ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.871
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.871 Rolnummer: A. 242960/IX-10548 Zaak: Arrest 260871 - Examens (onderwijs) - 01/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-03 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-04 07:10 Fiche Arrest nr 260.871 van 1 oktober 2024 Onderwijs...
37 min de lecture · 7 939 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 01 oktober 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.871
Rolnummer:
A. 242960/IX-10548
Zaak:
Arrest 260871 – Examens (onderwijs) – 01/10/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-10-03
Raadplegingen:
86 – laatst gezien 2026-06-04 07:10
Fiche
Arrest nr 260.871 van 1 oktober 2024 Onderwijs en cultuur – Examens (onderwijs)
Beslissing : Bevolen Depersonalisatie
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 260.871 van 1 oktober 2024
in de zaak A. 242.960/IX-10.548
In zake: XXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VLAAMSE GEMEENSCHAP
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Jade Leenaert kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 13 september 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts van 27 augustus 2024 waarbij het beroep van verzoekster ongegrond wordt verklaard en de eerder door de examencommissie genomen beslissing dat zij op het examen 126 op 240 punten behaalt en niet gunstig is gerangschikt, wordt bevestigd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
IX-10.548-1/27
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september 2024, om 11.30 uur.
Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Hilde Minnen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jade Leenaert, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Regelgeving en feiten
3.1. De Vlaamse Regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2023 ‘over de organisatie van het toelatingsexamen arts, het toelatingsexamen tandarts en het toelatingsexamen dierenarts’ (“organisatiebesluit”)).
Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende toelatingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs).
IX-10.548-2/27
Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‘wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde’ (“KIW”) en voorts een onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen’ (“GC”) (artikel II.187, § 5, eerste lid, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het organisatiebesluit).
Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de bepaalde punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1723 bedraagt (besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2023 ‘tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding geneeskunde en voor de opleiding tandheelkunde’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs).
Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het organisatiebesluit).
3.2. Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2024 zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‘Werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts, tandarts en dierenarts 2024’ (“WER”).
IX-10.548-3/27
Luidens artikel 52 van dat reglement bestaat het examenonderdeel GC uit twee toetsen: CLEAR en VAARDIG.
CLEAR staat voor “Conflicthantering, Luistervaardigheid, Empathie, Aandacht, Reflectie en Respect”. Deze proef toetst “de (inter)persoonlijke vaardigheden die voor een arts […] van belang zijn”. Voor elke casusvraag duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere examenvragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, namelijk het antwoord “dat het meest voldoet aan de vraagstelling”.
3.3. Verzoekster neemt op 2 juli 2024 deel aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts.
Zij behaalt een score van 69 op 120 punten voor het examenonderdeel KIW, 57 op 120 punten voor het examenonderdeel GC en 126
op 240 punten in het totaal. Bij de kennisgeving van deze punten wordt de volgende “[b]elangrijke toelichting” gegeven:
“De examencommissie heeft beslist om vraag 4 van chemie uit het examenonderdeel Kennis en inzicht in de wetenschappen en vragen 3, 6
en 10 van VAARDIG uit het examenonderdeel Generieke competenties te neutraliseren voor alle deelnemers.
Na beraadslaging heeft de examencommissie beslist om aan alle deelnemers 26 bijkomende punten toe te kennen, die gelijk verdeeld zijn over KIW (+13) en GC (+13).”
Aangezien verzoekster ook na deze aanpassing van de scores van de deelnemers een onvoldoende behaalt voor het examenonderdeel GC, waardoor zij ingevolge artikel 28, eerste lid, van het organisatiebesluit niet slaagt, komt zij niet in aanmerking voor rangschikking.
IX-10.548-4/27
Verzoekster stelt een verzoek tot heroverweging in bij de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen arts (hierna: beroepsinstantie).
3.4. Op 27 augustus 2024 beslist de beroepsinstantie om het beroep van verzoekster ongegrond te verklaren. Dit is de bestreden beslissing.
IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
5. De verwerende partij betwist terecht niet het vervuld zijn van de schorsingsvoorwaarde betreffende de uiterst dringende noodzakelijkheid.
VI. Ernst van het enige middel
Standpunt van de partijen
6. In een enig middel voert verzoekster de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringswet”) en van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van het motiveringsbeginsel, van het [zorgvuldigheids-] en het redelijkheidsbeginsel”.
Zij vat dat middel als volgt samen:
IX-10.548-5/27
“Doordat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de examencommissie over de nodige deskundigheid beschikt om CLEAR-vragen op te stellen;
Doordat de bestreden beslissing geen wetenschappelijke onderbouwing geeft voor het vooropgestelde antwoord op vraag CLE08;
Doordat de bestreden beslissing de argumentatie van verzoekster op intern beroep niet of niet afdoende weerlegt;
Doordat de bestreden beslissing zich blind toont voor de verschillende maatschappelijke gedateerde interventies bij het vooropgestelde antwoord;
Terwijl voor het opstellen van CLEAR-vragen een bijzondere expertise is vereist waarover slechts enkele mensen in België beschikken;
Terwijl de interne beroepsinstantie aan verzoekster verwijt dat zij haar betoog niet wetenschappelijk staaft en zodoende de deskundigheid die kleeft aan de vragen niet weerlegt;
Terwijl verzoekster op intern beroep zowel wetenschappelijke artikelen voorlegde waaruit de onaangepastheid van het vooropgestelde antwoord blijkt, als opiniestukken waarin verzoeksters visie wordt bevestigd;
Zodat de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheid- en het redelijkheidsbeginsel zijn geschonden.”
Verzoekster begint de toelichting van haar middel met een herhaling van haar bezwaarschrift voor de beroepsinstantie. Zij betoogt dat de beroepsinstantie deze “uitgebreide argumentatie” heeft beantwoord “bij wijze van een stijlformule”. Alleen al het feit dat de beroepsinstantie de middelen door mekaar haalt en daarin zelfs méér middelen leest, toont volgens verzoekster aan dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden.
Vervolgens zet verzoekster uiteen dat zij bedenkingen heeft geuit bij de noodzakelijke expertise voor het opstellen van de vragen van de CLEAR-proef. In de bestreden beslissing leest verzoekster dat de examencommissie over de nodige expertise beschikt. Zij ziet ook maar een verwijzing naar één professor, die dan nog lijkt in te staan voor de huisartsenopleiding. Dat is geen afdoende antwoord op de grief van verzoekster.
