ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.838
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.838 Rolnummer: A. 243006/IX-10554 Zaak: Arrest 260838 - Examens (onderwijs) - 30/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-01 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-04 04:48 Fiche Arrest nr 260.838 van 30 september 2024 Onderwijs...
19 min de lecture · 4 068 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 30 september 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.838
Rolnummer:
A. 243006/IX-10554
Zaak:
Arrest 260838 – Examens (onderwijs) – 30/09/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-10-01
Raadplegingen:
91 – laatst gezien 2026-06-04 04:48
Fiche
Arrest nr 260.838 van 30 september 2024 Onderwijs en cultuur – Examens
(onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 260.838 van 30 september 2024
in de zaak A. 243.006/IX-10.554
In zake: XXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Cato Bevers kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep SAM
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 19 september 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep SAM van het Gemeenschapsonderwijs van 12 september 2024 waarbij de definitieve uitsluiting van verzoeker uit de school ‘GO! Maxwell’ te Maasmechelen wordt bevestigd.
Verzoeker vraagt tevens aan de Raad van State om “de verwerende partij bij wijze van voorlopige maatregel op straffe van dwangsom te bevelen om [verzoeker] voor het schooljaar 2024-2025 toe te laten tot het zesde leerjaar Mechanische technieken in de GO! Maxwell school ofwel tot zolang [de Raad van State] uitspraak heeft gedaan over de annulatievordering ofwel tot
IX-10.554-1/16
zolang de verwerende partij na intrekking van de bestreden beslissing een nieuwe beslissing heeft genomen over het beroep van [verzoeker] en indien deze beslissing opnieuw de verwijdering van [verzoeker] zou inhouden de mogelijkheid heeft gehad om deze nieuwe beslissing te onderzoeken en aan te vechten bij de Raad van State en de Raad uitspraak heeft gedaan over een eventuele schorsingsvordering”.
Hij vraagt in dat verband ook om “[d]e dwangsom vast te stellen op €2.500,00 per dag vertraging dat de bevolen voorlopige maatregelen niet volledig [zijn] uitgevoerd, waarbij de eerste dag van deze dwangsomtermijn de eerste schooldag zal zijn volgend op de dag dat de Griffie van [de Raad van State] aan partijen kennis gegeven heeft van het tussen te komen arrest”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 september 2024, om 11.00 uur.
Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Koen Geelen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
IX-10.554-2/16
IX-10.554-3/16
III. Feiten
3. Verzoeker is in het schooljaar 2023-2024 leerling in het eerste leerjaar van de derde graad aan de school ‘GO! Maxwell’ te Maasmechelen.
Op 23 augustus 2024 moet verzoeker twee “inhaalexamens”
afleggen. Naar aanleiding daarvan doet zich een incident voor.
Op 29 augustus 2024 adviseert de “tuchtklassenraad”, die het aan verzoeker ten laste gelegde feit omschrijft als “[f]ysieke agressie ten aanzien van personeelsleden van onze school”, om aan verzoeker de tuchtstraf van de definitieve uitsluiting op te leggen.
Dezelfde dag nog legt de schooldirecteur aan verzoeker deze tuchtstraf op.
Verzoeker stelt daarop een beroep in bij het schoolbestuur.
Op 12 september 2024 bevestigt de beroepscommissie de definitieve uitsluiting van verzoeker. Die beslissing is als volgt gemotiveerd:
“● Het gedrag dat [verzoeker] stelde tijdens de uitgestelde proef van 23.08.2024 was van dien aard dat de veiligheid van aanwezige personeelsleden in het gedrang kwam.
● Op basis van het schoolreglement onder het hoofdstuk ‘Tuchtmaatregelen’ neemt de directeur tuchtmaatregelen bij zeer ernstige overtredingen, meer bepaald als gedrag de veiligheid en fysieke of psychische integriteit van personeel of leerlingen in gevaar brengt.”
Dat is de bestreden beslissing.
IX-10.554-4/16
IV. Herinnering aan de grondvoorwaarden voor een schorsing of het bevelen van een andere voorlopige maatregel bij uiterst dringende noodzakelijkheid
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging of tot het bevelen van een andere voorlopige maatregel worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing of tot het bevelen van een andere voorlopige maatregel.
