ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.263

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.263 Rolnummer: A. 240368/IX-10365 Zaak: Arrest 261263 - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) - 04/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-12 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-03 16:51 Fiche Arrest nr 261.263 van...

Source officielle

20 min de lecture 4,267 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 04 november 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.263

Rolnummer:

A. 240368/IX-10365

Zaak:

Arrest 261263 – Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) – 04/11/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-11-12

Raadplegingen:

92 – laatst gezien 2026-06-03 16:51

Fiche

Arrest nr 261.263 van 4 november 2024 Justitie – Penitentiair recht (met
inbegrip van cassatie) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
IXe KAMER
nr. 261.263 van 4 november 2024
in de zaak A. 240.368/IX-10.365
In zake: het INRICHTINGSHOOFD VAN DE GEVANGENIS VAN
BEVEREN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karine Van Gulck kantoor houdend te 2600 Berchem Deken De Winterstraat 26
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
XXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het cassatieberoep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 25 oktober 2023, strekt tot de nietigverklaring van beslissing BC/22-0277 van de beroepscommissie van de Centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen van 25 september 2023.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij beschikking nr. 15.689 van 18 december 2023 is het cassatie-beroep toelaatbaar verklaard.
De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend.
IX-10.365-1/15
Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 september 2024.
Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Karine Van Gulck, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sven Boullart, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. De beroepscommissie heeft in de bestreden beslissing de volgende samenvatting van de feiten gegeven:
“Op 14 oktober 2022 werd [verweerder in cassatie] gehoord door de directie in het kader van artikel 110 van de Basiswet tot het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel (hierna BVM). Diezelfde dag werd aan [verweerder] een BVM opgelegd, als volgt:
‘X ontnemen of onthouden van voorwerpen: geen scherpe of gevaarlijke voorwerpen toegelaten, gelet op het grote
IX-10.365-2/15
ontvluchtings-gevaar en het risico op het gebruik van extreem geweld. Door het ontnemen van deze voorwerpen wordt voorkomen dat deze voorwerpen gebruikt kunnen worden met oog op overmeestering van derden en ontvluchting.
X uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke of individuele activiteiten: verbod tot deelname aan alle gemeenschappelijke activiteiten omdat contacten met medegedetineerden maximaal beperkt dienen te worden, gelet op de extreme ontvluchtingsdreiging die uitgaat van betrokkene en het daarmee gepaard gaande risico op de aantasting van de fysieke en psychische integriteit van derden omwille van het gebruik van extreme methodes om dit doel te bereiken (o.a. afpersing en intimidatie). Betrokkene behoudt het recht op deelname aan individuele activiteiten, waaronder eredienst op cel, individuele wandeling.
X observatie overdag en tijdens de nacht, met maximale eerbiediging van de nachtrust: gelet op de extreme ontvluchtingsdreiging die van betrokkene uitgaat, is het noodzakelijk om alle 30 minuten te kunnen nagaan dat alles normaal en correct verloopt in zijn cel, om op die manier de veiligheid te verzekeren.
X onderbrenging in een beveiligde cel, zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn: gelet op de extreme ontvluchtingsdreiging die van betrokkene uitgaat, en het daarmee gepaard gaande risico op de aantasting van de fysieke en psychische integriteit van derden, dienen contacten met andere gedetineerden zo maximaal mogelijk vermeden worden. Om deze reden dringt, althans voorlopig in afwachting van verdere evaluatie, een verblijf in de beveiligde cel zich op, gelet op de locatie van deze cel in de gevangenis van Beveren die zich op afstand bevindt van de andere verblijfsruimtes van de gedetineerden zodat ook bij bewegingen maximaal contacten met andere gedetineerden vermeden kan worden.
De gedetineerde die het voorwerp uitmaakt van een dergelijke maatregel, behoudt het recht om deel te nemen aan de in de gevangenis aangeboden activiteiten met betrekking tot de eredienst, vorming, vrijetijdsbesteding, arbeid, evenals het recht op contacten met de buitenwereld via briefwisseling, bezoek en telefoon (de contacten met de diplomatieke of consulaire autoriteiten inbegrepen) voor zover de uitoefening van deze rechten niet onverenigbaar is met de veiligheidsmaatregel.’ De BVM is gemotiveerd als volgt:
‘Gelet op de volgende elementen die kenmerkend zijn aan de gedetineerde, die hem werden uiteengezet op het ogenblik dat hij door de directeur werd gehoord:
Uit politionele informatie blijkt dat er ernstige aanwijzingen bestaan dat [verweerder] aan het hoofd staat van een mondiale criminele groepering die zich voornamelijk bezighoudt met
IX-10.365-3/15
internationale drugtransporten. Deze organisatie lijkt gebruik te maken van extreme (gewelddadige) methodes om hun doel te bereiken (zoals ontvoering, gijzeling, afpersing en intimidatie). De organisatie heeft vertakkingen in alle lagen van de maatschappij (ook bij autoriteiten sensu lato). De politie deelt mee dat niet uitgesloten kan worden, en dit in combinatie met zijn gerechtelijk verleden, dat de criminele organisatie, intern en extern de gevangenis, pogingen zal ondernemen om hem op deze of gene wijze vrij te krijgen.
Gelet op het feit dat de gedetineerde werd gehoord op 14/10/2022
(zie verslag van het horen van de gedetineerde als bijlage)
