ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.855
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.855 Rolnummer: A. 237170/X-18232 Zaak: Arrest 260855 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 30/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-04 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-04 04:54 Fiche Arrest nr 260.855 van...
34 min de lecture · 7,393 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 30 september 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.855
Rolnummer:
A. 237170/X-18232
Zaak:
Arrest 260855 – Stedenbouw en ruimtelijke ordening – Reglementen – 30/09/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-10-04
Raadplegingen:
89 – laatst gezien 2026-06-04 04:54
Fiche
Arrest nr 260.855 van 30 september 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw,
leefmilieu en aanverwante aangelegenheden – Stedenbouw en ruimtelijke
ordening – Reglementen Beslissing : Verwerping
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 260.855 van 30 september 2024
in de zaak A. 237.170/X-18.232
In zake : 1. A.V.
2. B.G.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marleen Ryelandt kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelsesteenweg 472
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen : 1. de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen 2. het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
de NV V.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Glenn Declercq kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 26 augustus 2022, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 24 februari 2022 van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen, houdende de definitieve vaststelling van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ‘regionaal bedrijf Sadef-herziening
X-18.232-1/30
(Hooglede)’, en, “[b]ij toepassing van art. 159 van de Grondwet, de buitentoepassingverklaring van het besluit van 18.01.2022 tot goedkeuring van het plan-MER van het PRUP Sadef Herziening”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 255.554 van 24 januari 2023 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
De nv Voestalpine Sadef heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 september 2024.
Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Marleen Ryelandt die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Caroline Cleynen, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de eerste verwerende partij, advocaat Thomas Quintens die verschijnt voor de
X-18.232-2/30
tweede verwerende partij, en advocaat Glenn Declercq die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Het bedrijf nv Voestalpine Sadef is gespecialiseerd in de productie van koudgevormde stalen profielen en buizen en is sinds 1952 gevestigd te Gits-Hooglede, tussen de Bruggesteenweg (gewestweg N32), de Stationsstraat en de Gudrunstraat (hierna: de bedrijfssite).
Verzoekers geven in hun verzoekschrift aan “op een 200-tal meter” van de bedrijfssite te wonen.
3.2.1. De bedrijfssite bevindt zich volgens het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 goedgekeurde gewestplan Roeselare-Tielt, wat het noordoostelijk (en oudste) gedeelte van de site van het bedrijf nv Voestalpine Sadef betreft, binnen een zone voor milieubelastende industrie. Het overige gedeelte van het bouwblok heeft volgens het gewestplan de bestemming agrarisch gebied of woongebied/woongebied met landelijk karakter.
3.2.2. Met een ministerieel besluit van 18 december 1991 wordt het bijzonder plan van aanleg (BPA) ‘Kruiskalsijde’ goedgekeurd. Het houdt een verfijning van het gewestplan in voor het noordelijke gedeelte van het bouwblok.
De bedrijvigheidssite wordt uitgebreid naar het westen toe en de agrarische gronden langsheen de Stationsstraat worden bestemd naar woongebied, met
X-18.232-3/30
achterliggende ruimte voor nijverheidsgebouwen. Ter hoogte van de rotonde is een zone voor wonen bestemd, maar ook een zone voor handel, diensten, horeca en/of kantoren. Hier is een terreinbezetting van 100% toegelaten. Het BPA voorziet ook in groenbuffers. Het grafisch plan ervan is het volgende:
3.2.3. Om tegemoet te komen aan een ruimtevraag van het regionale bedrijf nv Voestalpine Sadef wordt door de provincie West-Vlaanderen een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (PRUP) opgemaakt. De bedrijfssite wordt sindsdien beheerst door de stedenbouwkundige voorschriften van het bij ministerieel besluit van 8 september 2006 goedgekeurde PRUP ‘regionaal bedrijf Sadef te Hooglede’, dat ten behoeve van de nv Voestalpine Sadef in een aantal uitbreidingsmogelijkheden voorziet.
X-18.232-4/30
Het grafisch plan is het volgende:
X-18.232-5/30
De erbij horende legende is de volgende:
3.3. De provincie West-Vlaanderen toont zich bereid om het PRUP
van 2006 te herzien, teneinde aan de bijkomende ruimtevraag van de nv Voestalpine Sadef te voldoen. Naast het verbeteren van de mobiliteit en het oplossen van de parkeerproblematiek op en rond de bedrijfssite, is het de bedoeling om ook een productieuitbreiding en de bouw van een logistiek centrum, een “visitor centre” en commerciële bureauruimte mogelijk te maken.
3.4. Er wordt een start- en procesnota opgesteld voor de opmaak van het PRUP ‘regionaal bedrijf Sadef-herziening (Hooglede)’, waarover een publieke raadpleging plaatsvindt. Vervolgens wordt een voorontwerp van PRUP
opgemaakt, waarover op 18 december 2020 een plenaire vergadering wordt georganiseerd.
3.5. Met zijn besluit van 22 april 2021 stelt de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen het ontwerp-PRUP ‘regionaal bedrijf Sadef-herziening (Hooglede)’ voorlopig vast.
X-18.232-6/30
3.6. Over het ontwerp-PRUP wordt een openbaar onderzoek georga-niseerd, tijdens hetwelk onder anderen eerste verzoeker een bezwaar indient.
3.7. De provinciale commissie voor ruimtelijke ordening van de provincie West-Vlaanderen (hierna: de Procoro) vergadert op 2 september 2021
over het dossier en verstrekt een voorwaardelijk gunstig advies over het ontworpen PRUP.
3.8. Op 18 januari 2022 gaat het team Milieueffectrapportage van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid (hierna: het team Mer) over tot een kwaliteitsbeoordeling van het voor het PRUP opgemaakte plan-milieueffectrapport (plan-MER). De kwaliteit ervan wordt als “goed”
beoordeeld.
3.9. Nadat de termijn voor de definitieve vaststelling van het PRUP
met zestig dagen werd verlengd, gaat de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen met het bestreden besluit van 24 februari 2022 over tot de definitieve vaststelling van het PRUP ‘regionaal bedrijf Sadef-herziening (Hooglede)’ (hierna: het bestreden PRUP).