V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
Uiteenzetting door verzoeker
5. Ter staving van wat verzoeker zelf de “uiterst dringende spoedeisendheid” noemt, voert hij in zijn verzoekschrift het volgende aan (met weglating van de voetnoot):
“65. Er is geen redelijke twijfel mogelijk dat [de] spoedeisendheid kennelijk voorhanden is.
66. De bestreden beslissing houdt in dat [verzoeker] onmiddellijk van de school verwijderd wordt en zijn niet-voltooide onderwijstraject niet bij de verwerende partij kan voortzetten. De beslissing is onmiddellijk uitvoerbaar.
67. Het nadeel dat [verzoeker] lijdt is groot en kennelijk:
● Ten eerste wordt hij net voor de start van het nieuwe schooljaar uitgesloten van de school.
Het risico op onoverbrugbare leerachterstand is bijzonder groot:
– [Verzoeker] zal zijn 6e jaar Mechanische Technieken niet bij de verwerende partij mogen aanvatten.
– Het vinden van een andere onderwijsinrichting waar hij dit jaar kan volgen en afmaken is quasi onmogelijk om verscheidene redenen:
> Er zijn niet zo heel veel scholen in de regio waar deze richting aangeboden wordt > de problematiek van [verzoeker] maakt het vinden van een
IX-10.554-5/16
school die rekening wil houden met deze problematiek al bijzonder moeilijk.
> de verwerende partij biedt geen begeleiding aan bij het zoeken naar een nieuwe school > de onterechte tuchtbeslissing zal geen goed doen aan deze zoektocht – het tijdstip van de maatregel (half september 2024) maakt dat de meeste scholen al hun onderwijs hebben aangevat;
Het verlies van een schooljaar is bijzonder groot en wordt groter met de dag. Daaruit volgt dat [verzoeker] zelfs niet de gewone schorsingsprocedure kan afwachten om te beletten dat dit risico zich voltrekt.
De rechtspraak van Uw Raad is gevestigd dat het dreigende verlies van een school in beginsel de spoedeisendheid (of het moeilijk te herstellen ernstig nadeel) aantoont.
Dit is op zich toereikend om de spoedeisendheid te bewijzen.
● Maar ten tweede brengt deze beslissing voor [verzoeker] enorme mentale gevolgen teweeg.
[Verzoeker] kampt al zijn hele leven met beperkingen die hem het gevoel geven dat hij niet meetelt. Dit is het afgelopen schooljaar enkel maar verergerd en de verwijdering van de school ervaart [verzoeker] als het bewijs dat hij niet meetelt; dat er helemaal geen rekening wordt gehouden met zijn belangen. [Verzoeker] heeft het hele gebeuren aangevoeld als bijzonder onrechtvaardig en hij leeft nu met het gevoel dat hij geen enkel recht heeft, of dat ongestraft met deze rechten mag worden gesold.
68. Het staat vast dat [verzoeker] schade lijdt indien de gevorderde schorsing van de bestreden beslissing uitblijven en [verzoeker] de uitkomst van een annulatieprocedure zou moeten afwachten.
69. Een onmiddellijke beslissing waarbij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt opgeschort en een voorlopige maatregel waarin de verwerende partij wordt bevolen hem voor het schooljaar 2024-2025
toe te laten tot het 6e jaar Mechanische Technieken, is wenselijk teneinde te vermijden dat er voor [verzoeker] onherroepelijke schadelijke gevolgen zouden ontstaan.”
Beoordeling
6. Verzoeker citeert voorafgaand aan de hiervóór in extenso aangehaalde “toepassing in casu” opvallend alleen de bepalingen van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Die bepalingen leggen inderdaad op dat het verzoekschrift tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen een uiteenzetting van de feiten moet bevatten die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden.
IX-10.554-6/16
Evenwel heeft verzoeker geen gewone vordering tot schorsing ingediend, maar wel een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, voor welk geval artikel 17, § 4, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat een “uiterst dringende noodzakelijkheid” voorhanden moet zijn “die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de vordering tot schorsing of voorlopige maatregelen”.
