ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.047
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.047 Rolnummer: Zaak: Arrest 261047 - Wegenwezen - 15/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-17 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-04 11:40 Fiche Arrest nr 261.047 van 15 oktober 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu...
21 min de lecture · 4 457 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 15 oktober 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.047
Rolnummer:
Zaak:
Arrest 261047 – Wegenwezen – 15/10/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-10-17
Raadplegingen:
90 – laatst gezien 2026-06-04 11:40
Fiche
Arrest nr 261.047 van 15 oktober 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw,
leefmilieu en aanverwante aangelegenheden – Wegenwezen Beslissing : Verwerping
Samenvoeging
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 261.047 van 15 oktober 2024
in de zaken A. 235.265/X-18.054 (I)
A. 236.744/X-18.188 (II)
A. 237.835/X-18.287 (III)
In zake : I + III
1. C.V.
2. de NV E.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Konstantijn Roelandt kantoor houdend te 2221 Heist-op-den-Berg Dorpsstraat 91
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de GEMEENTE SINT-GENESIUS-RODE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Barteld Schutyser en Laura Janssens kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99
bij wie woonplaats wordt gekozen
II
de GEMEENTE SINT-GENESIUS-RODE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Barteld Schutyser en Laura Janssens kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Lukas Penders kantoor houdend te 8020 Oostkamp Domein De Herten Hertsbergsestraat 4
bij wie woonplaats wordt gekozen
X-18.054-1/17
Tussenkomende partij:
de NV E.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Konstantijn Roelandt kantoor houdend te 2221 Heist-op-den-Berg Dorpsstraat 91
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep sub I, ingesteld op 17 december 2021, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Sint-Genesius-Rode van 28 september 2021 houdende de verwerping van het verzoek van de verzoekende partijen om in het kader van hun omgevingsvergunningsaanvraag voetweg nr. 92 gedeeltelijk af te schaffen (hierna:
het aanvankelijk gemeenteraadsbesluit van 28 september 2021).
Het beroep sub II, ingesteld op 4 juli 2022, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken van 26 april 2022 waarbij het bestuurlijk beroep van de verzoekende partijen in de zaken sub I en III tegen het aanvankelijk gemeenteraadsbesluit van 28 september 2021 wordt ingewilligd en dit besluit wordt vernietigd (hierna: het ministerieel vernietigingsbesluit van 26 april 2022).
Het beroep sub III, ingesteld op 5 december 2022, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Sint-Genesius-Rode van 27 september 2022 houdende de verwerping van het verzoek van de verzoekende partijen om in het kader van hun omgevingsvergunningsaanvraag voetweg nr. 92 gedeeltelijk af te schaffen (hierna:
het uiteindelijke gemeenteraadsbesluit van 27 september 2022).
X-18.054-2/17
II. Verloop van de rechtspleging
2. In de zaak sub II heeft het Vlaamse Gewest een memorie van antwoord ingediend en de gemeente Sint-Genesius-Rode een memorie van wederantwoord.
De tweede verzoekende partij in de zaken sub I en III heeft in de zaak sub II een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 23 augustus 2022. De tussenkomende partij heeft in de zaak sub II een memorie ingediend.
De verzoekende partijen hebben in de zaak sub III een toelichtende memorie ingediend. De gemeente Sint-Genesius-Rode heeft daarna in die zaak het administratief dossier ingediend.
Bij arrest nr. 255.307 van 20 december 2022 wordt in de zaak sub I het debat heropend.
Eerste auditeur An Van den broeck heeft in alle zaken een verslag opgesteld.
In de zaak sub I hebben de verzoekende partijen een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.
In de zaken sub II en sub III heeft de gemeente Sint-Genesius-Rode een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.
Het Vlaamse gewest en de tussenkomende partij hebben in de zaak sub II een laatste memorie ingediend.
In de zaak sub III hebben de verzoekende partijen eveneens een laatste memorie ingediend.
X-18.054-3/17
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 september 2024.
Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Konstantijn Roelandt, die verschijnt voor de verzoekende partijen in de zaken sub I en III en de tussenkomende partij in de zaak sub II, advocaat Sietse Wils, die loco advocaten Barteld Schutyser en Laura Janssens verschijnt voor de verwerende partij in de zaken sub I en III en de verzoekende partij in de zaak sub II en advocaat Pieter-Jan Defoort, die verschijnt voor de verwerende partij in de zaak sub II, zijn gehoord.
Eerste auditeur An Van den broeck heeft in de zaken sub I en II
een met dit arrest eensluidend advies en in de zaak sub III een met dit arrest andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 23 april 2021 dienen de verzoekende partijen in de zaken sub I en III een omgevingsvergunningsaanvraag in voor een terrein gelegen aan de Hallesesteenweg te Sint-Genesius-Rode (hierna: verzoekers’ terrein). De aanvraag strekt ertoe op dit terrein een meergezinswoning met negen wooneenheden te bouwen en het erop gelegen gedeelte van de in de Atlas der Buurtwegen opgenomen voetweg nr. 92 af te schaffen.
3.2. Verzoekers’ terrein is gelegen in de ‘gemengde woon/werkzone’ (artikel 3) van het bij besluit van 26 februari 2015 van de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant goedgekeurde gemeentelijk
X-18.054-4/17
ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Tenbroek’, zoals definitief vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Sint-Genesius-Rode bij besluit van 16 december 2014 (hierna: het gemeentelijk RUP). Achteraan verzoekers’ terrein voorziet het gemeentelijk RUP in een drie meter brede bufferstrook die gedeeltelijk overlapt met het tracé van voetweg nr. 92.
Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel van de basiskaart van de website geopunt.be waarop benaderende aanduidingen zijn aangebracht.
3.3. Voor deze bufferstrook bevat het gemeentelijk RUP volgend voorschrift:
“Artikel 9 Zone voor buffer Art. 9.1. Bestemming Als bestemming geldt de in grondkleur aangegeven zone waarop de buffer is ingetekend, op voorwaarde dat ze de overdruk niet tegenspreekt.
Art. 9.2. Inrichting De buffer moet voorzien in visuele en landschappelijke inpassing.
X-18.054-5/17
Hij wordt voor 80% dicht beplant met 100 % streekeigen struiken en hoogstammige bomen.
[…]”
4. Met het aanvankelijk gemeenteraadsbesluit van 28 september 2021 verwerpt de gemeenteraad van de gemeente Sint-Genesius-Rode het verzoek om het op verzoekers’ terrein gelegen gedeelte van voetweg nr. 92 af te schaffen.
Dit is het bestreden besluit in de zaak sub I. In dit besluit wordt aangaande de “tegenstrijdigheid” tussen het gemeentelijk RUP en het tracé van voetweg nr. 92
het volgende overwogen:
“Aanvrager wenst dit op te lossen en vraagt daarom de opheffing van het gedeelte van de weg op zijn perceel.
Hoewel dit voor hem en zijn perceel een oplossing zou kunnen zijn vormt dit geen oplossing. De tegenstrijdigheid blijft niet enkel elders bestaan, er ontstaan daardoor ook twee doodlopende (voet)wegen. Dat is nog minder wenselijk dan de huidige situatie.
Een eventuele oplossing zou het integraal opheffen van de weg kunnen zijn. Uit plaatsbezoek en gesprek met de aanpalende blijkt echter niet alleen dat de weg nog grotendeels aanwezig is en tot voor kort werd gebruikt.
Het in ere herstellen van dergelijke trage wegen past veel beter bij de visie van de gemeente op vlak van mobiliteit en duurzaamheid.”
5. Op 28 oktober 2021 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Genesius-Rode de gevraagde omgevingsvergunning.
6. Op 2 december 2021 dienen de verzoekende partijen in de zaken sub I en III bij de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant (hierna: de deputatie) een bestuurlijk beroep in tegen het in het vorige randnummer bedoelde besluit.
7. Op 20 januari 2022 stellen de verzoekende partijen in de zaken sub I en III bij de Vlaamse regering een bestuurlijk beroep in tegen het aanvankelijk gemeenteraadsbesluit van 28 september 2021 over de zaak van de wegen.