X-18.232-7/30
Het grafische plan van het bestreden PRUP – met aanduiding van de Gudrunstraat, Stationsstraat en Brugsesteenweg – is het volgende:
Stationsstraat
Gudrunstraat
Brugsesteenwe
X-18.232-8/30
De erbij horende legende luidt:
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4.1. Verzoekers roepen in een eerste middel de schending in van “art.
4.2.8. Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid DABM van 1995, schending van he[t] zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur en schending van de motiveringsplicht vervat in de Wet van 1991, buitentoepassingverklaring op grond van art. 159 van de Grondwet van het besluit van het Departement Omgeving, Afdeling GOP, Team MER dd. 18.01.2022
Kwaliteitsbeoordeling plan-MER PRUP Regionaal bedrijf Sadef Herziening”.
Zij betogen dat het plan-MER het nulalternatief en mogelijke redelijke alternatieven niet of onvoldoende heeft onderzocht. Nochtans is decretaal vereist dat het nulalternatief – “wat de mogelijke ontwikkeling van het milieu inhoudt, wanneer het PRUP niet wordt herzien” – wordt beschreven. De feitelijke
X-18.232-9/30
referentiesituatie betreft de huidige bestaande toestand, waarbij zelfs dan “bij ‘spontane ontwikkeling’ […] er nog uitbreiding van het bedrijf Sadef mogelijk [is]
naar het zuiden toe tot aan de Gudrunstraat”. Deze “spontane ontwikkeling” dient beschouwd te worden als de juridische referentiesituatie. De feitelijke referentiesituatie die in het plan-MER in rekening is genomen, komt niet volledig overeen met de juridische referentiesituatie, nu “het zuidelijk deel van het onderzoeksgebied voor het plan […] volgens het PRUP Regionaal bedrijf Sadef te Hooglede [is] bestemd als zone voor specifiek regionaal bedrijventerrein, terwijl dit deel van het terrein niet in gebruik is voor bedrijfsactiviteiten”, wat dan “betekent dat de juridische toestand rekening houdt met het feit dat de zuidelijke zone ook reeds ingevuld is als zone voor specifiek regionaal bedrijventerrein”. In het plan-MER wordt op grond daarvan gesteld “dat de feitelijke referentiesituatie dus wellicht voor de meeste disciplines de meest kwetsbare toestand is”.
Verzoekers merken daaromtrent op dat het plan-MER niet verduidelijkt wat wordt verstaan onder de meest kwetsbare toestand. Volgens verzoekers is het onzorgvuldig om te stellen dat “waar relevant” de effectbeschrijving een onderscheid zal maken tussen de feitelijke en de juridische referentiesituatie. Een en ander maakt “de effectbeoordeling totaal ondoorzichtig en moeilijk met elkaar vergelijkbaar”. In ieder geval werden de effecten van het nulalternatief niet onderzocht, ook niet in de juridische referentiesituatie. Het plan-MER gaat sowieso uit van een uitbreiding van het bedrijf, wat echter ook zonder een herziening van het PRUP mogelijk is in zuidelijke en in noordwestelijke richting.
Er mocht volgens verzoekers niet worden vertrokken van “een vaststaande behoefte van nv Sadef tot uitbreiding”, daar dit nog mogelijk is binnen de juridische referentietoestand. Daarnaast wordt ten onrechte gesproken over een “optimalisatie” van de bedrijfssite, daar waar het wel degelijk om een uitbreiding gaat. Een en ander werd ook in het openbaar onderzoek aangebracht, maar daar kwam geen antwoord op. Verzoekers verwijzen ten slotte naar rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, waaruit zou blijken dat het nulalternatief in de effectbeoordeling niet impliciet mag worden behandeld.
4.2. In hun memorie van wederantwoord stellen verzoekers dat niet wordt betwist dat de feitelijke en de juridische referentiesituatie niet met elkaar
X-18.232-10/30
overeenstemmen. Het is voor hen compleet onduidelijk hoe met dat gegeven is omgegaan in de effectbeoordeling. Uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat vooral de planologische toets belangrijk is en die toets is in casu niet op een eenduidige manier gebeurd. Het klopt volgens verzoekers niet dat op doordachte wijze de ene keer aan de feitelijke situatie wordt gerefereerd en de andere keer aan de juridische toestand. Dit gaat bijvoorbeeld niet op voor het onderzoek naar de geluidseffecten in het zuidelijke deel van de site. Er is in het plan-MER niets terug te vinden over het nulalternatief. In het plan-MER loopt alles door elkaar. Er is geen duidelijk onderzoek gebeurd naar “de milieueffecten bij ongewijzigd beleid”.
Een onderzoek van het nulalternatief impliceert dat rekening wordt gehouden met een ontwikkeling van het bedrijf zoals dit vóór het bestreden PRUP nog mogelijk was. Het getuigt niet van de nodige zorgvuldigheid om zomaar aan te nemen dat er inderdaad een bedrijfsbehoefte bestaat om te optimaliseren of uit te breiden.
4.3. Verzoekers doen in hun laatste memorie nog gelden dat zij moeten kunnen inschatten welke milieueffecten zich zullen voordoen wanneer het betreden PRUP zal worden gerealiseerd. Zij betogen dat er in casu geen sprake is van de aanwezigheid van waardevolle natuurelementen en dus van een bijzondere feitelijke situatie. Volgens verzoekers is een referentiesituatie “in principe ofwel de huidige situatie ofwel een toekomstige situatie, en kunnen er meerdere referentiesituaties zijn”. Dat zij voor het eerst in hun memorie van wederantwoord zouden uitweiden over de geluidseffecten in het zuidelijke plandeel, is volgens hen niet correct. Wat het nultarief betreft, stellen verzoekers niet in te zien waarom dit geen redelijk alternatief zou kunnen zijn.
Beoordeling
5.1. In zoverre het middel is afgeleid uit een schending van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (formelemotiveringswet), is het onontvankelijk. De formelemotiveringswet vindt op het bestreden PRUP, reglementair van aard zijnde, immers geen toepassing.
