ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.915

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.915 Rolnummer: A. 236568/XII-9535 Zaak: Arrest 260915 - Dierenwelzijn - 04/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-08 Raadplegingen: 215 - laatst gezien 2026-06-04 07:28 Fiche Arrest nr 260.915 van 4 oktober 2024 Sociale zaken...

Source officielle

20 min de lecture 4 224 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 04 oktober 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.915

Rolnummer:

A. 236568/XII-9535

Zaak:

Arrest 260915 – Dierenwelzijn – 04/10/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-10-08

Raadplegingen:

215 – laatst gezien 2026-06-04 07:28

Fiche

Arrest nr 260.915 van 4 oktober 2024 Sociale zaken en volksgezondheid
– Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

ecli_input ECLI:CE:ECHR:2018
ecli_prefixe ECLI
ecli_pays CE
ecli_cour ECHR
ecli_annee 2018
ecli_ordre
Ongeldig ECLI-nummer – 4 element (en)
ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:CE:ECHR:2018 invalide Ongeldig ECLI-nummer – 4 element (en)

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 260.915 van 4 oktober 2024
in de zaak A. 236.568/XII-9535
In zake : de VZW DE ZORGHOEVE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anthony Godfroid kantoor houdend te 2970 ‘s-Gravenwezel, Drijverslaan 13
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Access Building Keizer Karellaan 586, bus 9
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 7 juni 2022, strekt tot de nietigverklaring van “de niet-ondertekende bestemmingsbeslissing, in toepassing van artikel 42 § 2 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, van mevrouw [A.S.], inspecteur-dierenarts, van 8 april 2022 voor zover de beslissing betrekking heeft op de honden met chipnummers 967000010459090; 967000010459101; 967000010036524 en 9670000010459109 en waardoor deze dieren worden toegewezen ‘aan de natuurlijke personen die bewijs van aankoop of eigendom konden leveren aan de dienst dierenwelzijn’”.
XII-9535-1/13
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2024.
Staatsraad Frédéric Vanneste heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Anthony Godfroid, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Joeri Leten, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij , zijn gehoord.
Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 24 februari 2022 neemt de lokalepolitiezone A. bij G.P. 21
honden in beslag op basis van artikel 42, § 1, van de wet van 14 augustus 1986
XII-9535-2/13
‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ (hierna: de wet van 14 augustus 1986). De dieren worden ondergebracht bij de verzoekende partij.
3.2. Op 25 februari 2022 wordt een dierenartsverslag van deze dieren opgesteld.
3.3. Op 1 april 2022 wordt G.P. door de lokalepolitiezone Aarschot aangaande de door hen gedane vaststellingen verhoord.
3.4. Tijdens het telefonisch contact eind maart 2022 van K.C. met de verwerende partij en het daaropvolgende e-mailverkeer geeft K.C. aan twee van de 21 in beslag genomen honden op 21 januari 2022 te hebben aangekocht bij G.P. Zij legt daarvan aan de verwerende partij ook een koopovereenkomst voor.
3.5. Op 3 april 2002 geeft K.M. aan eigenaar te zijn van drie van de 21
in beslag genomen honden. Zij legt daartoe drie paspoorten aan de verwerende partij voor, waarvan er twee zijn afgeleverd op 22 februari 2022 en één op 11 januari 2019.
3.6. Op 7 april 2022 neemt de verwerende partij een bestemmingsbeslissing in het dossier nr. G-22-0835 ten aanzien van G.P., dewelke wordt ondertekend op 8 april 2022 door het afdelingshoofd dierenwelzijn-departement omgeving. Daarbij worden twee honden “toegewezen aan de natuurlijke persoon die bewijs van aankoop van de dieren leverde” en drie honden “aan de natuurlijke persoon die bewijs van eigendom van de dieren leverde aan de hand van de Europese Paspoorten.”
