ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.214

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.214 Rolnummer: A. 238760/IX-10233 Zaak: Arrest 261214 - Varia (onderwijs en cultuur) - 25/10/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-10-29 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-03 16:43 Fiche Arrest nr 261.214 van 25 oktober...

Source officielle

38 min de lecture 8,247 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 25 oktober 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.214

Rolnummer:

A. 238760/IX-10233

Zaak:

Arrest 261214 – Varia (onderwijs en cultuur) – 25/10/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-10-29

Raadplegingen:

100 – laatst gezien 2026-06-03 16:43

Fiche

Arrest nr 261.214 van 25 oktober 2024 Onderwijs en cultuur – Varia (onderwijs
en cultuur) Beslissing : Verwerping

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
IXe KAMER
nr. 261.214 van 25 oktober 2024
in de zaak A. 238.760/IX-10.é
In zake : M.D.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Walter Van Steenbrugge en Judith Vermeulen kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de UNIVERSITEIT GENT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Thomas Fiers kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 25 maart 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de raad van de faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van de Universiteit Gent van 25 januari 2023 met betrekking tot een aangepaste invulling van het opleidingsonderdeel Cultuur- en maatschappijkritiek.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
IX-10.é-1/28
Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 september 2024.
Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Judith Vermeulen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Thomas Fiers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is hoofddocent in de faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie van de Universiteit Gent.
Sinds begin 2022 doceert hij het opleidingsonderdeel Cultuur-
en maatschappijkritiek.
3.2. Begin september 2022 ontvangt de decaan van de faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen reacties van collega’s, studenten en
IX-10.é-2/28
buitenstaanders die hun twijfels uiten over de wetenschappelijke integriteit van uitspraken van verzoeker in de media.
3.3. Op voorstel van de decaan belast de faculteitsraad op 7 september 2022 de opleidingscommissie Psychologie met het screenen van het lesmateriaal van verzoeker. Voorts wordt gewezen op de mogelijkheid om een dossier aanhangig te maken bij de commissie voor wetenschappelijke integriteit (CWI).
3.4. Nadat ook een aantal stafleden van de dienst Intensieve verzorging van het UZ Gent hun verontwaardiging uiten over de boodschap die verzoeker brengt in de media en in zijn boek ‘Psychologie van totalitarisme’, doet de decaan op 3 oktober 2022 bij de CWI een formele melding met betrekking tot mogelijke inbreuken op de wetenschappelijke integriteit.
3.5. In een stopzettingsrapport van 21 november 2022 beslist de CWI
om haar oordeel over de mate waarin verzoeker zich schuldig maakt aan schendingen van de wetenschappelijke integriteit op te schorten.
3.6. Na de screening van het lesmateriaal van verzoeker formuleert de opleidingscommissie Psychologie op 10 januari 2023 het volgende advies aan de faculteitsraad:
“De Opleidingscommissie Psychologie is tot de conclusie gekomen dat de invulling die in het academiejaar 2021-2022 aan het opleidingsonderdeel Cultuur- en Maatschappijkritiek werd gegeven door [verzoeker] eenzijdig is, onvoldoende bijdraagt tot de opleidingscompetenties en bijgevolg niet adequaat is voor een opleidingsonderdeel op bachelorniveau. Tevens heeft ze grote bedenkingen bij het gebruikte handboek, dat het enige lesmateriaal is. Ze stelt voor dat [SV] met onmiddellijke ingang verantwoordelijk lesgever wordt van het opleidingsonderdeel Cultuur- en Maatschappijkritiek.
[Verzoeker] kan als medelesgever betrokken blijven bij het opleidingsonderdeel, maar kan maximaal 50% van de onderwijsactiviteiten (in casu hoorcolleges) verzorgen. Het staat de vakgroep vrij ook andere medelesgevers voor te stellen. De OC vraagt om een bredere invulling van het opleidingsonderdeel, waarbij in overeenstemming met de opleidingscompetenties een ruime waaier van kernbegrippen, theorieën en theoretische referentiekaders aan bod komt. Ze stelt voor dat het voornaamste lesmateriaal bestaat uit een internationaal erkend handboek, of internationaal erkende capita selecta. De Opleidingscommissie stelt voor om
IX-10.é-3/28
het handboek ‘Psychologie van het totalitarisme’ niet meer als lesmateriaal te gebruiken. Eventueel kunnen een beperkt aantal hoofdstukken uit het handboek, na correctie, als bijkomend lesmateriaal worden gebruikt. Zij kunnen in maximaal 30% van de onderwijsactiviteiten aan bod komen. De OC wenst een gedetailleerd overzicht te ontvangen van de correcties vooraleer deze hoofdstukken aan de studenten worden bezorgd. De OC
wenst tevens voor de aanvang van het opleidingsonderdeel door de verantwoordelijk lesgever op de hoogte te worden gesteld van de inhoud en de lesgever van de afzonderlijke hoorcolleges en van het lesmateriaal dat voor het opleidingsonderdeel zal worden gebruikt.”
3.7. Op 25 januari 2023 beslist de faculteitsraad dat het opleidingsonderdeel Cultuur- en maatschappijkritiek een aangepaste invulling krijgt.
Dat is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt:
“Het verslag van de Opleidingscommissie Psychologie (OC) van 10 januari 2023 werd in de voorbereiding toegestuurd aan de leden van de Raad.
Screening van het lesmateriaal van [verzoeker]: conclusie van de ad hoc werkgroep en voorstel van advies aan de faculteitsraad De Decaan doet verslag van het rapport van de Commissie Wetenschappelijke Integriteit en de voorzitter van de OC doet verslag van de werkzaamheden en motiveert het advies van de ad hoc werkgroep. De commissieleden van opleidingscommissie keurden in de OC het advies goed.
Op vraag van de faculteitsraad heeft de opleidingscommissie het lesmateriaal van [verzoeker] voor het vak Cultuur en Maatschappijkritiek geanalyseerd.
Ook de Commissie voor de Wetenschappelijke integriteit van de Universiteit Gent heeft zich over het dossier gebogen.
Tijdens beide onderzoeken werd duidelijk dat [verzoeker] zijn opdracht aan de UGent zelf wenst te reduceren tot 30%. De faculteit is op die vraag ingegaan.