X-18.232-11/30
5.2. Artikel 4.2.8, §1bis, 2°, van het decreet van 5 april 1995
‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (DABM) bepaalt dat een plan-MER onder meer “de relevante aspecten van de bestaande situatie van het milieu en de mogelijke ontwikkeling ervan als het plan of het programma niet wordt uitgevoerd” moet bevatten. Dit wordt ook wel de “referentiesituatie”
genoemd. Deze dient in het plan-MER adequaat te worden omschreven en gekaderd. Waar verzoekers voorhouden dat er in het plan-MER geen sprake is van het nulalternatief, gaan zij eraan voorbij dat de beschouwingen in het plan-MER
over de referentiesituatie daarop betrekking hebben.
5.3.1. Verzoekers’ kritiek dat bij de beoordeling van de potentiële milieueffecten van het plan een onderscheid is gemaakt tussen de “feitelijke”
referentiesituatie en de “juridische” referentiesituatie, en dat niet steeds duidelijk is wat de bedoeling daarvan is en of op die manier wel een getrouwe weergave van het zogenaamde nulalternatief wordt gegeven, kan evenmin bijval vinden, gelet op wat volgt.
5.3.2. Bij de beoordeling van de milieueffecten van een ruimtelijk uitvoeringsplan moet, uit het oogpunt van die milieueffecten, voor elke zone van het plan in de eerste plaats de vergelijking worden gemaakt tussen de verordenende voorschriften van het bestaande plan en die van het voorgenomen plan (de planologische toets). De huidige feitelijke bestemming van het gebied is bij deze planologische toets niet relevant. Wanneer uit de voornoemde planologische toets blijkt dat er zich inzake milieueffecten een relevante wijziging voordoet, moet deze wijziging bij het onderzoek worden betrokken.
Voor het uitvoeren van een volledig en zorgvuldig effectonderzoek kan de voornoemde planologische toets echter niet volstaan wanneer de betrokken percelen zich vanuit milieuoogpunt in een bijzondere feitelijke situatie bevinden, zoals bij de vastgestelde aanwezigheid van waardevolle natuurelementen. In dat geval moet ook worden nagegaan of er, gelet op die bestaande feitelijke toestand, milieueffecten kunnen zijn bij de realisatie van het voorgenomen plan (de feitelijke toets).
X-18.232-12/30
5.3.3. In het plan-MER wordt uitgelegd dat bij het uitvoeren van het milieueffectonderzoek een onderscheid wordt gemaakt tussen de feitelijke referentiesituatie en de juridische referentiesituatie, nu beide situaties niet steeds met elkaar overeenstemmen. Dat is het geval voor het zuidelijke deel van de site, dat al sedert het PRUP van 2006 bestemd is als specifiek regionaal bedrijventerrein, maar nog niet in gebruik is, en voor het noordwestelijke deel van de site, dat volgens het BPA ‘Kruiskalsijde’ een harde bestemming heeft, maar waar nog altijd een hoeve met weide aanwezig is. In de plandocumenten wordt verduidelijkt dat het in rekenschap brengen van de feitelijke referentiesituatie gebeurt waar relevant, meer bepaald voor de voormelde twee deelzones. Het blijkt niet dat het milieueffectonderzoek gevoerd zou zijn in strijd met het gestelde onder randnummer 5.3.2.
5.4. Waar verzoekers eerst in hun memorie van wederantwoord uitweiden over het onderzoek naar de geluidseffecten in het zuidelijke deel van de site, is het middel laattijdig en onontvankelijk.
5.5.1. Artikel 4.2.8, §1bis, 6°, DABM bepaalt dat enkel “redelijke alternatieven” het voorwerp moeten uitmaken van een plan-MER.
In het document ‘Uitvoering van richtlijn 2001/42/EG
betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s’ van het directoraat-generaal Milieu van de Europese Commissie wordt hieromtrent onder meer gesteld :
“5.13. De richtlijn zegt niet wat wordt bedoeld met een ‘redelijk alternatief’ voor een plan of programma. Wanneer een beslissing wordt genomen over mogelijke redelijke alternatieven moet allereerst worden gekeken naar de doelstellingen en de geografische reikwijdte van het plan of programma.”
De memorie van toelichting bij het decreet van 27 april 2007
‘houdende wijziging van titel IV [DABM] en van artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijke milieu’ vermeldt in die zin dat “het be[g]rip redelijk overeenkomstig de richtlijn getoetst wordt
X-18.232-13/30
“[…] rekening houdend met het doel en de geografische werkingssfeer van het plan of het programma” (Memorie van toelichting, Parl.St. Vl.Parl. 2006-2007, nr.
1081/1, 29).
Overeenkomstig punt 5.14 van het voormelde document “Uitvoering van richtlijn 2001/42 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s”, “[moeten] [d]e gekozen alternatieven […] realistisch zijn”.
5.5.2. De Procoro heeft erop gewezen dat in het plan-MER
“verschillende inrichtingsalternatieven en een uitbreidingsalternatief [werden]
onderzocht” en dat tevens wordt “gemotiveerd waarom er geen locatiealternatieven werden onderzocht”. Verzoekers tonen niet aan dat een en ander onjuist of anderszins onrechtmatig zou zijn. Het betoog van de verwerende en de tussenkomende partijen dat verzoekers in gebreke blijven aan te geven welke “redelijke” locatiealternatieven zich te dezen zouden aandienen, wordt bijgetreden.
5.6. Gelet op wat voorafgaat, tonen verzoekers geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan.
5.7. Het middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
6.1. Verzoekers roepen in een tweede middel de schending in van “art. 4.2.8, § 1 bis, 6° DABM, schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur en schending van het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, schending van de motiveringsplicht, schending van het rechtszekerheldsbeginsel, toepassing van art. 159 van de Grondwet, buitentoepassingverklaring van het besluit van het Team-MER van het Departement Omgeving dd. 18.01.2022”.