8.1. Met het ministerieel vernietigingsbesluit van 26 april 2022
willigt de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken het in het vorige
X-18.054-6/17
randnummer bedoelde bestuurlijk beroep in en vernietigt zij het aanvankelijk gemeenteraadsbesluit van 28 september 2021. Dit is het bestreden besluit in de zaak sub II.
8.2. Het ministerieel vernietigingsbesluit van 26 april 2022
overweegt onder meer:
“- Overwegende dat de beroepsindieners in een eerste beroepskritiek van oordeel zijn dat de bestreden beslissing dient te worden vernietigd wegens een schending van de formele en materiële motiveringsplicht, de zorgvuldigheidsplicht en het rechtszekerheidsbeginsel, nu de motivering voor bestreden beslissing van de gemeenteraad tot weigering van de opheffing van de buurtweg nr. 92 niet verenigbaar is met de beslissing van diezelfde gemeenteraad van [16 december 2014] tot vaststelling van het gemeentelijke RUP Ten Broek.
[…]
[De] motivering [van het aanvankelijk gemeenteraadsbesluit van 28
september 2021] is om de volgende redenen kennelijk onredelijk en onzorgvuldig.
– De gemeenteraad stelt een anomalie vast in het RUP Ten Broek. De gemeenteraad zegt dat op het perceel van de beroeper ‘tegelijkertijd twee volledig tegenstrijdige voorschriften van toepassing zijn’. Dit is niet correct.
Het RUP voorziet slechts één voorschrift, namelijk artikel 9 dat het gebied bestemd als buffer. De voetweg maakt geen deel uit van het RUP.
– Het RUP Ten Broek is opgemaakt en definitief vastgesteld door de gemeenteraad van Sint-Genesius-Rode, en dit pas [eind 2014]. Het RUP
heeft een gebiedsdekkende visie gevormd over zijn ganse plangebied, waarbij alle belangen overeenkomstig artikel 1.1.4 VCRO tegen elkaar zijn afgewogen, waaronder gemeentelijke mobiliteit. Het RUP Ten Broek is, zoals elk RUP, toekomstgericht. Er moet worden van uitgegaan dat de gemeenteraad in [2014] gehandeld heeft als een zorgvuldige overheid, met volledige kennis van zaken, en dus ook met kennis van de voetweg nr. 92. De gemeenteraad heeft in [2014] minstens impliciet geoordeeld dat de voetweg geen toekomstwaarde meer heeft, en dat op die plek ruimte was voor een projectzone voor wonen en aan het wonen verwante activiteiten en voorzieningen, horeca, kantoren en diensten, bedrijvigheid en kleinhandel.
De gemeenteraad heeft toen geoordeeld dat ten zuiden van die zone, over het tracé van de voetweg nr. 92, een buffer moest komen, die voor 80% moest worden beplant met streekeigen struiken en bomen.
Hoewel het RUP Ten Broek niet beschikbaar is op de website van de gemeente, kan uit het beroepschrift worden afgeleid dat de gemeenteraad in [2014] bij de goedkeuring van het RUP uitdrukkelijk heeft vermeld dat de buurtweg nr. 92 waarvan de beroepsindiener de opheffing vraagt in onbruik is geraakt. Bovendien blijkt dat het RUP Ten Broek ook een beleidsvisie over trage wegen in zich draagt, bijv. artikel 11.1.1 en artikel 12 zoals aangehaald in het beroepschrift.
X-18.054-7/17
– Kortom, in [2014] heeft de gemeenteraad na het volgen van een volledige RUP-procedure, met diverse adviezen en openbaar onderzoek, een afgewogen visie gevormd over o.a. de trage wegen in het plangebied, en geoordeeld dat de voetweg nr. 92 geen toekomst meer heeft. Het RUP heeft verordenende kracht, zowel wat het grafische plan betref als wat de stedenbouwkundige voorschriften betreft.