3.7. Op 8 april 2022 richt inspecteur-dierenarts A.S. volgend schrijven aan verzoekster:
“Betreft: bestemming Geachte, Hierbij deel ik u mee dat de lokale politie PZ [A.] in uitvoering van artikel 42 van de wet van 14 augustus 1986 [wet van 14 augustus 1986 betreffende
XII-9535-3/13
de bescherming en het welzijn der dieren] op 24/02/2022 is overgegaan tot de inbeslagneming van 21 honden op het adres […].
Na onderzoek heeft onze dienst beslist in toepassing van art. 42§2 van bovengenoemde wet om de honden met volgende chipnummers toe te wijzen aan de natuurlijke personen die bewijs van aankoop of eigendom konden leveren aan onze dienst:
-967000010459090 en 967000010459101
-967000010459093, 967000010459109 en 967000010036524
Wij brengen deze personen vandaag per e-mail op de hoogte, zodat zij contact met u kunnen opnemen om de honden te komen ophalen.
Daarnaast heeft onze dienst na onderzoek beslist in toepassing van art.42§2
van bovengenoemde wet om al de overige honden definitief aan u in volle eigendom te geven.”
Dit is de bestreden beslissing.
3.8. Doordat de verzoekende partij weigert om de specifiek in de bestreden beslissing vernoemde dieren terug te geven aan de natuurlijke personen die voor de verwerende partij het bewijs van aankoop of eigendom konden leveren, zijnde K.C. en K.M., is de verzoekende partij door K.C. en K.M. op 19
mei 2022 gedagvaard om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. In deze burgerlijke procedure wordt door de verwerende partij een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend.
Met een vonnis van 19 januari 2024 wijst de rechtbank van eerste aanleg Leuven de burgerlijke vordering van K.C. tot afgifte van de honden af wegens rechtsmisbruik. De rechtbank verwijst de zaak voor het overige naar de bijzondere rol in afwachting van de afhandeling van de strafprocedure.
XII-9535-4/13
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
Exceptie van belang in hoofde van de verzoekende partij
Standpunt van de partijen
4. De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord de ontvankelijkheid van het beroep ratione personae. De verzoekende partij zou geen individueel, persoonlijk belang hebben. Het volstaat niet om te verwijzen naar de statutaire doelstellingen. De verzoekende partij geeft zelf uitdrukkelijk aan dat ze niet voor haar eigen persoonlijk belang opkomt. Zij wenst het bezit en de eigendom van de gastgezinnen te beschermen. Ten slotte, benadrukt de verwerende partij dat de verzoekende partij weigert een overheidsbeslissing uit te voeren en aldus het recht in eigen handen neemt. Dat de verzoekende partij met dwangsommen wordt geconfronteerd is het gevolg van haar eigen gedrag en kan geen wettig belang uitmaken. Alle belanghebbenden konden de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid vorderen, maar hebben nagelaten om dit te doen.
5. In het verzoekschrift voert de verzoekende partij in essentie vier argumenten aan om het vereiste belang aan te tonen. In eerste instantie wijst ze op het feit dat het dierenasiel gedagvaard is om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg om vier honden af te geven in uitvoering van de bestreden beslissing. Vervolgens stelt ze dat het dierenasiel statutair is opgericht om dieren op te vangen en te verzorgen in de meest algemene zin. Honden moeten afgeven aan een milieu waarin ze opnieuw dreigen mishandeld te worden, staat haaks op het belangeloze doel van de vzw. Ten derde wenst het dierenasiel niet dat de gastgezinnen op basis van een onwettige overheidsbeslissing afstand zouden moeten doen van hun dier ten voordele van mensen die banden onderhouden met een dierenmishandelaar. De onzekerheid van wat er gaat gebeuren met de honden knaagt aan verzoekende partij en de bestuurders die haar vormen. Ten slotte, wijst de verzoekende partij op de financiële impact van de
XII-9535-5/13