Dat bevestigt ook dat het niet gaat om één van de weinige experten op het gebied van CLEAR in België. Voorts geeft de beroepsinstantie een uitsluitend theoretische toelichting bij de methodologie rond het opstellen van de CLEAR-
vragen. Daarmee wordt niet de deskundigheid van de examencommissie aangetoond. Dat verschillende personen de vragen nakijken, levert evenmin het
IX-10.548-6/27
bewijs van deskundigheid. Dit is niet van aard om de vraag als gevolg daarvan wetenschappelijk onderbouwd te achten.
Met betrekking tot haar kritiek op vraag 8 van de CLEAR-toets, wijst verzoekster erop dat “slechts twee grieven” werden beantwoord. Op de andere grieven werd niet ingegaan.
Wat de door haar aangevoerde genderdiscriminatie betreft, is verzoekster van mening dat de beroepsinstantie niet kon volstaan met het “zeer algemeen antwoord” dat “procentueel meer vrouwen dan mannen vraag CLE08
juist beantwoord hebben”.
De rassendiscriminatie waarop zij ook gewezen heeft, blijft zonder meer onbeantwoord.
Dat het ‘juiste’ antwoord op de betrokken vraag problematisch is in het licht van de definitie van ‘seksueel geweld’ in een WHO-richtlijn, wordt volgens verzoekster afgewezen, terwijl daarvoor “elke toelichting of motivatie ontbreekt”.
De wetenschappelijke artikelen worden dan weer niet in aanmerking genomen omdat ze “niet opgesteld [werden] in het kader van het toelatingsexamen”. Het is volgens verzoekster niet omdat deze literatuur niet is geschreven met het oog op het toelatingsexamen dat de inhoud ervan niet daarop kan worden toegepast. De verklaring van een professor aan de Vlerick Business School wordt evenmin in de bestreden beslissing betrokken.
Dat de opiniestukken uit een krant geen wetenschappelijke stukken zijn, kan volgens verzoekster geen reden zijn om ze niet bij de beslissing te betrekken. De materie van de CLEAR-proef is niet zuiver wetenschappelijk.
Ook de maatschappelijke perceptie is relevant. Uit deze stukken blijkt precies dat de betrokken vraag “publieke verontwaardiging” heeft opgeroepen.
IX-10.548-7/27
Verzoekster herinnert er tevens aan dat zij de interventies die het ‘juiste’ antwoord op de betrokken CLEAR-vraag veronderstelt, heeft bekritiseerd. Ook op dat vlak schiet de motivering van de bestreden beslissing tekort. Er wordt in dat verband ook naar het VIEWS-model verwezen, maar er wordt niet nader toegelicht hoe de toepassing daarvan tot antwoord 4 leidt.
Verzoekster ziet de schending van de zorgvuldigheidsplicht erin gelegen dat de beroepsinstantie dat ene antwoord als ‘juist’ blijft beschouwen, wat volgens haar een “kennelijke beoordelingsfout” is. De precieze en concrete gegevens waarmee zij de betrokken vraag heeft geanalyseerd en waarmee zij de deugdelijkheid ervan heeft weerlegd, worden niet zorgvuldig onderzocht. De middelen worden niet correct weergegeven en het antwoord is algemeen geformuleerd, niet op het individuele beroep van verzoekster toegespitst.
Tot slot, betoogt verzoekster dat de beslissing “kennelijk onredelijk” is. Zij wijst in dat verband op de gespecialiseerde vakliteratuur, waaruit blijkt dat het vooropgestelde antwoord niet overeenstemt met een geweldloze conflictoplossing. Voor vrouwelijke kandidaten en kandidaten van allochtone afkomst is het bovendien geen voor de hand liggende oplossing. De professor van de Vlerick Business School bevestigt dit ook. Geen andere beroepsinstantie zou, in dezelfde omstandigheden, deze vraag handhaven.
7. In haar nota doet de verwerende partij onder meer opmerken dat de beroepsinstantie de wetenschappelijke artikelen die verzoekster heeft bijgebracht, uitgebreid onder de loep heeft genomen en dat de motivering van de bestreden beslissing daarvan getuigt. Zij heeft de vraag ook wetenschappelijk onderbouwd, met een verwijzing naar het VIEWS-model. De beroepsinstantie heeft voorts uiteengezet waarom het antwoord van verzoekster niet juist is.
Verzoekster kan moeilijk beweren dat de beroepsinstantie haar grieven niet heeft beantwoord, “minstens de meest essentiële beroepsgrieven”. In de mate dat verzoekster het niet eens is met het antwoord van de beroepsinstantie, betreft het
IX-10.548-8/27
“hoogstens” een schending van de materiëlemotiveringsplicht. Dat verzoekster op sommige grieven “een meer uitgeschreven, gedetailleerde motivering” verwacht, kan niet worden gelijkgesteld met het feit dat de bestreden beslissing niet op haar grieven heeft geantwoord. De motiveringsplicht reikt trouwens niet zo ver dat noodzakelijkerwijze op elke beroepsgrief moet worden geantwoord. Ook de “motieven van de motieven” moeten niet worden aangereikt.
De verwerende partij betoogt nog, in verband met het argument van verzoekster dat de vraag problematisch is voor “kandidaten van een andere afkomst”, dat deze “verwijzing naar andere culturen berust op een vage, maar niet onderbouwde bewering” en dat de beroepsinstantie “dan ook niet verplicht [was]
hierop een omstandig antwoord te formuleren”.
Met betrekking tot de verklaring van een professor van de Vlerick Business School licht de verwerende partij nog toe waarom het contradictorisch is om enerzijds te stellen dat er geen boeken in verband met conflicthantering bestaan en terzelfdertijd de autoriteit van een gerenommeerd auteur in te roepen. Zij wijst ook nog erop dat de Raad van State aanneemt dat het niet volstaat dat een kandidaat van het toelatingsexamen een wetenschappelijke verantwoording geeft voor het door haar gegeven antwoord, opdat het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie aan het wankelen zou worden gebracht.
Beoordeling
8. Er dient aan te worden herinnerd dat de Raad van State als wettigheidsrechter niet in de plaats mag treden van de beroepsinstantie. Zo mag hij onder meer niet, als ware hij zelf een examencommissie, oordelen dat bepaalde vragen al dan niet in het examen mogen worden opgenomen, noch mag hij de verbetering van het examen overdoen, laat staan op zicht van de behaalde resultaten zich een eigen oordeel vormen over het al dan niet slagen en de daaropvolgende – gunstige of ongunstige – rangschikking van een kandidaat. De
IX-10.548-9/27
Raad van State mag met andere woorden zijn eigen opvattingen daarover niet substitueren aan deze van de examencommissie of de beroepsinstantie. Hij mag enkel nagaan of de beroepsinstantie, binnen de grenzen van haar ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid, op al die vlakken regelmatig en binnen de grenzen van de redelijkheid heeft beslist.
