ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.071
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.071 Rolnummer: A. 241768/VII-42491 Zaak: Arrest 261071 - Natuurbehoud - Vergunningen - 17/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-29 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-04 08:24 Fiche Arrest nr 261.071 van 17 oktober 2024...
9 min de lecture · 1,944 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 17 oktober 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.071
Rolnummer:
A. 241768/VII-42491
Zaak:
Arrest 261071 – Natuurbehoud – Vergunningen – 17/10/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-10-29
Raadplegingen:
79 – laatst gezien 2026-06-04 08:24
Fiche
Arrest nr 261.071 van 17 oktober 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw,
leefmilieu en aanverwante aangelegenheden – Natuurbehoud – Vergunningen
Beslissing : Verwerping
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.071 no lien 279387 identiques
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 261.071 van 17 oktober 2024
in de zaak A. 241.768/VII-42.491
In zake: L.S.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Evert Vervaet kantoor houdend te 1700 Dilbeek Tenbroekstraat 35
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Zandvoordestraat 444, bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 24 april 2024, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 16 februari 2024 waarbij het beroep tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 31 oktober 2023 houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen, ongegrond wordt verklaard.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 28 juni 2024 een verslag opgesteld.
VII-42.491-1/7
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2024.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Gert Opdebeeck, die loco advocaat Evert Vervaet verschijnt voor verzoeker en advocaat Bart Bronders, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is eigenaar van een aantal percelen grond te Keerbergen.
3.2. Op basis van een kapmachtiging met kenmerk KMPB/VB/18/0210 mocht hij overgaan tot een dunningskap (20 %) op de percelen. Aan die machtiging was als voorwaarde verbonden dat de kapping niet mag leiden tot een vermindering van de bestaande bosoppervlakte door het aanplanten van sierstruiken, heesters en sierconiferen en/of de aanleg van een grasperk, gazon, bloemperken of andere tuinelementen.
3.3. Tijdens een plaatsbezoek van een toezichthoudend bestuur, uitgevoerd op 24 september 2019, wordt vastgesteld dat op een van de percelen een ontbossing werd uitgevoerd: er werden bomen gekapt en ontstronkt om het perceel vervolgens in te zaaien met gras. Van deze vaststellingen wordt een proces-verbaal opgemaakt.
VII-42.491-2/7
Aan verzoeker wordt als bestuurlijke herstelmaatregel opgelegd dat hij ten laatste tegen 31 maart 2022 dient over te gaan tot een aanplanting met zomereik in een plantverband niet wijder dan 2,5 x 2,5 meter.
3.4. In de loop van de maanden maart en april 2023 begeven toezichthouders van het Agentschap voor Natuur en Bos zich opnieuw ter plaatse om na te gaan of de voordien opgelegde bestuurlijke maatregelen effectief werden uitgevoerd. Bij die controles wordt vastgesteld dat er onvoldoende bomen werden aangeplant en dat de afstand van de aangeplante bomen ongeveer 5 meter bedraagt.
Naar aanleiding van het controlebezoek van 12 april 2023 wordt vastgesteld dat er een omheining, bestaande uit draad en houten palen, werd geplaatst.
3.5. Op 31 oktober 2023 legt het Agentschap voor Natuur en Bos aan verzoeker de volgende bestuurlijke maatregelen op:
“Aanplantingen met zomereik (Quercus robur) over de volledige oppervlakte van 4.292 m² zodat er op perceel 6C een plantverband wordt bekomen van niet wijder dan 2.5 x 2.5 meter. Waar er reeds geplant is maar in een te wijd verband, moet er tussen worden geplant tot het gevraagde plantverband is bereikt.
Plantsoenmaat is 80/100 cm. De te planten bomen moeten geplant worden gelijkmatig verspreid over het ontboste stuk. De plantsoenen moeten voldoende kwalitatief zijn en moeten daartoe betrokken worden uit een professionele boomkwekerij. De jonge bomen moeten geplant worden ‘volgens de regels van de kunst’, in plantgaten die voldoende ruimte bieden opdat de wortels daarin terecht kunnen, de stamspillen rechtop geplaatst, de topscheuten op de boomtoppen onbeschadigd, zodanig dat een normale rechtopgaande groei mogelijk zal zijn. De aankoopfactuur en herkomstcertificaat gelden als bewijs.
Afgestorven plantsoen dient vervangen te worden (inboeten) tijdens het eerste plantseizoen dat volgt op het afsterven ervan totdat het hogergenoemde plantverband bereikt wordt met levend plantsoen.
Volledig verwijderen van de paplaurier zodat er geen wortels achterblijven.”
Aan het niet-tijdig uitvoeren van deze maatregelen wordt een dwangsom verbonden van 150 euro per dag vertraging met een maximum van 150.000 euro.