bestreden beslissing. Er is niet enkel de dreiging van de dwangsommen in het kader van de juridische procedure, maar de juridische en andere kosten voor de verdediging in rechte.
6. In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij haar standpunt. Zij voegt daaraan toe dat de bestreden beslissing onwettig is om diverse redenen. Wanneer het dierenasiel uitvoering zou geven aan de bestreden beslissing en die wordt nadien vernietigd, dreigt zij het voorwerp uit te maken van vorderingen van de families waar de dieren nu verblijven.
7. De verzoekende partij volhardt in de laatst memorie dat zij belang heeft:
“Deze zaak doet terugdenken aan de zaak die voor de Xde Kamer van de Raad van State behandeld is op de openbare zitting van 7 mei 2019 (arrest van diezelfde datum) (nr. 244.406 in de zaak A.228.028/X-17.494). In die zaak legde de burgemeester van Hoegaarden aan het dierenasiel van Tienen op een hond te euthanaseren nadat het dier aldaar was ondergebracht door het (eerdere) baasje. Het ging om een reu (pitbull).
Het dierenasiel was niet gehoord door de burgemeester en werd maar verondersteld de euthanasiebeslissing uit te voeren. Alle door het asiel ingeroepen middelen werden in het arrest van 7 mei 2019 ernstig bevonden door de Raad van State. Impliciet gaf de Raad daarmee ook aan dat het asiel in die zaak over het rechtens vereiste belang beschikte om de schorsing/vernietiging van de bestreden beslissing na te streven.
Welnu, ook in deze zaak beschikt het asiel over het rechtens vereiste belang om de vernietiging van de bestemmingsbeslissing van 8 april 2022 na te streven en wel om volgende redenen:
-Het dierenasiel is inmiddels gedagvaard om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, kamer B1, op 9 juni 2022 in afgifte van de honden met chipnummers 9670 0001 0459 090; 9670 0001 0459
101; 9670 0001 0036 524 en 9670 00001 0459 109. Deze zaak is in voortzetting gezet. De rechtbank heeft het dierenasiel voorlopig in het gelijk gesteld en heeft zodoende de bestemmingsbeslissing die in deze zaak bekritiseerd wordt buiten toepassing verklaard. Het gaat om een absurde bestemmingsbeslissing: aan mevrouw [M.] die zich binnenkort moet verantwoorden voor de correctionele rechtbank voor inbreuken op de dierenwelzijnswet die bestraft worden met een gevangenisstraf tot 5 jaar moeten honden worden teruggegeven. Het dierenasiel is opgekomen voor het welzijn van de dieren in kwestie door te weigeren deze terug te geven aan mevrouw [M.] (of aan mevrouw [C.] die kennelijk een stroman is voor mijnheer [P. / mevrouw M.]. Indien de bestemmingsbeslissing wél rekening
XII-9535-6/13
had gehouden met het welzijn van de dieren in kwestie dan waren er vanzelfsprekende geen procedurekosten geweest die veroorzaakt zijn door de burgerlijke procedure in Leuven. Deze procedurekosten zijn het gevolg van de onwettigheid van de bestreden beslissing en kunnen op de verwerende partij integraal verhaald worden bij vernietiging van diezelfde bestreden beslissing. Dit element doet het dierenasiel daarom wel degelijk beschikken over het rechtens vereiste belang (de auditeur ziet dit verkeerd:
men kan een dierenasiel niet kwalijk nemen te weigeren honden terug te geven aan een persoon zoals [K.M.] die zich zeer binnenkort ten gronde zal moeten verantwoorden voor de correctionele rechtbank van Leuven voor inbreuken op artikel 1 én 4 van de Dierenwelzijnswet én artikel 19, § 2 KB
27 april 2007 (kweken met een ernstig zwaar belast ouderdier)).
-Het dierenasiel is statutair opgericht om dieren op te vangen en te verzorgen in de meest algemene zin (zie akte neergelegd ter griffie van de ondernemingsrechtbank op 14 januari 2019, zoals gepubliceerd op 16
januari 2019 in de Bijlagen van het Belgisch Staatsblad): honden moeten afgeven aan een milieu waar ze opnieuw dreigen mishandeld te worden (omdat-het gaat om natuurlijke personen die banden onderhouden met de heer [G.P]), staat haaks op het belangeloze doel waar de vzw zich voor inzet.