Dat heeft gevolgen voor de wijze waarop een verzoekende partij haar wettigheidskritiek moet verwoorden en onderbouwen. Verzoekster herhaalt onder de randnummers 15 tot 21 van haar verzoekschrift als “[t]oelichting bij het middel” haast woordelijk haar bezwaarschrift. Indien zij daarmee bedoelt de Raad uit te nodigen om zich daarover een eigen oordeel te vormen en – de beoordeling van de beroepsinstantie opzijschuivend – dat eigen oordeel in de plaats ervan te stellen, moet haar op het eerste gezicht worden tegengeworpen dat zulks niet de opdracht van de administratieve rechter is, die zich alzo in de plaats zou stellen van een orgaan van actief bestuur. Enkel in de mate waarin verzoekster kritiek levert op de motieven zelf van de bestreden beslissing, die een antwoord zijn op haar bezwaarschrift, mag de Raad ermee rekening houden.
9. Voorts lijkt vooralsnog te moeten worden uitgegaan van het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie. Dit impliceert op het eerste gezicht, onder meer, dat tot bewijs van het tegendeel moet worden aangenomen dat de examenvragen door de examencommissie op een zorgvuldige wijze zijn opgesteld, niet alleen doordat ze betrekking hebben op de te kennen leerstof en ze relevant zijn voor de doelstelling van het toelatingsexamen, maar ook doordat de vragen zelf ondubbelzinnig zijn en, zoals bepaald in het organisatiebesluit en het WER, slechts één correct antwoord kunnen krijgen.
In dat verband mag niet onvermeld blijven dat de examencommissie de examenvragen na de examensessie nog aan een itemresponsanalyse onderwerpt. Wat ingevolge de frequentie van de antwoorden en ingevolge feedback van de deelnemers geïdentificeerd kan worden als
IX-10.548-10/27
“mogelijke probleemvragen”, wordt bijkomend inhoudelijk geanalyseerd. De examencommissie stelt het verslag van haar bevindingen openbaar ter beschikking op haar website.
10. Wil een verzoekende partij het voormelde vermoeden van deskundigheid weerleggen, dan moet zij heel precieze en concrete gegevens en argumenten aanbrengen die van aard zijn de deugdelijkheid van de vragen – en dus ook van de toegekende punten – te ontkrachten. Zoals de beroepsinstantie het ook schrijft in de bestreden beslissing:
“De interne beroepsinstantie wijst vooreerst […] op het gegeven dat de examencommissie een ruime autonomie heeft bij het opstellen van het examen, gelet op haar specifieke deskundigheid ter zake. Het is aan de deelnemer om het tegenbewijs te leveren ten aanzien van dit vermoeden van deskundigheid. Als een deelnemer de validiteit van bepaalde vragen betwist, dient dit te gebeuren aan de hand van concreet onderbouwde argumenten en elementen, die van die aard zijn de deugdelijkheid van de vragen te ontkrachten.”
Hierbij wordt bedacht dat de Raad van State – en, in beginsel, ook de verzoekende partij – niet beschikt over de deskundigheid en expertise die aanwezig zijn bij de examencommissie. Bovendien verdraagt de snelheid waarmee een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid behandeld moet worden niet de vertraging die met de eventuele aanstelling van een expert gepaard gaat. Overigens zou ook het standpunt van zo een expert, desgevallend in een procedure ten gronde, moeten worden afgewogen tegen het deskundige standpunt van de examencommissie en zou alleen een aangetoonde kennelijke beoordelingsfout van die commissie de Raad van State ertoe kunnen brengen, zo lijkt, de niet-validiteit van de betrokken vraag als zodanig of van het als juist in aanmerking genomen antwoord vast te stellen.
11. De beroepsinstantie herinnert in de bestreden beslissing aan artikel 52 WER waarin aangegeven wordt wat in CLEAR bedoeld wordt met een juist antwoord:
IX-10.548-11/27
“Voor elke casus duiden de deelnemers de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere examenvragen geven de deelnemers aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat. Telkens is er slechts één juist antwoord, met name het antwoord dat het meest voldoet aan de vraagstelling.”
Daarnaast benadrukt de beroepsinstantie in de bestreden beslissing dat de CLEAR-toets een “specifiek format” volgt:
“Het gaat over het goed kunnen inschatten (in de antwoordmogelijkheden)
van situaties in het licht van bepaalde vooropgestelde waarden of doelen die in de stam van de vraag aan bod komen. Zo wordt voor elke vraag specifiek aangegeven binnen welke contouren het antwoord moet passen, bv ‘meest constructief’, ‘meest oplossingsgericht’, ‘best passen binnen…’, ‘het meest kans op…’ enz. Met een CLEAR-vraag wordt dus gepeild naar het meest plausibele antwoord of het antwoord dat het gewenste resultaat het best benadert. Voor elke vraag worden vier antwoordmogelijkheden opgelijst. Voor elke vraag is er slechts één antwoordmogelijkheid die het best aansluit bij deze contouren. Dit is het juiste antwoord. Dat sluit dus niet uit, eensdeels, dat naast de vier antwoordmogelijkheden nog andere reacties denkbaar zijn die nog beter inspelen op de gegeven casus of, anderdeels, dat andere antwoordmogelijkheden enigszins of deels kunnen aansluiten bij de contouren van de vraag, maar zij doen dit niet ‘het best’ of ‘het meest’ en zijn daarom fout. De deelnemer moet nu eenmaal kiezen tussen de vier voorgestelde mogelijkheden – geen andere – en daartussen het ‘beste’ antwoord kiezen: dat is, in de definities van het examen, het enige ‘juiste’ antwoord. Ook is het zo dat sommige van de foute antwoordmogelijkheden – in een weliswaar andere context dan de vraag –
toch plausibel kunnen zijn, maar dat verleent hen nog niet de status van ‘het juiste antwoord’ in de context van de vraagstelling.”