X-18.232-14/30
6.2.1. In een eerste middelonderdeel argumenteren verzoekers dat het plan-MER het aspect geluid onvoldoende onderzoekt. Zij hebben daarover bezwaren geformuleerd, meer bepaald over het gegeven dat de geluidsmetingen niet op correcte wijze werden uitgevoerd. De geluidsproblematiek werd bevestigd naar aanleiding van metingen uitgevoerd door de omgevingsinspectie, maar dienaangaande worden geen bijkomende maatregelen genomen of voorwaarden gesteld. Er wordt “verwezen naar handhaving” en de geluidsproblematiek wordt omschreven als een probleem van bedrijfsvoering. Enkel zou er in het kader van de vergunningverlening een akoestisch onderzoek inzake geluid moeten gebeuren, wat een doorschuiving van de geluidsproblematiek naar het vergunningsniveau inhoudt. Het plan-MER is op dat vlak gebrekkig. Er is nooit een volledig akoestisch onderzoek van het bedrijf “op zich” uitgevoerd.
6.2.2. In het tweede middelonderdeel kaarten verzoekers de waterproblematiek aan. Ook daaromtrent werden bezwaren ingediend, en het plan-MER stelt voor om een grondwaterstudie uit te voeren. Ten onrechte wordt ook dit naar het vergunningsniveau doorgeschoven. De toevoeging onder artikel 0.2 van de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP dat het waterbergend vermogen van het plangebied door de verdere inrichting van de bedrijfssite niet mag verminderen, biedt geen soelaas. In de omgeving van de bedrijfssite hebben zich reeds overstromingen voorgedaan en een “bijkomende grote afgraving” kan voor verdere problemen zorgen. Een grondwaterstudie op planniveau is derhalve noodzakelijk. Ook op dat punt zijn het plan-MER en de goedkeuring ervan door het team Mer ondeugdelijk.
6.2.3. In het derde middelonderdeel uiten verzoekers kritiek met betrekking tot de impact van de verhoogde mobiliteit. Ook daaromtrent werden bezwaren geuit. Het bijkomend verkeer in de Stationsstraat zal negatieve gevolgen hebben qua geluid en luchtkwaliteit. In het plan-MER wordt dienaangaande verkeerdelijk gesproken over “een (zeer) beperkte stijging” van het verkeer. Er wordt geen rekening gehouden met het feit dat er vooral zwaar verkeer zal bijkomen, wat bijzonder nefast is voor het geluidsniveau en de luchtkwaliteit.
X-18.232-15/30
6.3.1. In hun memorie van wederantwoord stellen verzoekers, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat de Raad van State mag oordelen over de degelijkheid van het plan-MER. Er is onvoldoende onderzoek gebeurd naar de geluidsimpact en meer in het bijzonder naar “incidenteel, fluctuerend, impulsachtig of intermitterend geluid”. Enkel stellen dat het bedrijf “zo veel mogelijk met gesloten poorten zal werken”, volstaat niet. Het is op zijn minst eigenaardig dat de inspectiediensten geluidsoverschrijdingen vaststellen, maar dat het plan-MER op het vlak van geluid positief is. Het verplicht stellen van een inrichtingsstudie zal het vastgestelde probleem niet verhelpen.
6.3.2. Betreffende het tweede middelonderdeel blijven verzoekers er in hun memorie van wederantwoord bij dat het niet duidelijk is dat er geen ondergrondse bouwlagen zullen worden voorzien. Een grondwaterstudie op planniveau is wel degelijk nodig. Verzoekers betogen dat de motivering ter zake niet zozeer op het grondwater betrekking heeft. Verder zijn ondergrondse volumes hoe dan ook niet uitgesloten.
6.3.3. Inzake het derde middelonderdeel betogen verzoekers in hun memorie van wederantwoord dat wordt toegegeven dat er bijkomend verkeer zal zijn. Ook in het plan-MER wordt gesteld dat zwaar verkeer de belangrijkste parameter is. Er mag een verdubbeling van het geluidsniveau worden verwacht. De tussenkomende partij vergist zich waar zij stelt dat enkel rekening moet worden gehouden met personenwagens, nu in het begrip personenauto-equivalent (PAE)
ook vrachtwagens begrepen zijn.
6.4.1. Verzoekers doen in hun laatste memorie, wat het eerste middelonderdeel betreft, nog gelden dat de geluidsmetingen in het plan-MER wel degelijk door hen werden bekritiseerd, dat de metingen in het plan-MER dienden vergeleken te worden met de resultaten van de geluidsmetingen van de omgevingsinspectie, en bekritiseren dat er in het kader van het plan MER geen volledig akoestisch onderzoek is gebeurd. Het opleggen van een inrichtingsstudie of een geluidstudie op vergunningsniveau “schendt de rechtszekerheid”.
X-18.232-16/30
6.4.2. Inzake hun tweede middelonderdeel zien verzoekers een tegenstrijdigheid waar de stedenbouwkundige voorschriften, enerzijds, stellen dat ondergrondse constructies niet toegelaten zijn en, anderzijds, bepalen dat dit toch kan wanneer op vergunningsniveau wordt aangetoond dat er geen aanzienlijke impact is op de grondwaterstroming. Voorts dienen, als er geen ondergrondse constructies kunnen worden toegestaan, ook afgravingen verboden te worden.
Beoordeling
7.1. Wat verzoekers’ kritiek op het onderzoek naar de geluidsimpact van het PRUP betreft, dient te worden vastgesteld dat zij voornamelijk oog hebben voor de resultaten van de geluidsmetingen met betrekking tot de bestaande toestand, en grotendeels voorbijgaan aan het onderzoek en de bevindingen in het plan-MER. Daarin worden berekeningen gemaakt voor vier verschillende locaties in de verschillende windrichtingen, methodiek die door verzoekers niet wordt bekritiseerd. Omdat met de geprojecteerde ontwikkelingen – in een worst case-scenario – het geluidsniveau zou stijgen, wordt een milderende maatregel voorgesteld die erin bestaat dat de reeds bestaande geluids- en visuele buffer in het westen wordt doorgetrokken naar de Stationsstraat toe, en langsheen de Stationsstraat tot aan de inrit van het bedrijf. Het houdt onder meer in dat parallel met de Gudrunstraat, achter de aldaar bestaande woningen, een geluidsscherm met een minimumhoogte van 6 m wordt voorzien. Het geluidsbufferend effect van deze maatregel wordt in het plan-MER voor de vier gekozen referentielocaties doorgerekend, wat het resultaat geeft dat de geldende geluidsnormen overal en steeds zullen kunnen worden gerespecteerd (plan-MER, p. 116-117). Verzoekers gaan in hun uiteenzetting niet concreet in op deze bevindingen van het plan-MER, die zijn doorvertaald geworden in de grafische en de tekstuele voorschriften van het PRUP. Anders dan verzoekers dit zien, wordt de geluidsproblematiek niet doorgeschoven naar het vergunningsniveau.