– Het is kennelijk onredelijk, onzorgvuldig en strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel om in de bestreden gemeenteraadsbeslissing, te poneren dat ‘het in ere herstellen van dergelijke trage wegen veel beter past bij de visie van de gemeente op het vlak van mobiliteit en duurzaamheid’. De gemeentelijke visie van de gemeente op de (trage) mobiliteit in de omgeving van het perceel van de beroeper is tot stand gekomen en verordenend vastgelegd in het RUP Ten Broek. De motivering is dus strijdig met eerdere uitdrukkelijke beleidsopties van de gemeente, die bovendien verordenend zijn vastgelegd.
– De argumenten om nu plots af te wijken van de verordenende beleidsvisie in het RUP wegen niet op tegen het RUP en zijn bovendien intern niet coherent. De gemeenteraad erkent dat er een conflict is tussen de bufferzone van het RUP en de rooilijn van voetweg nr. 92. De gemeenteraad erkent dat de opheffing van de buurtweg het conflict opheft voor het perceel van de beroeper. De gemeenteraad meent evenwel dat dit niet de beste oplossing is, nu de tegenstrijdigheid nog elders zou blijven bestaan, en nu er twee doodlopende voetwegen zouden ontstaan. De gemeenteraad meent dat het een betere oplossing zou zijn om de voetweg in ere te herstellen. Deze argumentatie houdt geen steek.
De gemeenteraad laat na uit te leggen op welke manier het in ere herstellen van de voetweg een oplossing biedt voor het conflict tussen het RUP en de voetweg op het perceel van de beroeper.
Nochtans erkent de gemeenteraad dat dit conflict een probleem is. Het in ere herstellen van de voetweg lost dit probleem niet op, maar bestendigt het integendeel en maakt het (door diezelfde gemeenteraad vastgestelde) RUP
onuitvoerbaar wat betreft het perceel van de beroeper. De gemeenteraad zorgt dus niet voor een ‘betere oplossing’, maar zorgt integendeel voor een bestendiging van het (erkende) probleem. Het is kennelijk onredelijk van de gemeenteraad om doelbewust te zorgen voor de onuitvoerbaarheid van een RUP dat het zelf recent heeft vastgesteld.
– De gemeenteraad stelt dat het opheffen van het tracé op het perceel van de beroeper geen oplossing biedt voor de tegenstrijdigheid tussen het RUP
en de voetweg elders. De gemeenteraad laat evenwel na te verduidelijken op welke andere plaatsen er nog een dergelijke tegenstrijdigheid zou bestaan.
De gemeenteraad laat ook na uit te leggen waarom het eventueel voortbestaan van het conflict op andere plaatsen een reden zou vormen om na te laten het probleem op het perceel van de beroeper op te lossen.
[…].”
9. Op 24 juni 2022 verzoekt de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant de gemeenteraad om, in het kader van de administratieve
X-18.054-8/17
beroepsprocedure tegen de vergunningsweigering, een nieuw gemeenteraadsbesluit over de zaak der wegen te nemen.
10.1. Met het uiteindelijke gemeenteraadsbesluit van 27 september 2022 verwerpt de gemeenteraad van de gemeente Sint-Genesius-Rode opnieuw het verzoek om het op verzoekers’ terrein gelegen gedeelte van voetweg nr. 92 af te schaffen. Dit is het bestreden besluit in de zaak sub III.
10.2. Het uiteindelijke gemeenteraadsbesluit van 27 september 2022 is onder meer als volgt gemotiveerd:
“Dit besluit kadert binnen de doelstellingen van de Vlaamse decreetgever in [het decreet van 3 mei 2019 ‘houdende de gemeentewegen’ (hierna: het gemeentewegendecreet)] (in het bijzonder de artikelen 3 en 4 ervan) om het behoud en de herwaardering van de gemeentewegen te bewerkstelligen. Dit besluit kadert eveneens binnen de gemeentelijke mobiliteitsvisie en het gemeentelijk klimaatactieplan. Uit dat klimaatactieplan volgt onder meer de doelstelling van de gemeente om het STOP-principe te onderschrijven. Dit principe bestaat in het promoten van Stappen, Trappen, Openbaar vervoer en Privé-vervoer, volgens deze volgorde, waarbij een bijzondere aandacht aan het inventariseren en optimaliseren van de trage wegen ten behoeve van wandelaars en fietsers wordt vooropgesteld.
