ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.836
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.836 Rolnummer: A. 238885/XII-9533 Zaak: Arrest 260836 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 30/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-10 Raadplegingen: 171 - laatst gezien 2026-06-04 04:46 Fiche Arrest nr 260.836 van 30...
40 min de lecture · 8 638 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 30 september 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.836
Rolnummer:
A. 238885/XII-9533
Zaak:
Arrest 260836 – Varia (sociale zaken en volksgezondheid) – 30/09/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-10-10
Raadplegingen:
171 – laatst gezien 2026-06-04 04:46
Fiche
Arrest nr 260.836 van 30 september 2024 Sociale zaken en volksgezondheid
– Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Tussenkomst
geweigerd
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.836 no lien 279040 identiques
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 260.836 van 30 september 2024
in de zaak A. 238.885/XII-9533
In zake : de BV LIFE-CARE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geert Reniers kantoor houdend te 3600 Genk Jaarbeurslaan 19/31
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrik De Maeyer en Daisy Daniels kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7
bij wie woonplaats wordt gekozen
Verzoekende partij in tussenkomst:
de VZW DIENST 112 LOCHRISTI
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joyce Van Heetvelde kantoor houdend te 9000 Gent Citroenstaat 34
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 17 april 2023, strekt tot de nietigverklaring van:
“1. de beslissing van de gezondheidsinspecteurs van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu d.d. 16 februari 2023, dhr. [T.D.] en mevr. [F.L.] om voor wat betreft de openstelling van een extra conventie in regio Gent Zuid, dat de ingestuurde motivaties gelijklopend zijn en hier geen punten op gegeven kunnen worden en om een tweede ronde te organiseren waarbij extra ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.836 XII-9533-1/25
vragen zullen gesteld worden over de diensten en het ingestuurde dossier, waarna op basis van deze extra vragen 1 van de twee diensten de extra conventie zal worden toegewezen en waarbij de dienst Art en de dienst Vlaams Kruis in de tweede ronde niet worden weerhouden gezien het eindresultaat lager ligt dan de twee gelijke, hoogste scores;
[…]
2. de ‘beslissing’, zoals meegedeeld op 29 maart 2023 tot bepaling van een aantal items ‘die voor ons als dienst belangrijk zijn’ waarrond dieper bevraagd zal worden.”
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge-diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
De vzw Dienst 112 Lochristi heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is voorlopig toegestaan bij beschikking nr. 116-n van 15 september 2023. De verzoekende partij in tussenkomst heeft een memorie ingediend.
Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2024.
Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Liesse Vallé, die loco advocaat Geert Reniers verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Daisy Daniels, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Joyce Van Heetvelde, die verschijnt voor de verzoekende partij in tussenkomst, zijn gehoord.
XII-9533-2/25
Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De verzoekende partij is een besloten vennootschap en heeft als voorwerp het ziekenvervoer en het vervoer van personen in het algemeen.
Op 1 januari 2019 sluiten de verzoekende partij en de verwerende partij een overeenkomst “Ambulancedienst Dringende Geneeskundige Hulp-verlening”. Daarmee beogen zij de samenwerking in het kader van de dringende geneeskundige hulpverlening overeenkomstig de wet van 8 juli 1964
‘betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening’ (hierna: de wet van 8 juli 1964) en de uitvoeringsbesluiten ervan. De verzoekende partij beschikt over vier ambulances die worden gebruikt voor de Dringende Geneeskundige Hulpverlening (hierna: de DGH) en twee permanenties, met name de permanentie Gentbrugge 1
nummer 458011 en de permanentie Gentbrugge 2 nummer 458012.
3.2. De verzoekende partij in tussenkomst is een vereniging zonder winstoogmerk en heeft tot doel het dringend vervoer van zieken en gewonden via ziekenwagens, in het kader van de wet van 8 juli 1964 via het eenvormig oproepstelsel 100/112. Blijkens de in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 19
juni 2012 bekendgemaakte statuten wordt de verzoekende partij in tussenkomst mede opgericht door D.D’H, die tevens door de algemene vergadering van 30 april 2012 tot bestuurder wordt benoemd (artikel 28 van de statuten).
Blijkens de notulen van de bijzondere algemene vergadering van 15 mei 2020
neemt D.D’H. met ingang van 15 mei 2020 vrijwillig ontslag als bestuurder van de verzoekende partij in tussenkomst.
XII-9533-3/25
3.3. Tijdens de vergadering van het bureau van de Provinciale Commissie voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening (hierna: de PCDGH)
Oost-Vlaanderen van 18 november 2021 wordt aangegeven dat de druk op de DGH versus de inzet van de medische middelen – vooral bij de Gentse ziekenwagen-diensten – bij momenten héél problematisch is in de Gentse regio.
Tijdens deze vergadering wordt ook gecommuniceerd omtrent de realisatie van een generiek e-mailadres.
Met een e-mail van 23 december 2021 kaart de federaal gezondheidsinspecteur – cluster West- en Oost-Vlaanderen van de Dienst Dringende Hulpverlening (hierna: de DDH) van het Directoraat-Generaal Gezondheidszorg van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, deze toestand in de regio Gent aan bij het diensthoofd van de DDH. Daartoe stelt hij voor dat op lange termijn een extra conventie voor regio Gent zal moeten worden bij gecreëerd en iedereen die voldoet aan een openstelling daarvan zal moeten kunnen deelnemen.
3.4. Tijdens de vergadering van het bureau van de PCDGH
Oost-Vlaanderen van 13 januari 2022 komt de kwestie van de werkdruk in de regio Gent opnieuw aan bod. In het verslag van deze vergadering wordt dienaangaande het volgende gesteld:
“Werkdruk op ziekenwagen Gent 1 (…)
De Federale gezondheidsinspectie Oost-Vlaanderen heeft een bezoek gebracht aan Hulpverleningszone Centrum, inzake de druk op de ziekenwagen Gent 1, met meer dan 5000 ritten.
Gezien de enorme werkdruk op de ziekenwagendienst, drong zich hier een snelle oplossing op en eveneens diende er gekeken te worden naar een oplossing op lange termijn.
(…)
Op lange termijn dient hier gekeken te worden naar een definitieve oplossing.
Dit kan slechts gebeuren na een verdere grondige analyse van de cijfers.
De vraag werd gericht – aan de heer [M.V.D.A.] – welke de voorwaarden zijn om een Conventie bij te creëren en welke de visie is van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu qua ruimte hiervoor.
Op deze vraag is – tot op heden – nog geen antwoord gekomen.
‘De Voorzitter benadrukt dat er absoluut nog géén sprake is van een nieuwe Conventie en dat iedereen hierbij betrokken zal worden en de discussie ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.836 XII-9533-4/25
hierover gezamenlijk, correct en ten gronde gevoerd zal worden en dat elke beslissing die hierin genomen zal worden, niet ten koste mag zijn van de andere diensten.
Bovendien dient er nog heel wat cijfermateriaal aangebracht te worden, om een eventuele Conventie hard te maken.
Desgevallend zal er een aparte werkgroep opgericht worden om onderzoek hierover te verrichten’.