7.2. In het plan-MER wordt ook ingegaan op de geluidsklachten die een aantal omwonenden tijdens de planprocedure hebben ingediend (plan-MER, p.
118). De inspectiediensten van de Vlaamse overheid blijken in opvolging van die
X-18.232-17/30
klachten geluidsmetingen te hebben uitgevoerd, waaruit blijkt dat het bedrijf soms met open poorten werkt en dat er punctueel overschrijdingen zijn van de geluidsnormen. Het plan-MER vermeldt in dat verband “dat het bedrijf de nodige acties onderneemt/zal ondernemen om conform de toepasselijke geluidsvoorwaarden te exploiteren gedurende alle beoordelingsperiodes van het etmaal” en dat “[o]m te zorgen dat steeds zo veel mogelijk met gesloten poorten en deuren wordt gewerkt, […] in de omgevingsvergunning als bijzondere voorwaarden [kan] worden opgelegd dat er op alle poorten een automatische sluiting voorzien wordt, dit in combinatie met de naleving van alle toepasselijke veiligheidsvoorschriften”.
7.3. Dat de tussenkomende partij de in haar vergunning opgelegde voorwaarden inzake geluid moet naleven, staat los van de vraag naar de wettigheid van het PRUP en van de intrinsieke degelijkheid van het plan-MER. De vermeldingen in het plan-MER met betrekking tot de geluidsklachten en het gevolg dat daaraan wordt gegeven, zijn niet van aard om het PRUP te vitiëren.
Voorts weze vastgesteld dat het plan-MER met betrekking tot de bevindingen die betrekking hebben op de gevolgen qua geluidsimpact van het PRUP concludeert dat de geluidsnormen kunnen worden gerespecteerd, mits de milderende maatregelen met betrekking tot de geluidsbuffer en -berm worden geïmplementeerd. Daarop leveren verzoekers in het middel op zich geen kritiek.
Bovendien bepaalt artikel 0.0. van de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP dat aan een omgevingsvergunningsaanvraag een inrichtingsstudie moet worden gekoppeld met “bijzondere aandacht” voor het geluidsaspect, en dit “door middel van een geluidsstudie die beantwoordt aan de VLAREM regels”.
7.4. Het eerste middelonderdeel is ongegrond.
8.1. Wat het door verzoekers bekritiseerde onderzoek naar de waterproblematiek betreft, wijzen de verwerende en tussenkomende partijen er op goede gronden op dat volgens artikel 0.3. van de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP ondergrondse constructies in het plangebied niet toegelaten zijn, tenzij “op projectniveau kan worden aangetoond door middel van een
X-18.232-18/30
grondwaterstudie dat er geen aanzienlijke impact is op de grondwaterstroming”.
De Raad van State ziet hier, anders dan verzoekers, geen tegenstrijdigheid in. Het voorschrift sluit aan bij de conclusie van het plan-MER dat op planniveau nog geen concrete gegevens beschikbaar zijn over de wijzigingen die het bedrijf wil doorvoeren, en dat daarom moet worden bepaald dat ondergrondse volumes enkel kunnen indien op projectniveau middels een grondwaterstudie aangetoond wordt dat er geen aanzienlijke impact is op de grondwaterstroming. Het plan-MER
besluit dat er, mede in rekening genomen de afgravingen die zullen moeten gebeuren, “geen significant effect op de grondwaterstroming (wordt) verwacht wanneer geen ondergrondse bouwvolumes worden aangelegd (0)” (plan-MER, p.
165 en 170).
8.2. Terecht ook wijzen de verwerende en tussenkomende partijen er in dit verband op dat artikel 0.2. van de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP gebiedt dat “het waterbergend vermogen van het plangebied […] door de aanleg van de bedrijvensite niet [mag] verminderd worden” en dat eventuele ophogingen op het eigen terrein moeten worden gecompenseerd teneinde het waterbergend vermogen van de gronden te vrijwaren. Artikel 1.1.3. van de stedenbouwkundige voorschriften voorziet daarnaast in de aanleg van een waterbufferbekken in het westelijke gedeelte van de overdruk als logistieke zone binnen het specifiek regionaal bedrijventerrein, waarbij volgens artikel 0.2. van de stedenbouwkundige voorschriften de ruimte van dat waterbufferbekken moet worden berekend op het maximale programma van de mogelijk gemaakte ontwikkelingen en dat het volume ervan minstens 7.000 m³ moet bedragen.
8.3. Ten slotte zijn de opmerkingen van verzoekers betreffende de overstromingen die in de omgeving soms zouden voorkomen (langs de Abelenbeek en in de wijk Bergdal) niet van aard om het PRUP te vitiëren. Uit het plan-MER blijkt dat met die elementen uitdrukkelijk rekening is gehouden (zo bijvoorbeeld in het plan-MER, p. 157-160). Verzoekers gaan daar in hun verzoekschrift niet op in.
8.4. Het tweede middelonderdeel is ongegrond.
X-18.232-19/30
9.1. In hun derde middelonderdeel uiten verzoekers kritiek op het onderzoek naar “de impact van de verhoogde mobiliteit”. Het bijkomend verkeer in de Stationsstraat zou negatieve gevolgen hebben qua geluid en luchtkwaliteit, en in het plan-MER zou dienaangaande verkeerdelijk worden gesproken over “een (zeer) beperkte stijging van het verkeer” en zou er geen rekening zijn gehouden met het feit dat er vooral zwaar verkeer zal bijkomen, wat bijzonder nefast is voor het geluidsniveau en de luchtkwaliteit.