[…]
Overeenkomstig artikel 8 van het Gemeentewegendecreet kan niemand een gemeenteweg ‘aanleggen, wijzigen, verplaatsen of opheffen zonder voorafgaande goedkeuring van de gemeenteraad’. Er kan dus geen sprake van enige impliciete opheffing van een voetweg (op vandaag: gemeenteweg)
zijn. Daarvoor is steeds een uitdrukkelijke beslissing van de gemeenteraad vereist. Uit het RUP ‘Ten Broek’ kan dan ook geenszins een gemeenteraadsbeslissing worden afgeleid, waarin de gemeenteraad zou hebben geoordeeld dat de gemeenteweg kan worden opgeheven, laat staan een impliciete opheffing. Een impliciete opheffing was bovendien ook onder de gelding van de wet van 10 april 1841 ‘op de buurtwegen’ onmogelijk.
Het RUP ‘Ten Broek’ heeft de voetweg nr. 92 evenmin opgeheven. Het RUP bevat geen enkel uitdrukkelijk voorschrift waaruit de opheffing van de voetweg zou blijken. Het RUP bevat evenmin een rooilijn die met de voetweg nr. 92 strijdig zou zijn. Ook de toelichtingsnota bij het RUP
vermeldt niets in verband met de voetweg nr. 92. Het gemeenteraadsbesluit van 16 december 2014 tot goedkeuring van het RUP ‘Ten Broek’ bepaalt niets met betrekking tot de voetweg nr. 92. Het RUP ‘Ten Broek’ heeft overigens slechts op een deel van het grondgebied van de gemeente betrekking en kan bijgevolg onmogelijk worden geacht de integrale visie van de gemeente rond trage wegen te veruitwendigen.
[…]
X-18.054-9/17
Op vandaag bestaat de voetweg nr. 92 nog steeds en moet deze worden gerespecteerd.”
11. Op 20 oktober 2022 weigert de deputatie de gevraagde omgevingsvergunning.
IV. Samenhang
12. Er is reden om de zaken sub I, II en III in het belang van een goede rechtsbedeling samen te voegen en over die beroepen in één arrest uitspraak te doen.
V. Onderzoek van de middelen in de zaak sub III
A. Het eerste middel
Uiteenzetting van het middel
13.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 2.2.5, § 1, laatste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), van de artikelen 2.1, 3.1 en 9 van het gemeentelijk RUP, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet) en van “het patere legem ipse quam fecisti-beginsel”, alsook uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht evenals het redelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel.
13.2. De verzoekende partijen stellen dat de verwerende partij door in 2014 artikel 9 van het gemeentelijk RUP vast te stellen ontegensprekelijk beslist heeft dat die delen van de voetweg nr. 92 die in de bufferstrook liggen niet langer moeten worden opengesteld voor het publiek (wandelaars en/of fietsers). In het andere geval zou het gemeentelijk RUP nooit de inplanting van een bufferstrook met onder andere hoogstammige bomen opgelegd hebben. Het tegenovergestelde beweren is gewoon absurd. Volgens de verzoekende partijen heeft de verwerende
X-18.054-10/17
partij haar beleidsvisie over het lot van de delen van de voetweg nr. 92 die bestemd zijn tot bufferstrook op verordenende wijze verankerd in het gemeentelijk RUP, meer bepaald dat ze moeten ingericht worden met beplanting. Artikel 2.2.5, §§1 en 3, VCRO en “het patere legem ipse quam fecisti-beginsel” leggen aan de verwerende partij de verplichting op om “deze voorschriften/(beleids)regels” te respecteren zolang ze niet zijn vervangen of opgeheven. Dat de beslissing tot weigering van de afschaffing van het betrokken gedeelte van de voetweg artikel 9
van de stedenbouwkundige voorschriften van het gemeentelijk RUP volledig ondergraaft kan in redelijkheid niet worden betwist.
