A. 237.787/IX-10.164
bestrijdt.
Beoordeling
14.1. In zijn beroep gekend onder rolnummer A. 237.787/IX-10.164, heeft verzoeker de beslissingen waarbij de tussenkomende partij voor de in het geding zijnde betrekking wordt toegelaten tot de proeftijd en vervolgens wordt benoemd, aangewezen als de derde en de vierde bestreden beslissing.
Het is derhalve duidelijk dat verzoeker, die uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij van de derde bestreden beslissing nog niet in het bezit was gesteld en dat de vierde bestreden beslissing nog niet was genomen, te kennen heeft gegeven dat hij ook die beslissingen wenst aan te vechten.
14.2. Bij zijn beroep gekend onder rolnummer A. 238.631/IX-10.223
zoals ingesteld op 13 maart 2023, voegt verzoeker een e-mail van de verwerende partij van 12 januari 2023, gericht aan de Beroepsinstantie inzake de Openbaarheid van Bestuur (hierna: de beroepsinstantie) waartoe verzoeker zich blijkbaar heeft moeten wenden om een afschrift te krijgen van de beslissingen waarbij de andere kandidaten tot de proeftijd werden toegelaten.
Blijkens dat stuk heeft de voorzitter van de beroepsinstantie zich op 9 januari 2023 tot de verwerende partij gericht met het volgende bericht:
“Zoals u wellicht al weet, ontvingen wij op 5 januari 2023 een beroepschrift inzake openbaarheid van bestuur (Bestuursdecreet van 7 december 2018)
van [verzoeker] en derhalve zijn wij nu belast met een onderzoek in dit dossier.
IX-10.164-13/24
Met zijn oorspronkelijk verzoek d.d. 25 november 2022 had verzoeker aan jullie (De Vlaamse Waterweg) gevraagd om een afschrift te verlenen van de beslissingen tot toelating tot de stage van de 41 geselecteerden (bestendige invulling via statutarisering van 41 scheepvaartbegeleiders).
Tot op heden werd er niet gereageerd vanuit de Vlaamse Waterweg op voormeld openbaarheidsverzoek.
Met een mail d.d. 5 januari 2023 heeft verzoeker nu beroep ingesteld tegen de ontstentenis van beslissing vanwege de Vlaamse waterweg. Het beroep werd geregistreerd op 9 januari 2023.
Ik had graag nog wat bijkomende informatie bekomen, teneinde dit beroep met kennis van zaken te kunnen beoordelen en verder af te handelen:
– kunt u ons meedelen of u beschikt over het door verzoekster gevraagde documenten, zoals hiervoor vermeld?
– betreft het hier effectief bestaande bestuursdocumenten? Zo, gelieve ons daarvan dan een afschrift te willen toesturen.
– zijn jullie eventueel alsnog bereid om de gevraagde documenten mee te delen aan de betrokkene? Dan kan het ingestelde beroep als zonder voorwerp worden beschouwd. Gelieve ons in dat geval een afschrift te bezorgen van de brief of mail waarmee die informatie zou worden bezorgd aan verzoeker.
– of zijn er wettelijke of decretale uitzonderings[g]ronden in te roepen waardoor de gevraagde documenten niet of eventueel slechts gedeeltelijk openbaar kan worden gemaakt? Zo ja dewelke en graag wat toelichting daarbij dan.”
Met de voormelde e-mail van 12 januari 2023 antwoordt de verwerende partij aan de beroepsinstantie:
“In navolging van uw mailbericht van 9 januari, vind je in bijlage de gevraagde documenten, zijnde de besluiten tot toelating tot de proeftijd van de drie laureaten van de plaatsen waarvoor [verzoeker] tevens kandideerde.
Ik geef nog even mee dat deze besluiten pas recent werden opgemaakt door onze personeelsadministratie en dus niet eerder beschikbaar waren.
Bovendien ontvingen we vandaag eveneens de verzoekschriften van de Raad van State inzake de vernietiging van deze besluiten.”