De vertegenwoordiger van de ziekenwagendiensten merkt op dat :
– het Koninklijk Besluit voorziet dat er geen extra middelen bij gecreëerd kunnen/mogen worden, gezien de diensten er niet op achteruit mogen gaan.
– de vraag zich bovendien stelt, hoe men de financiering ervan zal afhandelen.
Het financieringsplan voorziet immers om het vrijgekomen geld terug te laten stromen naar bestaande ziekenwagendiensten en niet om bijkomende diensten op te richten.
Voor het creëren van een bijkomende Conventie, dient het financieringsplan herschreven te worden.
– het risico bestaat dat er precedenten geschapen zullen worden en dat ook andere diensten bijkomende middelen zullen aanvragen.
– de toegenomen werkdruk een personeelsproblematiek is, die de dienst zelf dient op te lossen.
De creatie van een extra middel kan hier geen oplossing bieden.
Prof. dr. [P.V.D.V.] vult aan dat het cijfermateriaal – dat aangeleverd wordt door de Noodcentrale 112 Oost-Vlaanderen – een objectief gegeven is.
Uit gegevens blijkt dat de creatie van PIT’s in de Gentse regio niet verantwoordelijk zijn voor een toename van de werkdruk op ziekenwagen Gent 1.
Er is een globale stijging van 20 % voor dit middel.
(…)”
3.5. Tijdens de vergadering van het bureau van de PCDGH
Oost-Vlaanderen van 10 maart 2022 wordt meegedeeld dat D.D’H. en K.S. een e-mailadres gecreëerd hebben van waaruit al hun communicaties – als vertegenwoordigers van ziekenwagendiensten binnen het bureau van de PCDGH –
naar de ziekenwagendiensten zullen worden gevoerd en waar ook alle communicaties van de ziekenwagendiensten kunnen op toekomen. De hulpverleners-ambulanciers kunnen – bij vraagstellingen of problemen – steeds een mail richten naar: [email protected]
Vanuit het voornoemd generiek e-mailadres stellen D.D’H. en K.S. met een e-mail van 14 maart 2022 zichzelf voor als vertegenwoordigers voor de ambulancediensten in het bureau van de PCDGH Oost-Vlaanderen en melden
XII-9533-5/25
zij dat zij steeds bereikbaar zijn via dit centraal e-mailadres bij eventuele vragen, voorstellen, opmerkingen over onder meer hun tussenkomsten in het bureau.
3.6. Tijdens de vergadering van het bureau van de PCDGH
Oost-Vlaanderen van 5 mei 2022 wordt het volgende aangegeven omtrent de werkdruk Gent:
“De problematiek werd ondertussen reeds besproken met Prof. dr.
[P.V.D.V.].
De belangrijkste reden is: te kunnen blijven beantwoorden aan de gestelde SLA.
Er blijken voldoende Conventies te zijn om uitbreiding te doen.
Het voorstel wordt geopperd om een werkgroep te creëren, waarin vertegenwoordigd zijn: de Noodcentrale 112 Oost-Vlaanderen, diensten Federale gezondheidsinspectie Oost-Vlaanderen, vertegenwoordigers van de ziekenwagendiensten, vertegenwoordigers van de PIT-diensten en eventueel ook vertegenwoordigers MUG-artsen en Spoedartsen.
Een eerste overleg werd gepland op: 24/05/2022 om 8 u 30 in de Noodcentrale 112 Oost- Vlaanderen.
De heer [T.D.] zal een vergaderverzoek plaatsen.
De Noodcentrale 112 Oost-Vlaanderen zal de uitnodiging versturen.”
3.7. Op 24 mei 2022 komt de voorgestelde werkgroep een eerste keer samen, waar de probleemstelling van regio Gent-Zuid wordt besproken. Er wordt geconcludeerd dat een extra conventie – omgeving expo Gent – verdedigbaar is en aan de vertegenwoordigers van de ziekenwagendiensten wordt de opdracht gege-ven hun achterban te bevragen aangaande de creatie van een nieuwe conventie.
Daaropvolgend, met een e-mail van 27 mei 2022 vanuit het voornoemde generiek e-mailadres vragen D.D’H. en K.S. aan de ziekenwagen-diensten Oost-Vlaanderen hun vragen, bezorgdheden, opmerkingen omtrent de bijkomende creatie van een extra conventie in de regio Zuid-West Gent over te maken vóór 20 juni 2022.
Op 19 juni 2022 antwoordt de verzoekende partij hierop dat een extra conventie haar ongepast lijkt en vraagt zij dat daarentegen een positief advies zou worden verleend over de uitbreiding van haar huidige conventie.
XII-9533-6/25
Op 21 juni 2022 geeft de verzoekende partij in tussenkomst aan haar invulling binnen het collocatieproject in vraag te stellen en vraagt zij de PCDGH Oost-Vlaanderen om de ziekenwagen Lochristi 2 efficiënter in te zetten, met name in ondersteuning voor de Gentse regio.
3.8. Op 24 juni 2022 komt de werkgroep nogmaals samen en komt het resultaat van de bevraging aan bod, waaruit blijkt dat een nieuwe conventie kan, maar geen financiële impact mag hebben op alle diensten. Een drietal diensten bevestigden geen bezwaar te hebben voor een nieuwe conventie, ook al heeft dit een impact op de subsidie. Een aantal diensten onthielden zich. Tevens doet D.D’H. het voorstel tot verplaatsing van Lochristi 2/stop collocatie. Gezien de te grote betrokkenheid van D.D’H., die deel uitmaakt van de werkgroep, wordt dit voorstel doorverwezen naar het bureau van de PCDGH Oost-Vlaanderen, maar wordt wel de opdracht gegeven aan de vertegenwoordigers van de ziekenwagendiensten om hun achterban te bevragen betreffende dit voorstel.
Met een e-mail van 25 juni 2022 vanuit het voornoemde generiek e-mailadres vraagt K.S. (als vertegenwoordiger van de ziekenwagendiensten) aan de ziekenwagendiensten Oost-Vlaanderen om bijkomende feedback vóór 4 juli 2022, aangaande het op de werkgroep van 24 juni 2022 nieuw geopperde voorstel.
Op 3 juli 2022 antwoordt de verzoekende partij op deze bijkomende bevraging. Op de door haar gemaakte opmerkingen reageert K.S. op zijn beurt op 7 juli 2022.
Met een e-mail van 11 augustus 2022 vraagt de verzoekende partij aan de federaal gezondheidsinspecteur – cluster West- en Oost-Vlaanderen van DDH – naar een stand van zaken betreffende de herlocalisatie van de ziekenwagen Lochristi 2.
3.9. Het bureau van de PCDGH Oost-Vlaanderen verwijst tijdens de vergadering van 8 september 2022 in eerste instantie naar de werkzaamheden van de werkgroep.
XII-9533-7/25
Daarnaast meldt het bureau dat de volgende twee aanvragen werden overgemaakt:
“1. Aanvraag van dienst 112 Lochristi tot wijziging van standplaats van het middel Lochristi 2 naar regio Gent, Valentin Vaerewyckweg;
2. Aanvraag van ziekenwagendienst Life Care voor de ontdubbeling van ziekenwagen Gent 5 tijdens de piekuren (8.00u en 20.00u) – standplaats Gentbrugge”.