De verzoekende partijen benadrukken dat uit het gemeentelijk RUP volgt dat de verwerende partij alleen nog maar over de optie beschikt om de voetweg nr. 92 af te schaffen. Ofwel neemt zij zelf het initiatief om de voetweg af te schaffen, ofwel schaft zij de voetweg nr. 92 deels af in het kader van een omgevingsvergunningsaanvraag. De verwerende partij doet geen van beiden en schendt zodoende haar eigen beleidsvisie die op verordenende wijze werd vervat in (de voorschriften van) het gemeentelijk RUP. Uit dit RUP blijkt dat het net niet de visie van de verwerende partij is om de voetweg nr. 92 in ere te herstellen. De beslissing van de verwerende partij om het op verzoekers’ terrein gelegen gedeelte van de voetweg nr. 92 niet af te schaffen miskent het rechtszekerheidsbeginsel en is ontegensprekelijk kennelijk onredelijk.
Beoordeling
14. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de voetweg nr. 92 een buurtweg is in de zin van de tot 31 augustus 2019 geldende wet van 10 april 1841
‘op de buurtwegen’ (hierna: de buurtwegenwet). In 2014 – toen de gemeenteraad van de gemeente Sint-Genesius-Rode het gemeentelijk RUP heeft vastgesteld –
kon een dergelijke weg krachtens artikel 28 van de buurtwegenwet alleen (gedeeltelijk) afgeschaft worden door een expliciete beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad. De gemeenteraad was met andere woorden geen bevoegde overheid om over deze afschaffing te beslissen. Terecht wordt in de formele motivering van het uiteindelijke gemeenteraadsbesluit van 27 september
X-18.054-11/17
2022 (randnr. 10.2) gesteld dat de buurtwegenwet een (impliciete) afschaffing van de voetweg nr. 92 door de gemeenteraad onmogelijk maakte.
Even terecht wordt in deze motivering vastgesteld dat noch de voorschriften van het gemeentelijk RUP, noch de toelichtingsnota bij dit RUP
melding maken van de voetweg nr. 92.
Voorts gaan de verzoekende partijen er aan voorbij dat het niet onwettig is om binnen de rooilijnen van wegen – en dus ook van de voetweg nr. 92
– publieke groenaanplantingen zoals hoogstammige bomen op te nemen.
Zelfs als met de verzoekende partijen zou worden aangenomen dat de inrichting van de voetweg met de in artikel 9 van de stedenbouwkundige voorschriften van het gemeentelijk RUP voorziene beplanting noodzakelijkerwijze impliceert dat hij niet langer kan worden opengesteld voor het publiek, volgt daaruit niet dat de gemeenteraad na het vaststellen van dat RUP alleen nog maar over de optie zou beschikken om deze voetweg af te schaffen. In die hypothese beschikt de – door het gemeentewegendecreet van 2019 bevoegd gemaakte –
gemeenteraad immers ook over de mogelijkheid om het tracé van voetweg nr. 92 te verplaatsen zodat het niet meer overlapt met de bufferstrook ex artikel 9 van het gemeentelijk RUP.
Uit een en ander volgt dat het terecht is dat de gemeente Sint-Genesius-Rode in het bestreden besluit heeft vastgesteld dat de voetweg nr.
92 niet (impliciet) is afgeschaft door het gemeentelijk RUP.
16. In het licht van het voorgaande, overtuigen de verzoekende partijen er niet van dat de verwerping van hun verzoek tot afschaffing op grond van de in randnummer 10.2 aangehaalde motivering de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan of anderszins onwettig zou zijn.
17. Het eerste middel wordt verworpen.
X-18.054-12/17
X-18.054-13/17
B. Het tweede middel
Uiteenzetting van het middel
18.1. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 162, 6°, van de Grondwet en “het daarin vervatte beginsel van het administratief toezicht op territoriaal gedecentraliseerde besturen”.
