ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.888
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.888 Rolnummer: A. 241987/XII-9760 Zaak: Arrest 260888 - Tucht (openbaar ambt) - 02/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-10 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-04 07:17 Fiche Arrest nr 260.888 van 2 oktober 2024...
12 min de lecture · 2 465 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 02 oktober 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.888
Rolnummer:
A. 241987/XII-9760
Zaak:
Arrest 260888 – Tucht (openbaar ambt) – 02/10/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-10-10
Raadplegingen:
85 – laatst gezien 2026-06-04 07:17
Fiche
Arrest nr 260.888 van 2 oktober 2024 Openbaar ambt – Tucht (openbaar ambt)
Beslissing : Verwerping Depersonalisatie
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.888 no lien 279088 identiques
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER
nr. 260.888 van 2 oktober 2024
in de zaak A. 241.987/XII-9760
In zake: XXXX
woonplaats kiezend te XXXX
XXXX
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 23 mei 2024, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de “afwijzing van uitoefening van tuchtvorderingen in subsidiaire orde ten aanzien van politionele diensten, alsook afwijzing van tuchtrechtelijk onderzoek ten aanzien van gemeenteoverheid stad […]” die verzoeker afleidt uit de brief van de gouverneur van de provincie XXX van 26 maart 2024.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.
Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld.
XII-9760-1/9
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 september 2024.
Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht.
Verzoeker en advocaat Adeline De Clercq, die loco advocaat Tom De Sutter verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker richt op 10 december 2023 een verzoekschrift aan de procureur des Konings van het rechtsgebied waar hij woont met de vraag om een afschrift te bekomen van “elk dossier” dat hem betreft “voor elk uitgevoerd en lopend onderzoek”. Tevens vraagt verzoeker de stopzetting van alle “onderzoekshandelingen voor strafvordering” die hem betreffen, alsook dat alle informatie over hem wordt bewaard.
3.2. Bij brief van 20 december 2023 vraagt verzoeker aan de consulent voor de veiligheid en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de Federale gerechtelijke politie om toegang tot de over hem verwerkte persoonsgegevens door politionele diensten, inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
In diezelfde brief vraagt verzoeker ook om toezicht uit te oefenen op de naleving van zijn brief van 10 december 2023 aan het Federaal Parket, alsook om alle informatie van politionele diensten, inlichtingen- en veiligheidsdiensten over hem te archiveren voor historisch onderzoek.
XII-9760-2/9
3.3. In een brief van 11 januari 2024 aan verzoeker zet de Federale politie uiteen waarom aan zijn verzoek geen gevolg kan worden gegeven.
Verzoeker wordt doorverwezen naar het Controleorgaan op de politionele informatie.
3.4. Bij aangetekende brief van 23 januari 2024 richt verzoeker, met verwijzing naar de brief van 11 januari 2024 (zie supra, nr. 3.3.), een verzoek tot heroverweging aan de consulent voor de veiligheid en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de Federale gerechtelijke politie.
3.5. In antwoord op verzoekers brief van 23 januari 2024 (zie supra, nr. 3.4.) zet de Federale politie uiteen waarom aan zijn verzoek nog steeds geen gevolg kan worden gegeven. Voor het geval verzoeker het niet eens is met het bezorgde antwoord, wordt hij doorverwezen naar het Controleorgaan op de politionele informatie.
3.6. Op 22 februari 2024 richt verzoeker een verzoekschrift “met betrekking tot wetmatige en ethische gegevensverwerking door politionele diensten” aan de burgemeester van de stad XXX. Hij verwijst naar zijn verzoekschriften aan de Federale gerechtelijke politie en voert aan dat daaraan geen enkel gevolg werd gegeven. Verzoeker besluit dat de Federale gerechtelijke politie aldus deontologische inbreuken begaat. Hij vraagt daarom aan de burgemeester van de stad XXX “als bevoegde bestuurlijke overheden, de vordering van de naleving van de wettelijke kaders en overgemaakte verzoekschriften”, alsook “de vordering van de korpschef, de bestuurlijke directeur-coördinator en gerechtelijk directeur tot inspectie en verslaggeving van de wetmatigheid en ethiek van gegevensverwerking” met betrekking tot hem.
3.7. Het Data Protection Office van de stad XXX beantwoordt verzoekers brief van 22 februari 2024 als volgt: “Zoals aangegeven in het antwoord dat u van de Federale politie ontving, dient u zich met uw vraag te richten aan het COC (Controleorgaan op de Politionele Informatie)”.
XII-9760-3/9
3.8. Op 25 maart 2024 richt verzoeker een “verzoekschrift met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een tuchtonderzoek” aan het Bureau voor Integriteit van de stad XXX. Hij verwijst naar de eerder gevoerde correspondentie (zie supra, nrs. 3.4.-3.7.), besluit hieruit dat de burgemeester zijn ambtsplichten heeft verzuimd en vraagt aan het Bureau voor Integriteit “de tenuitvoerlegging”
van een tuchtonderzoek door de Vlaamse regering als bevoegde tuchtoverheid.
