ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.211
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.211 Rolnummer: A. 241371/VII-42422 Zaak: Arrest 261211 - Natuurbehoud - Vergunningen - 24/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-29 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-03 09:13 Fiche Arrest nr 261.211 van 24 oktober 2024...
11 min de lecture · 2,286 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 24 oktober 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.211
Rolnummer:
A. 241371/VII-42422
Zaak:
Arrest 261211 – Natuurbehoud – Vergunningen – 24/10/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-10-29
Raadplegingen:
96 – laatst gezien 2026-06-03 09:13
Fiche
Arrest nr 261.211 van 24 oktober 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw,
leefmilieu en aanverwante aangelegenheden – Natuurbehoud – Vergunningen
Beslissing : Verwerping
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER
nr. 261.211 van 24 oktober 2024
in de zaak A. 241.371/VII-42.422
In zake: 1. C.S.
2. G.V.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de GEMEENTE WEVELGEM, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Maxim Senesael kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partijen:
1. de VZW NATUURPUNT
2. de VZW NATUURPUNT BEHEER
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 301
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 18 oktober 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente
VII-42.422-1/8
Wevelgem van 3 januari 2024 waarbij een vergunning verleend wordt conform artikel 35bis § 5 van het Veldwetboek”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een nota ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2024, om 14.00 uur.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Deborah Smets, die verschijnt voor de verzoeksters, advocaat Féline Vanden Bussche, die loco advocaten Pieter-Jan Defoort en Maxim Senesael verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord.
Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 5 december 2023 dient de vzw Natuurpunt Beheer in het kader van de uitbreiding van het natuurgebied ‘Leiekant’ bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wevelgem een vergunningsaanvraag in voor de gedeeltelijke bebossing van een perceel dat in gebruik was als
VII-42.422-2/8
akkerland. Als wettelijke basis voor de aanvraag wordt verwezen naar artikel 35, § 5, van het Veldwetboek.
Het nog aan te planten ‘Katerbos’ zou bestaan uit een gemengd inheems loofbos met een soortenrijke bosrand die zou worden ingericht met aangepaste mantelvegetatie en zoomvegetatie. De site is volgens het met een besluit van de Vlaamse regering van 7 november 2008 vastgesteld gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Leievallei en open ruimte omgeving Kortrijk’ gelegen in een agrarisch gebied, waar overeenkomstig artikel 5.7, 3 van de stedenbouwkundige voorschriften (naast landbouw) ook de “instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en de landschapswaarden” toegelaten is.
3.2. Bij besluit van 3 januari 2024 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wevelgem de gevraagde vergunning.
Aan de vergunning worden de volgende voorwaarden verbonden:
“• De bebossing dient te bestaan uit standplaatsgeschikt inheems loofhout in een gemiddeld plantverband van maximaal 2 x 2 m.
• De bebossing moet gebeuren conform de bepalingen uit het veldwetboek:
Bosaanleg met hoogstammige bomen is verboden op minder dan 6 meter van de scheidingslijn tussen twee erven. In de voormelde zone van 6 meter is het wel mogelijk een bosrand tot ontwikkeling te laten komen die bestaat uit mantelzoomvegetaties en die niet dichter dan een halve meter van de scheidingslijn komt. Als mantelvegetatie wordt de zone met struiken of hakhout bedoeld die lager is dan de hoogstammige bomen dieper in het bos.
Als zoomvegetatie wordt de zone beschouwd die bestaat uit een ruige gras-
en kruidachtige vegetatie die richting het bos overgaat in de mantelvegetatie.”
Dit is de thans bestreden beslissing.
3.3. Tegen voormelde beslissing hebben de verzoeksters op 28 februari 2024 een beroep tot nietigverklaring ingediend bij de Raad van State.
VII-42.422-3/8
IV. Ontvankelijkheid van de vordering
4. Er bestaat geen noodzaak om uitspraak te doen over de door de tussenkomende partijen opgeworpen excepties omtrent de ontvankelijkheid van de vordering. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
V. Grondvoorwaarden voor een schorsing
5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
Uiterst dringende noodzakelijkheid
Standpunt van de partijen
6. Het verzoekschrift bevat de volgende rechtvaardiging van de uiterst dringende noodzakelijkheid:
“Zoals hoger aangegeven, hebben verzoekende partijen in februari 2024 een verzoekschrift tot nietigverklaring bij uw Raad ingediend. Deze procedure kende tot nu toe haar normale beloop. Partijen zijn in afwachting van een auditoraatsverslag.
Ondanks het gegeven dat deze procedure bij uw Raad lopende is, meent tussenkomende partij deze niet langer te moeten afwachten. Niet alleen zal tussenkomende partij starten met de aanplant van 6.000 bomen, die deel uitmaken van de mantelzoomvegetatie, maar meent tussenkomende partij de lopende procedure ook ‘in het belachelijke’ te kunnen trekken.
Verzoekende partijen verklaren zich nader.
VII-42.422-4/8
In het tijdschrift Klimop wordt door tussenkomende partij zeer laconiek het volgende gesteld:
‘2 omwonenden van ons bos kozen ervoor om nog een juridische procedure te starten tegen onze bosvergunning. Zo’n procedure loopt bij de Raad van State en vraagt veel tijd (1,5 à 2 jaar). De argumenten tegen het bos gaan over toekomstige schaduwvorming tot lawaai van spelende kinderen, maar we hebben er alle vertrouwen in dat dit op niets zal uitlopen.’ Blijkbaar meent tussenkomende partij dat de procedure bij uw Raad niet snel genoeg gaat waardoor zij toch uitvoering zullen geven aan de bestreden beslissing.