18.2. De verzoekende partijen lichten toe dat het door de Grondwet gevestigd beginsel van het administratief toezicht op territoriaal gedecentraliseerde besturen er zich tegen verzet dat een gemeente, wanneer zij geconfronteerd wordt met een beslissing van de toezichthoudende overheid die zij – subjectief – onwettig acht, die onwettigheid aangrijpt om eigener gezag de beslissing van de toezichthoudende overheid naast zich neer te leggen en om met een nieuwe beslissing een gelijk of gelijkwaardig effect te verwezenlijken als datgene wat de toezichthoudende overheid met haar besluit verhinderd heeft. De parlementaire voorbereiding bij het gemeentewegendecreet bevestigt dat de gemeenteraad in zijn uiteindelijke beslissing – nadat de Vlaamse regering zich heeft uitgesproken over het bestuurlijk beroep – rekening moet houden met de dragende motieven van de regeringsbeslissing.
Volgens de verzoekende partijen is het duidelijk dat de gemeenteraad van de gemeente Sint-Genesius-Rode in het uiteindelijke gemeenteraadsbesluit van 27 september 2022 geen rekening houdt met het ministerieel vernietigingsbesluit van 26 april 2022 en dat net in dat gemeenteraadsbesluit van 27 september 2022 beslist wordt wat de toezichthoudende overheid heeft willen verhinderen, namelijk het herstel van de voetweg nr. 92 in plaats van de (gedeeltelijke) afschaffing ervan.
X-18.054-14/17
Beoordeling
19. Voor zoveel het ingeroepen beginsel te dezen al van toepassing is, geldt het hoe dan ook slechts in zoverre de gemeente zich in haar nieuwe beslissing niet op een nieuw feitelijk of juridisch gegeven beroept. In casu doet de gemeente dat wel. Rekening houdend met het ministerieel vernietigingsbesluit van 26 april 2022, weerlegt het uiteindelijke gemeenteraadsbesluit van 27 september 2022 met de in randnummer 10.2 aangehaalde motivering immers expliciet – en zoals bij de beoordeling van het eerste middel is gebleken terecht – het dragende motief van dat ministerieel vernietigingsbesluit als zou de voetweg nr. 92
(impliciet) afgeschaft zijn door het gemeentelijk RUP.
20. De conclusie is dat de verzoekende partijen geen schending van de aangevoerde rechtsregels aannemelijk maken.
Ook het tweede middel wordt verworpen.
21. Gelet op de verwerping van de beide aangevoerde middelen dient het beroep in de zaak sub III te worden verworpen.
VI. Onderzoek van de ontvankelijkheid in de zaak sub II
22. Zoals in het auditoraatsverslag is vastgesteld, heeft de verzoekende partij met het uiteindelijke gemeenteraadsbesluit van 27 september 2022 gerealiseerd wat zij met haar beroep in de zaak sub II beoogde, zodat zij haar belang bij dit beroep heeft verloren.
Het past daarom de kosten, met inbegrip van de door de verwerende partij gevraagde rechtsplegingsvergoeding, ten laste te leggen van de verzoekende partij.
X-18.054-15/17
VII. Onderzoek van de ontvankelijkheid in de zaak sub I
23. De verzoekende partijen stellen in hun laatste memorie terecht dat hun beroep in de zaak sub I “zonder voorwerp” is geworden ten gevolge van de vernietiging ervan door het ministerieel vernietigingsbesluit van 26 april 2022.
Het past de kosten, met inbegrip van de door de verzoekende partijen gevraagde rechtsplegingsvergoeding, ten laste te leggen van de verwerende partij.
BESLISSING
1. De zaken met nrs. A. 235.265/X-18.054 (I), A. 236.744/X-18.188 (II) en A. 237.835/X-18.287 (III) worden samengevoegd.
2. De Raad van State verwerpt de beroepen.
3. In de zaak sub I wordt de verwerende partij verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen gezamenlijk.
4. In de zaak sub II wordt de verzoekende partij verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
5. In de zaak sub III worden de verzoekende partijen, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een
X-18.054-16/17
rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier.
De griffier De voorzitter
Karin Meerschaut Johan Lust
X-18.054-17/17
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.047
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...