Tevens worden nog volgende argumenten aangebracht:
– Omwille van 0.5 km ontvangt de dienst 100.000 euro minder werkingsmiddelen;
– Deze werkingsmiddelen zijn van vitaal belang om de dienst nog rendabel te laten draaien;
– Collocaties zijn vaak lange ritten en in combinatie met de verhoogde brandstofprijzen en een verminderde toelage, is dit een onhoudbare situatie;
– Momenteel is de dienst verlieslatend, maar desondanks zal de dienst – tot nadere beslissing – , de collocaties nog steeds op zich nemen;
– Lochristi 2 inschakelen in de reguliere hulpverlening is bedrijfsmatig een zeker financieel plan.
Het bureau van de PCDGH Oost-Vlaanderen geeft vervolgens 3 afzonderlijke adviezen en een hiërarchische voorkeur indien er een keuze dient te worden gemaakt, met name een advies betreffende het uitschrijven van een nieuwe conventie, een advies betreffende de aanvraag van Lochristi 2 en een advies betreffende de aanvraag van Life Care.
Het verslag van de vergadering van het bureau van de PCDGH
Oost-Vlaanderen van 8 september 2022 stelt wat de voornoemde drie adviezen betreft wat volgt:
“1. Uitschrijven nieuwe conventie voor regio Gent Zuid (regio Expo)
(…)
Het Bureau is het unaniem eens dat het uitschrijven van een nieuwe Conventie in de regio Gent-Zuid de meest optimale oplossing is.
XII-9533-8/25
Dit laat alle diensten – inclusief Lochristi en Life Care -, toe om in te tekenen op de nieuw uitgeschreven Conventie – dit is de meest neutrale oplossing (opstellen criteria + puntentoekenning) -.
Een bijkomende Conventie heeft uiteraard een impact op de gesloten enveloppe.
Wel dient opgemerkt te worden dat dit een vrij lange procedure is die enkele maanden in beslag neemt en dit uiteraard op voorwaarde dat de creatie van een extra Conventie aanvaard wordt door het Hoofdbestuur.
2. Verplaatsen dienst Lochristi2.
(…)
Het verplaatsen van dit middel op de voorgestelde locatie wordt door het Bureau gezien als een valabel initiatief.
Er dient wel de strikte voorwaarde te zijn dat de dienst dan ook effectief stopt met de functie collocatie-ambulance (zoals eertijds aangegaan met FOD VVVL). Bevestiging op papier is hier noodzakelijk en zal ook aan de dienst worden gevraagd.
De realisatie van deze verplaatsing kan op korte termijn gebeuren.
3. Ontdubbeling Life-Care (…)
Dit voorstel wordt eveneens door het Bureau als valabel initiatief aanzien.
Aantal bemerkingen :
Gezien dit een aanvraag is voor een extra Conventie, dient iedereen de kans te krijgen om zich kandidaat te stellen.
Bij voorkeur een conventie 24/7 – niet enkel op piekmomenten Conclusie: Het Bureau beslist:
1) Bij voorkeur een nieuwe Conventie uitschrijven in regio Gent-Zuid.
2) Indien er geen toestemming komt van het Hoofdbestuur – voor de creatie van een nieuwe Conventie – : de voorkeur te geven tot het verplaatsen van de ziekenwagen Lochristi 2.
3) Het voorstel van Life Care is een creatie van een nieuwe Conventie en hieraan moet iedereen kunnen deelnemen.
4) Wanneer optie 2 wordt weerhouden zal een nieuwe zoektocht gestart worden voor een collocatieambulance binnen de provincie Oost-Vlaanderen.”
3.10. Op 6 oktober 2022 wordt het voornoemde advies van het bureau van de PCDGH Oost-Vlaanderen van 8 september 2022 voor goedkeuring aan het diensthoofd van de DDH overgemaakt en wordt diezelfde dag aan onder meer de verzoekende partij gemeld. Op 24 oktober 2022 ontvangt de verzoekende partij eveneens het verslag van het bureau van de PCDGH Oost-Vlaanderen.
3.11. Op 2 november 2022 beslist het diensthoofd van de DDH dat een openbare procedure moet worden opgestart zodat alle kandidaten een dossier kunnen indienen en iedereen vooraf het evaluatieschema zou kennen. Tevens gaat hij akkoord met de aanvraag voor extra 112 middelen.
XII-9533-9/25
3.12. Tijdens de vergadering van het bureau van de PCDGH
Oost-Vlaanderen van 3 november 2022 wordt de volgende stand van zaken gegeven betreffende de conventie Gent-Zuid:
“Gent Zuid: het advies ter zake – geformuleerd door het Bureau van de Provinciale Commissie voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening Oost-Vlaanderen -, werd doorgestuurd naar de heer [M.V.D.A.]
–Diensthoofd Dringende Geneeskundige Hulpverlening Hoofdbestuur.
Na grondig kennis genomen te hebben van alle argumenten, werd beslist om een extra Conventie uit te schrijven voor regio Gent-Zuid – met openbare aanbesteding -, waar iedereen kan op intekenen.
De heer [T.D.] en mevrouw [F.L.] zullen de procedure “aanvraag nieuwe Conventie” uitschrijven en er tevens op toezien dat deze procedure correct verloopt en volgens de gestelde normen.
Men is zich ervan bewust dat een nieuwe Conventie uitschrijven niet bepaald budgetneutraal is en dat de snelheid van behandeling van een dossier – creatie van een nieuwe Conventie – ook niet altijd optimaal is, maar deze beslissing biedt – gezien de geladenheid van het dossier – de meest eenduidige oplossing.”
Op 28 november 2022 ontvangt de verzoekende partij het verslag van deze vergadering.
3.13. Op 23 december 2022 wordt een oproep tot kandidaatstelling gedaan voor de uitbating van een standplaats 112-ziekenwagendienst in de regio Gent Zuid. Het ideale vertrekpunt wordt bepaald rond Gent EXPO. Kandidaturen dienen uiterlijk 23 januari 2023 digitaal te zijn ingediend. Kandidaten dienen hun dossier te staven aan de hand van een aantal gegevens. Hun dossier zal worden beoordeeld aan de hand van vooropgestelde evaluatiecriteria die als bijlage bij deze oproep zijn opgenomen.
De volgende vier kandidaturen worden ingediend:
– Het Vlaams Kruis – Dienst 112 Lochristi vzw (d.i. de verzoekende partij in tussenkomst)
– Dienst Life-Care (d.i. de verzoekende partij)
– Dienst ART.48.
XII-9533-10/25
Op 24 januari 2023 wordt de goede ontvangst van de kandidatuur van de verzoekende partij bevestigd en wordt haar gemeld dat de dossiers worden verwerkt, de punten toegekend en bijgevolg een toewijzing kan worden gedaan.