9.2. Dienaangaande kan het verweer van de verwerende en tussenkomende partijen, dat is gebaseerd op de wetenschappelijke data in het plan-MER, worden bijgetreden. In de parameter van de personenauto-equivalenten (PAE) zitten alle soorten verkeer vervat, met een gewogen score voor elke verkeersmodus. In het plan-MER wordt duidelijk gemaakt dat er slechts een beperkte verkeerstoename wordt verwacht, wat in een relatieve dB(A)-stijging van maximaal 0,8 dB(A) resulteert, en wat in het significantiekader een tussenscore van 0 geeft (plan-MER, p. 120). Verzoekers komen er niet toe de wetenschappelijke degelijkheid van die cijfers en conclusies overtuigend te betwisten. Zoals de tussenkomende partij in haar memorie op goede gronden opmerkt, bewaren verzoekers in hun betoog het stilzwijgen over de in het plan-MER verduidelijkte relevante parameters qua mobiliteit, zoals: de invloed van de verhoging van de verkeersintensiteit door de extra voertuigbewegingen, waarbij al een verdubbeling van de verkeersintensiteit moet optreden om een verhoging van 3dB(A) te verkrijgen; het in de regel grote snelheidsverschil tussen personenwagens en zwaar verkeer, waardoor het geluid van het gewone verkeer dat van het zwaar verkeer grotendeels maskeert; de factor van de verkeersdoorstroming, waarbij het motorgeluid hoger is naarmate de motor meer vermogen moet ontwikkelen; het type wegdek, de toegestane snelheid, en het aanwezig zijn van geluidsschermen.
9.3. Ten slotte kunnen verzoekers’ bedenkingen over de potentiële luchtverontreiniging die uitgaat van bijkomend verkeer evenmin de wettigheid van het plan-MER en het PRUP aantonen. In het plan-MER is een en ander onderzocht
X-18.232-20/30
geworden en luidt de conclusie dat “hooguit een beperkt negatieve impact” ten gevolge van het planvoornemen kan optreden (plan-MER, p. 197-198). Verzoekers slagen er ook hier niet in deze bevindingen te weerleggen.
9.4. Het derde middelonderdeel is evenzeer ongegrond.
10. Het middel is in zijn geheel ongegrond.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
11. Verzoekers roepen in een derde middel de schending in van (“oud”) artikel 4.1.7 DABM, van het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en van artikel 2.2.1, § 1, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO).
12.1. In een eerste middelonderdeel bekritiseren verzoekers dat de milderende maatregelen op het vlak van geluid die in het plan-MER worden vooropgesteld, niet of onvoldoende zijn doorvertaald geworden in de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP. In het plan-MER wordt uitgegaan van “het feit dat het bedrijf zou voldoen aan de toepasselijke richt- en grenswaarden uit Vlarem II”, wat in de praktijk evenwel niet het geval is. Als milderende maatregel wordt een doortrekking van de reeds bestaande groen- en geluidsbuffer parallel met – en achter de woningen van – de Gudrunstraat vooropgesteld, waarvan echter niet duidelijk is of dit een “beplant scherm” moet zijn, dan wel een “beplante talud/aarden wal”, of beide. Verzoekers beschouwen deze onduidelijkheid als een schending van de aangevoerde rechtsregels, zeker nu de bestaande toestand al geluidsoverlast voor omwonenden genereert. Bovendien legt artikel 0 van de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP enkel een geluidsstudie op als onderdeel van een inrichtingsstudie op projectniveau, waardoor het probleem wordt doorgeschoven naar het vergunningsniveau. Uit die
X-18.232-21/30
geluidsstudie zou kunnen blijken dat er infrastructurele maatregelen in de zin van een bredere of hogere buffer noodzakelijk zijn, terwijl op vergunningsniveau slechts beperkt geluidsbeperkende maatregelen mogelijk zijn. Dat zou impliceren dat de maatregelen die in de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP
worden opgelegd, ontoereikend zijn. Het geluidsscherm van drie meter hoog dat thans achter de woningen in de Gudrunstraat aanwezig is, is nu al niet in staat om geluidshinder te voorkomen of afdoende te beperken.
12.2. Een tweede middelonderdeel betreft de milderende maatregelen op het vlak van mobiliteit. In het bijzonder wijzen verzoekers op de passage van het plan-MER waarin wordt geopteerd voor de ontsluitingsvariant van het bedrijf langs de zuidzijde van de Stationsstraat, die dichterbij de woonkern van Gits en de woningen langs de Gudrunstraat en in de Bergdalwijk ligt. De geluidseffecten op dit vlak zijn in het plan-MER niet correct bepaald. Zij wijzen er voorts op dat de verkeersleefbaarheid inzake conflicten met weggebruikers in het plan-MER
tegelijk een score “-1” en een score “+1” krijgt. Er worden niet meer dan een paar vrijblijvende aanbevelingen geformuleerd, die qua uitvoering aan de omwonenden geen rechtszekerheid bieden. Voor de Stationsstraat zijn maatregelen noodzakelijk om het mobiliteitsprobleem aan te pakken.
13.1. In hun memorie van wederantwoord blijven verzoekers er, wat het eerste middelonderdeel betreft, bij dat de in de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP opgenomen milderende maatregelen inzake geluidsoverlast onvoldoende zijn. Het gegeven dat de score qua geluid nog steeds -1 is, zelfs wanneer de Vlarem-geluidsnormen worden nageleefd, wijst erop dat er meer doortastende milderende maatregelen op planniveau noodzakelijk zijn.
Voorts stellen zij dat uit de stedenbouwkundige voorschriften niet blijkt dat zowel een beplant scherm als een groenbuffer noodzakelijk zijn.
13.2. Wat het tweede middelonderdeel betreft, merken verzoekers op dat er al langer klachten over de verkeersveiligheid in de Stationsstraat zijn, en dat die problematiek wel degelijk een oplossing moest krijgen in de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP.
X-18.232-22/30
14.1. Verzoekers doen in hun laatste memorie nog gelden, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat in het plan-MER wordt uitgegaan van geluidsmetingen die feitelijk niet correct zijn. Volgens de inspectiediensten is er sprake van geluidsoverschrijdingen, hetgeen niet losstaat van de effectbeoordeling.