-Het dierenasiel werkt met gastgezinnen die zelf een affectieve band hebben opgebouwd met de dieren. Het dierenasiel wenst niet dat deze mensen, die cruciaal zijn voor de goede werking van het asiel, op basis van een onwettige overheidsbeslissing, afstand zouden moeten doen van hun dier ten voordele van mensen die banden onderhouden met een dierenmishandelaar en illegale hondenkweker zoals G.P.. De onzekerheid van wat er gaat gebeuren met de honden knaagt emotioneel aan verzoekende partij en de bestuurders die haar vormen.
-Het dierenasiel wordt nu geconfronteerd met een belangrijke claim voor de burgerlijke rechtbank (zelfs inclusief dwangsommen) die gefundeerd is op een beslissing van de verzoekende partij waarop het dierenasiel geen enkele vat heeft gehad. Hoger beroep staat hier nog steeds open. De bestreden beslissing heeft daardoor ook een financiële impact: juridische kosten voor de verdediging in rechte voor de rechtbank van eerste aanleg Leuven; tijd /
energie en middelen die in die zaak moet gestoken worden; enz.
Conclusie: het dierenasiel beschikt wel degelijk over het rechtens vereiste belang bij de ingestelde vordering (namelijk de vordering houdende vernietiging van de bestemmingsbeslissing van 8 april 2022). De verwerende partij verwijst naar het arrest van 18 oktober 2004 van de Raad van State inzake ‘VZW Vlaamse Dierenartsen-Vereniging’. Het komt de VZW Zorghoeve voor dat dit arrest werkelijk elke relevantie mist om een beslissing te nemen in deze zaak. In deze zaak kan niet geloochend worden dat het dierenasiel – dat nota bene mee aanwezig was bij de inbeslagname en de dieren nadien opving op eigen kosten – uiteraard wel alle belang heeft om betrokken te worden bij de besluitvorming of bij het besluitvormingsproces. Zo kan verwezen worden naar de chihuahua met de gebroken kaak (chipnummer 967000010036524) […]; het dierenasiel is in deze kennelijk als partner van de overheid te beschouwen (die zelf niet in
XII-9535-7/13
opvang voorziet voor inbeslaggenomen verwaarloosde of mishandelde dieren maar daarvoor steunt op private initiatieven.) De vergelijking met een belangengroepering van dierenartsen die bezwaar maakte tegen aanscherping van de federale reglementering inzake het hondsdolvrijhouden van België is dan ook niet pertinent.
Voor verzoekende partij liggen de zaken eenvoudig: de bestreden beslissing is onwettig want zij is niet ondertekend, het asiel is niet gehoord, de beslissing is onzorgvuldig tot stand gekomen (er is geen enkel onderzoek gedaan naar de vraag of mevrouw [M.] en mevrouw [C.] geen stromannen zijn (bijvoorbeeld door ze te verhoren)) enz.. Wanneer het dierenasiel zou uitvoering geven aan de bestreden beslissing en zij wordt nadien vernietigd dan zal zij het voorwerp uitmaken van claims van de families waar de dieren nu verblijven. Zij zijn dan immers hun dieren kwijt op grond van een onwettige overheidsbeslissing met zeer groot risico dat zij, via stromannen [M.] en [C.], opnieuw belanden bij de heer G.P. die nota bene het voorwerp uitmaakt van een strafrechtelijk onderzoek voor feiten van dierenverwaarlozing en illegaal kweken (i.e. het uitbaten van een beroepskwekerij zonder daartoe te beschikken over een vergunning (inbreuk op artikel 5, § 1 van de Vlaamse versie van de Dierenwelzijnswet van 14 augustus 1986, samen gelezen met artikel 36, 14° van diezelfde wet).
De dieren die zouden worden teruggegeven aan [K.M.] belanden in elk geval terug bij de heer [G.P.]: mevrouw [M.] is ermee getrouwd en woont ermee samen! En zijzelf is ook doorverwezen naar de correctionele rechtbank voor drie belangrijke tenlasteleggingen. VZW de zorghoeve heeft er daardoor wel degelijk belang bij dat de bestreden, niet-