3.14. Op 16 februari 2023 worden de verschillende kandidaten ingelicht van de beoordeling van hun kandidaatstelling. In deze beoordeling wordt naast een vermelding enerzijds van de vier tijdig ingediende kandidaturen en anderzijds van het gegeven dat na analyse van de ontvangen dossiers een puntenweging werd vastgesteld in essentie overwogen:
“Artikel 3:
Na bevraging bij 2 gezondheidsinspecteurs en 3 experten ICM van buiten Oost-Vlaanderen om een cijfer op 20 te krijgen voor de ingestuurde motivaties, bleek unaniem dat alle motivaties gelijklopend waren in sterkte en hier geen punten op gegeven konden worden. Daarom werd geen afzonderlijk punt toebedeeld voor de motivatie, wel werd dit meegenomen in de puntenverdeling voor de volledigheid van het dossier.
Artikel 4:
Gezien een status quo in het eindresultaat van dienst Life Care en van dienst 112 Lochristi wordt beslist een tweede ronde te organiseren waarbij extra vragen zullen gesteld worden over de diensten en het ingestuurde dossier.
Op basis van deze extra vragen zal 1 van de twee diensten de extra conventie worden toegewezen. Dienst ART en dienst Vlaams Kruis worden in de tweede ronde niet weerhouden gezien het eindresultaat lager ligt dan de twee gelijke, hoogste scores.”
Dit is de eerste bestreden beslissing. Deze wordt aan de verzoekende partij op dezelfde dag ter kennis wordt gebracht evenals de haar toegekende puntenverdeling.
Tegen de eerste bestreden beslissing wordt door de Dienst ART
en het Vlaamse Kruis bezwaar ingediend gelet op het feit dat zij niet werden uitgenodigd voor de tweede ronde. Het bezwaarschift van het Vlaamse Kruis wordt ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. Het bezwaarschrift van de Dienst ART
wordt ontvankelijk en gegrond verklaard. De bezwaren werden ingepast in de beslissing maar hebben geen effect op de twee diensten die het meest aantal gelijke punten hebben behaald. De verzoekende partij dient geen bezwaar in tegen de voornoemde beslissing.
XII-9533-11/25
3.15. Op 29 maart 2023 worden de overgebleven kandidaten via e-mail “extra vraagstelling ikv toewijzing conventie Gent Zuid” op de hoogte gebracht van de bijkomende vragen van de tweede ronde voor de toekenning van de conventie Gent-Zuid en wordt hen gevraagd om de antwoorden op de bijkomende vragen voor 14 april 2023 over te maken.
“In de aanbestedingsprocedure voor de conventie Gent Zuid bent u beiden op een gelijk aantal punten geëindigd.
Om toch een beslissing te kunnen nemen aan wie de conventie toegewezen zal worden, willen wij nog wat dieper bevragen rond een aantal items die voor ons als dienst belangrijk zijn.
Kunt u aub, onderstaande vragen met eventuele stavingstukken aan ons bezorgen ten laatste tegen vrijdag 14 april 2023 8 uur via email [email protected]? U krijgt een bevestiging wanneer u antwoorden bij ons zijn toegekomen Antwoorden hebben voor ons alvast meer waarde als die door bewijsstukken kunnen gestaafd worden. Mochten bestanden te groot zijn om te versturen per mail, dan kan een wetransfer, of ander medium gerust gebruikt worden.
1. Als dienst vinden wij opleiding en permanente vorming belangrijk.
Volgens onze eigen regelgeving is er een basisopleiding en jaarlijkse permanente vorming voorzien en verplicht. Dit is echter een strikt minimum en extra opleiding is in deze zeker een must naar het werken met kwalitatief personeel. Organisaties die hier bewust op inzetten zijn voor ons bevoorrechte partners.
Kunt u ons een overzicht geven van de interne bijscholingen die u gedurende 2021 en 2022 zelf organiseerde, los van het aanbod van de provinciale opleidingsscholen. Graag ook een beknopte agenda van de opleiding, de lesgevers, en tijdsschema. Waren dit opleidingen voor eigen personeel, stonden deze open voor externen. Hoeveel eigen personeel was er aanwezig, hoeveel externen (mensen die niet voor uw organisatie ingezet worden) waren aanwezig. Kunnen aanwezigheidslijsten mee doorgestuurd worden (Beoordeling op 10 punten)
1. Het begeleiden van het aanwezige personeel is voor ons ook heel belangrijk. Om dit medisch te onderbouwen werkt iedere dienst met ofwel verpleegkundigen en/of artsen. Om in te schatten.
Kan er opgegeven worden wie op medisch vlak uw organisatie begeleid.
Wat zijn de kwalificaties. Wat is de link met uw organisatie (loondienst, andere verbintenissen). Is deze persoon op vaste manier verbonden aan uw organisatie, of enkel op afroep. Is deze persoon aanwezig op bijscholingsmomenten, vergaderingen. Doet deze persoon actief dienst binnen het 112 circuit ( 112 ambulance, PIT, MUG. Kunt u dit staven ? (
Beoordeling op 10 minuten)
1. Onze dienst is een dienst die op zich monodisciplinair is, maar in de praktijk op heel wat momenten multidisciplinair moet kunnen samenwerken. Omdat we ervan overtuigd zijn dat dit maar effectief kan slagen met de nodige opleiding en inoefenen bevragen wij u graag hierover;
XII-9533-12/25
Wat is uw inzet geweest in 2021 en 2022 als dienst in multidisciplinaire oefeningen, zijnde op gemeentelijk, provinciaal, federaal vlak? Kunt u ons een lijst bezorgen met een omschrijving van uw taak als organisatie binnen deze oefening, en wat uw inzet (materieel en personeel) was hierbij.
(beoordeling op 10 punten)
1. Onze dienst zit ook vertegenwoordigd in heel wat Veiligheidscellen, evenementencellen, cp-event,… Hiervoor doen wij beroep op partners binnen het werkveld. Welke engagementen neemt u organisatie op ter ondersteuning van onze werking hierin. Kunt u ons een overzicht bezorgen van genomen engagementen, en de aanwezigheid van uw organisatie in deze gedurende 2021 en 2022 (beoordeling op 10 punten)
2. In de eerste fase van de toekenning stelden wij al vragen naar het inhuizen van de dienst op de nieuwe locatie. Graag gingen wij nog dieper in op deze nieuwe locatie. (beoordeling op 25 punten)
a. Gezien noodzaak voor comfort patiënt, beschikt uw locatie over een individuele, afgesloten garage, met mogelijkheid tot verwarming en verbinding met stroom b. Wat is de afstand van de leefruimte en de garage; Wat is de tijd dat de ambulancier nodig heeft om op een ‘normale manier’ zich naar de stalplaats te begeven en te vertrekken. Stoort het vertrekken naar een oproep prioritair andere bewoners rond uw locatie?
c. Beschikt de locatie over de benodigdheden om kleine problemen op te lossen. (oliepijl controleren of aanvullen, sproeivloeistof, koelvloeistof,…)
d. Beschikt de locatie over de mogelijkheid om ter plaatse de wagen binnenin en van buiten te reinigen e. Is de woning voorzien op ambulanciers van verschillende geslachten. Zijn er aparte sanitaire voorzieningen per geslacht.
f. Is er ruimte voorzien voor opslag van reservemateriaal g. Hoe wordt in uw locatie omgegaan met de verwerking en opslag van medische afval.