De geluidsproblematiek doorschuiven naar het vergunningsniveau kan niet worden aanvaard. Aangezien er nu reeds geluidsoverschrijdingen zijn, is zowel een groenbuffer als een scherm vereist om de geluidsimpact te reduceren. Nopens de conflictsituatie met het fietspad in de Stationsstraat, wijzen verzoekers erop dat een aanbeveling geen verplichting is en dat een en ander afhankelijk wordt gemaakt van het initiatief van een derde, meer bepaald de gemeente Hooglede.
14.2. Inzake het tweede middelonderdeel betogen verzoekers in hun laatste memorie nog dat er meer geluid van zowel uitbreidende bedrijfsactiviteiten als van in- en uitrijdend verkeer in de Stationsstraat zal zijn, en dat de tabel met de opsomming van de mogelijke effecten van het planvoornemen niet correct is. De aanbevelingen van het plan-MER zijn zuiver vrijblijvend en worden in de verordenende stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP niet op bindende wijze doorvertaald. Bovendien zal de gemeente Hooglede ze dienen uit te voeren.
Niettegenstaande de mobiliteitsproblematiek in de Stationsstraat door de bijkomende in- en uitrit zal toenemen, wordt er slechts in vrijblijvende aanbevelingen voorzien, die de omwonenden geen rechtszekerheid bieden.
Beoordeling
15. In zoverre verzoekers, wat hun kritiek op de geluidshinder en de ondeugdelijkheid van het plan-MER in dit verband betreft, naar het tweede middel verwijzen, volstaat het naar de beoordeling van het eerste onderdeel van dat middel (randnummer 7.1 en volgende) te verwijzen. Inzonderheid werd er aldaar reeds op gewezen dat de vermeldingen in het plan-MER met betrekking tot de geluidsklachten en het gevolg dat daaraan werd gegeven, niet van aard zijn om het PRUP te vitiëren (randnummer 7.3).
X-18.232-23/30
16.1. Wat de beweerde onduidelijkheid betreft met betrekking tot de zone voor groenbuffer en de in artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften voorziene maatregelen inzake geluidsbuffering, wordt vastgesteld dat artikel 2.2.
verplicht om de groenbuffer aan te leggen over een breedte van tien meter, waarbij op de grens met de Gudrunstraat de planten wintergroen dienen te zijn en minstens drie meter hoog moeten worden. Verder zijn bepaalde stroken buffergroen op de grafische plankaart voorzien van een “overdruk extra voorwaarden geluid”, waar overeenkomstig artikel 2.2.2. van de stedenbouwkundige voorschriften het volgende geldt:
“In deze zone moet een geluidsbuffer van minstens 6 meter hoog worden voorzien. De beplanting van minstens 5 meter breed moet worden voorzien tussen de plancontour en de geluidsbuffer.
Als de geluidsbuffer wordt gerealiseerd als een scherm, dan moet het scherm een beplant scherm zijn, aan de kant van het bedrijf. Ofwel een beplante talud / aarden wal in de 10 meter zone. Ofwel een combinatie van beide.”
Van enige onduidelijkheid is te dezen geen sprake.
16.2. Verder uiten verzoekers kritiek op de met betrekking tot artikel 0.0. van de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP voorziene “algemene inrichtingsstudie”, die bij iedere aanvraag tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning in het plangebied moet worden gevoegd. Die inrichtingsstudie moet duidelijk maken hoe het project zich inschrijft in de door het PRUP vastgelegde planologische en stedenbouwkundige opties en moet bijzondere aandacht besteden aan het geluidsaspect, en dit door middel van een geluidsstudie die beantwoordt aan de VLAREM-regels.
Ten onrechte zien verzoekers in dit voorschrift een bewijs dat de geluidsproblematiek onvoldoende werd onderzocht. Zij gaan eraan voorbij dat de milderende maatregelen die het plan-MER voor de discipline geluid voorstelt wel degelijk in de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP werden doorvertaald, waar deze voorzien in een doortrekking van de reeds bestaande groen- en geluidsbuffer achter de woningen van de Gudrunstraat, en in het
X-18.232-24/30
effectiever maken van die buffer. Daarbovenop wordt in de stedenbouwkundige voorschriften de waarborg ingeschreven dat tijdens het vergunningstraject blijvende aandacht moet gaan naar de geluidsproblematiek, door op basis van de concrete configuratie en invulling van de door het bedrijf gewenste ingrepen de opmaak van een geluidsstudie op te leggen, als voorwaarde voor het verkrijgen van de omgevingsvergunning.
16.3. Het eerste middelonderdeel is ongegrond.
17.1. Inzake het tweede middelonderdeel doet de tussenkomende partij terecht gelden dat verzoekers in wezen de bezwaren herhalen die zij reeds in het kader van het openbaar onderzoek hebben geformuleerd, zonder daarbij het antwoord te betrekken dat de Procoro op die bezwaren heeft gegeven. In het bijzonder wees de Procoro erop dat de voorziene ontsluiting langs de Stationsstraat zorgt voor een betere bereikbaarheid van de bestaande personeelsparking, en aansluit op een bestaande interne ontsluiting die ten westen van de loodsen is gesitueerd. Verzoekers gaan op dat antwoord niet in. Voorts gaan zij voorbij aan de uitgebreide analyse van het plan-MER aangaande de mobiliteits- en ontsluitingsproblematiek van het bedrijf (plan-MER, p. 17-90).
17.2. Verzoekers bekritiseren de bijkomende inrit die van in de Stationsstraat naar het plangebied wordt voorzien voor de bezoekers van het geplande visitor center van het bedrijf. Die nieuwe inrit werd geopperd naar aanleiding van de resultaten van het openbaar onderzoek, en werd meegenomen in het finale plan-MER, dat de effecten qua verkeersafwikkeling als “neutraal” (0)
evalueert en op het vlak van de verkeersveiligheid – en dan met name wat conflicten met het fietsverkeer in de Stationsstraat betreft – tot een “beperkt negatief” effect (-1) besluit.
Vooreerst zien verzoekers op dit punt ten onrechte een tegenstrijdigheid met de conclusie verder in het plan-MER dat de verkeersleefbaarheid qua mogelijke conflicten met weggebruikers een score “+1”
krijgt (plan-MER, p. 221). Dit laatste betreft immers de score voor die parameter
X-18.232-25/30
voor het gehele planvoornemen, en niet enkel voor de puntlocatie waar de nieuwe inrit is gepland.