Of verzoeker van een dergelijke uiterst dringende noodzakelijkheid doet blijken, wordt hierna onderzocht.
7. In dat verband herinnert de Raad van State eraan dat de toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid een ernstige verstoring teweegbrengt van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aanwending van die procedure moet dan ook zéér uitzonderlijk blijven. Ze mag slechts worden aangewend in die enkele gevallen dat door de verzoekende partij op een duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond dat de zaak uiterst dringend is.
Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”.
Dit betekent dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens in haar inleidend verzoekschrift aannemelijk moet maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van een gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen dat haar ingevolge de onmiddellijke
IX-10.554-7/16
tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing treft of dreigt te treffen.
Die gegevens moeten door de verzoekende partij bovendien worden onderbouwd op een wijze die de Raad van State toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de uiterst dringende noodzakelijkheid inderdaad kunnen verantwoorden. De uiterst dringende noodzakelijkheid wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is.
In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift wordt uiteengezet én gestaafd.
8. Voor zover verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing “[inhoudt] dat [hij] onmiddellijk van de school verwijderd wordt en zijn niet-
voltooide onderwijstraject niet bij de verwerende partij kan voortzetten” en dat deze beslissing “onmiddellijk uitvoerbaar” is, doet hij niets meer dan de strekking ervan toelichten.
Op zichzelf beschouwd, vermag deze enkele toelichting niet het gebruik van de uitzonderingsprocedure te verantwoorden.
9.1. Verzoeker wijst vervolgens erop dat “[h]et risico op onoverbrugbare leerachterstand […] bijzonder groot [is]”, omdat hij het tweede leerjaar van de derde graad niet in de school waar hij definitief is uitgesloten, kan aanvatten en omdat “[h]et vinden van een andere onderwijsinrichting […] quasi onmogelijk is”. Wat dat laatste element betreft, betoogt hij dat er “niet zo heel veel scholen in de regio” zijn die de door hem gevolgde studierichting aanbieden, dat zijn ”problematiek” het vinden van een school “bijzonder moeilijk” maakt, dat de verwerende partij “geen begeleiding” aanbiedt bij het zoeken naar een nieuwe school en dat de bestreden beslissing “geen goed [zal] doen aan deze zoektocht”. Het tijdstip van de maatregel maakt ook dat de meeste scholen hun onderwijs hebben aangevat. Hij ziet het “verlies van een schooljaar” “met de dag [groter]” worden.
IX-10.554-8/16
9.2. Met de bestreden beslissing wordt verzoeker definitief uitgesloten uit de school ‘GO! Maxwell’ te Maasmechelen. Zo verzoeker, die meerderjarig is, zijn studieloopbaan wenst verder te zetten, moet hij dus op zoek naar een nieuwe school.
Niets staat eraan in de weg dat verzoeker, in afwachting van een uitspraak, al op zoek gaat naar een alternatieve oplossing, zodat hij zijn schoolloopbaan kan voortzetten in een andere onderwijsinstelling. Dat hij een “onoverbrugbare leerachterstand” dreigt op te lopen, is bijgevolg geen evidentie die de Raad van State zonder meer kan aannemen.
9.3. Aan verzoeker is met de mededeling van de beslissing van de directeur van 29 augustus 2024 om hem definitief uit te sluiten, ook een lijst met dertien scholen bezorgd waar de door hem gevolgde studierichting wordt aangeboden. Gewis is het zo dat op die lijst scholen voorkomen die niet in de buurt van verzoekers woonplaats zijn gelegen. Dat er naar zijn verklaring “niet zo heel veel scholen” met dit aanbod in zijn streek zijn, betekent dan weer niet dat er géén zijn. Op de betrokken lijst komen alvast twee scholen voor die in Maasmechelen gelegen zijn; dit is de gemeente waar verzoeker tot aan zijn definitieve uitsluiting naar school ging.
In de voormelde mededeling van 29 augustus 2024 is verzoeker tevens erop gewezen dat “[h]et CLB [hem] kan […] verder helpen met de zoektocht naar een geschikte school”.