3.9. Op 25 maart 2025 antwoordt de voorzitter van het Bureau voor Integriteit dat het Bureau voor Integriteit niet bevoegd is om op verzoekers vraag in te gaan. Hij wijst verzoeker erop dat de burgemeester als hoofd van de lokale politie geen gerechtelijke bevoegdheden heeft en niet bevoegd is voor de Federale gerechtelijke politie, die onder het gezag staat van het parket en de federale overheid.
3.10. Op 26 maart 2024 richt verzoeker een “verzoekschrift met betrekking tot toezicht, subsidiaire tuchtvorderingen en tuchtonderzoek” aan de gouverneur van de provincie XXX. Verzoeker vraagt de gouverneur eensdeels om in het kader van het bestuurlijk toezicht de beslissing van de stad XXX te vernietigen en “de bevoegdheden van de functie burgemeester inzake politionele diensten in subsidiaire orde uit te oefenen”, en anderdeels, om een tuchtonderzoek te voeren naar de burgemeester van de stad XXX wegens grove nalatigheid.
3.11. Bij aangetekende brief van 7 mei 2024 deelt de gouverneur van de provincie XXX aan verzoeker het volgende mee:
“Ik heb uw klacht over bovenvermeld onderwerp goed ontvangen.
In het raam van het algemeen bestuurlijk toezicht ben ik echter niet bevoegd om hierover te oordelen. Uw klacht heeft immers betrekking op de werking van politionele diensten, en meer specifiek de verwerking van persoonsgegevens. Het enkele feit dat de burgemeester aan het hoofd staat van het lokale politiekorps, verandert niets aan de principiële onbevoegdheid van mijn ambt: ik kan als toezichthoudende overheid dus geenszins in de plaats treden van de burgemeester en in subsidiaire orde beslissen of een tuchtprocedure al dan niet moe(s)t worden opgestart.
Bovendien bestaat er een gespecialiseerd controleorgaan dat in het bijzonder bevoegd is voor de beoordeling van vermeende schendingen van de privacy door de politionele diensten, nl. het ‘Controleorgaan op de Politionele Informatie’ (COC).
Zoals u reeds meermaals werd meegedeeld – o.a. door de stad […] en door de
XII-9760-4/9
federale politie zelf – moet u uw klacht daarom bij dit orgaan indienen. Meer informatie vindt u terug via de website http://www.controleorgaan.be.
Ik hoop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.”
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
4. In het verzoekschrift vraagt verzoeker de zaak niet in een openbare terechtzitting te behandelen.
5. Bij beschikking van 19 september 2024 beslist de kamervoorzitter van de XIIe kamer dit verzoek af te wijzen en de beschikking waarbij de zaak wordt vastgesteld op de openbare terechtzitting van 26 september 2024 te bevestigen.
V. Exceptie van niet-ontvankelijkheid
Uiteenzetting van de exceptie
6. De verwerende partij voert aan dat de bestreden beslissing geen wijzigingen in de rechtsorde met zich brengt en aldus geen voor schorsing of vernietiging vatbare rechtshandeling is. Het gaat zelfs niet over het niet-uitoefenen van de facultatieve schorsings- en vernietigingsbevoegdheid in het kader van het algemeen administratief toezicht, wat volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State evenmin een voor schorsing of vernietiging vatbare rechtshandeling is.
De gouverneur van de provincie XXX heeft immers geen enkele bevoegdheid in het kader van het algemeen administratief toezicht met betrekking tot de in de klacht van de verzoeker aangehaalde aangelegenheden. De verwerende partij besluit dat het beroep tot nietigverklaring kennelijk onontvankelijk is en dat de vordering tot schorsing als accessorium eveneens kennelijk onontvankelijk is.
XII-9760-5/9
Beoordeling
7. De Raad van State kan in een kort geding slechts een beperkt onderzoek wijden aan ontvankelijkheidsexcepties. Een verzoekende partij kan er zich immers minder behoorlijk tegen verweren dan in een procedure ten gronde.
Daarom past het in een kort geding dat de Raad van State deze excepties eerder zou verwerpen dan aannemen, tenzij indien zijn beperkt onderzoek uitwijst dat een dergelijke exceptie een hoge graad van ernst vertoont.
8. Een beroep tot nietigverklaring moet krachtens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een (griefhoudende)
administratieve rechtshandeling tot voorwerp hebben. Hetzelfde geldt luidens artikel 17, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voor de vordering tot schorsing die er een accessorium van is. Onder rechtshandeling in de zin van de voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. De bestuurshandeling moet de rechtzoekende uit zichzelf onmiddellijk en effectief kunnen benadelen. Zo zijn bijvoorbeeld niet-griefhoudend – en bijgevolg in beginsel niet vatbaar voor een vernietigingsberoep – een louter informatieve brief of e-mail waarin de wet louter wordt geciteerd, voorbereidende handelingen, voorstellen, niet-bindende adviezen en loutere uitvoeringsmaatregelen.