ondertekende, beslissing vernietigd wordt. Het is moreel verwerpelijk uitvoering te geven aan een overheidsbeslissing die dieren toewijst aan dierenmishandelaars (en het gaat hier niet om een ‘hypothetische veroordeling’ zoals de auditeur schrijft aangezien de doorverwijzing van mevrouw […] voor maar liefst 3 tenlasteleggingen naar de correctionele rechtbank inmiddels een feit is).”
Beoordeling
8. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015)
(ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015).
XII-9535-8/13
Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook(RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406)
(ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406).
Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.)
22 maart 2019, nr. 244.015) (ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015)).
Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH
30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3 (ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.109);
GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.105), punt B.9.3.;
EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.)
(ECLI:CE:ECHR:2018: 0717JUD000547506(Vermeulen/België)).
9. Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven.
Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406)
(ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406).
XII-9535-9/13
10. Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en de verzoekende partij een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde.
Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtbanken van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te faciliteren.
Dit kan van aard zijn bezwaren op te roepen in het geval waarin de omstandigheden waaruit het verlies van het belang van de verzoekende partij voortvloeit haar niet kunnen worden aangerekend, en de verzoekende partij om die reden de gevorderde nietigverklaring afgewezen ziet worden én geen onderzoek geniet van de middelen die zij aanvoerde (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015) (ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015).
11. De verzoekende partij voert drie redenen aan waarom zij meent over het vereiste belang te beschikken. Dit belang, zoals door haarzelf beargumenteerd, is in essentie te situeren 1) binnen haar statutair doel, 2) in de onzekerheid over de toekomst van de dieren terwijl de gastgezinnen bij wie de dieren zijn geplaatst er reeds een affectieve band mee hebben opgebouwd en 3) in de burgerlijke procedure die tegen de verzoekende partij werd opgestart door K.C. en K.M. met de daaraan verbonden financiële impact.
12. Voor zover de verzoekende partij haar belang situeert binnen haar statutair doel, moet worden vastgesteld dat de in haar statuten omschreven doel blijkt te bestaan in het voorzien van de opvang en verzorging van dieren in de meest algemene zin. Overeenkomstig de rechtspraak van de Raad van State
XII-9535-10/13
volstaat de ruime omschrijving van het maatschappelijk doel van de vereniging op zich niet om het belang bij de vernietiging van een bestuurlijke beslissing te aanvaarden en vormt de bekommernis om geen onwettige besluiten uitwerking te laten krijgen als actio popularis evenmin een wettig belang. Er dient een individueel en persoonlijk belang aangetoond te worden bij de vernietiging van de bestreden beslissing.
Voor zover de verzoekende partij beoogt te voorkomen dat de dieren worden afgegeven “aan een milieu waar ze opnieuw dreigen mishandeld te worden (omdat het gaat om natuurlijke personen die banden onderhouden met de heer G.P.)” verliest de verzoekende partij uit het oog dat een vernietiging van de bestemmingsbeslissing niet tot gevolg heeft dat de dieren juridisch terug bij de verzoekende partij terechtkomen. Integendeel, gelet op de terugwerkende kracht van een vernietigingsarrest zou de vernietiging van de bestemmingsbeslissing leiden tot de vaststelling dat geen bestemmingsbeslissing werd genomen binnen de