Daartegenover staat dat verzoeker geen enkel bewijs neerlegt waaruit blijkt dat hij zich – sinds zijn definitieve uitsluiting op 29 augustus 2024
– tevergeefs bij één of meerdere andere onderwijsinstellingen heeft aangeboden met het oog op een inschrijving. Evenmin verduidelijkt verzoeker of hij de aangeboden hulp van het bevoegde centrum voor leerlingenbegeleiding heeft aangenomen en wat daarvan het resultaat is.
IX-10.554-9/16
Alsdan moet worden geoordeeld dat verzoeker er niet in slaagt concreet en aannemelijk te maken dat zijn zoektocht naar een nieuwe school – al dan niet omwille van zijn “problematiek” – “bijzonder moeilijk” zou zijn of dat van “begeleiding” geen sprake zou zijn.
9.4. Verzoeker verliest voorts uit het oog dat artikel 123/9, 8°, van de Codex Secundair Onderwijs bepaalt dat “het tuchtdossier en de tuchtmaatregel […] niet overdraagbaar [zijn] naar een andere onderwijsinstelling”. Waarom de bestreden tuchtbeslissing verzoekers zoektocht naar een andere school “geen goed [zal] doen”, verduidelijkt hij niet nader en is, in het licht van die bepaling, verre van evident zichtbaar.
9.5. Het argument van “het tijdstip van de maatregel” – “de meeste scholen [hebben] al hun onderwijs aangevat” – kan de Raad, zonder iedere verdere toelichting, evenmin overtuigen van het voorhanden zijn van een uiterst dringende noodzakelijkheid.
Immers, de Raad van State bedenkt daarbij dat de (toekomstige)
school van verzoeker pas op 30 juni 2025 geroepen wordt om over hem een evaluatiebeslissing te nemen. Verzoeker voert niet aan dat en waarom hij niet bij machte zou zijn om tegen die tijd de lesdagen die hij heeft gemist, weer in te halen – laat staan dat hij naar behoren van recht het bewijs daarvan levert.
10. De bestreden beslissing zou voor verzoeker “enorme mentale gevolgen” hebben. Dat wordt toegelicht door erop te wijzen dat “het hele gebeuren” door hem als “bijzonder onrechtvaardig” wordt ervaren en dat hij het gevoel heeft “geen enkel recht” te hebben en dat “ongestraft met deze rechten mag worden gesold”.
Daarmee lijkt verzoeker de ernst van de door hem aangevoerde middelen bij de beoordeling van de voorwaarde van de uiterst dringende
IX-10.554-10/16
noodzakelijkheid te betrekken.
Daargelaten de vaststelling dat de uiterst dringende noodzakelijkheid een afzonderlijke schorsingsvoorwaarde vormt die niet kan worden gelijkgesteld met en in beginsel zeker niet volgt uit de ernst van een middel, leest de Raad van State ook in een dergelijke algemene omschrijving niet de vereiste precieze en concrete gegevens die getuigen van het voorhanden zijn van een uiterst dringende noodzaak.
11. Met wat verzoeker ter terechtzitting nog bijkomend heeft doen gelden, vermag de Raad van State in beginsel geen rekening te houden. De verwerende partij kan daarop immers niet meer schriftelijk reageren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die, naar luid van artikel 22, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ook in een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid essentieel schriftelijk is. Waarom in zijn geval uitzonderlijk van dat beginsel zou moeten worden afgeweken, heeft verzoeker dan weer niet inzichtelijk gemaakt.
12. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering niet aantoont.
Deze grondvoorwaarde is niet vervuld.
VI. Ernst van de middelen
Eerste middel, tweede onderdeel
Standpunt van de partijen
IX-10.554-11/16
13. Verzoeker steunt zijn eerste middel op “de schending van de formele en materiële motiveringsplichten van de verwerende partij aangevuld met de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel”.