3. We ervaren toch bij heel wat diensten bij momenten problemen om de dienst te verzekeren zoals afgesproken. Graag kregen wij een overzicht van uw Uit dienst stellingen van 2021 en 2022 met als reden:
personeelstekort en voor Technische problemen. (beoordeling op 10
punten)
4. Hebt u als dienst op heden afspraken met bepaalde ziekenhuizen rond samenwerkingen, uitwisselingen, afsluiten van protocollen, rijden met MUG wagens in terugkeren naar ziekenhuizen, …
graag een beschrijvende lijst. ( beoordeling op 5 punten)
5. Om personeel gezond en fris op dienst te hebben vinden wij het belangrijk dat werk en rustmomenten voldoende aanwezig zijn. Jullie tekenden beiden in op een 8 uur shift. Zijn er afspraken binnen uw dienst die al het mogelijke doen om dit te blijven garanderen. Het is algemeen gekend dat ambulanciers dienst doen op verschillende diensten, en zo tot 24
en meer op een ambulance gaan rijden.
Wat zijn uw afspraken en/of protocollen hierin. (beoordeling op 10 punten)
De antwoorden zullen binnen de cluster West-en Oost-Vlaanderen beoordeeld worden door iemand van de medische directie, een expert ICM
en een FGI. De drie beoordelingen worden samen geteld en gedeeld door ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.836 XII-9533-13/25
drie, wat een score zal geven op 90 punten. Wie de meeste punten verkrijgt, wordt de conventie toegewezen.”
Dit is de tweede bestreden beslissing.
IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
4. Het voorliggende beroep tot nietigverklaring werd bij brief van 4
mei 2023, uitgaande van de griffie, aangetekend verzonden op 8 mei 2023 en op 9
mei 2023 door Bpost aangeboden bij de belanghebbende partij, de vzw. Dienst 112
Lochristi. Met een op 14 juni 2023 ter post aangetekend verzonden verzoekschrift vraagt de vzw Dienst 112 Lochristi in voorliggend geschil te mogen tussenkomen.
Bij beschikking nummer 116-n van 15 september 2023 wordt aan de vzw Dienst 112 Lochristi voorlopig toegestaan in het debat tussen te komen, daar uit de gegevens van de zaak blijkt dat haar belangen kunnen worden beïnvloed door de oplossing die aan het ingestelde beroep gegeven zou worden.
Deze voorlopige toelating, die een prima facie karakter heeft, belet niet dat de Raad van State bij het eindarrest over de zaak de ontvankelijkheid van het verzoek nader onderzoekt.
5. Overeenkomstig artikel 52, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het algemeen procedure-reglement), zoals van toepassing op het ogenblik van het indienen van het voorliggende beroep tot nietigverklaring, als van het verzoekschrift tot tussenkomst door de vzw Dienst 112 Lochristi, dient het verzoekschrift tot tussenkomst te worden ingediend uiterlijk binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de zending bedoeld in artikel 6, § 4, of de bekendmaking van het bericht bedoeld in artikel 3quater van het algemeen procedurereglement.
De in artikel 6, § 4, van het algemeen procedurereglement bedoelde zending werd op 9 mei 2023 door de vzw Dienst 112 Lochristi ontvangen, wat betekent dat 8 juni 2023 de laatste nuttige dag was om een
XII-9533-14/25
verzoekschrift tot tussenkomst in te dienen. Het door de vzw Dienst 112 Lochristi op 14 juni 2023 ingediende verzoekschrift tot tussenkomst werd aldus buiten de termijn van dertig dagen, voorzien in artikel 52, § 1, eerste lid, van het algemeen procedurereglement, ingediend.
De omstandigheid dat de tussenkomst werd toegelaten bij voornoemde beschikking nr. 116-n, belet niet dat het verzoek tot tussenkomst alsnog als niet ontvankelijk wordt verworpen. Een dergelijke beschikking bezit, zoals supra reeds werd benadrukt, slechts een voorlopig karakter en houdt geen definitieve beoordeling in van de ontvankelijkheid van het verzoek tot tussenkomst.
6. Het verzoek tot tussenkomst van de vzw Dienst 112 Lochristi is laattijdig en derhalve niet ontvankelijk.
V. Ontvankelijkheid van het beroep
Exceptie van niet-ontvankelijkheid ratione materiae wat de beide bestreden beslissingen betreft
Standpunt van de partijen
7. De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord de ontvankelijkheid ratione materiae van het beroep. Zij benadrukt dat het “vaste rechtspraak” van de Raad van State is dat een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een administratieve rechtshandeling tot voorwerp moet hebben en dat onder rechts-handeling in de zin van de voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. De bestuurshandeling moet de rechtzoekende uit zichzelf onmiddellijk en effectief kunnen benadelen. Te dezen moet volgens de verwerende partij worden vastgesteld dat de bestreden beslissingen geen administratieve ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.836 XII-9533-15/25
rechtshandelingen uitmaken in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, nu deze beslissingen louter voorbereidende handelingen betreffen die geen rechtsgevolgen doen ontstaan of beletten dat deze tot stand zouden komen. De verwerende partij laat vervolgens gelden dat de Raad van State in zijn “recente” rechtspraak heeft geoordeeld dat de beslissingen, waarbij de procedure wordt vastgesteld voor de selectie van de deelname aan een Biënnale en waarbij de timing voor de selectieprocedure wordt gewijzigd, er geopteerd wordt voor een besloten oproep, en de jury wordt samengesteld, ten aanzien van verzoeker geen eigen, onmiddellijk werkende rechtsgevolgen doen ontstaan die van aard zouden zijn de selectiekansen van het project waaraan hij nadien verbonden zou zijn, op determinerende wijze te hypothekeren en niettegenstaande verzoeker in een van zijn middelen aanvoert dat de jury niet onpartijdig was, maar dat aangevoerde gebrek aan onpartijdigheid echter pas ten vroegste kon blijken nadat de jury welbepaalde curatoren had gepreselecteerd voor het indienen van een voorstel, of zelfs pas nadat hij een welbepaalde curator had geselecteerd voor de opdracht, komen de beslissingen derhalve niet voor als onmiddellijk grievend voor verzoeker, maar zijn het louter voorbereidende handelingen, waartegen geen ontvankelijk beroep kan worden ingesteld. Volgens de verwerende partij dient bijgevolg eveneens te worden vastgesteld dat de beslissing om geen afzonderlijk punt toe te kennen voor het criterium “motivatie” en de keuze om een tweede ronde te organiseren niet voorkomen als onmiddellijk grievend voor de verzoekende partij en het feit dat deze voorbereidende handelingen als grievend kunnen worden ondervonden door de verzoekende partij pas ten vroegste kan blijken nadat de uiteindelijke beslissing werd genomen voor het toekennen van de extra conventie van ziekenwagendienst.