9. In de huidige stand van het geding wordt vastgesteld dat verzoeker in wezen de schorsing (en vernietiging) beoogt te bekomen, eensdeels, van de weigering door de verwerende partij om als toezichthoudende overheid, in de plaats van de burgemeester van de stad XXX, tuchtvorderingen uit te oefenen ten aanzien van de politiediensten, en anderdeels, van de weigering om een tuchtonderzoek te voeren ten aanzien van de burgemeester van de stad XXX.
10. Wat het eerste voorwerp van verzoekers vordering betreft – de weigering door de verwerende partij om als toezichthoudende overheid, in de plaats van de burgemeester van de stad XXX, tuchtvorderingen uit te oefenen ten ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.888 XII-9760-6/9
aanzien van de politiediensten – wordt prima facie vastgesteld dat deze bestreden ‘beslissing’ zich aandient als de weigering door de verwerende partij om het door verzoeker gevraagde bestuurlijk toezicht uit te oefenen. Het gegeven dat de provinciegouverneur oordeelt onbevoegd te zijn om het gevraagde bestuurlijk toezicht uit te oefenen, alsook de vraag – die te dezen onbeantwoord kan blijven –
of dat standpunt van de gouverneur al dan niet correct is, doen niet anders oordelen.
De provinciegouverneur beschikt in toepassing van de artikelen 326 e.v. van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (hierna:
het decreet lokaal bestuur) over facultatief uit te oefenen bevoegdheden in het kader van het algemeen bestuurlijk toezicht, alsook – waarop verzoeker lijkt te zinsspelen – in het kader van het dwangtoezicht. De – zelfs uitdrukkelijk gewilde –
onthouding van de toezichthoudende overheid om van die facultatieve bevoegdheden gebruik te maken, doet geen rechtsgevolgen ontstaan, noch belet deze onthouding dat rechtsgevolgen tot stand komen. Er wordt met andere woorden te dezen noch beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, noch zodanige wijzigingen te beletten. Bijgevolg is de weigering door de verwerende partij om als toezichthoudende overheid, in de plaats van de burgemeester van de stad XXX, tuchtvorderingen uit te oefenen ten aanzien van de politiediensten, geen voor vernietiging vatbare administratieve rechtshandeling en kan zij aldus niet het voorwerp vormen van een beroep tot nietigverklaring of een vordering tot schorsing.
In de mate dat de vordering van verzoeker is gericht tegen de weigering door de verwerende partij om als toezichthoudende overheid, in de plaats van de burgemeester van de stad XXX, tuchtvorderingen uit te oefenen ten aanzien van de politiediensten, is zij prima facie niet-ontvankelijk.
11. Wat het tweede voorwerp van verzoekers vordering betreft – de weigering om een tuchtonderzoek te voeren ten aanzien van de burgemeester van de stad XXX – wordt prima facie vastgesteld dat de tuchtbevoegdheid ten aanzien van lokale mandatarissen overeenkomstig artikel 156 van de decreet lokaal bestuur eveneens een facultatief uit te oefenen bevoegdheid is. Uit deze vaststelling volgt ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.888 XII-9760-7/9
dat de “afwijzing van tuchtrechtelijk onderzoek ten aanzien van gemeenteoverheid stad […]” evenmin een voor vernietiging vatbare administratieve rechtshandeling is en aldus evenmin het voorwerp kan vormen van een beroep tot nietigverklaring of een vordering tot schorsing, nog daargelaten dat, zoals de verwerende partij opmerkt, prima facie uit de artikelen 37 en 38 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 2018 ‘houdende het statuut van de lokale mandataris’ (hierna:
bet besluit van de Vlaamse regering van 6 juli 2018) moet worden afgeleid dat niet de provinciegouverneur, maar uitsluitend de Vlaamse regering bevoegd is om een tuchtvervolging ten aanzien van een burgemeester te starten.
In de mate dat de vordering van verzoeker is gericht tegen de weigering door de verwerende partij om een tuchtonderzoek te voeren ten aanzien van de burgemeester van de stad XXX, is zij prima facie niet-ontvankelijk.
12. Uit wat voorafgaat volgt dat de exceptie van de verwerende partij de vereiste ernst vertoont opdat ze in de huidige stand van de zaak kan worden aangenomen en dat ze in de aangegeven mate gegrond is.
Conclusie
13. Uit wat voorafgaat, volgt dat de vordering tot schorsing niet-ontvankelijk is.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt.
XII-9760-8/9
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Ann Coolsaet
XII-9760-9/9
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.888
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...