De beroepsinstantie voegt daaraan toe dat het “de examencommissie niet [erom] te doen [is] om vast te stellen hoe de deelnemer in zijn of haar dagelijkse leven zelf op een bepaalde situatie reageert”:
“Wel peilt de CLEAR-toets naar het intrinsiek basaal vermogen van de deelnemer om specifieke situaties te kunnen analyseren en te oordelen in welke mate de gepresenteerde antwoordmogelijkheden aansluiten bij de onderliggende principes van heldere, empathische en oplossingsgerichte communicatie. Deze principes zijn vervat in het acroniem van CLEAR.
Zij staan op de website van het toelatingsexamen vermeld en worden ook in de informatiebrochure beschreven zodat deelnemers zich hiermee vooraf kunnen vertrouwd maken. Of een antwoord juist of fout is, heeft
IX-10.548-12/27
dus een objectieve grondslag, met name of het al dan niet het meest conform is aan de CLEAR-principes. De onderliggende basis voor deze principes zijn wetenschappelijke kaders die onder meer in klassieke handboeken over communicatie aan bod komen. De experten die de CLEAR-toets opstellen, zijn vanuit hun professionele activiteiten vertrouwd met deze wetenschappelijke kaders. Dit alles maakt dat de CLEAR-toets wetenschappelijk onderbouwd en objectiveerbaar is.”
12. Met de algemene, niet nader toegelichte kritiek dat de beroepsinstantie “de middelen van verzoekster door elkaar haalt en zelfs meer middelen hierin leest”, lijkt verzoekster niet de onwettigheid van de bestreden beslissing te kunnen aantonen. Zij beweert immers op het eerste gezicht niet dat de beroepsinstantie haar grieven verkéérd heeft begrepen.
Of de beroepsinstantie die grieven op een afdoende wijze heeft beantwoord, is een andere vraag. Verzoekster brengt die vraag eveneens ter sprake, meer bepaald wat haar algemene kritiek betreft waarbij zij “de deskundigheid in vraag [stelde] bij het opstellen van de CLEAR-vragen” en met betrekking tot vraag 8 van de CLEAR-proef.
13. Verzoekster betoogt dat zij haar bezwaarschrift heeft aangevangen met “het uiten van bedenkingen omtrent de noodzakelijke expertise bij het opstellen van de CLEAR-vragen”.
Die “bedenkingen” worden in de bestreden beslissing als volgt beantwoord:
“Wat betreft de expertise van de examencommissie met betrekking tot CLEAR onderdeel kan de beroepsinstantie meedelen dat de opstellers van het CLEAR-onderdeel van de toelatingsexamens allen ervaren communicatietrainers zijn in de basisopleiding geneeskunde KU Leuven en in de interuniversitaire huisartsenopleiding in Vlaanderen. Zij begeleiden communicatietrainingen, geven theoretische lessen en begeleiden jonge artsen individueel bij het uitvoeren van consultaties buiten de stagecontext.
Professor [BS], de coördinator van deze groep van vraagopstellers, heeft de Bekwaamheidsproef voor Huisartsgeneeskunde ontwikkeld die onder andere een onderdeel Situationele Beoordeling bevat. Verder heeft zij een uitgebreide onderzoeks- en praktijkervaring in het ontwikkelen, opstellen en beoordelen van examens en toetsen in alle mogelijke vormen voor
IX-10.548-13/27
studenten geneeskunde en in de vervolgopleiding huisartsgeneeskunde.
[…]
Wat betreft de methodologie van het opstellen van het CLEAR onderdeel moet verduidelijkt worden dat de CLEAR-vragen worden opgesteld volgens een vaste methodiek. In een eerste stap worden de contexten van de vragen bepaald in overeenstemming met de blauwdruk in twee dimensies: Context (Professioneel, Organisatie en Privé) en Thema (Conflict, Luistervaardigheid, Empathie, Aandacht, Reflectie, Respect).
Door een spreiding van de vragen over deze twee dimensies worden de CLEAR-principes (zie website toelatingsexamen) afgedekt. […]
Vervolgens maken de vraagopstellers elk een set van 15 vragen die in verschillende rondes aan interne feedback wordt onderworpen en aangepast. Bij het opstellen van de vragen wordt ook rekening gehouden met de commentaren en statische vaststellingen uit voorgaande examens.
Verder is er de nodige aandacht voor inclusiviteit (variatie in contexten en namen), begrijpbaarheid (vermijden van vakjargon, nalezing door taalexperten), argumentering van juiste en foute antwoorden, consistente opbouw van de vragen aan de hand van het stam/vraagstelling/antwoorden schema.
In een volgende stap doet de coördinator een finale revisie van de vragensets en stelt deze ter beschikking voor externe revisie en feedback door twee leden van de examencommissie […]. Deze feedback wordt opnieuw verwerkt door de vraagopstellers wat resulteert in een prefinale versie. Vervolgens worden de vragensets aan taaldeskundigen voorgelegd voor nalezing op verwoording en begrijpbaarheid vanuit het perspectief van een deelnemer aan het toelatingsexamen. Desgevallend leidt dit tot tekstuele aanpassingen van een of meerdere vragen. Finaliter valideert de voorzitter de vragensets voor input in het toetsplatform.
Op de lentevergadering van de examencommissie van 19 april 2024 werd het proces van opstellen van de vragensets toegelicht met aftoetsing van eventuele aandachtspunten of specifieke vragen.
Ook in dit verband mag niet onvermeld blijven dat de examencommissie de examenvragen na de examensessie nog aan een itemresponsanalyse onderwerpt. Wat ingevolge de frequentie van de antwoorden en ingevolge feedback van de deelnemers geïdentificeerd kan worden als ‘mogelijke probleemvragen’, wordt bijkomend inhoudelijk geanalyseerd tijdens de beraadslagingsvergadering van juli (RvS 25 september 2023, nr. 257.429, […]).
U meent het vermoeden van deskundigheid aan het wankelen te kunnen brengen door het voorleggen van enerzijds een aantal wetenschappelijke artikelen (stuk 5) en anderzijds een aantal krantenartikelen uit De Standaard (stuk 6).
Wat betreft de voorgelegde wetenschappelijke artikelen (stuk 5): deze artikelen zijn niet opgesteld in het licht van het toelatingsexamen arts-
tandarts, en in het bijzonder de doelstelling zoals verwoord in artikel II.187, § 5 van de Codex Hoger Onderwijs, dat zoals reeds aangehaald, bepaalt met betrekking tot het onderdeel Generieke Competenties, waarvan het CLEAR-onderdeel deel uitmaakt, dat deze ‘de generieke
IX-10.548-14/27
competenties die aansluiten bij themata uit respectievelijk de beroepspraktijk van artsen en de beroepspraktijk van tandartsen’ toetsen.