Voorts betreft het voorstel om op die locatie in de Stationsstraat een rode slemlaag aan te brengen volgens het plan-MER een “aanbeveling”, waarvan niet de noodzaak blijkt om die maatregel in de stedenbouwkundige voorschriften door te vertalen. Terzijde weze opgemerkt dat de gemeentelijke overheid als wegbeheerder van de Stationsstraat voor de slemlaag dient te zorgen, dat er volgens het plan-MER reeds een slemlaag aanwezig was, maar dat deze wegens slijtage gedeeltelijk is verdwenen.
17.3. Verzoekers’ opmerkingen betreffen voor het overige loutere opportuniteitskritiek, waarbij de concrete inhoud van het plan-MER en van de stedenbouwkundige voorschriften onvoldoende wordt betrokken. Voor de beoordeling daarvan is de Raad van State, die een wettigheidsrechter is, niet bevoegd.
17.4. Het tweede middelonderdeel is evenzeer ongegrond.
18. Het derde middel is in zijn geheel ongegrond.
D. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
19.1. Verzoekers roepen in een vierde middel de schending in van artikel 1.1.4 VCRO, van het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en van “de motiveringsplicht vervat in de wet van 1991”.
Zij stellen dat de impact van het planopzet volkomen onderschat en geminimaliseerd werd, ten voordele van de economische belangen van de tussenkomende partij. Verzoekers herhalen dat locatiealternatieven noch
X-18.232-26/30
nulalternatief werden onderzocht. Met het PRUP wordt de ruimtelijke draagkracht van de omgeving overschreden, zeker nu de bestaande toestand al veel hinder met zich meebrengt. Ook is er in het zuidelijke segment van de bedrijfssite nog onbenut en braakliggend terrein voorhanden. Verzoekers verwijzen dienaangaande naar hun overige middelen, naar een aantal principes uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) en het provinciaal ruimtelijk structuurplan (PRS) van West-Vlaanderen, naar het plan-MER en naar de ingediende klachten en bezwaren.
De ontwikkelingsmogelijkheden die de tussenkomende partij met het bestreden PRUP geboden worden, kunnen niet positief beoordeeld worden. Het PRUP werd op maat van het bedrijf vastgesteld en getuigt niet van een correcte belangenafweging. Een verdere ontwikkeling en uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten zal de hinder exponentieel doen toenemen, waardoor het bedrijf niet meer “compatibel” is met de goede ruimtelijke ordening. Op de ingediende bezwaren werd telkens met een standaardformulering geantwoord. Het vermijden van de noodzakelijke herlokalisatie van het bedrijf kan niet ten koste gaan van hun woonkwaliteit.
19.2. In hun memorie van wederantwoord stellen verzoekers dat uit het gegeven dat milderende maatregelen moeten worden opgelegd noodzakelijkerwijze blijkt dat het PRUP aanzienlijke negatieve effecten zal hebben. Een uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten kan slechts een optie zijn wanneer alle negatieve effecten worden weggewerkt, alsook de nu reeds bestaande knelpunten. Het PRUP is om alle in het middel aangehaalde redenen kennelijk onredelijk.
19.3. Verzoekers doen in hun laatste memorie nog gelden dat zij zich niet tot opportuniteitskritiek beperken. Wanneer zelfs door milderende maatregelen de nadelige milieueffecten niet kunnen worden weggewerkt, wordt er geen rekening gehouden met de belangen van de omwonenden, doch enkel met de economische belangen van de tussenkomende partij.
X-18.232-27/30
Beoordeling
20. In zoverre het middel is afgeleid uit de schending van de formelemotiveringswet is het niet ontvankelijk om de reden vermeld onder randnummer 5.1.
21.1. Artikel 1.1.4 VCRO luidt:
“De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit.”
Zoals de Raad van State in zijn arrest Anckaert, nr. 214.329 van 30 juni 2011 in herinnering heeft gebracht, blijkt uit de wetsgeschiedenis dat deze bepaling het doel van het ruimtelijk ordeningsbeleid aangeeft, waarbij de duurzame ruimtelijke ordening centraal staat. Artikel 1.1.4 VCRO vereist dat de diverse binnen deze bepaling bedoelde behoeften en de daarmee gepaard gaande aanspraken op de ruimte evenwichtig tegen mekaar worden afgewogen en dat bij deze afweging rekening wordt gehouden met de ruimtelijke draagkracht van de omgeving. De Raad van State oefent hierop een wettigheidstoets uit. Het komt aan een verzoekende partij die art. 1.1.4 VCRO geschonden acht, toe om aan te tonen dat de gemaakte keuze de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat.
21.2. De uiteenzetting van verzoekers schiet inzake de op hen rustende bewijslast tekort. Vooreerst verwijzen zij in hun betoog grotendeels naar hun vorige middelen. In zoverre volstaat een verwijzing naar de beoordeling van die middelen.
21.3. Voorts heeft de Procoro zich bij het beantwoorden van verzoekers’ gelijkluidende bezwaren geenszins beperkt tot een loutere
X-18.232-28/30
standaardformulering. Het advies van de Procoro moet daarbij in zijn geheel gelezen worden. Op meerdere plaatsen ervan wordt op uitvoerige wijze gemotiveerd waarom de planopties wel degelijk aanvaardbaar zijn.
21.4. Vastgesteld wordt ook dat naar aanleiding van de bezwaren er meerdere aanvullingen op het plan-MER, evenals wijzigingen van de stedenbouwkundige voorschriften, zijn gebeurd. Voor de beoordeling van verzoekers’ opportuniteitskritiek dienaangaande is de Raad van State, wettigheidsrechter zijnde, niet bevoegd.
22. Het middel wordt verworpen.
23. De middelen zijn ongegrond gebleken. Het beroep moet hoe dan ook als ongegrond verworpen worden.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro, een bijdrage van 44 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1848 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen, elk voor de helft.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
X-18.232-29/30
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig september tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier.
De griffier De voorzitter
Karin Meerschaut Johan Lust
X-18.232-30/30
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.855
Gerelateerde publicatie(s)
voorafgegaan door:
ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.554
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...