14.3. Niet alleen blijft de verwerende partij in gebreke aan te tonen dat verzoeker vóór 12 januari 2023 in het bezit was van de beslissing om de tussenkomende partij tot de stage toe te laten (de e-mail van de verwerende partij was niet tevens aan verzoeker gericht), uit de stukken van het dossier blijkt dat de diensten van de verwerende partij uitdrukkelijk hebben aangegeven dat zulks ook onmogelijk is, aangezien die besluiten “pas recent werden opgemaakt door [de]
personeelsadministratie en dus niet eerder beschikbaar waren”.
IX-10.164-14/24
14.4. De exceptie mist elke geloofwaardigheid.
F. Wat het belang betreft in de zaken A. 237.787/IX-10.164 en A.
238.631/IX-10.223
Uiteenzetting van de exceptie
15. In haar laatste memories werpt de verwerende partij een nieuwe exceptie op, die luidt dat zij werkt aan een nieuwe statutariseringsprocedure die in het voorjaar van 2024 zou worden gelanceerd en dat verzoeker daarbij opnieuw kandidaat kan zijn.
De verwerende partij erkent dat zij op die procedure niet kan vooruitlopen, maar stelt dat indien verzoeker als één van de laureaten zou worden aangewezen, hij niet langer van het vereiste actueel belang blijk zou geven.
Minstens, zo besluit de verwerende partij, zou aan verzoeker moeten worden gevraagd waarin zijn belang dan nog zou kunnen bestaan.
Beoordeling
16. Ter terechtzitting is gebleken dat de aangekondigde nieuwe statutariseringsronde op dat ogenblik nog niet was opgestart, laat staan afgerond.
De veronderstelling dat verzoeker bij deelname met zekerheid begunstigde van een statutaire aanstelling zal zijn, is op dit ogenblik al te hypothetisch.
17. De exceptie wordt verworpen.
VI. Regelmatigheid van de rechtspleging
IX-10.164-15/24
18. In haar laatste memories doet de verwerende partij gelden dat het haar betekende auditoraatsverslag twee onvolledige zinnen bevat. “In de mate [zij]
niet in [de] mogelijkheid is (geweest)” om op de ontbrekende overwegingen te antwoorden, is de verwerende partij van oordeel dat haar rechten van verdediging zijn geschonden.
19. De Raad van State stelt vast dat de tekstuele onvolkomenheden zich voordoen in het auditoraatsverslag zoals het aan de partijen is toegezonden en het zich in de dossiers van de rechtspleging bevindt. De verwerende partij beschikt derhalve niet over minder informatie dan verzoeker, de tussenkomende partij of de Raad zelf.
20. Voorts is de Raad van State van oordeel dat uit het geheel van de tekst van het auditoraatsverslag voldoende blijkt op grond van welke redenering de auditeur-verslaggever tot haar beoordeling is gekomen om er met kennis van zaken op te kunnen reageren in een laatste memorie, zodat de grief moet worden verworpen.
VII. Precisering van het voorwerp
21. Uit de uiteenzetting van de feitelijke gegevens blijkt dat de verschillende beslissingen die verzoeker aanvecht, deels overlappen.
Met het oog op het onderzoek van de middelen worden de bestreden beslissingen als volgt aangewezen:
 eerste bestreden beslissing: de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van De Vlaamse Waterweg van 30 september 2022 waarbij verzoeker, minstens impliciet, ongeschikt wordt verklaard voor de statutaire betrekking van scheepvaartbegeleider met standplaats Denderleeuw (vast);
 tweede bestreden beslissing: de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van De Vlaamse Waterweg van 29 september 2022 waarbij de statutaire betrekking van scheepvaartbegeleider met standplaats Denderleeuw (vast)
wordt toegewezen aan de tussenkomende partij;
IX-10.164-16/24
 derde bestreden beslissing: de beslissing van 7 november 2022 waarbij de tussenkomende partij wordt toegelaten tot de stage;
 vierde bestreden beslissing: de beslissing van 25 april 2023 waarbij de tussenkomende partij vast benoemd wordt bij De Vlaamse Waterweg in de graad van technisch assistent.
VIII. Onderzoek van de middelen
A. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
22. In een derde middel beroept verzoeker zich op een schending van het selectiereglement 2022. Hij voert aan dat kandidaten voor de wervingsreserve van 2022 zich tot 6 maart 2022 konden inschrijven en dat de tussenkomende partij zich pas ná die datum heeft ingeschreven en dus ten onrechte tot de selectieprocedure werd toegelaten.