Dit impliceert dat deze wetenschappelijke artikelen niet per definitie in de vraagstelling kunnen worden ingepast. De interne beroepsinstantie verwijst terzake naar de methodologie van CLEAR, zoals reeds hoger toegelicht. In het arrest van 8 februari 2022, nr. 252.917 oordeelde de Raad van State reeds : ‘Het volstaat niet dat een kandidaat van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts een wetenschappelijke verantwoording geeft voor het door hem gegeven, maar door de examencommissie als fout aangerekende antwoord, opdat het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie aan het wankelen zou worden gebracht. Daartoe is vereist, zo lijkt, dat die wetenschappelijke verklaring én juist is én in de vraag kan worden ingepast.’ U kan het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie en in het bijzonder van de experten inzake communicatie niet aan het wankelen brengen door wetenschappelijke artikelen voor te leggen, die opgesteld zijn geheel buiten de context van het toelatingsexamen arts-tandarts om, laat staan dat deze artikelen specifiek op de gestelde CLEAR-vragen betrekking zouden hebben, en die niet per definitie door een communicatie-expert werden opgesteld. Het volstaat immers niet dat een deelnemer van het toelatingsexamen een wetenschappelijke verantwoording geeft voor het door hem of haar gegeven, maar door de examencommissie als foutief aangerekende antwoord, opdat het vermoeden van deskundigheid niet langer stand zou kunnen houden (RvS
8 februari 2022, nr. 252.917, […]).
Zelfs indien het zou gaan om een verklaring van een communicatie-
expert, dan nog impliceert dit hoogstens dat het standpunt van zo een expert moet worden afgewogen tegen het deskundige standpunt van de examencommissie en zou alleen een aangetoonde kennelijke beoordelingsfout van de examencommissie ertoe kunnen brengen, zo lijkt, de niet-validiteit van de betrokken vraag als zodanig of van het als juist in aanmerking genomen antwoord vast te stellen (RvS 25 september 2023, nr. 257.427, […]; RvS 25 september 2023, nr. 257.430, […]).
In de mate dat u zich tevens op deze stukken 5 baseert om te stellen dat CLEAR-test als methodologie op zich genomen niet betrouwbaar zou zijn, dan duidt u minstens niet aan waar precies in deze wetenschappelijke artikelen tot deze conclusie zou zijn gekomen. Ook hier geldt dat een dergelijk oordeel van een expert niet per definitie betekent dat de toepassing van de CLEAR-methodologie onzorgvuldig en onredelijk zou zijn.
Dat ‘het onderdeel CLEAR voorheen door een professor in de psychologie zou zijn opgesteld’ is irrelevant, en betekent op zich genomen niet dat de CLEAR-vragen van het toelatingsexamen arts invalide zouden zijn. Omwille van de irrelevantie gaat de interne beroepsinstantie dan ook niet verder op deze bewering in. Reeds hoger werd toegelicht hoe de CLEAR-vragen tot stand kwamen. Ook de CLEAR-vragen van het toelatingsexamen tandarts werden overigens door dezelfde experten opgesteld, alwaar de deelnemers hoger scoorden.
IX-10.548-15/27
De loutere verwijzing naar persartikelen uit De Standaard die u als stukken 6 bij uw intern beroepschrift voegt en waarin vanuit een maatschappelijk standpunt kritiek geuit wordt op het examenonderdeel CLEAR, voldoen evident niet aan deze vereisten van concreet onderbouwde wetenschappelijke argumenten, die het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie, waarvan hoger sprake, aan het wankelen brengen. Zoals u zelf aangeeft, gaat het om ‘opinie’-stukken.
U citeert uit het artikel van 26 juli 2024 (stuk 6.6.). De mening van een auteur dat ‘in Vlaanderen maar een handvol academisch geschoolde psychologen over de nodige kennis en kunde om dit soort tests valabel op te stellen beschikt’ wordt geenszins wetenschappelijk onderbouwd. Dat voor een Situational Judgement Test bijzondere psychologische vaardigheden en methodologieën noodzakelijk zijn wordt evenmin aangetoond, laat staan dat zou zijn aangetoond dat de opstellers van de CLEAR-vragen niet over deze vaardigheden en methodologieën zouden beschikken.
Dat u in het secundair onderwijs afstudeerde met ‘onderscheiding’ is geen enkele garantie voor het slagen voor het toelatingsexamen arts, juist omwille van het feit dat andere vaardigheden worden getest. Dezelfde overweging kan gemaakt worden met betrekking tot de vergelijking met het KIW-onderdeel. Zoals blijkt uit artikel II.187, § 5, eerste lid van de Codex Hoger Onderwijs, omvat het toelatingsexamen toetsen die betrekking hebben op wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde, afgestemd op de tweede en derde graad van het algemeen secundair onderwijs, en generieke competenties die aansluiten bij themata uit respectievelijk de beroepspraktijk van artsen en de beroepspraktijk van tandartsen. Indien beide onderdelen dezelfde vaardigheden zou testen, zou de opdeling zonder nut zijn. Er wordt ook enkel wat het KIW gedeelte betreft verwezen naar de ‘afstemming op (…)
het secundair onderwijs’, niet bij het GC-gedeelte.
De beroepsinstantie besluit dat u geen concreet onderbouwde argumenten en elementen aanvoert, die van die aard zijn het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie m.b.t. de CLEAR-vragen te ontkrachten.”
14.1. Volgens verzoekster vormt dit “geen afdoende antwoord” op haar grief omdat, ter illustratie van de expertise, slechts wordt verwezen naar “één professor, die lijkt in te staan voor de huisartsenopleiding”, wat bevestigt dat het “niet gaat om één van de weinige experten op het gebied van CLEAR in België”.
De Raad van State kan verzoekster in deze kritiek vooralsnog niet bijvallen.
IX-10.548-16/27
Verzoekster heeft het element dat “[i]n Vlaanderen […] maar een handvol academisch geschoolde psychologen over de nodige kennis en kunde [beschikt] om dit soort tests valabel op te stellen” in haar bezwaarschrift voor de beroepsinstantie aangevoerd ter ondersteuning van haar kritiek dat de vragen van het CLEAR-onderdeel “voorheen werden opgesteld door een professor in de psychologie”.