Volgens de verwerende partij laat de verzoekende partij na aan te tonen hoe de bestreden beslissingen grievend zijn en beperkt zij zich tot het stellen van hypothetische situaties die het gevolg zijn van de uiteindelijke beslissing, waardoor zij vooruitloopt op de feiten door te stellen dat de toekenning van de conventie aan een andere partij voor haar nadelig is en zij hieruit financiële schade zal leiden. Daarnaast insinueert de verzoekende partij dat de vragen in de tweede ronde op maat zouden zijn gemaakt van de ziekenwagendienst Lochristi 2, waarbij, naast het feit dat dit niet gestaafd is door enig bewijsmiddel, volgens de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.836 XII-9533-16/25
verwerende partij moet worden vastgesteld dat de tweede bestreden beslissing een voorbereidende handeling is die niet grievend is voor de verzoekende partij.
Tot slot laat de verwerende partij nog gelden dat de verzoekende partij geen bezwaar heeft ingediend tegen de eerste bestreden beslissing, in tegenstelling tot twee andere kandidaten, zodat zij dan ook niet inziet hoe deze beslissing grievend kan zijn voor de verzoekende partij wanneer zij nalaat hier bezwaar tegen in te dienen en daarnaast een dossier indient met het oog op de toekenning van de conventie.
8. Anticiperend voert de verzoekende partij in het verzoekschrift onder het kopje “huidig verzoek is ontvankelijk ratione materiae en verzoekende partij beschikt over het wettelijk vereiste belang” vooreerst aan dat de beslissingen om geen afzonderlijk punt toe te bedelen voor het criterium “motivatie”, zoals opgenomen in het oorspronkelijke puntenverdeelschema en om een tweede ronde te organiseren, waarbij vragen worden gesteld waarop punten worden toegekend inhouden dat het vooropgestelde puntenverdeelschema wordt gewijzigd.
De verzoekende partij wijst er op dat handelingen voorafgaand aan een beslissing – te dezen de beslissing tot toekenning van een extra conventie in regio Gent Zuid – voor vernietiging vatbaar zijn indien deze een zeker en definitief nadelig gevolg hebben gehad en indien een verzoekende partij voordeel kan halen uit hun vernietiging, wat te dezen het geval is. Zij benadrukt dat de eerste bestreden beslissing voor haar grievend is nu bij lezing van deze beslissing blijkt dat er een status quo eindresultaat is tussen de verzoekende partij en de ziekenwagendienst Lochristi 2 voor wat betreft de criteria van het puntenverdeel-schema zonder het criterium “motivatie” en er geen punten gegeven worden –“konden” worden gegeven -—op het criterium “motivatie”. Het feit dat er een status quo einderesultaat was op basis van alle andere criteria maakt dat zo er effectief een beoordeling zou zijn geweest voor het criterium “motivatie”, het miniemste verschil in beoordeling voor wat betreft dat criterium volgens de verzoekende partij niet zou hebben geleid tot een status quo eindresultaat. Ofwel de verzoekende partij ofwel de ziekenwagendienst Lochristi 2 zou dan de meeste punten behaald hebben en derhalve de extra conventie in regio Gent Zuid moeten ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.836 XII-9533-17/25
toegewezen hebben gekregen. Bovendien kan de verzoekende partij zich niet van de indruk ontdoen dat de items waarover de verwerende partij nog dieper wil gaan bevragen in de tweede ronde, op maat van ziekenwagendienst Lochristi 2
geschreven zijn.
Tot slot laat de verzoekende partij nog gelden dat indien de eerste bestreden beslissing wordt vernietigd, daaruit automatisch volgt dat ook de tweede bestreden beslissing moet worden vernietigd. De finale beslissing tot toekenning van de conventie aan een andere partij dan de verzoekende partij zal bovendien voor haar nadelig zijn, nu zij daardoor niet alleen geen inkomsten zal halen uit deze nieuwe – extra conventie in regio Gent Zuid, maar tevens minder inkomsten zal genereren uit haar lopende conventie vermits ritten die zij voorheen verzorgde, nu door de andere ziekenwagendienst zullen worden verzorgd.
9. In de memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat de redenering in het door de verwerende partij geciteerde arrest niet opgaat, nu het te dezen een beslissing na een oproep van 23 december 2022 betreft, waarin een aantal “evaluatiecriteria” werden vooropgesteld en waarbij wordt gesteld dat voor het criterium “motivatie” geen punten kunnen gegeven worden.
Volgens de verzoekende partij is de beoordeling dat op dat criterium geen punten kunnen worden gegeven op zich reeds onmiddellijk grievend, nu indien er punten waren gegeven, er een rangschikking zou kunnen zijn opgesteld en de verzoekende partij evenzeer de beslissing zou kunnen bestrijden met een procedure bij de Raad van State. Dienaangaande verwijst de verzoekende partij naar de toelichting bij het tweede middel en benadrukt zij dat de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep samenhangt met de beoordeling van de grond van het middel.
Vervolgens laat de verzoekende partij gelden dat zij wordt benadeeld door de eerste bestreden beslissing, nu deze in feite neerkomt op een stopzetting van de initiële procedure tot toekenning van de conventie op basis van de initieel bepaalde evaluatiecriteria. Wat de tweede bestreden beslissing betreft is de verzoekende partij van mening dat niettegenstaande deze beslissing weliswaar een voorbereidende beslissing is ten opzichte van de uiteindelijke beslissing tot toekenning van de extra conventie, het voor haar geen louter voorbereidende ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.836 XII-9533-18/25
beslissing maar een voorbeslissing betreft. Bij wijze van analogie verwijst de verzoekende partij naar de rechtspraak van de Raad van State in de materie van de overheidsopdrachten waarin in essentie werd geoordeeld dat “de beslissing om een bestek of bepalingen ervan vast te stellen, door een potentiële of effectieve inschrijver bij een overheidsopdracht mag worden aangevochten met een beroep tot nietigverklaring, en in voorkomend geval met een vordering tot schorsing, ingeval die beslissing, hoewel zij voorbereidend is ten opzichte van de uiteindelijke beslissing tot toewijzing van die opdracht, ten aanzien van die inschrijver niet verschijnt als een louter voorbereidende beslissing maar als een “voorbeslissing”, omdat ze voor die inschrijver definitieve rechtsgevolgen heeft;
dat zulks onder meer het geval is indien zij die inschrijver uitsluit van elke kans tot deelname aan de opdracht en zodoende op toewijzing, en wat hem betreft dan ook onmiddellijk grievend is; dat dit te dezen het geval was, nu de verzoekende partij, gegeven de bestekbepaling die een ISO-9002 certificaat oplegde waarover zij niet beschikte, zich eraan kon verwachten dat haar offerte zou worden geweerd en de opdracht niet aan haar zou worden toegewezen; Overwegende dat de mogelijkheid om onmiddellijk een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing in te stellen tegen de beslissing om het bestek vast te stellen, niet wegneemt dat de onrechtmatigheden die een inschrijver aan een besteksbepaling verwijt, ook nog op ontvankelijke wijze mogen worden ingeroepen tegen latere beslissingen in het kader van de gunningsprocedure; dat de verzoekende partij derhalve tot staving van haar beroep tegen de bestreden beslissingen de onwettigheid mag inroepen van het bestek, zelfs indien zij de beslissing tot vaststelling van het bestek als zodanig niet heeft aangevochten bij de Raad van State;” (RvS (A.V.) 2 december 2005, nr. 152.173) (ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.173). Volgens de verzoekende partij worden te dezen de nieuwe – bijkomende evaluatiecriteria, die gelijkgesteld kunnen worden met bestekbepalingen in overheidsopdrachten – onmiddellijk bestreden, temeer nu zij er overigens niet aan twijfelt dat de verwerende partij de laattijdigheid zou opwerpen indien zij zou wachten met het opwerpen van deze onwettigheid tot op het ogenblik dat de finale beslissing tot toekenning van de extra conventie genomen is. Daarnaast merkt de verzoekende partij nog op dat waar de verwerende partij bij het betwisten van de ontvankelijkheid alludeert op de “insinuatie” van de verzoekende partij dat de vragen in de tweede ronde op maat
XII-9533-19/25
zouden zijn gemaakt van de ziekenwagendienst Lochristi 2, dit argument niet kan leiden tot de niet ontvankelijkheid van de vordering.