23. Met haar laatste memories legt de verwerende partij onder meer als vertrouwelijk stuk neer, een lijst ‘proces-verbaal – vacature: werfreserve Scheepvaartbegeleider (buffer)’.
24. In zijn laatste memories doet verzoeker nog gelden dat zijn rechten van verdediging zijn geschonden doordat dit stuk als vertrouwelijk wordt neergelegd en dat de daarvoor opgegeven reden – de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personeelsleden – niet overtuigt.
Beoordeling
25. Verzoeker vraagt niet om de opheffing van de vertrouwelijkheid van het door de verwerende partij neergelegde stuk.
IX-10.164-17/24
De Raad van State kan vaststellen dat de tussenkomende partij daarin staat vermeld als behorend tot de wervingsreserve van 2021.
26. In die omstandigheden was de tussenkomende partij niet ingeschreven voor de selectieprocedure van 2022 en moest zij niet opnieuw kandideren om vanuit de wervingsreserve van 2021 te kunnen worden opgeroepen voor het toewijzingsgesprek. Dat was voor verzoeker niet anders, zoals blijkt uit de sub 3.4 en 3.5 aangehaalde e-mails.
27. Het derde middel is ongegrond.
B. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
28. In een eerste middel beroept verzoeker zich op machtsoverschrijding. Hij voert aan dat hij reeds was opgenomen in de wervingsreserve voor de functie van scheepvaartbegeleider(-buffer) in 2021. Ten onrechte, zo stelt verzoeker, heeft de verwerende partij aan die reserve, die nog niet was uitgeput, geen voorrang gegeven en voor de invulling van de eenenveertig functies geput uit de wervingsreserves van 2021 én 2022. Daardoor werden volgens verzoeker zijn aanspraken genegeerd en heeft de verwerende partij haar bevoegdheid overschreden. Minstens, aldus verzoeker, had de verwerende partij bij de toewijzing van de eenenveertig functies in de huidige procedure aan de geslaagden uit de oudste wervingsreserve voorrang moeten geven.
29. In de memories van wederantwoord stelt verzoeker nog dat de verwerende partij heeft nagelaten om een regeling uit te werken die bepaalt welke wervingsreserves in aanmerking zouden komen en uit welke reserve de kandidaten al dan niet een voorrang konden doen gelden.
30. Verzoeker argumenteert in zijn laatste memories dat de door de verwerende partij in haar laatste memories opgeworpen exceptie – die luidt dat
IX-10.164-18/24
verzoeker hoe dan ook geen belang heeft bij het middel, omdat de tussenkomende partij eveneens deel uitmaakte van de wervingsreserve van 2021 en verzoeker de door hem aangevoerde voorrang dus ten aanzien van de tussenkomende partij niet kon doen gelden – niet van openbare orde is en dat zij te laat in de procedure wordt opgeworpen om ontvankelijk te zijn. Ten gronde stipt verzoeker nog aan dat zelfs indien alle kandidaten in de selectieprocedures van 2021 en 2022 aan “eenzelfde jurygesprek” werden onderworpen, de jury alleszins niet identiek was samengesteld.
Beoordeling
31. De vraag naar het belang raakt de openbare orde en mag, desnoods ambtshalve, in elke stand van het geding worden opgeworpen.
De exceptie die de verwerende partij in haar laatste memories opwerpt, is ontvankelijk.
32.1. Het eerste middel kan enkel worden betrokken op de tweede, de derde en de vierde bestreden beslissing – waarbij de tussenkomende partij de betrokken standplaats krijgt toegewezen, tot de stage wordt toegelaten en tot slot wordt benoemd.
32.2. Verzoeker voert in dit middel níét aan dat hij, omwille van zijn plaats in de wervingsreserve van 2021, in de selectieprocedure van 2022 niet opnieuw voor een ‘bijkomend gesprek’ of ‘toewijzingsgesprek’ kon worden uitgenodigd.