In de bestreden beslissing stelt de beroepsinstantie dat dit argument “irrelevant” is en “op zich genomen niet [betekent] dat de CLEAR-
vragen van het toelatingsexamen arts invalide zouden zijn”. Zij wijst op de methodologie waarmee de vragen tot stand komen en verduidelijkt ook wie verantwoordelijk is voor de CLEAR-vragen. Zo wordt toegelicht dat “een groep van vraagopstellers” het CLEAR-onderdeel verzorgt, dat die opstellers “allen ervaren communicatietrainers zijn in de basisopleiding geneeskunde KU Leuven en in de interuniversitaire huisartsenopleiding in Vlaanderen”, dat zij communicatietrainingen begeleiden, theoretische lessen geven en jonge artsen individueel begeleiden bij het uitvoeren van consultaties buiten de stagecontext.
Daarenboven wordt met betrekking tot de coördinator van deze groep van vraagopstellers vermeld dat zij “de Bekwaamheidsproef voor Huisartsgeneeskunde [heeft] ontwikkeld die onder andere een onderdeel Situationele Beoordeling bevat” en “een uitgebreide onderzoeks- en praktijkervaring [heeft] in het ontwikkelen, opstellen en beoordelen van examens en toetsen in alle mogelijke vormen voor studenten geneeskunde en in de vervolgopleiding huisartsgeneeskunde”.
Verzoekster verwijst voor haar standpunt uitsluitend naar een opiniërende bijdrage in een krant, waarin de voormelde stellingname op geen enkele wijze lijkt te worden onderbouwd, laat staan bewezen.
In het licht van een zodanig schriel argument, kan de Raad van State in het hiervóór aangehaalde antwoord van de beroepsinstantie prima facie geen schending van de aangevoerde bepalingen en beginselen ontwaren.
IX-10.548-17/27
In die mate is het middel derhalve niet ernstig.
14.2. Wat de “opiniestukken” betreft die verzoekster ten onrechte niet beantwoord meent, merkt de Raad van State nog het volgende op.
Op het eerste gezicht verwijst verzoekster in de tekst van haar beroepschrift slechts uitdrukkelijk naar één zo een bijdrage, namelijk deze die wordt vermeld sub 14.1. Daarover heeft de Raad al – voorlopig – geoordeeld dat ze niet van aard is het antwoord van de beroepsinstantie aan het wankelen te brengen. Aan de andere opiniestukken die verzoekster bij haar beroepschrift heeft gevoegd, besteedt zij evenwel prima facie in haar argumentatie zelf geen aandacht – zij haalt ze niet uitdrukkelijk aan, zij verwijst niet ernaar. In die omstandigheden lijkt zij geen aanspraak erop te kunnen maken dat de beroepsinstantie die bijdragen wél bij haar beslissing zou betrekken.
Ook in die mate is het middel niet ernstig.
15. Een andere reden waarom verzoekster geen genoegen neemt met de hiervóór aangehaalde motivering, is dat met de “uitsluitend theoretische toelichting omtrent de methodologie rond CLEAR-vragen” “geen deskundigheid”
wordt aangetoond. Dat meerdere personen de vragen nakijken, kan verzoekster evenmin overtuigen: “[a]ls niemand van hen over de vereiste deskundigheid beschikt, blijft het een ondeskundige vraag.”
De expertise van de vraagopstellers heeft de beroepsinstantie toegelicht, zoals hiervóór aangehaald. Hiervóór is ook al voorlopig geoordeeld dat verzoekster die deskundigheid niet op overtuigende wijze heeft weerlegd.
Met de toelichting over de methodologie heeft de beroepsinstantie prima facie alleen willen aangeven hoe de vragen van het CLEAR-onderdeel tot stand komen. Daarmee wordt beoogd, zo lijkt, een
IX-10.548-18/27
antwoord te bieden op de door verzoekster naar voren geschoven Situational Judgement Test om te waarborgen dat er een “voldoende statistische consensus”
bestaat rond wat als het ‘juiste’ antwoord op de verschillende vragen wordt beschouwd.
Verzoekster beweert op het eerste gezicht dan weer niet dat deze repliek van de beroepsinstantie ter zake niet afdoende zou zijn.
In die mate is het middel evenmin ernstig.
16. Verzoekster meent ook dat haar grieven in verband met vraag 8
van de CLEAR-proef geen afdoende antwoord hebben gekregen.
17. Vraag 8 van het CLEAR-onderdeel luidt:
“In de cafetaria van je school zie je twee personen die ruzie hebben. Julie, een klasgenote, was wat te uitbundig geweest en botste hierdoor tegen het dienblad van Charles waardoor zijn drankje omviel op zijn broek. Charles is boos en schreeuwt tegen Julie, die duidelijk geschrokken reageert.
Welke van de onderstaande interventies is de meest effectieve om dit conflict te de-escaleren?
1. Je gaat tussen Charles en Julie in staan en zegt tegen Charles: ‘Julie heeft dit niet zo bedoeld. Er is geen reden om je zo kwaad te maken.’ 2. Je gaat tussen Julie en Charles in staan en zegt tegen beiden: ‘Dit was een gewoon ongeluk. Laat ons alles opruimen.’ 3. Je neemt Julie bij de arm en zegt tegen Charles: ‘Zie je niet dat je haar bang maakt. Het is niet dat ze dit met opzet deed.’ 4. Je neemt Charles bij de arm en zegt tegen hem: ‘Ik merk dat je boos bent omdat Julie je drankje heeft omgegooid. Zullen we samen even naar de wc gaan om dit proberen proper te maken?’”
Verzoekster heeft op haar examen reactie 2 ingevuld als het juiste antwoord.
De examencommissie heeft antwoord 4 als enig juist antwoord aangemerkt.
IX-10.548-19/27
18. De beroepsinstantie zet in de bestreden beslissing uiteen waarom reactie 4 het enige juiste antwoord is:
“Deze interventie benoemt de emotie bij Charles en de-escaleert de situatie door de aandacht van Charles af te leiden van Julie. Het ontmijnt de situatie door de persoon die boos is, aan te spreken en af te leiden. Het zorgt ervoor dat de situatie niet verder ontspoort.”