De Commissie voor de Wetenschappelijke Integriteit van de UGent concludeert eind november 2022 dat er slordigheden in het werk van [verzoeker] zitten en dat het deels gebaseerd is op verouderde wetenschap.
Maar de commissie benadrukt eveneens dat het systeem van ‘peer review’, waarbij collega’s openlijk fouten in het werk benoemen, in deze kwestie afdoend zijn werk deed en doet. De commissie besluit dat het finaal aan de faculteit is om het lesmateriaal ten gronde te screenen en tot een besluit te komen over het opleidingsonderdeel.
De conclusie van de commissie Wetenschappelijke integriteit, het screenen van het lesmateriaal door de opleidingscommissie én het deeltijdse vertrek van de professor zorgen voor een aangepaste invulling van het opleidingsonderdeel Cultuur en Maatschappijkritiek, een opleidingsonderdeel dat in het tweede semester van start gaat.
Inhoudelijk zal de focus van het opleidingsonderdeel op een ruimere waaier
IX-10.é-4/28
van kernbegrippen en theoretische referentiekaders komen te liggen. Dit betekent concreet dat het handboek ‘Psychologie van het totalitarisme’ niet als lesmateriaal gebruikt zal worden. Een beperkt aantal hoofdstukken uit het handboek kan, na de nodige correcties, wel als bijkomend lesmateriaal worden gebruikt. De OC benadrukt dat het de verantwoordelijkheid is van [verzoeker] om de nodige correcties aan te brengen in het lesmateriaal conform het advies van de OC en dat het boek ‘Psychologie van het totalitarisme’ niet moet worden aangeschaft door de studenten omdat het geheel de uitkomst is van slechte wetenschap met veel fouten. Correcties in het handboek worden aan [de] opleidingscommissie van de faculteit voorgelegd voor ze aan bod komen in de les.
[Verzoeker] blijft als medelesgever betrokken bij het opleidingsonderdeel en kan 50% van de hoorcolleges verzorgen. Een collega-professor van de vakgroep wordt de verantwoordelijke lesgever.
De Onderwijsdirecteur drukte zijn appreciatie uit voor de werkgroep. Hij heeft de werkzaamheden steeds zelf bijgewoond en benadrukt de kwaliteit van de analyse. Hij bedankt de leden voor hun inzet en geeft gunstig advies.
De Raad besluit unaniem om dit advies te volgen.”
IV. Regelmatigheid van de rechtspleging – nieuwe stukken bij de laatste memorie van verzoeker
Verzoek van de verwerende partij
4. In haar laatste memorie vraagt de verwerende partij om de door verzoeker bij zijn laatste memorie nieuw neergelegde stukken 3 en 5 uit het debat te weren.
Met betrekking tot stuk 3 argumenteert zij dat het negentig bladzijden Engelstalige teksten betreft, zonder vertaling of toelichting, waaromtrent verzoeker in zijn laatste memorie enkel stelt dat het een overzicht bevat van positieve en neutrale reviews van zijn boek ‘Psychologie van het totalitarisme’. Dit wordt echter niet aangetoond en er kan van de verwerende partij, noch van de Raad van State, worden verwacht dat zij deze teksten doornemen om te oordelen of verzoeker hiermee al dan niet een andere wending geeft aan zijn middelen en of het wel daadwerkelijk om positieve en neutrale reviews gaat.
Met betrekking tot stuk 5 stelt de verwerende partij dat het gaat om twee e-mails van verzoeker aan de verwerende partij. Deze e-mails dateren van
IX-10.é-5/28
na de bestreden beslissing en kunnen er dus geen impact op hebben. Bovendien laat verzoeker ook met betrekking tot dit stuk na om toe te lichten wat hij ermee wil bereiken.
Beoordeling
5. In beginsel mag een verzoekende partij die geconfronteerd wordt met een ongunstig auditoraatsverslag, in haar laatste memorie nog argumenten aanhalen en daaraan gerelateerde stukken neerleggen om de Raad van State toch van haar standpunt te overtuigen, mits zij aldus aan haar middelen geen nieuwe inhoud of draagwijdte geeft.
6. Het door verzoeker bij zijn laatste memorie gevoegde stuk 3
bestaat uit een aantal reviews die hij bijbrengt naar aanleiding van de constatering in het auditoraatsverslag dat hij niet aantoont dat er ook positieve en neutrale reviews van zijn boek zouden bestaan.
Met de stelling dat er wel positieve en neutrale reviews van zijn handboek bestaan en het neerleggen van een stuk dat daarvan een overzicht moet geven, dupliceert verzoeker op het auditoraatsverslag zonder daarbij een nieuwe inhoud of draagwijdte te geven aan zijn middelen. Er is dan ook geen reden als zodanig om stuk 3 uit het debat te weren. Mét de verwerende partij wordt wel aangenomen – zoals hierna sub 15.4.2 ook wordt overwogen – dat een loutere verwijzing niet volstaat als bewijsvoering, zodat de Raad zich over de toelaatbaarheid van in het Engels opgestelde documenten niet behoeft uit te spreken.
7. Met stuk 5 beoogt verzoeker het argument uit zijn laatste memorie te staven dat hij met de eis om de fouten en slordigheden te corrigeren opdat hij een aantal hoofdstukken uit zijn boek zou mogen gebruiken als leermateriaal voor “een haast onmogelijke opdracht” wordt gesteld aangezien de faculteit op zijn vraag welke fouten en slordigheden het boek bevat slechts verwijst naar de systematische reviews waarop de CWI steunt, terwijl hij het met een
IX-10.é-6/28
belangrijk deel van die reviews fundamenteel oneens is. Volgens verzoeker blijkt hieruit dat het redelijkheidsbeginsel is miskend.
IX-10.é-7/28
Aangezien het argument waarvoor stuk 5 ter ondersteuning dient hierna wordt verworpen als onontvankelijk, is stuk 5 hoe dan ook niet dienstig en is het verzoek om dit stuk uit het debat te weren zonder voorwerp.
V. Ontvankelijkheid van het beroep
Exceptie van de verwerende partij
8. De verwerende partij werpt op dat verzoeker geen belang heeft bij het beroep.
Zij argumenteert dat verzoeker zijn belang enkel steunt op twee persartikels, die hij bij het verzoekschrift voegt als stukken 6 en 7. Uit die artikels valt echter niet af te leiden dat de bestreden beslissing binnen de academische wereld wordt beschouwd als een sanctie en als een afkeuring van zijn weten-
schappelijke capaciteit, zoals verzoeker beweert. Hoogstens gaat het over aca-