In een tweede onderdeel van dat middel betoogt hij dat “de verwerende partij absoluut geen enkele aandacht schenkt aan de beroepsargumenten van [verzoeker]”. Hij merkt op “op verscheidene momenten”
argumenten te hebben bijgebracht – “bij de behandeling door de Directeur”, “[i]n het beroepschrift” en “[i]n aanvullende e-mailberichten van de raadsman van [verzoeker]”. Die argumenten komen op geen enkele manier aan bod; ze worden niet in overweging genomen door de beroepscommissie. Ze worden niet vermeld, laat staan onderzocht en weerlegd.
14. In haar nota beantwoordt de verwerende partij het tweede onderdeel van het eerste middel als volgt:
“In de opmerkingen die tegenover de leden van de klassenraad zijn gemaakt door de ouders (stuk 10), valt te lezen:
‘Uit de duidelijke geluidsopname van de situatie blijkt dat ‘de moeder’ geen drama probeert te maken, maar juist [verzoeker] probeert te kalmeren om te kijken of hij, eenmaal gekalmeerd, alsnog zijn examen mechanica zou kunnen maken.’ Los van het feit dat de moeder van verzoeker én verzoeker zélf bij de feiten aanwezig waren, is er dus een weerslag van de feiten in hun bezit waarmee zij de gebeurtenissen die geschetst worden, kunnen aftoetsen indien hun geheugen hen in de steek laat.
Zij zullen dus zelf zonder meer ervaren hebben dat verzoeker fysieke agressie probeerde te plegen.
De argumenten van verzoeker kunnen het feit waarop de bestreden beslissing is gebaseerd niet verhullen, hoezeer hiertoe ook een poging gedaan wordt.”
Beoordeling
15. Noch het algemeen rechtsbeginsel luidens welk een overheidsbeslissing op objectief aanneembare redenen gegrond moet zijn die hetzij uit de beslissing zelf, hetzij uit het administratief dossier moeten blijken,
IX-10.554-12/16
noch de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ leggen aan de overheid de verplichting op om op alle grieven of middelen van verdediging opgeworpen door de betrokkene afzonderlijk te beantwoorden.
16. Wanneer de regelgeving – zoals te dezen in de artikelen 123/12
en 123/13 van de Codex Secundair Onderwijs – in een administratieve beroepsprocedure heeft voorzien, moet de indiener van dat beroep wel erop kunnen rekenen dat zijn beroepschrift door de beroepsinstantie zorgvuldig wordt onderzocht en dat zij, ingeval zij meent tot hetzelfde oordeel te moeten komen als in de beslissing waarvan beroep, voor de verwerping van de aangevoerde beroepsargumenten goede redenen heeft. Wanneer het daarenboven gaat om een welomschreven, gewichtige grief van de beroepsindiener, zullen die redenen zelfs uitdrukkelijk in de beroepsbeslissing dienen te worden weergegeven. Van een zorgvuldig handelende beroepsinstantie mag immers worden verwacht dat zij in haar beslissing formeel aandacht besteedt aan de wezenlijke en fundamentele grieven van de beroepsindiener en dat zij hem aldus de antwoorden geeft die laten verstaan waarom zijn beroep wordt verworpen.
17. In zijn bezwaarschrift heeft verzoeker over vijf bladzijden kritiek geleverd op de door hem bestreden beslissing van de directeur. Daarbij kwamen aan bod: een “gebrek aan voldoende motivering”, een “gebrek aan bewijskrachtige motieven”, de schending van het redelijkheidsbeginsel, een uiteenzetting over “de stoornis” van verzoeker, de schending van de rechten van verdediging, van het schoolreglement en van het onpartijdigheidsbeginsel.
18. In de bestreden beslissing, zoals ze hiervóór is aangehaald, wordt uitsluitend gemotiveerd dat “[h]et gedrag dat [verzoeker] stelde tijdens de uitgestelde proef van 23.08.2024 […] van dien aard [was] dat de veiligheid van aanwezige personeelsleden in het gedrang kwam” en dat de directeur “[o]p basis van het schoolreglement […] tuchtmaatregelen [neemt] bij zeer ernstige
IX-10.554-13/16
overtredingen, meer bepaald als gedrag de veiligheid en fysieke of psychische integriteit van personeel of leerlingen in gevaar brengt”.