Zij overweegt ook wat volgt:
“De beroepsinstantie wijst ook op de verschillende betekenis van ‘de-
escaleren’ versus ‘bemiddelen’ of ‘verzoenen’. Volgens het online Van Dale woordenboek staat ‘de-escaleren’ voor ‘stapsgewijs minder ernstig maken’. Onder ‘verzoenen’ wordt verstaan ‘weer tot vrede of vriendschap brengen’, terwijl ‘bemiddelen’ staat voor ‘tussenbeide komen om een geschil op te lossen’. Toegepast op deze vraag wil dat zeggen dat gepeild wordt naar de interventie met de meeste kans om de situatie (een boze en schreeuwende Charles, een geschrokken Julie) te ontmijnen. Er wordt niet gevraagd naar de interventie die het meest kansen biedt om beide partijen terug met elkaar te verzoenen. Hieruit volgt dat overwegingen of reflecties met betrekking tot het verzoenend effect van de interventie niet relevant zijn voor de beoordeling van de antwoordmogelijkheden in de specifieke context van deze vraag.
De onderlinge afweging van de antwoordmogelijkheden dient dus te gebeuren aan de hand van het criterium ‘meest effectieve om dit conflict te de-escaleren’. Zoals uit de toelichting bij de antwoordmogelijkheden blijkt, zijn antwoordmogelijkheden 1 tot 3 problematisch vanuit het standpunt van de-escalatie, ofwel omdat zij een beschuldigende toon ten aanzien van Charles inhouden, ofwel omdat zij niet ingaan op de beleving van de situatie. Alleen antwoord 4 is op een niet-beschuldigende toon geformuleerd, gaat in op de emotie van Charles en ontmijnt door Charles af te leiden.”
Met betrekking tot het door verzoekster gegeven antwoord –
reactie 2 – stelt de beroepsinstantie meer in het bijzonder dat “[d]eze interventie […] de beleving van de situatie door Charles en Julie [minimaliseert]. Beiden voelen zich tekort gedaan (Charles is boos. Julie geschrokken), maar er wordt niet op ingegaan. De situatie wordt afgedaan als een ‘gewoon ongeluk’, terwijl het in de beleving van […] Charles duidelijk meer is dan een ongelukje. De niet-
erkenning hiervan vermindert de kans om het conflict tussen Charles en Julie te reduceren”.
IX-10.548-20/27
Waarom de twee andere reacties niet aangewezen zijn, wordt eveneens toegelicht.
De beroepsinstantie besluit verderop in de bestreden beslissing:
“Van de vermelde antwoordmogelijkheden bevat antwoord 4 de meeste elementen die duidelijk de-escalerend werken.” Daarbij vermeldt zij: “Ref:
Conflicthantering volgens het VIEWS-model.”
19. Die vermelding van het VIEWS-model is op het eerste gezicht niets meer dan een referentie. De aan die verwijzing voorafgaande afkorting “[r]ef” lijkt daarvan te getuigen. De beroepsinstantie doet dit, zo lijkt, om aan te tonen dat voor de vraagstelling en de motivering van het juiste antwoord een wetenschappelijke en objectieve grondslag bestaat. De motivering van de bestreden beslissing valt niet te herleiden tot wat louter een aanvullende, informatieve voetnoot lijkt.
In die mate is het middel niet ernstig.
20. Om ervan te doen blijken dat “het vooropgestelde antwoord ongepast is vanuit het perspectief van conflicthantering en gendervooroordelen”, heeft verzoekster in haar beroepschrift een aantal wetenschappelijke artikelen en een verklaring van B.J., Professor of Management Practice in Negotiation and Mediation aan de Vlerick Business School, bijgebracht.
Daarover is in de bestreden beslissing te lezen wat volgt:
“U meent het vermoeden van deskundigheid aan het wankelen te kunnen brengen door het voorleggen van enerzijds een aantal wetenschappelijke artikelen (stuk 5) en anderzijds een aantal krantenartikelen uit De Standaard (stuk 6).
Wat betreft de voorgelegde wetenschappelijke artikelen (stuk 5): deze artikelen zijn niet opgesteld in het licht van het toelatingsexamen arts-
tandarts, en in het bijzonder de doelstelling zoals verwoord in artikel II.187, § 5 van de Codex Hoger Onderwijs, dat zoals reeds aangehaald,
IX-10.548-21/27
bepaalt met betrekking tot het onderdeel Generieke Competenties, waarvan het CLEAR-onderdeel deel uitmaakt, dat deze ‘de generieke competenties die aansluiten bij themata uit respectievelijk de beroepspraktijk van artsen en de beroepspraktijk van tandartsen’ toetsen.
Dit impliceert dat deze wetenschappelijke artikelen niet per definitie in de vraagstelling kunnen worden ingepast. De interne beroepsinstantie verwijst terzake naar de methodologie van CLEAR, zoals reeds hoger toegelicht. In het arrest van 8 februari 2022, nr. 252.917 oordeelde de Raad van State reeds : ‘Het volstaat niet dat een kandidaat van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts een wetenschappelijke verantwoording geeft voor het door hem gegeven, maar door de examencommissie als fout aangerekende antwoord, opdat het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie aan het wankelen zou worden gebracht. Daartoe is vereist, zo lijkt, dat die wetenschappelijke verklaring én juist is én in de vraag kan worden ingepast.’ U kan het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie en in het bijzonder van de experten inzake communicatie niet aan het wankelen brengen door wetenschappelijke artikelen voor te leggen, die opgesteld zijn geheel buiten de context van het toelatingsexamen arts-tandarts om, laat staan dat deze artikelen specifiek op de gestelde CLEAR-vragen betrekking zouden hebben, en die niet per definitie door een communicatie-expert werden opgesteld. Het volstaat immers niet dat een deelnemer van het toelatingsexamen een wetenschappelijke verantwoording geeft voor het door hem of haar gegeven, maar door de examencommissie als foutief aangerekende antwoord, opdat het vermoeden van deskundigheid niet langer stand zou kunnen houden (RvS
8 februari 2022, nr. 252.917, […]).
Zelfs indien het zou gaan om een verklaring van een communicatie-
expert, dan nog impliceert dit hoogstens dat het standpunt van zo een expert moet worden afgewogen tegen het deskundige standpunt van de examencommissie en zou alleen een aangetoonde kennelijke beoordelingsfout van de examencommissie ertoe kunnen brengen, zo lijkt, de niet-validiteit van de betrokken vraag als zodanig of van het als juist in aanmerking genomen antwoord vast te stellen (RvS 25 september 2023, nr. 257.427, […]; RvS 25 september 2023, nr. 257.430, […]).”
21. Anders dan de verwerende partij in haar nota doet uitschijnen, lijkt de beroepsinstantie die wetenschappelijke artikelen niet “uitgebreid onder de loep” te hebben genomen.