demische vrijheid, maar dat is niet de motivering van de bestreden beslissing. In het als stuk 7 neergelegd artikel wordt ook uitdrukkelijk vermeld dat de CWI tot de conclusie is gekomen dat er geen integriteitsprobleem is en dat verzoeker zich niet schuldig heeft gemaakt aan fraude, vervalsingen of ander wetenschappelijk bedrog en zij daarom niet ingrijpt. Voorts valt ook te lezen dat de decaan stelt dat het niet gaat om een ideologische discussie voor of tegen verzoekers stellingen. Volgens de verwerende partij heeft verzoeker zelf voor de nodige persaandacht gezorgd met zijn optreden in de media. Het is volgens de verwerende partij ook niet correct dat verzoekers boek wordt geschrapt als handboek, aangezien hij nog steeds een aantal hoofdstukken mag gebruiken. De reden hiervoor is dat de inhoud van het boek te eng is voor een bacheloropleidingsonderdeel. Als het volledige handboek wordt onderwezen, is er geen tijd genoeg voor het doceren van de meer algemene theoretische kaders die door de faculteit op advies van de opleidingscommissie zijn bepaald in de doelstellingen voor het opleidingsonderdeel. Een en ander wordt ook toegelicht in het als stuk 6 neergelegd artikel. De verwerende partij is ook van oordeel dat de bestreden beslissing geen verdoken tuchtmaatregel is en zij merkt op dat verzoeker dit ook niet aanvoert als eigenlijk middel. Zij wijst erop dat in het
IX-10.é-8/28
als stuk 6 neergelegd artikel wordt vermeld dat de media-aandacht voor verzoeker juist een positief gegeven is. Zij besluit dat uit geen van beide persartikels blijkt welk belang verzoeker heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing.
Van zijn bewering dat binnen de academische wereld zijn wetenschappelijke capaciteit afkeurend wordt gepercipieerd, legt verzoeker geen enkel bewijs voor.
Hij heeft zelf om de vermindering van zijn aanstellingspercentage gevraagd en hij heeft zelf in de media uitspraken gedaan die wetenschappelijk niet correct zijn, zoals hij achteraf ook heeft toegegeven. Verzoeker vecht ook nergens de reductie aan van zijn aandeel in de hoorcolleges tot 50% voor het opleidingsonderdeel Cultuur- en maatschappijkritiek.
Beoordeling
9. De verwerende partij concipieert de exceptie ten onrechte vanuit het uitgangspunt dat verzoeker zijn belang enkel steunt op twee persartikels.
Verzoeker verwijst naar die twee artikels ter staving van de reputatieschade die hij zou lijden buiten de academische wereld. Hij maakt echter ook gewag van reputatieschade binnen de academische wereld, namelijk de perceptie dat de bestreden beslissing een sanctie is en een afkeuring van zijn wetenschappelijke capaciteit. In het eerste middel voert verzoeker ook aan dat het een verdoken tuchtstraf betreft.
Aangenomen wordt dat de bestreden beslissing waarbij ver-
zoeker wordt vervangen als verantwoordelijk lesgever voor het bedoelde opleidingsonderdeel, waarbij zijn lesopdracht wordt teruggebracht tot 50% van de hoorcolleges van dat opleidingsonderdeel en waarin omtrent zijn boek wordt overwogen dat het “de uitkomst is van slechte wetenschap met veel fouten”
waarvan hoogstens nog een beperkt aantal hoofdstukken “na de nodige correcties”
als bijkomend lesmateriaal mag worden gebruikt, verzoeker minstens een moreel nadeel berokkent. Verzoeker heeft dan ook in elk geval een moreel belang bij het beroep.
10. De exceptie wordt verworpen.
IX-10.é-9/28
VI. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
11. Het eerste middel is genomen uit de schending van de formele-
en de materiëlemotiveringsplicht.
Verzoeker voert aan dat de formelemotiveringsplicht is miskend doordat uit de bestreden beslissing nergens blijkt waarom hij geen verantwoordelijk lesgever kan blijven voor het opleidingsonderdeel Cultuur- en maatschappijkritiek. Een verwijzing naar de voorbereidende stukken – het stopzettingsrapport van de CWI en het advies van de opleidingscommissie Psychologie – volstaat niet aangezien deze stukken zelf niet afdoende zijn gemotiveerd. Er wordt immers niet duidelijk gemaakt waarom hij geen verantwoordelijk lesgever kan blijven, inzonderheid nu hij akkoord is gegaan met de aanpassing van het leermateriaal.
Voorts acht verzoeker de materiëlemotiveringsplicht geschonden doordat de feitelijke juistheid van twee motieven – dat hij zelf vragende partij zou zijn voor vervanging en dat zijn boek het resultaat is van slechte wetenschap – niet vaststaat. Verzoeker benadrukt dat hij verantwoordelijk lesgever wil blijven. Voorts is hij van oordeel dat de screening van het leermateriaal – en dus de evaluatie van zijn boek – op zijn minst eenzijdig is gebeurd. In dit verband argumenteert verzoeker dat de opleidingscommissie Psychologie in haar beoordeling rekening heeft gehouden met de kritiek die de CWI heeft geformuleerd op zijn boek. De CWI steunt voor haar verslag enkel op recensies die zeer negatief zijn, waaronder de review van NG. Nochtans bestaan er ook tientallen positieve en neutrale recensies. De review van NG is de oudste en lijkt een belangrijke inspiratiebron te zijn geweest voor latere recensies. Verzoeker heeft echter een review gemaakt van de review van NG en daaruit blijkt dat veel
IX-10.é-10/28
van de kritieken van NG te weerleggen zijn. De juistheid ervan staat dan ook allerminst vast. Verzoeker merkt op dat het onvermijdelijk is dat academici onderling van mening verschillen; meer nog, zij genieten academische vrijheid op grond waarvan zij het recht hebben om onafhankelijk te denken. Het vereisen van correcties voordat een beperkt aantal hoofdstukken uit het boek gebruikt mag worden als bijkomend leermateriaal staat daar volgens verzoeker haaks op. Hij merkt daarbij op dat zijn boek door vijf proeflezers is nagelezen op fouten. Dat zijn boek dan als lesmateriaal wordt verboden tenzij de nodige correcties worden doorgevoerd, is in die zin een bijzonder verregaande maatregel, die hij desondanks en weliswaar onder bepaalde voorwaarden toch bereid is te aanvaarden. Volgens verzoeker is de bestreden beslissing allesbehalve consistent met de wijze waarop de universiteit eerder heeft gehandeld, te meer daar de studentenevaluaties van 2021-2022 voor het opleidingsonderdeel over het algemeen positief tot zeer positief waren. Een verantwoordelijk lesgever die zoveel lovende feedback ontvangt, wordt normaal gesproken niet zomaar, samen met zijn onderzoek, aan de kant geschoven. Zodoende ontstaat de indruk dat er mogelijk een verborgen motief bestaat dat heeft geleid tot de bestreden beslissing. Meer bepaald lijkt het erop dat ideologische overwegingen hebben meegespeeld en dat verzoekers stellingen te veel ingingen tegen de heersende opinie binnen de faculteit. De decaan heeft in de pers verklaard dat het niet om ideologie gaat, maar om schendingen van de wetenschappelijke integriteit. Aangezien dit lijnrecht ingaat tegen de bevindingen van de CWI is de verklaring van de decaan volgens verzoeker compleet ongeloofwaardig en leeft de perceptie dat het gaat om een verdoken tuchtstraf, die niet kan worden opgelegd omdat daar geen grond voor is.
12. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat de motieven van de bestreden beslissing niet verantwoorden waarom hij geen verantwoordelijk lesgever voor het opleidingsonderdeel Cultuur- en maatschappijkritiek kan blijven. Het motief dat hij zelf om een reductie van zijn aanstellingspercentage heeft verzocht, staat volgens verzoeker volledig los van de vermindering van zijn lesopdracht, zeker in dit concrete geval waarin hij zijn onderzoeksopdracht aan de universiteit wou beperken maar zijn lesopdracht koste wat kost wil behouden. Hij heeft dit ook te kennen gegeven aan de faculteitsraad
IX-10.é-11/28
zodat de vraag tot een vermindering van zijn aanstellingspercentage niet kan worden aangegrepen voor een beperking van zijn lesopdracht. Wat het motief betreft dat het opleidingsonderdeel te eng en enkel aan de hand van zijn boek zou zijn ingevuld, ontkent verzoeker dat hij niet bereid zou zijn geweest om het vak ruimer in te vullen. Verzoeker stelt dat hij wel degelijk bereid was om een basishandboek te doceren gevolgd door enkele capita selecta van zijn eigen boek.
De verwerende partij tracht hem nu alsnog een niet-constructieve houding te verwijten. Een dergelijk ondeugdelijk motief kan de beslissing om hem als verantwoordelijk lesgever te vervangen niet verantwoorden en volstaat dan ook niet in het licht van de formelemotiveringsplicht.
Over de aangevoerde schending van de materiëlemotiveringsplicht, benadrukt verzoeker dat hij geen vragende partij was om als verantwoordelijk lesgever te worden vervangen ondanks het feit dat hij om een vermindering van zijn aanstellingspercentage heeft verzocht. Het één volgt ook niet logisch uit het ander. In de bestreden beslissing wordt daar echter wel op gezinspeeld en nu de verwerende partij niet verduidelijkt welke redenering achter dit motief schuilgaat, blijft verzoeker van oordeel dat het een onjuiste feitelijke aanname betreft.
Met betrekking tot zijn stelling dat het niet vaststaat dat zijn boek het resultaat is van slechte wetenschap, stelt verzoeker dat de verwerende partij zijn argumentatie inhoudelijk niet betwist. Het enige tegenargument dat zij opwerpt, is dat hij zelf zou toegeven dat zijn boek correcties vergt aangezien hij in het verzoekschrift stelt dat “hij akkoord ging met de voorgestelde aanpassing van het leermateriaal”. Verzoeker verduidelijkt dat hij daarmee enkel doelt op hetgeen hij aan de ad hoc werkgroep heeft meegedeeld tijdens het gesprek van midden 2022, namelijk dat hij akkoord was eerst een handboek te doceren alvorens over te gaan tot het onderwijzen van (delen van) zijn boek. De zinsnede heeft dus geen betrekking op de in de besteden beslissing opgelegde aanpassing. Verzoeker merkt ook op dat de verwerende partij tot op vandaag weigert om hem een lijst te bezorgen met zogenaamde fouten of slordigheden. Tot slot wijst verzoeker erop dat het citaat van de decaan waarnaar hij in het verzoekschrift verwijst te lezen is in
IX-10.é-12/28
stuk 7 (en niet in stuk 9 zoals hij verkeerdelijk vermeldt). Hoewel het bewuste artikel dateert van 8 februari 2023 – en dus van maanden na het stopzettingsrapport van de CWI – stelt de decaan onomwonden dat er wel problemen zijn vastgesteld op het vlak van de wetenschappelijke integriteit, hetgeen een klinkklare leugen is.
Dit haalt de geloofwaardigheid onderuit van haar hele verklaring, ook van het feit dat dat de bestreden beslissing niet steunt op ideologische overwegingen.
Verzoeker blijft dan ook bij zijn standpunt dat de bestreden beslissing mogelijk wel gemotiveerd is vanuit een dergelijk verborgen motief.
13. In het kader van de aangevoerde schending van de materiëlemotiveringsplicht, meer bepaald inzake de juistheid van het motief dat zijn boek het resultaat is van slechte wetenschap, voegt verzoeker bij zijn laatste memorie een overzicht van positieve en neutrale reviews van zijn boek. Hij stelt dat aangezien bij de screening van zijn boek geen rekening is gehouden met het bestaan van die reviews, het duidelijk is dat de screening eenzijdig is gebeurd. Er is enkel rekening gehouden met zeer negatieve recensies, in het bijzonder de bespreking door NG. De op die eenzijdige screening gesteunde aanname dat zijn boek het resultaat is van slechte wetenschap kan dus bezwaarlijk als feitelijk juist worden beschouwd.
Beoordeling
14.1. Verzoeker voert de schending aan van de formelemotiveringsplicht doordat uit de bestreden beslissing niet blijkt waarom hij geen verantwoordelijk lesgever kan blijven voor het opleidingsonderdeel.
14.2. De door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991
‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringswet”) voorgeschreven formelemotiveringsplicht moet verzoeker toelaten de concrete redenen te achterhalen die de verwerende partij tot haar beslissing hebben geleid.
IX-10.é-13/28
14.3. De motivering van de bestreden beslissing (aangehaald sub 3.7)
maakt afdoende inzichtelijk waarom de verwerende partij heeft beslist om verzoeker als verantwoordelijk lesgever te vervangen. Vooreerst wordt vermeld dat verzoeker zelf heeft verzocht om zijn aanstellingspercentage te reduceren tot 30%. Voorts wordt overwogen dat het opleidingsonderdeel Cultuur- en maatschappijkritiek een andere inhoudelijke invulling krijgt, waarbij de focus zal komen te liggen op een ruimere waaier van kernbegrippen en theoretische referentiekaders. Verzoekers boek kan daarbij niet meer als lesmateriaal worden gebruikt, hoogstens nog enkele hoofdstukken – na correctie door verzoeker – als bijkomend lesmateriaal. Ten slotte blijkt dat verzoeker ook nog maar 50% van de hoorcolleges zal verzorgen. Het zijn die wijzigingen die de verwerende partij ertoe hebben genoopt verzoeker te vervangen als verantwoordelijk lesgever.
14.4. Aldus blijkt dat de verwerende partij heeft voldaan aan de op haar rustende formelemotiveringsplicht.
15.1. Voorts voert verzoeker de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht doordat de juistheid van twee motieven – dat hij zelf vragende partij zou zijn voor vervanging en dat zijn boek het resultaat is van slechte wetenschap – niet vaststaat.
15.2. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
IX-10.é-14/28
15.3. In tegenstelling tot wat verzoeker beweert, wordt in de bestreden beslissing nergens overwogen dat hij zelf om zijn vervanging als verantwoordelijk lesgever heeft gevraagd. Dat verzoeker daarentegen zelf heeft gevraagd om zijn aanstellingspercentage te reduceren tot 30%, is een motief dat verzoeker als dusdanig niet ontkent. Dat is ook niet het enige motief voor zijn vervanging als verantwoordelijk lesgever. Waar verzoeker aanvoert dat hij wel verantwoordelijk lesgever had willen blijven (ondanks zijn vraag om zijn aanstellingspercentage te reduceren), kan worden opgemerkt dat – zoals de verwerende partij terecht stelt –