VII-42.491-3/7
3.6. Verzoeker stelt tegen voormelde beslissing bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister.
3.7. In het kader van deze beroepsprocedure adviseert de afdeling Handhaving om het beroep als ongegrond af te wijzen.
3.8. Met het thans bestreden besluit van 16 februari 2024 verklaart de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme het beroep van verzoeker ongegrond en bevestigt zij de beroepen beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos.
IV. Onderzoek van de vordering
4. Krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
Spoedeisendheid
Uiteenzetting van verzoeker
5. Onder het opschrift “hoogdringendheid” zet verzoeker uiteen dat op 17 april 2024 de eerste dwangsommen, voor een bedrag van in totaal 5.100
euro, werden ingevorderd, dat hij vreest dat er nog dwangsommen zullen worden ingevorderd en dat in dergelijke omstandigheden “het gebruik van diens perceel ernstig in het gedrang wordt gebracht en […] de mogelijke schadelijke gevolgen dermate ernstig kunnen zijn dat het aangewezen is de zaak in kort geding te beoordelen”. In het bijzonder wijst hij erop dat op grond van artikel 87, vijfde lid, van het Bosdecreet van 13 juni 1990 het perceel terug als landbouwgrond mag worden gebruikt na een eenvoudige melding bij het departement Landbouw en Visserij en dat zodoende het huidige grasland behouden kan blijven. Aangezien ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.071 VII-42.491-4/7
bestuurlijke dwangsommen werden opgelegd, is hij evenwel ertoe verplicht om op het volledige perceel aanplantingen uit te voeren. Eenmaal het perceel terug werd bebost en na het verstrijken van een termijn van 21 jaar, zal er definitief sprake zijn van een bos. Bovendien zal de verwerende partij niet aarzelen om bijkomende bestuurlijke dwangsommen te verbeuren, waardoor hij dreigt aan “additionele uitvoeringskosten” en aan morele schade te worden blootgesteld. Verzoeker besluit dat de volgende periode voor het verbeuren van de dwangsommen aanvangt op 1 november 2024 “waarbij er een inherent en zeker risico bestaat dat de uitgevoerde aanplantingen opnieuw het lot beschoren zijn als de eerder (deels)
mislukte aanplantingen, maar waarvoor verwerende partij duidelijk geen enkel begrip toont”.
Beoordeling
6. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Het doel is dan ook het kort geding te hanteren wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden.
Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten]
die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’.
Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak spoedeisend is op aan om van die urgentie te overtuigen. Zij dient daartoe aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, gelet op de nadelige gevolgen die een – voortdurende – tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaakt.
VII-42.491-5/7
7. Ter adstructie van de spoedeisendheid beroept verzoeker zich in essentie op het feit dat het niet-uitvoeren van de bestreden bestuurlijke maatregelen leidt tot dwangsommen en “additionele uitvoeringskosten”.
Een financieel nadeel volstaat in beginsel niet om de behandeling van een zaak bij spoedeisendheid te verantwoorden. Een dergelijk nadeel kan immers in principe na een annulatiearrest hersteld worden. Dit is uitzonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van het financiële nadeel op de situatie van de verzoekende partij een zodanige impact heeft dat zij dit niet kan dragen tot de uitspraak ten gronde.
Opdat een financieel nadeel de spoedeisendheid van de vordering zou kunnen aantonen is dus vereist dat verzoeker concreet aannemelijk maakt dat hij door de invordering van de dwangsommen wegens het niet-tijdig uitvoeren van de opgelegde bestuurlijke maatregelen in een dermate precaire situatie terechtkomt dat de nadelige gevolgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure. In dit geval bevat de uiteenzetting van verzoeker ter zake geen enkel concreet gegeven.
8. Zelfs indien er een mogelijkheid zou bestaan om het perceel terug in gebruik te nemen als landbouwgrond, wordt daarmee niet aangetoond dat de zaak bij urgentie behandeld moet worden. Verzoeker toont namelijk niet aan dat die mogelijkheid onherroepelijk verloren gaat indien het geschil via de gewone procedure wordt afgewikkeld.
Waar verzoeker tot slot gewag maakt van “morele schade”, geldt als algemene bedenking dat een moreel nadeel in beginsel kan worden goedgemaakt door de morele genoegdoening die een vernietigingsarrest verschaft.
Verzoeker duidt geen bijzondere omstandigheden aan die de Raad van State ertoe zou moeten aanzetten anders te oordelen.
De spoedeisendheid van de vordering wordt niet aangetoond.
VII-42.491-6/7
9. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.
Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Peter Sourbron
VII-42.491-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.071
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...