Zij stelt daarvan, zo lijkt, alleen vast dat ze “niet [zijn]
opgesteld in het licht van het toelatingsexamen” – meer nog, dat niet blijkt “dat deze artikelen specifiek op de gestelde CLEAR-vragen betrekking zouden
IX-10.548-22/27
hebben” – en dat zulks “impliceert dat deze wetenschappelijke artikelen niet per definitie in de vraagstelling kunnen worden ingepast”.
De Raad van State valt de verwerende partij bij dat mag worden geëist dat wetenschappelijke artikelen die door een kandidaat worden aangevoerd ter ondersteuning van haar grieven, inpasbaar moeten zijn in de vraagstelling. De Raad ziet prima facie evenwel niet in waarom alleen artikelen die “in het licht van het toelatingsexamen” zijn geschreven, inpasbaar zouden zijn.
22. Verzoekster heeft specifieke bedenkingen bij het ‘juiste’ antwoord. Zij wil die bedenkingen aannemelijk maken door te verwijzen naar wetenschappelijke literatuur.
Alsdan lijkt het op de weg van de beroepsinstantie te liggen om die wetenschappelijke literatuur aan een onderzoek te onderwerpen, daarvan de relevantie na te gaan en, in de mate dat tot relevantie wordt besloten, aan verzoekster duidelijk te maken waarom deze haar niet kan overtuigen. In de mate dat verzoekster de beroepsinstantie verwijt die wetenschappelijke artikelen op generlei wijze bij de bestreden beslissing te hebben betrokken, moet zij in de huidige stand van de procedure worden bijgevallen.
23. De overwegingen dat de beroepsinstantie de artikelen “niet per definitie” in de vraagstelling inpasbaar acht en ze “niet per definitie door een communicatie-expert” geschreven weet, lijken de vaststelling dat die instantie de artikelen niet aan enige inhoudelijke beoordeling heeft onderworpen, alleen maar te bevestigen. Aldus geformuleerd lijkt de beroepsinstantie, telkens het tegendeel – dat ze wél inpasbaar zijn in de vraagstelling en dat ze wél door een communicatie-expert zijn geschreven – zelfs niet uit te sluiten.
24. De beroepsinstantie, die een orgaan van actief bestuur is, lijkt zich voorts bezwaarlijk te kunnen verschuilen achter rechtspraak van de Raad van State, waarin deze laatste zijn beperkte mogelijkheden als wettigheidsrechter
IX-10.548-23/27
uiteenzet. Zij voert terecht aan dat de onderscheiden standpunten van experten enerzijds en de examencommissie en beroepsinstantie anderzijds tegen elkaar moeten worden afgewogen. Evenwel veronderstelt dit, zo lijkt, dat de beroepsinstantie ervoor zorgt dat haar standpunt in de beslissing over het beroep wordt opgenomen.
Als verzoekster wetenschappelijke literatuur bijbrengt om haar grieven te ondersteunen, mag van de beroepsinstantie prima facie worden verwacht dat zij over de inhoud van die artikelen – en eventuele verklaringen –
standpunt inneemt.
Alleen dan kan de Raad van State als wettigheidsrechter de van hem verwachte controle uitoefenen. Met de gegeven motivering lijkt de beroepsinstantie die controle onmogelijk te maken.
25. Het middel is in de aangegeven mate ernstig.
26. Op het eerste gezicht moet worden vastgesteld dat de door verzoekster aangehaalde wetenschappelijke literatuur en de verklaring van de voormelde professor een nauw verband vertonen met de kritiek die zij heeft bij wat zij de “onaangepaste interventies” noemt. Bovendien mag de hierna uit te spreken schorsing een nieuwe beoordeling door de beroepsinstantie doen verwachten. In die omstandigheden behoeft haar middel in die mate vooralsnog geen nader onderzoek.
Dat neemt dan weer niet weg dat de Raad van State nog het volgende bedenkt.
27. In haar bezwaarschrift voor de beroepsinstantie heeft verzoekster eveneens aangevoerd wat volgt:
“Ook voor kandidaten van een andere afkomst, zal het opgegeven antwoord per onmiddellijk worden geëlimineerd. In andere culturen is het
IX-10.548-24/27
meestal niet toegelaten, laat staan vanzelfsprekend, om iemand van een ander geslacht aan te raken.”
Die grief wordt, zo lijkt, in de bestreden beslissing niet beantwoord.
In haar nota merkt de verwerende partij daarover op dat “[d]e verwijzing naar andere culturen berust op een vage, maar niet onderbouwde bewering. Verwerende partij was dan ook niet verplicht hierop een omstandig antwoord te formuleren”.
De grief mag dan wel kort zijn. Ze lijkt evenwel niet “vaag”. Er wordt precies aangegeven waar voor de door verzoekster aangehaalde categorie van personen het probleem zit – het “aanraken” van een persoon van een ander geslacht. Welke nadere onderbouwing de verwerende partij daarbij nog wenst te krijgen, is voor de Raad van State op het eerste gezicht niet duidelijk.
De Raad kan meegaan in de redenering van de verwerende partij dat geen “omstandig” antwoord vereist lijkt, maar te dezen ziet hij zich samen met verzoekster voor de situatie geplaatst dat géén antwoord wordt gegeven.
In die mate ligt, zo lijkt, eveneens een schending van de formelemotiveringswet voor en is het middel ernstig.
28. Aan de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel geeft verzoekster op het eerste gezicht geen eigen invulling. De kritiek dat het een “kennelijke beoordelingsfout” is om aan het betrokken antwoord te blijven vasthouden en dat “[d]e precieze en concrete gegevens” die zij heeft aangevoerd “niet zorgvuldig [werden] onderzocht”, lijkt samen te vallen met – minstens dadelijk voort te vloeien uit – de andere aangevoerde beginselen en bepalingen.
IX-10.548-25/27
29. Een onderzoek naar de schending van het redelijkheidsbeginsel is dan weer voorbarig, zo lijkt, gelet op de hiervóór voorlopig vastgestelde onwettigheid met betrekking tot de motivering van de bestreden beslissing.
VII. Conclusie
30. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
BESLISSING
1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de interne beroepsinstantie van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts van 27
augustus 2024 waarbij het beroep van XXXX ongegrond wordt verklaard en de eerder door de examencommissie genomen beslissing dat zij op het examen 126 op 240 punten behaalt en niet gunstig is gerangschikt, wordt bevestigd.
2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op een oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
IX-10.548-26/27
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Jurgen Neuts
IX-10.548-27/27
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.871
Gerelateerde publicatie(s)
gevolgd door:
ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.662
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...