er geen recht bestaat om aan te blijven als verantwoordelijk lesgever. Aangezien het opleidingsonderdeel een andere inhoudelijke invulling krijgt, waarbij verzoeker ook niet langer zijn eigen boek mag doceren – behoudens enkele hoofdstukken, na correctie – maar een basishandboek en hij nog slechts 50% van de hoorcolleges mag verzorgen én aangezien zijn aanstellingspercentage naar 30%
is gereduceerd, is de beslissing om verzoeker te vervangen als verantwoordelijk lesgever van het opleidingsonderdeel geenszins onredelijk. Dat een dergelijke reductie van zijn aanstellingspercentage niet enkel een weerslag heeft op zijn onderzoeksopdracht maar ook op zijn lesopdracht, is niet onredelijk.
15.4.1. Voorts voert verzoeker aan dat het niet vaststaat dat zijn boek het resultaat is van slechte wetenschap aangezien de screening van zijn boek door de CWI eenzijdig is gebeurd, waarbij enkel rekening is gehouden met zeer negatieve recensies, in het bijzonder die van NG. Nochtans bestaan er ook tal van positieve en neutrale recensies en verzoeker heeft een bespreking gemaakt van de recensie van NG waaruit blijkt dat veel van diens kritieken te weerleggen zijn. Dit betoog kan niet slagen.
15.4.2. De CWI heeft de taak om de bij haar gemelde vermeende inbreuken op de wetenschappelijke integriteit te onderzoeken. Naar aanleiding van de klacht dat de manier waarop verzoeker omgaat met wetenschappelijke bevindingen, of met citaten en bronnen, heel slordig is en gemotiveerd is door de selectie van gegevens in functie van een hypothese die voor hem buiten discussie staat, heeft zij verzoekers boek onderzocht. Zij is daarbij tot de volgende bevindingen gekomen:
IX-10.é-15/28
“Zo citeert [verzoeker] in zijn boek een studie die sterke correlaties tussen miskramen en vaccinatie zou aantonen, maar door de auteurs weer is ingetrokken – twee maand voor het boek van [verzoeker] verschenen is (dat lag toen al bij de uitgever).
[Verzoeker] heeft een woord uit J.G. Frazers Totemism and Exogamy verkeerd vertaald (van ‘speared’ naar ‘op een staak gespietst’); hij heeft ‘feiten’ vermeld door Hannah Arendt en Claude Lévi-Strauss die fout waren voor waar overgenomen; hij heeft de resultaten van de Asch-experimenten selectief want onvolledig weergegeven; hij heeft foute gegevens van Solzjenytsin over de bolsjewieken voor waar aangenomen; hij heeft de (naar de critici zelf aangeven vrij vaak voorkomende) fabel dat de Fibonacci-spiraal voorkomt in de natuur onderschreven; hij heeft onzin overgenomen over de (betekenis van de) kwantumfysica, hij heeft een mening van Niels Bohr over de wetenschappen vertekend door een woordje weg te laten in zijn uitspraak; hij heeft het verhaal over oma Laura Schutz die een auto heeft opgeheven om haar kleinkind te bevrijden van onder de wielen voor waar aangenomen; hij heeft psychoanalytische wartaal gebruikt, etc.
Op elk van die zaken ingaan zou te ver leiden. Maar onzin over kwantumfysica komt wel vaker voor in geschriften van fysica-leken, en het is ook moeilijk om weten welke ‘feiten’ vermeld door anderen in realiteit ook feiten zijn. Het is juist dat [verzoeker] beter wat kritischer was geweest.
Hij geeft dat ook toe in zijn Doorbraak-verweer. [Verzoeker] merkt daar op dat iedereen uiteindelijk afhangt van hearsay (of readings) van derden en dus (vrij vertaald) niet kan weten welke onwaarheden hij voor waar houdt. Maar het is natuurlijk wel de taak van wetenschappers om de juiste bronnen van valse bronnen te proberen onderscheiden of minstens aan te geven waar twijfel heerst.
Daar tegenover staat dat dat [verzoeker] het opstapelen van methodische fouten zelf tot methode lijkt te hebben verheven. Als je weet wie Solzjenytsin is, weet je meteen dat je zijn uitspraken over de wandaden van Russische communisten best controleert. [Verzoeker] is systematisch op zijn minst slordig. Dat blijkt ook uit de review van [verzoekers] boek door [NG]
(Tufts University School of Medicine). Hij gaat in op de statistische claims die [verzoeker] daar maakt. De visie van [verzoeker] op statistiek zou ‘simplistically false’ zijn, zijn visie op de hedendaagse wetenschappen hopeloos verouderd en blijven haken aan een 19de-eeuws beeld van de zelfingenomen wetenschap. Wat het eerste betreft geeft hij het voorbeeld van de manier waarop [verzoeker] het bekende artikel van John Ioannidis (2005), Why most published research findings are false, (bijlage 5 en 6) citeert.
Volgens [verzoeker] zou het aantonen dat 85% van de vaccinatiestudies vals zijn, terwijl het artikel van Ioannidis alleen gaat over observationele studies, die de confounding factors niet controleren en daardoor vaak vals blijken. Bij gerandomiseerde studies, waarop de ontwikkeling van vaccins berust, is volgens Ioannidis 85 tot 90 % van de resultaten juist.
Ook de literatuur waarop [verzoeker] zich baseert voor zijn uitspraken over sociale en groepspsychologie, met name Gustave Le Bon (La psychologie des foules, 1895), is hopeloos verouderd. Een eenvoudige kijk in Google Scholar, zo [NG], had [verzoeker] de weg gewezen naar degelijke en actuele
IX-10.é-16/28
benaderingen. [NG] meent dat [verzoeker] een ‘postmodern extremist’ is, die wetenschappelijk waarheidsstreven houdt voor geweldpleging en de installatie van idolatrie. Wetenschap en Verlichting zouden samen leiden tot totalitarisme.
Kortom, [verzoekers] beweringen (‘theorieën) zijn wetenschappelijk gesproken slecht gestaafd of fout geconstrueerd. Dat geldt in het bijzonder ook voor enkele centrale begrippen die hij hanteert, zoals ‘mass formation psychosis’ (dixit [NG]). Dat maakt van het werk van [verzoeker] alvast slechte wetenschap.”
De CWI steunt deze beoordeling van verzoekers boek niet enkel op negatieve recensies, in het bijzonder die van NG. Blijkens haar rapport heeft de CWI bij haar analyse rekening gehouden met teksten van GM, CB, MB, EV en van PvE en PZ die bij de melding zijn gevoegd. Voorts heeft de CWI rekening gehouden met “een reply van [verzoeker] op de bezorgde documenten”. Tot slot heeft de CWI ook kennis genomen van “de review door een aantal vakspecialisten in de psychiatrie, psychologie, de Hannah Arendt en de totalitarisme-studies van het boek van [verzoeker] en van de conclusies gepubliceerd door die groep”. Aldus blijkt dat de screening door de CWI niet eenzijdig is gebeurd.