Met die “motivering” dat het gedrag van verzoeker tijdens de uitgestelde proef de veiligheid van personeelsleden van de school in het gedrang heeft gebracht – wat verzoeker precies betwist – lijkt de beroepscommissie geenszins de door verzoeker aangevoerde grieven te beantwoorden. Integendeel, zij laat die grieven op het eerste gezicht volstrekt onbesproken.
Zelfs als de Raad van State met de verwerende partij zou aannemen – men merke de conditionalis op – dat verzoeker zelf bij de feiten aanwezig was en alleen al daarom moet aanvaarden dat het door de beroepscommissie in aanmerking genomen feit “de veiligheid van aanwezige personeelsleden in het gedrang” heeft gebracht, dan nog moet prima facie worden vastgesteld dat verzoeker ook andere argumenten ter sprake heeft gebracht om van de beroepscommissie een gunstigere beslissing dan de definitieve uitsluiting te verkrijgen. Zo wordt, bijvoorbeeld, onder de noemer van de “schending van het redelijkheidsbeginsel”, beargumenteerd dat de tuchtmaatregel van de definitieve uitsluiting “onredelijk zwaarwichtig” is. Daarbij heeft verzoeker “de concrete omstandigheden” geschetst. Hij heeft benadrukt dat het om een “eenmalig feit” gaat en de “specifieke situatie” toegelicht. Verzoeker heeft tevens erop gewezen dat “het niet werkelijk tot fysieke agressie is gekomen”. Ook heeft hij betoogd dat het voor hem duidelijk is dat de school zijn moeder verwijt dat de situatie is geëscaleerd, maar dat “de keuzes, gedragingen of uitspraken” van zijn moeder “niet op hem afstralen”. Tot slot heeft verzoeker uiteengezet waarom hij vindt dat het incident in “lade 1” thuishoort, wat geen definitieve uitsluiting zou verantwoorden.
Waarom die argumenten de beroepscommissie niet tot andere inzichten hebben kunnen brengen, lijkt zij in het geheel niet te verduidelijken.
IX-10.554-14/16
19. Het besproken middelonderdeel is in de aangegeven mate ernstig.
VII. Conclusie met betrekking tot de vordering tot schorsing
20. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
VIII. Vordering tot het opleggen van een andere voorlopige maatregel en van een dwangsom
21. Verzoeker vraagt ook aan de Raad van State om “de verwerende partij bij wijze van voorlopige maatregel op straffe van dwangsom te bevelen om [verzoeker] voor het schooljaar 2024-2025 toe te laten tot het zesde leerjaar Mechanische technieken in de GO! Maxwell school ofwel tot zolang [de Raad van State] uitspraak heeft gedaan over de annulatievordering ofwel tot zolang de verwerende partij na intrekking van de bestreden beslissing een nieuwe beslissing heeft genomen over het beroep van [verzoeker] en indien deze beslissing opnieuw de verwijdering van [verzoeker] zou inhouden de mogelijkheid heeft gehad om deze nieuwe beslissing te onderzoeken en aan te vechten bij de Raad van State en de Raad uitspraak heeft gedaan over een eventuele schorsingsvordering”.
Hij vraagt in dat verband om “[d]e dwangsom vast te stellen op €2.500,00 per dag vertraging dat de bevolen voorlopige maatregelen niet volledig [zijn] uitgevoerd, waarbij de eerste dag van deze dwangsomtermijn de eerste schooldag zal zijn volgend op de dag dat de Griffie van [de Raad van State] aan partijen kennis gegeven heeft van het tussen te komen arrest”.
IX-10.554-15/16
22. Nu verzoeker, zoals hiervóór is gebleken, niet overtuigt van de uiterst dringende noodzakelijkheid, moet de vordering tot het opleggen van een andere voorlopige maatregel met dwangsom – waarvoor dezelfde grondvoorwaarden gelden – eveneens worden verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.
De griffier De voorzitter
Frank Bontinck Jurgen Neuts
IX-10.554-16/16
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.838
Gerelateerde publicatie(s)
gevolgd door:
ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.626
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...