Tot slot laat de verzoekende partij nog gelden dat in zoverre door de verwerende partij wordt aangevoerd dat zij geen bezwaar heeft ingediend tegen de eerste bestreden beslissing in tegenstelling tot twee andere kandidaten en niet kan worden ingezien hoe deze beslissing voor haar grievend kan zijn wanneer zij nalaat hiertegen bezwaar in te dienen en daarnaast ook een dossier indient met het oog op de toekenning van de conventie, deze redenering niet kan worden bijgevallen. Dienaangaande benadrukt de verzoekende partij dat de mogelijkheid om bezwaar in te dienen geen georganiseerd administratief beroep betreft dat voorafgaandelijk moet uitgeput worden en dat het voor zich spreekt dat de verzoekende partij, hoewel zij het niet eens is met de beslissing om nieuwe bijkomende evaluatiecriteria te bepalen, toch een dossier heeft ingediend met het oog op de toekenning van een nieuwe conventie, teneinde geen gebrek aan belang te worden verweten.
10. In haar laatste memorie benadrukt de verzoekende partij vooreerst dat de aangevoerde niet-ontvankelijkheid samenhangt met de beoordeling van de gegrondheid van het tweede middel, nu in dat middel immers wordt opgeworpen dat wat betreft het criterium “motivatie” ten onrechte wordt geoordeeld dat alle motivaties gelijklopend zijn in sterkte en hierop bijgevolg geen punten kunnen worden gegeven. Zij laat gelden dat indien de Raad van State zou oordelen dat de verwerende partij ten onrechte heeft gesteld dat alle motivaties gelijklopend zijn in sterkte en hierop bijgevolg geen punten kunnen worden gegeven, dit dan inhoudt dat wel punten hadden kunnen worden gegeven, er bijgevolg een eindbeslissing was geweest zonder een tweede ronde en er evenmin een verdere procedure tot toewijzing (nodig) was geweest. Verwijzend naar het tweede middel zoals ontwikkeld in het verzoekschrift tot nietigverklaring, wijst de verzoekende partij er op dat wel degelijk werd ingegaan op de vaststelling dat “alle motivaties gelijklopend waren in sterkte”. Tot slot merkt de verzoekende partij nog op dat haar argument dat de vragen voor de tweede ronde op maat van de verzoekende partij in tussenkomst zouden zijn geschreven, zoals zij inderdaad heeft aangegeven in het verzoekschrift, niet relevant is bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep.
XII-9533-20/25
Beoordeling
11. Door het auditoraat wordt tot de gegrondheid van de exceptie besloten op grond van de volgende overwegingen:
“Verzoekster beoogt met haar beroep de nietigverklaring van 1) de beslissing van 16 februari 2023 betreffende de extra conventie Gent Zuid en 2) de e-mail van 29 maart 2023 ‘extra vraagstelling ikv toewijzing conventie Gent Zuid’. Meer in het bijzonder acht zij zich door deze akten gegriefd doordat hiermee geen afzonderlijke score wordt toegekend voor het vooropgestelde criterium ‘Motivatie en doordat een tweede ronde wordt georganiseerd met extra (bijkomende) vraagstelling.
Welnu, een beroep tot nietigverklaring moet krachtens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een administratieve rechtshandeling tot voorwerp hebben. Onder rechtshandeling in de zin van de voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. De bestuurshandeling moet uit zichzelf de rechtzoekende onmiddellijk en effectief kunnen benadelen. Het beroep waarbij een handeling zonder rechtsgevolgen of een handeling die niet belet dat rechtsgevolgen ontstaan, wordt aangevochten, is niet ontvankelijk.
De twee door verzoekster bestreden beslissingen doen ten aanzien van verzoekster echter geen eigen, onmiddellijk werkende en definitieve rechtsgevolgen ontstaan. Deze twee beslissingen zijn op zichzelf immers niet van dien aard dat zij de kansen van verzoekster om de extra conventie Gent Zuid toegewezen te krijgen op determinerende wijze hypothekeren.
Met andere woorden gaat het om beslissingen die ten aanzien van verzoekster op zichzelf geen rechtsgevolgen teweegbrengen. Verzoekster is op basis van de twee door haar bestreden beslissingen immers nog niet uitgesloten van de verdere procedure tot toewijzing van de extra conventie.
Integendeel, zij wordt – samen met verzoekster in tussenkomst – door deze twee beslissingen net toegelaten tot een tweede ronde, wat maakt dat het voor haar – en ook voor verzoekster in tussenkomst – nog steeds en wel degelijk openstaat om de extra conventie toegewezen te krijgen. Ten aanzien van verzoekster gaat het derhalve niet om werkelijke voorbeslissingen, maar om louter voorbereidende handelingen.
Aan het voorgaande wordt geen enkele afbreuk gedaan doordat de verwerende partij ervoor heeft geopteerd geen afzonderlijke scores toe te kennen voor het criterium ‘Motivatie’. Ondanks het ontbreken van een dergelijke afzonderlijke score voor dat criterium blijft het op basis van deze twee beslissingen voor verzoekster immers nog steeds mogelijk de extra conventie alsnog toegewezen te krijgen. Verzoekster kan dan ook niet worden gevolgd in haar argument dat de optie van de verwerende partij om geen score toe te kennen aan dat criterium ‘Motivatie voor haar ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.836 XII-9533-21/25
onmiddellijk grievend zou zijn. Verzoekster toont trouwens op geen enkele wijze aan dat op basis van dat criterium haar – en dus niet één van de andere drie kandidaten – de extra conventie sowieso had moeten worden toegewezen, met andere woorden dat de verwerende partij op basis van dat criterium geen enkele andere keuze zou hebben gehad dan verzoekster te kiezen. Verzoekster gaat wat dat criterium betreft trouwens ook niet verder in op de vaststelling van de verwerende partij dat alle motivaties gelijklopend waren in sterkte, zodat deze door de verwerende partij gedane vaststelling geenszins wordt ontkend door verzoekster. Dit maakt eens te meer dat verzoekster geenszins aantoont dat de verwerende partij geen andere keuze zou hebben gehad dan op basis van dat criterium de extra conventie aan verzoekster toe te wijzen. Voor zover verzoekster in haar memorie van wederantwoord nog beweert dat met de eerste bestreden beslissing de initiële toewijzingsprocedure op basis van de initieel vooropgestelde evaluatiecriteria in wezen zou zijn stopgezet, gaat zij toch wel erg kort door de bocht. Het kan immers niet worden ontkend dat de kandidaturen effectief getoetst zijn geworden aan de verschillende vooropgestelde evaluatiecriteria, dat met uitzondering van het criterium ‘Motivatie’ voor elk criterium een score werd toegekend en dat voor wat het criterium ‘Motivatie’ betreft er enkel voor werd geopteerd daarvoor geen afzonderlijke score toe te kennen. Dit betekent echter niet dat de verwerende partij daarmee zonder meer voorbijgegaan is aan dat criterium.