Verzoeker gaat er ook aan voorbij dat de eigenlijke screening van zijn lesmateriaal – waaronder zijn boek – is gebeurd door een werkgroep ad hoc van de opleidingscommissie Psychologie. Die werkgroep heeft autonoom alle lesmaterialen en toetsings- en evaluatiematerialen van het opleidingsonderdeel geanalyseerd volgens het principe van constructive alignment en onderzocht of ze in overeenstemming zijn met de studiefiche en in welke mate ze bijdragen aan de door verzoeker aangeduide opleidingscompetenties voor de bachelor psychologie.
Daarbij is verzoeker ook uitgebreid gehoord. Op grond daarvan is de opleidingscommissie onder meer tot de conclusie gekomen dat “ze grote bedenkingen [heeft] bij het gebruikte handboek”, dat het “niet meer als lesmateriaal” kan worden gebruikt en dat eventueel “een beperkt aantal hoofdstukken uit het handboek, na correctie, als bijkomend lesmateriaal [kunnen]
worden gebruikt”.
Met een loutere verwijzing naar het bestaan van positieve en neutrale recensies van zijn boek – zonder meer – en naar een door verzoeker zelf opgestelde bespreking – die dus bezwaarlijk neutraal kan worden genoemd – van
IX-10.é-17/28
de recensie van NG van zijn boek waarin verzoeker naar eigen zeggen de meeste van diens kritieken heeft weerlegd, toont verzoeker nog niet aan dat de beoordeling van zijn boek door de CWI en de opleidingscommissie en de conclusie in de bestreden beslissing dat het “de uitkomst is van slechte wetenschap met veel fouten” onjuist is.
15.4.3. Een schending van de materiëlemotiveringsplicht is niet aangetoond.
16.1. Verzoeker voert tot slot nog aan dat er mogelijk een verborgen motief bestaat dat heeft geleid tot de bestreden beslissing. Meer bepaald betoogt hij dat er ideologische overwegingen hebben meegespeeld. Hij argumenteert ook dat zijn stellingen te veel ingingen tegen de heersende opinie binnen de faculteit. De perceptie leeft volgens hem dat het gaat over een verdoken tuchtstraf.
In dit verband moet worden opgemerkt dat het aan een verzoekende partij toevalt om het voor de Raad van State geloofwaardig te maken dat aan een maatregel die zich niet naar de vorm als een tuchtmaatregel presenteert, niettemin een disciplinaire bedoeling ten grondslag ligt, zodat – ondanks de schijn van het tegendeel – hij een verdoken tuchtmaatregel is, omdat uit de omstandigheden moet worden afgeleid dat het determinerende, maar niet uitgedrukte motief van de maatregel is haar te bestraffen.
Tot het bestaan van een dergelijke niet-veruitwendigde bedoeling mag niet worden besloten op grond van louter subjectieve gevoelens van het getroffen personeelslid. Integendeel dient hij met verwijzing naar concrete omstandigheden aannemelijk te maken dat het determinerende, maar niet uitgedrukte motief van de maatregel erin bestaat hem te bestraffen. De Raad van State onderzoekt vervolgens of het geheel van de gegevens, dat hem aldus is voorgelegd, in hun samenhang bekeken, in redelijkheid het besluit rechtvaardigt dat de bestraffing het dragende motief van de genomen beslissing is.
IX-10.é-18/28
16.2. Zoals hiervóór reeds is uiteengezet, besluit de verwerende partij tot een aangepaste invulling van het opleidingsonderdeel Cultuur- en maatschappijkritiek omwille van eensdeels een inhoudelijke wijziging van het opleidingsonderdeel waarbij de focus zal liggen op een ruimere waaier van kernbegrippen en theoretische referentiekaders en anderdeels het deeltijds vertrek van verzoeker.
Noch uit de formulering van de bestreden beslissing, noch uit de stukken van het administratief dossier, blijkt dat ook maar enige bestraffende intentie in hoofde van de verwerende partij kan worden vastgesteld. Terecht merkt de verwerende partij op dat de bestreden beslissing volledig losstaat van de (positieve) studentenevaluaties. Anders dan verzoeker betoogt, wordt hij ook niet aan de kant geschoven. Hij mag nog steeds 50% van de hoorcolleges van het opleidingsonderdeel verzorgen en de verwerende partij wijst er ook op dat verzoeker nog twee andere opleidingsonderdelen doceert, hetgeen hij niet betwist.
Uit het door verzoeker voorgelegde persartikel van 8 februari 2023 blijkt ten slotte evenmin een bestraffende intentie bij het nemen van de bestreden beslissing.
17. Het eerste middel is ongegrond.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
18. Het tweede middel is genomen uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel door het eenzijdig screenen van verzoekers boek, het schijnbaar doelbewust buiten beschouwing laten van de vele positieve studentenevaluaties uit 2021-2022 en de weigering van de opleidingscommissie Psychologie om de lesopnames bij de screening van het lesmateriaal te betrekken.
Verzoeker voert aan dat de weigering om de lesopnames te betrekken bij de screening van het lesmateriaal impliceert dat is beslist hem als verantwoordelijk lesgever te vervangen zonder dat zijn lesgeven aan een analyse is
IX-10.é-19/28
onderworpen. Nochtans doen de studentenevaluaties vermoeden dat het bekijken van de lesopnames duidelijk zou maken welk doel hij als verantwoordelijk lesgever voor ogen had, namelijk het aanzetten van studenten tot het vormen van een eigen mening en niet het opdringen van de zijne. Bovendien heeft de opleidingscommissie de lesopnames eerst uitdrukkelijk opgevraagd, zodat het weinig geloofwaardig is dat zij naderhand plots zou hebben gevreesd dat het bekijken ervan ertoe zou leiden dat lesgevers hun lessen niet meer zouden willen opnemen. Volgens verzoeker is er derhalve geen zorgvuldige afweging van de in het geding zijnde gegevens gebeurd aangezien een deel ervan – de positieve en de neutrale reviews van het boek, de vele positieve tot zeer positieve studentenevaluaties en de lesopnames – zonder meer buiten beschouwing is gelaten. Evenmin is er een zorgvuldige afweging van de in het geding zijnde belangen gebeurd. Minstens een deel van de toekomstige studenten is de mogelijkheid ontnomen om van hem les te krijgen en zodoende een boeiend leerproces door te maken. Ook verzoekers belangen zijn niet in overweging genomen, terwijl hem nochtans allerminst een niet-constructieve houding kan worden verweten. Hij heeft zich immers tegenover de opleidingscommissie Psychologie in december 2022 bereid verklaard om een basishandboek te doceren alvorens de inhoud van zijn eigen boek te onderwijzen.
19. In de memorie van wederantwoord merkt verzoeker op dat de verwerende partij niet antwoordt op zijn argument dat de bestreden beslissing niet steunt op een zorgvuldige gegevens- en belangenafweging.