In het licht hiervan wordt ruim opgeroepen om deel te nemen aan de bosaanplant op 23 en 24 november 2024:
[…]
Tijdens het weekend van 23 en 24 november 2024 zal natuurpunt overgaan tot de aanplant van 5.000 à 6.000 bomen. Deze bomen bevinden zich een voor een in de zogenaamde bufferzone:
‘In de week van 18 november starten we met fase I van de aanplant: dan gaan zowat 6000 stuks divers plantgoed in de grond. (…) In deze fase planten we alleen de randzones aan (…)’ Laat het nu net de randzone – die als banaal wordt omschreven door tussenkomende partij maar wel maar liefst 6000 bomen omvat – zijn die zich het dichtste bij verzoekende partijen bevindt. Ter hoogte van eerste verzoekende partij grenst deze zone de facto aan haar eigendom.
[…]
Het spreekt voor zich dat verzoekende partijen met deze kennis van zaken niet gewoon kunnen stilzitten en de vernietigingsprocedure kunnen afwachten. De aanplant van 6.000 bomen maakt dat (i) er direct een zeer grote hoeveelheid bomen wordt aangeplant, (ii) deze bomen onmiddellijk een bos op zichzelf vormen en (iii) deze bijgevolg niet zonder meer nog zullen kunnen verwijderd worden. De hinder zal zich ook onmiddellijk manifesteren. Het open zicht zal onherroepelijk komen te verdwijnen.
Verzoekende partijen kunnen dan ook niet anders dan voorliggende vordering tot schorsing in te dienen. Doen zij dit niet, dan zullen zij geconfronteerd worden met een fait accompli waartegen zij geen stappen meer kunnen ondernemen. Deze 6.000 bomen zullen immers na tussenkomst van een gebeurlijk vernietigingsarrest niet meer verdwijnen, alleen al om het feit dat een ontbossing van een dergelijke omvang nooit vergund zal worden.
Om de rechten van verzoekende partijen lopende de vernietigingsprocedure ook maar enigszins te vrijwaren, dient de bestreden beslissing te worden geschorst. Dit klemt des te meer, nu gestart wordt met de zone die grenst aan de eigendommen van verzoekende partijen.
Gelet op de geplande aanplant in het weekend van 23 november 2024 zal een gewone schorsingsprocedure geen soelaas meer kunnen bieden, nu de doorlooptijd toch iets langer in beslag neemt.”
VII-42.422-5/8
7. De verwerende partij en de tussenkomende partijen betwisten de urgentie van de vordering.
Beoordeling
8. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook de uitzondering vormen en beperkt blijven tot die gevallen waarbij het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond.
Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Van de verzoekende partij wordt inzonderheid verwacht dat zij aan de hand van precieze en concrete gegevens in haar verzoekschrift aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of haar belangen veilig te stellen.
De voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk onderzocht moet worden. De onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid te aanvaarden.
VII-42.422-6/8
Daarenboven kan de uiterst dringende noodzakelijkheid niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure de verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling uitwerking krijgt. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is.
9. De uiteenzetting van de verzoeksters gaat uit van de foutieve premisse dat in het weekend van 23-24 november 2024 een aanplanting zal worden uitgevoerd die “onmiddellijk een bos op zichzelf [zal] vormen” waardoor het “open zicht […] onherroepelijk [zal] komen te verdwijnen”.
In de vergunningsaanvraag die tot de bestreden vergunningsbeslissing heeft geleid wordt over het uit te voeren beplantingsplan verduidelijkt dat:
– de aangeplante bomen inheems zijn;
– “2-jarig met hoogte 80-120 cm”;
– op een “gemiddelde plantafstand 2 meter op 2 meter”.
Het spreekt voor zich dat de visuele impact van een pas aangeplant zeer jong “bos” ernstig genuanceerd moet worden. Voorts valt ook niet in te zien waarom de voorgenomen bebossing later niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Zelfs indien de uitspraak ten gronde moet worden afgewacht na het doorlopen van de annulatieprocedure tegen het bestreden besluit, valt niet te ontkennen dat er op dat ogenblik evenzeer sprake zal zijn van jonge, kleine bomen die relatief eenvoudig verwijderd zullen kunnen worden. Daarenboven valt niet in te zien waarom de aangeplante bomen “na tussenkomst van een gebeurlijk vernietigingsarrest niet meer [zullen] verdwijnen”. In het kader van het te verlenen
VII-42.422-7/8
rechtsherstel na een gebeurlijk vernietigingsarrest waarvan het gezag van gewijsde impliceert dat de gevraagde bebossingsvergunning niet kan worden verleend, dient het betrokken perceel immers in zijn oorspronkelijke toestand van akkerland te worden hersteld.
De verzoeksters tonen bijgevolg niet aan dat de imminente tenuitvoerlegging van de bestreden bebossingsvergunning leidt tot onherroepelijke schadelijke gevolgen.
10. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Peter Sourbron
VII-42.422-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.211
Gerelateerde publicatie(s)
gevolgd door:
ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.900
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...