De Raad van State stipt aan dat zowel het selectiereglement van 2021 als dat van 2022 bepaalt dat kandidaten uit de wervingsreserve kunnen worden uitgenodigd voor een toewijzingsgesprek waarin motivatie, wederzijdse verwachtingen en de inzetbaarheid in de functie aan bod kunnen komen. Een opname in de wervingsreserve stelt een kandidaat derhalve niet vrij van een nieuw toewijzingsgesprek indien het bestuur daartoe besluit.
IX-10.164-19/24
32.3. Verzoeker voert evenmin aan dat de beoordeling van zijn geschiktheid door bureau A. – zoals bijgevallen door de gedelegeerd bestuurder in de eerste bestreden beslissing – kaduuk zou zijn.
33.1. De Raad van State stelt vast dat verzoeker niet aanvoert, laat staan bewijst, dat de tussenkomende partij in 2021 ten onrechte geschikt werd bevonden.
Hiervóór is vastgesteld dat de tussenkomende partij eveneens behoort tot de wervingsreserve van 2021. Zelfs indien, zoals verzoeker aanvoert, de oudste wervingsreserve moet worden uitgeput alvorens kandidaten uit een navolgende selectieprocedure kunnen worden aangesteld, dan nog kan verzoeker op grond daarvan geen voorrangsrecht laten gelden ten aanzien van de tussenkomende partij.
Aangezien, zoals hiervóór is opgemerkt, verzoeker noch het toewijzingsgesprek, noch de daarop steunende beoordeling betwist, dient verzoeker de voorrang van de in dat gesprek beter beoordeelde tussenkomende partij te ondergaan.
33.2. Verzoekers betoog in zijn laatste memories omtrent de samenstelling van de jury is een nieuw en dus onontvankelijk middel.
34. Het middel is, in zoverre ontvankelijk, ongegrond.
C. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
35. In een tweede middel beroept verzoeker zich op een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van artikel III 7 (bedoeld wordt: artikel III 9)
van het Vlaams personeelsstatuut (VPS).
IX-10.164-20/24
Verzoeker voert aan dat zijn kandidatuur op 15 februari 2022
enkel betrekking had op het aanleggen van een wervingsreserve, waarbij er geen sprake was van concrete vacatures. Nadien, zo stelt verzoeker, werd een “toewijzing” voor eenenveertig functies casu quo standplaatsen georganiseerd, wat een afzonderlijke procedure was waarvoor een eigen selectiereglement moest worden opgesteld – wat niet is gebeurd. Verzoeker ziet daarin een miskenning van artikel III 9 VPS en hij stelt dat hij ook in zijn belangen werd geschaad doordat hij zich niet met kennis van zaken heeft kunnen voorbereiden.
36. Verzoeker preciseert in de memories van wederantwoord dat in een reglement had moeten zijn bepaald wie zich vanuit een wervingsreserve kandidaat kon stellen en of voorrang moest worden gegeven aan geslaagden uit een oudere wervingsreserve. Voorts stelt verzoeker dat de verplichting tot overleg met de representatieve vakorganisaties had kunnen leiden tot het bepalen van “een voorrangsregeling [en] andere geschiktheidscriteria”.
Beoordeling
37.1. Artikel III 9 VPS luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
“De selector stelt per selectie, in overleg met de lijnmanager, een selectiereglement vast.
Het selectiereglement regelt minstens welke diploma’s, studiegetuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen toegang geven tot de selectieprocedure, de datum waarop aan de voorwaarden voldaan moet zijn, het aantal en de aard van de testen, en de criteria op basis waarvan de geschiktheid of het geslaagd zijn beoordeeld worden.
Het selectiereglement regelt in voorkomend geval ook:
1° een mogelijke voorselectie, naargelang het aantal kandidaten;
2° een mogelijke beperkte procedure;
3° de samenstelling van de jury, waarvan de lijnmanager bij interne selectietesten minstens deel uitmaakt;
4° de regels voor de rangschikking;
5° de geldigheidsduur van de reserve;
6° het verlies en het behoud van een plaats in de reserve;
7° de mogelijkheid om een bijkomende test te organiseren voor de invulling van een bijkomende vacature voor dezelfde of een vergelijkbare functie.
IX-10.164-21/24
Met toepassing van artikel III 3, § 2, van dit besluit vermeldt het selectiereglement dat ook kandidaten zonder de diploma’s, studiegetuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen, vermeld in het selectiereglement, kunnen kandideren en, in voorkomend geval, welk ander bewijsstuk kandidaten moeten voorleggen om toegang te krijgen tot de selectieprocedure.”