Wat betreft het argument van de verwerende partij aangaande de processuele zorgvuldigheid (vorm) die aan de bestreden beslissing voorafgaat, stelt verzoeker dat dit niet noodzakelijkerwijze betekent dat de voorbereiding an sich zorgvuldig (inhoud) is gebeurd. In casu is dit niet het geval. De verwerende partij geeft immers toe dat geen rekening is gehouden met de positieve studentenevaluaties. Onder het mom van haar discretionaire bevoegdheid verwijst zij de studentenevaluaties zonder meer naar de prullenbak, terwijl ze ontegensprekelijk positief tot zeer positief zijn. Wat betreft de vraag waarom de lesopnames niet zijn bekeken, herhaalt de verwerende partij volgens verzoeker
IX-10.é-20/28
slechts wat in het verslag van de opleidingscommissie staat vermeld. Hij herhaalt dat de studentenevaluaties juist doen vermoeden dat de opnames duidelijk zouden maken welk doel hij als verantwoordelijk lesgever van het opleidingsonderdeel Cultuur-en maatschappijkritiek voor ogen had, namelijk het aanzetten van studenten tot het vormen van een eigen mening. Verzoeker blijft ten slotte bij zijn standpunt dat de bestreden beslissing ook onzorgvuldig is voorbereid door de eenzijdige screening van het leermateriaal.
20. In zijn laatste memorie verwijst verzoeker naar het overzicht van positieve en neutrale reviews van zijn boek waaruit volgens hem blijkt dat er wel sprake is van een eenzijdige screening.
Voorts stelt verzoeker dat de lesopnames integraal deel uitmaken van het leermateriaal en dat er geen correct beeld van het leermateriaal kan worden verkregen zonder het bekijken ervan. Er anders over oordelen zou volgens verzoeker erop neerkomen dat de lessen aan de universiteit Gent irrelevant zijn. Hij benadrukt dat het daarbij niet gaat om zijn manier van lesgeven, maar wel om de inhoud ervan. Nu het bestaande lesmateriaal slechts gedeeltelijk is gescreend, kan de beslissing om het leermateriaal aan te passen bezwaarlijk als zorgvuldig voorbereid worden beschouwd. Verzoeker besluit dat hij de indruk heeft dat de faculteitsraad doelbewust nuttige gegevens – de positieve en neutrale reviews van zijn boek en de lesopnames – buiten beschouwing heeft gelaten zodat hij zijn beslissing eenvoudiger zou kunnen motiveren.
Beoordeling
21. Uit de beoordeling van het eerste middel is reeds gebleken dat de screening van verzoekers boek niet eenzijdig is gebeurd. Er kan dan ook geen onzorgvuldigheid in worden ontwaard.
22. Voorts stelt verzoeker ten onrechte dat de studentenevaluaties buiten beschouwing zijn gelaten. De opleidingscommissie vermeldt in haar verslag immers:
IX-10.é-21/28
“De OC analyseerde in eerste instantie de evaluaties door studenten in de vorm van de vakfeedback en bekeek zowel de kwantitatieve gegevens op groepsniveau als de opmerkingen van individuele studenten voor alle opleidingsonderdelen waarvan [verzoeker] het voorbije academiejaar verantwoordelijk lesgever was. Op basis van de analyse besloot de OC in haar vergadering van 27 oktober 2022 om zich verder te focussen op het opleidingsonderdeel Cultuur- en maatschappijkritiek.”
Zoals uit de beoordeling van het eerste middel blijkt, is de aangepaste invulling van het opleidingsonderdeel het resultaat van het deeltijds vertrek van verzoeker en van de inhoudelijke gewijzigde invulling van het opleidingsonderdeel, meer bepaald komt er een bredere invulling van het opleidingsonderdeel waarbij in overeenstemming met de opleidingscompetenties een ruimere waaier van kernbegrippen, theorieën en theoretische referentiekaders aan bod zal komen. Nergens blijkt dat de manier van lesgeven van verzoeker ter discussie staat. Het kan dan ook niet als onzorgvuldig worden beschouwd dat niet de focus wordt gelegd op de studentenevaluaties.
23. Om die reden zijn ook de lesopnames niet relevant of zoals in het verslag van de opleidingscommissie wordt verwoord “[o]mdat er in de studentenevaluaties geen aanleiding toe was”.
24. Dat er geen zorgvuldige afweging is gebeurd van alle in het geding zijnde belangen, kan evenmin worden aangenomen.
Voor zover verzoeker verwijst naar de belangen van de toekomstige studenten die de mogelijkheid worden ontnomen om van hem les te krijgen gaat hij eraan voorbij dat hij nog steeds 50% van de hoorcolleges mag verzorgen en zodoende studenten kan “aanzetten tot het vormen van een eigen mening”. De verwerende partij wijst er overigens in dit verband terecht op dat verzoeker nog twee andere opleidingsonderdelen mag doceren.
Voorts houdt de bestreden beslissing ook rekening met verzoekers belangen. Naast het feit dat hij nog 50% van de hoorcolleges mag
IX-10.é-22/28
verzorgen, mag hij, weliswaar na correctie, nog een aantal hoofdstukken uit zijn boek ‘Psychologie van het totalitarisme’ doceren.
Dat verzoeker geen niet-constructieve houding kan worden verweten aangezien hij zich bereid heeft verklaard om eerst een basishandboek te doceren, maakt niet dat het onzorgvuldig is van de verwerende partij om het opleidingsonderdeel Cultuur-en maatschappijkritiek anders in te vullen.
25. Het tweede middel is ongegrond.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
26. Het derde middel is genomen uit de schending van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel.
Verzoeker voert aan dat de studentenevaluaties 2021-2022 een over het algemeen positief beeld van het opleidingsonderdeel schetsen. Uit de bevraging blijkt dat de studenten gemiddeld tevreden tot zeer tevreden waren over het lesmateriaal (3.7/5) en verzoeker als lesgever (4.1/5). Volgens verzoeker tonen die scores aan dat het onredelijk is om zijn boek als lesmateriaal te verbieden en hem als verantwoordelijk lesgever te vervangen. De open commentaren schetsen naar het oordeel van verzoeker een enigszins genuanceerder beeld: een deel van de studenten was uitermate lovend, terwijl een ander deel de leer- en lesinhouden als te eenzijdig heeft beoordeeld. Dat de studenten er verschillende meningen op na houden, kan volgens verzoeker in een academische context bezwaarlijk als een negatief element worden gezien en dit geldt des te meer voor een universiteit die het principe ‘Durf Denken’ als slogan hanteert. Verzoeker erkent dat de kritische commentaren van studenten wel een gesprek met de verantwoordelijke lesgever verantwoorden en hij merkt op dat hij tijdens een gesprek met de opleidingscommissie zich ook bereid heeft getoond een wijziging aan het lesmateriaal door te voeren en in eerste instantie een basishandboek in plaats van
IX-10.é-23/28
zijn boek te doceren. Volgens verzoeker had die aanpassing van het lesmateriaal kunnen volstaan en is de bestreden beslissing onevenredig aangezien een minder beperkende oplossing mogelijk was.
27. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat hij in het middel heeft aangevoerd dat de beslissing onevenredig of disproportioneel is in het licht van het feit dat veel studenten hem als lesgever en zijn lesmateriaal (zeer) positief evalueren. Volgens verzoeker biedt de verwerende partij daarop geen antwoord en al evenmin op zijn argument dat het niet nodig was om hem zijn functie als verantwoordelijk lesgever te ontnemen aangezien hij bereid was om eerst een basishandboek te doceren alvorens enkele hoofdstukken uit zijn boek te onderwijzen. In zoverre hij slechts na correctie enkele hoofdstukken van zijn boek mag doceren, merkt verzoeker op dat hij de verwerende partij om een lijst heeft gevraagd van de zogenaamde fouten en slordigheden uit zijn boek. Aangezien hij zich niet kan vinden in de kritiek uit het stopzettingsrapport van de CWI en deze zelfs weerlegt, is hij niet in de mogelijkheid om zonder een dergelijke lijst correcties door te voeren. Als die lijst uitblijft, kan verzoeker naar eigen zeggen niet anders dan concluderen dat een dergelijke lijst niet kan worden opgesteld wegens gebrek aan redenen daartoe.
28. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat de beslissing om zijn boek niet meer als lesmateriaal te gebruiken tenzij de nodige correcties worden doorgevoerd onredelijk is om de volgende redenen.
– Het betreft een bijzonder verregaande maatregel, zeker gelet op het feit dat het boek voor publicatie is nagelezen op fouten door vijf proeflezers, iets wat zeker niet geldt voor veel ander leermateriaal dat binnen de universiteit wordt gebruikt.
Bovendien hebben de studenten zijn boek positief geëvalueerd met een gemiddelde score van 3.7/5.
– Verzoeker heeft vergeefs getracht van de verwerende partij te weten te komen welke fouten en slordigheden hij diende te corrigeren. De faculteit heeft daarop in algemene termen verwezen naar de systematische reviews waarop de CWI steunt.
Dit plaatst verzoeker voor een onmogelijke opdracht, niet het minst omdat hij het met een belangrijk deel van die reviews fundamenteel oneens is. Een en ander
IX-10.é-24/28
neemt niet weg dat hij wel degelijk bereid was om de nodige aanpassingen aan zijn boek te doen zodat hij een aantal hoofdstukken verder als leermateriaal zou kunnen gebruiken. Daarnaast is hij ook akkoord gegaan om eerst een basishandboek te doceren.
Voorts acht verzoeker ook de beslissing om hem als verantwoordelijk lesgever te vervangen onredelijk om de volgende redenen.
– Verzoeker is in december 2022 tijdens een gesprek met de decaan en de werkgroep ad hoc binnen de opleidingscommissie Psychologie akkoord gegaan met de inhoudelijke wijziging van het opleidingsonderdeel en de daartoe noodzakelijke wijziging van het leermateriaal, ondanks het feit dat die wijziging op zich reeds onredelijk is in de mate dat hij nog slechts enkele hoofdstukken van zijn boek mag gebruiken als leermateriaal indien de nodige correcties worden doorgevoerd.
– Verzoeker was absoluut vragende partij om aan te blijven als verantwoordelijk lesgever voor het opleidingsonderdeel, reden waarom hij ook bereid was om de voorgestelde wijziging van het leermateriaal door te voeren.
– De studenten hebben verzoeker als lesgever zeer positief geëvalueerd met een gemiddelde score van 4.1/5.
Verzoeker is van oordeel dat geen enkele andere redelijke administratieve overheid een geëngageerde en door veel studenten gewaardeerde verantwoordelijk lesgever, die zich bereid heeft verklaard een door die overheid noodzakelijk geachte inhoudelijke wijziging van het opleidingsonderdeel door te voeren, zou vervangen zodat die precieze inhoudelijke wijziging van het opleidingsonderdeel zou kunnen worden bewerkstelligd en omdat zijn aanstellingspercentage op zijn vraag is gereduceerd.
Beoordeling
29. In het verzoekschrift acht verzoeker de bestreden beslissing in strijd met het redelijkheidsbeginsel omdat, eensdeels, heel wat studenten zowel hem als zijn leermateriaal positief hebben geëvalueerd en, anderdeels, hij bereid
IX-10.é-25/28
was een wijziging aan het leermateriaal door te voeren zodat het niet nodig was om hem als verantwoordelijk lesgever te vervangen.
In zijn laatste memorie licht verzoeker de schending van het redelijkheidsbeginsel ook toe vanuit het feit dat vijf proeflezers zijn boek op fouten hebben nagelezen en vanuit de stelling dat hij door de verwerende partij met haar vraag om de slordigheden en fouten uit zijn boek te verbeteren voor een onmogelijke opdracht wordt geplaatst. Daarmee geeft verzoeker een bijkomende invulling aan het middel. Voor het eerst aangevoerd in de laatste memorie is dit laattijdig. Het middel is in die mate onontvankelijk.
30. Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur – of van het proportionaliteitsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is – veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.
31. Gelet op het deeltijds vertrek van verzoeker en de gewijzigde inhoudelijke invulling van het opleidingsonderdeel waarbij in overeenstemming met de opleidingscompetenties een ruimere waaier van kernbegrippen, theorieën en theoretische referentiekaders aan bod zal komen en waarbij is gebleken dat verzoekers boek niet past binnen die gewijzigde invulling en dat het fouten en slordigheden bevat, is het niet onredelijk dat de verwerende partij beslist om (i)
verzoekers boek niet meer als lesmateriaal te gebruiken tenzij een beperkt aantal hoofdstukken na correctie door verzoeker als bijkomend lesmateriaal, (ii)
verzoeker nog slechts 50% van de hoorcolleges te laten verzorgen en (iii) hem te vervangen als verantwoordelijk lesgever. Dat verzoeker en zijn lesmateriaal positief is beoordeeld tijdens de studentenevaluaties en dat hij zich bereid heeft getoond om eerst een basishandboek te doceren, doet aan die conclusie geen
IX-10.é-26/28
afbreuk. Verzoeker toont niet aan dat het ondenkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot dezelfde beslissing zou komen. Daarbij wordt benadrukt dat verzoeker nog steeds 50% van de hoorcolleges van het opleidingsonderdeel mag verzorgen en nog een aantal hoofdstukken uit zijn boek, na correctie, mag doceren.
32. Het derde middel is ongegrond.
IX-10.é-27/28
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24
euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig oktober tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.
De griffier De voorzitter
Frank Bontinck Geert Van Haegendoren
IX-10.é-28/28

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.214

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.214

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.