Integendeel, zoals gezegd, heeft de verwerende partij daaromtrent vastgesteld dat alle motivaties gelijklopend waren in sterkte en werd dit wel degelijk effectief meegenomen in de puntenverdeling voor de volledigheid van het dossier.
Voor zover verzoekster aannemelijk wil maken wel degelijk onmiddellijk gegriefd te zijn door de twee door haar bestreden beslissingen doordat de vragen voor de tweede ronde op maat van verzoekster in tussenkomst geschreven zijn, gaat zij enkel en alleen uit van een loutere indruk van harentwege. Daarmee is hoegenaamd niet concreet aangetoond dat al die verschillende (bijkomende) vragen zo zijn opgesteld en geschreven met de bedoeling verzoekster in tussenkomst effectief te bevoordelen, en dus in het nadeel van verzoekster zouden zijn. Zij maakt ook niet aannemelijk dat zijzelf net omwille van die extra vraagstelling sowieso geen enkele kans zou hebben om de extra conventie toegewezen te krijgen. Verzoekster voert trouwens geen enkel middel aan waarin zij concreet ingaat op die extra vraagstelling in de tweede ronde en aldus concreet beargumenteert dat deze vragen ook effectief in het voordeel van verzoekster in tussenkomst en in haar eigen nadeel blijken te zijn geschreven.
Dat de twee door haar bestreden beslissingen ten aanzien van haar niet onmiddellijk en effectief grievend zijn, wordt trouwens – impliciet – door verzoekster zelf erkend in haar uiteenzetting van de ontvankelijkheid ratione materiae van haar beroep in haar inleidend verzoekschrift. Daar geeft zij nl. zelf aan dat het de finale beslissing tot toekenning van de conventie is die haar zal benadelen. Deze ‘finale beslissing’ was op het ogenblik van het indienen van haar verzoekschrift niet eens genomen, zodat verzoekster er op dat ogenblik ten onrechte van is uitgegaan dat met die ‘finale beslissing’ de conventie aan een andere kandidaat dan haarzelf zou worden toegewezen. Op het ogenblik van het indienen van haar ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.836 XII-9533-22/25
verzoekschrift kon zij dan ook niet weten dat haar de extra conventie niet zou worden toegewezen en naar aanleiding van de twee door haar bestreden beslissingen lag voor haar nog steeds de weg open om die extra conventie toegewezen te krijgen. Het is pas de beslissing van 9 mei 2023 die daar anders over heeft beslist door de extra conventie toe te wijzen aan verzoekster in tussenkomst. Dat deze beslissing (op 9 mei 2023)
uiteindelijk werd genomen, betekent evenwel niet dat er reeds met de twee door verzoekster bestreden beslissingen door de verwerende partij voor is geopteerd om de extra conventie toe te wijzen aan verzoekster in tussenkomst. Ten tijde van het nemen van de twee bestreden beslissingen tot op het ogenblik dat de beslissing van 9 mei 2023 is genomen, lagen nog alle kansen open voor zowel verzoekster als verzoekster in tussenkomst om de extra conventie toegewezen te krijgen. De twee door verzoekster bestreden beslissingen hebben omtrent de effectieve toewijzing aan ofwel verzoekster ofwel verzoekster in tussenkomst nog geen enkel uitsluitsel gegeven, wat maakt dat deze beslissingen geenszins onmiddellijk en effectief grievend zijn ten aanzien van verzoekster.
Uit al het voorgaande volgt dan ook dat de twee door verzoekster bestreden beslissingen niet onmiddellijk en effectief grievend zijn voor haar en aldus in casu geen voor de Raad van State aanvechtbare administratieve rechtshandelingen uitmaken.
Dienvolgens is voorliggend beroep tot nietigverklaring onontvankelijk ratione materiae.”
12. In zoverre de verzoekende partij in haar laatste memorie nogmaals benadrukt dat de aangevoerde niet ontvankelijkheid samenhangt met de beoordeling van de gegrondheid van het tweede middel, nu in dat middel immers wordt opgeworpen dat wat betreft het criterium “motivatie” ten onrechte wordt geoordeeld dat alle motivaties gelijklopend zijn in sterkte en hierop bijgevolg geen punten kunnen worden gegeven en zij laat gelden dat indien de Raad van State zou oordelen dat de verwerende partij ten onrechte heeft gesteld dat alle motivaties gelijklopend zijn en bijgevolg wel punten hadden kunnen worden gegeven, met een eindbeslissing zonder een tweede ronde, noch een verdere procedure tot toewijzing tot gevolg, herhaalt zij in essentie op parafraserende wijze haar standpunt zoals uiteengezet in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord, zonder inhoudelijk nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Dit betoog doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de beslissing om geen afzonderlijk punt toe te kennen voor het criterium “motivatie” en de keuze om een tweede ronde te organiseren niet voorkomen als onmiddellijk grievend voor de verzoekende partij, maar louter voorbereidende handelingen zijn. Temeer nu de verzoekende partij door de bestreden beslissingen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.836 XII-9533-23/25
niet wordt uitgesloten van de verdere procedure tot toewijzing van de extra conventie en zij op basis van deze beslissingen net wordt toegelaten tot de tweede ronde in tegenstelling tot twee andere kandidaten. Het gegeven dat de bestreden beslissingen als grievend zouden kunnen worden ondervonden door de verzoekende partij nadat de uiteindelijke beslissing wordt genomen voor het toekennen van de extra conventie, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de thans bestreden beslissingen slechts voorbereidende handelingen zijn die niet op ontvankelijke wijze kunnen worden aangevochten middels een annulatieberoep, wat evenwel niet betekent dat de wettigheid van deze beslissingen niet zou kunnen worden betwist in het kader van het beroep gericht tegen de eindbeslissing betreffende de toekenning van de extra conventie.
13. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, de exceptie gegrond.
14. Het beroep is niet ontvankelijk.
BESLISSING
1. Het verzoek tot tussenkomst van de vzw Dienst 112 Lochristi wordt afgewezen.
2. De Raad van State verwerpt het beroep.
3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
De vzw Dienst 112 Lochristi wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro.
XII-9533-24/25
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Chantal Bamps
XII-9533-25/25
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.836
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.173
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...