termijn van twee maanden na de inbeslagname, zodat zou moeten worden vastgesteld dat de inbeslagname van de dieren overeenkomstig artikel 42, § 3, van de wet van 14 augustus 1986 van rechtswege is opgeheven. Dit zou tot gevolg hebben dat de dieren terugkeren naar de heer G.P., een gevolg dat de verzoekende partij absoluut wenst te vermijden. Bovendien blijven ook in dat geval dezelfde personen, zijnde K.C. en K.M., eigenaar van de dieren. In die context beschikt de verzoekende partij aldus evenmin over een individueel en persoonlijk voordeel bij de vernietiging van de bestemmingsbeslissing.
13. Voor zover de dieren bij gastgezinnen werden geplaatst nog voordat een bestemmingsbeslissing was genomen, moet worden vastgesteld dat het onderbrengen van de dieren bij de verzoekende partij naar aanleiding van de inbeslagname slechts een voorlopige maatregel met tijdelijk karakter is totdat de bestemmingsbeslissing werd genomen. De verzoekende partij en de gastgezinnen dienden te weten dat de band met de dieren op dat ogenblik nog zeer precair was.
Bovendien kan de verzoekende partij zich ter staving van haar belang bij voorliggend beroep bezwaarlijk beroepen op een emotionele band die derden
XII-9535-11/13
zouden hebben opgebouwd met de dieren. Daarmee toont zij immers geenszins aan waarin haar persoonlijk belang bij haar beroep dan wel bestaat. Met haar argument in verband met de gastgezinnen bij wie de dieren zijn geplaatst toont de verzoekende partij niet aan over een persoonlijk en rechtsreeks belang bij haar beroep te beschikken.
14. Tegen de verzoekende partij werd een burgerlijke procedure gevoerd door de natuurlijke personen aan wie de verwerende partij met haar bestemmingsbeslissing vijf dieren heeft toegewezen (K.C. en K.M.) doordat de verzoekende partij de vrijwillige teruggave van de betrokken dieren aan deze personen heeft geweigerd. Deze burgerlijke procedure is met andere woorden enkel en alleen te wijten aan het eigen gedrag en de eigen handelwijze van de verzoekende partij en vloeit aldus niet rechtstreeks voorts uit de uiteindelijke door de verwerende partij genomen bestemmingsbeslissing, waarvan op 8 april 2022 aan de verzoekende partij kennis werd gegeven. Aan de hand van de burgerlijke procedure en de financiële impact daarvan maakt de verzoekende partij niet aannemelijk over een rechtstreeks belang bij haar beroep te beschikken.
15. In haar memorie van wederantwoord en in de laatste memorie geeft de verzoekende partij nog uitdrukkelijk aan dat voor haar de zaken eenvoudig liggen en dat de bestreden beslissing onwettig is. Zij zet vervolgens uiteen waarom volgens haar deze beslissing onwettig is. Het uitsluitende belang bij het onwettig horen verklaren van de betrokken beslissing is onvoldoende om een nietigverklaring ervan te kunnen verkrijgen.
16. Uit al het voorgaande volgt dat de verzoekende partij er aan de hand van haar uiteenzetting in verband met haar belang niet in slaagt aan te geven werkelijk te beschikken over het rechtens vereiste belang bij haar beroep. Met haar uiteenzetting heeft zij meteen ook de grenzen van het debat afgebakend.
XII-9535-12/13
17. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie ratione personae is gegrond. Het beroep tot nietigverklaring is derhalve onontvankelijk wegens gebrek aan het rechtens vereiste belang.
18. Het beroep is niet ontvankelijk.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Chantal Bamps
XII-9535-13/13

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.915

Gerelateerde publicatie(s)

citeert:

ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.109

 

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.105

 

ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406

 

ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015

 

ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.915

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.