37.2. De concrete toewijzing van eenenveertig standplaatsen waarvoor wordt geput uit kandidaten uit de wervingsreserves kan niet worden beschouwd als een nieuwe, afzonderlijke selectieprocedure, zodat er daarvoor ook geen afzonderlijk selectiereglement moest worden opgesteld.
De gehanteerde werkwijze strijdt niet met de bepalingen van artikel III 9 VPS.
38. Bovendien blijkt uit de administratieve dossiers dat op een infosessie in februari 2022 is meegedeeld dat het ging om een “aanleg wervingsreserve [en] toewijzing 41 statutaire plaatsen” en wat de timing “[v]oor de invulling van de 41 statutaire functies” zou zijn.
Aangezien hij deel uitmaakte van de wervingsreserve van 2021
diende verzoeker enkel deel te nemen aan het toewijzingsgesprek. Omtrent dat gesprek werd op de infosessie meegedeeld: “Hierbij worden volgende aspecten afgetoetst: motivatie, wederzijdse verwachtingen en inzetbaarheid in de functie.”
Dat is aan verzoeker nogmaals meegedeeld in een e-mail van 2 juni 2022.
Verzoeker voert niet aan dat hij aan de infosessie niet heeft kunnen deelnemen, dat hij de hiervóór vermelde e-mail niet heeft ontvangen of dat het door de verwerende partij neergelegde stuk niet overeenstemt met de gegeven toelichting. Verzoeker wist derhalve wat in het toewijzingsgesprek aan bod zou komen, zodat hij zich daarop wel degelijk kon voorbereiden.
39. Voor zover verzoeker argumenteert dat de verplichting tot overleg met de representatieve vakorganisaties had kunnen leiden tot het bepalen van “een voorrangsregeling [en] andere geschiktheidscriteria”, moet worden
IX-10.164-22/24
opgemerkt dat verzoeker niet aanwijst welke rechtsregel bij de totstandkoming van het selectiereglement 2022 zou zijn geschonden en dat de kritiek in de memories van wederantwoord hoe dan ook te laat komt.
40. Verzoekers betoog dat zijn kandidatuur op 15 februari 2022
enkel betrekking had op het aanleggen van een wervingsreserve en dat er geen sprake was van concrete vacatures, overtuigt niet. Uit de administratieve dossiers blijkt immers dat het toewijzingsgesprek van 2022 betrekking had op zeven plaatsen – (i) cluster Idegem vast, (ii) cluster Idegem buffer, (iii) cluster Teralfene-Denderleeuw vast, (iv) cluster Teralfene-Denderleeuw buffer, (v)
cluster Oudenaarde-Asper buffer, (vi) cluster Kerkhove-KBK buffer en (vii)
centrale Lembeek buffer. Uit de beoordeling blijkt dat verzoeker zijn motivatie met betrekking tot deze zeven plaatsen heeft uiteengezet.
Verzoeker beticht dit beoordelingsverslag niet van valsheid en hij toont evenmin aan dat hij heeft gekandideerd voor andere plaatsen, waarvoor hij dan ten onrechte niet zou zijn beoordeeld.
41. Het tweede middel is ongegrond.
IX. Kosten
42. De verwerende partij verzoekt de Raad van State in beide zaken om aan verzoeker de betaling van een rechtsplegingsvergoeding op te leggen.
De verwerende partij kan in beide zaken als de in het gelijk gestelde partij worden beschouwd en dus aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding. Die kan evenwel worden herleid tot 770 euro in de zaak A. 237.787/IX-10.164 en tot 154 euro in de zaak A. 238.631/IX-10.223, aangezien het verweer in beide zaken nagenoeg hetzelfde is.
IX-10.164-23/24
BESLISSING
1. De zaken A. 237.787/IX-10.164 en A. 238.631/IX-10.223 worden samengevoegd.
2. De Raad van State verwerpt de beroepen.
3. De verzoekende partij wordt in beide zaken verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 48 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
De tussenkomende partij wordt in beide zaken verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren
IX-10.164-24/24

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.789

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.789

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.