Gelet op het feit dat deze elementen ernstige aanwijzingen vormen van een gevaar voor de veiligheid:
Op basis van de door de politie meegedeelde informatie wordt vastgesteld dat er ernstige aanwijzingen bestaan van een gevaar voor de veiligheid, waardoor zowel de externe veiligheid (door de extreme ontvluchtingsdreiging die van betrokkene uitgaat), als de interne veiligheid (gelet op de extreme methodes waarvan gewag gemaakt wordt om dit doel te bereiken) in het gedrang is. Het opleggen van preventieve maatregelen is bijgevolg absoluut noodzakelijk om de veiligheid in de gevangenis te kunnen verzekeren. De opstart van een bijzondere veiligheidsmaatregel is noodzakelijk.’ [Verweerder] werd op 19 oktober 2022 gehoord omtrent een eerste verlenging van de BVM. De directie nam de dag nadien een beslissing om de BVM te verlengen. Zowel de inhoud als de motivering was identiek aan de oorspronkelijke BVM, met uitzondering van de volgende passage in de motivering: ‘Uit nieuwe, recente contacten met de politie blijkt dat de extreme ontvluchtingsdreiging nog steeds zeer actueel is’.
[Verweerder] diende een klacht in tegen deze beslissingen.
De klachtencommissie verklaarde de klacht ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond als volgt:
‘- De observatie van [verweerder] om de 30 minuten kan niet plaatsvinden tussen 23u ’s avonds en 7u’s ochtends, tenzij er een concrete aanwijzingen zijn dat er een gevaar is voor ontsnapping of voor de gezondheid van [verweerder];
– Voor zover de beslissingen in concreto tot gevolg hebben dat [verweerder] niet over stromend water in zijn cel beschikt, dat [verweerder] geen (wezenlijke) individuele wandeling heeft, dat de cel van [verweerder] niet voldoet aan een zekere comfortwarmte en [verweerder] niet beschikt over voldoende dekens in zijn cel.’”
Met de thans bestreden beslissing BC/22-0277 van 25
september 2023 verklaart de beroepscommissie het beroep ontvankelijk, maar ongegrond en bevestigt zij de beslissing van de klachtencommissie van Beveren.
IX-10.365-4/15
IX-10.365-5/15
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. Een eerste middel is genomen uit de schending van artikel 149
van de Grondwet dat verzoekster als volgt samenvat:
“1. Artikel 149 GW bepaalt dat elk vonnis met redenen omkleed is.
Deze motiveringsverplichting geldt voor de Beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen die een administratief rechtscollege is.
2. Deze motiveringsverplichting houdt in dat de rechter dient te antwoorden op de argumenten van partijen en zodoende duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen de beslissing te nemen.
3. Verzoekende partij heeft in haar beroepschrift van 1 december 2022
tegen de beslissing van de klachtencommissie van Beveren van 25
november 2022 aangaande het aspect van de individuele wandeling erop gewezen dat de klachtencommissie van Beveren in een eerdere beslissing van 24 november 2020 oordeelde dat een BVM die onder andere bestond uit de maatregelen van individuele wandeling op de wandeling aangesloten op de beveiligde cel (…) niet onredelijk, noch onevenredig was.
In de bestreden beslissing van 25 september 2023 is de Beroepscommissie niet ingegaan op dit argument van het inrichtingshoofd van de gevangenis van Beveren en heeft zij derhalve niet specifiek geantwoord op dit middel dat een afzonderlijke juridische betwisting voert in vergelijking met de overige middelen uit het beroep.
Door dit middel niet te beantwoorden schendt de beslissing van de Beroepscommissie van 25 september 2023 artikel 149 GW.”
In de toelichting bij het middel wijst verzoekster erop in haar beroepschrift in verband met het aspect van de individuele wandeling te hebben verwezen naar een twee jaar eerder genomen beslissing in 2020 van dezelfde klachtencommissie als de thans betrokken klachtencommissie van Beveren, omdat in die beslissing de kwestie van een individuele wandeling in een ruimte aangesloten aan de beveiligde cel aan bod kwam. In die beslissing heeft de klachtencommissie geoordeeld dat de BVM die de individuele wandeling in een
IX-10.365-6/15
ruimte aangesloten op de beveiligde cel oplegde niet onredelijk, noch onevenredig was. Het betreft dezelfde gevangenis en dezelfde infrastructuur, zodat de vergelijking zeer pertinent en relevant is. De beroepscommissie heeft dit argument niet beantwoord. Zij heeft niet gemotiveerd waarom de individuele wandeling in Beveren niet zou volstaan voor een “uur per dag in de buitenlucht”
en niet gemotiveerd waarom er bijgevolg sprake zou zijn van een schending van artikel 113, § 2, eerste lid, 3°, van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (“basiswet”).
Beoordeling
5. Artikel 149 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat elk vonnis met redenen is omkleed, vermeldt een regel die onafscheidbaar is van de opdracht tot berechting van een geschil. Deze regel geldt voor elk rechtscollege en dus ook voor de beroepscommissie.
6. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen.
Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet is nageleefd is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet.
IX-10.365-7/15
Deze jurisdictionele motiveringsplicht houdt ook in dat het rechtscollege expliciet of impliciet moet antwoorden op de middelen van de betrokkene, op zijn minst wanneer die middelen de strekking van zijn beslissing kunnen beïnvloeden, maar worden afgewezen. De motiveringsplicht moet de partijen en de Raad van State toelaten zich ervan te vergewissen of het rechtscollege de voorgelegde gegevens heeft onderzocht en daadwerkelijk op de middelen heeft geantwoord.
De rechterlijke motiveringsplicht houdt niet in dat de bodemrechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel uitmaakt. Uit het geheel van de motieven moet blijken waarom het middel wordt aangenomen of verworpen. Argumenten van een partij kunnen op die wijze ook impliciet worden verworpen, met name wanneer die argumenten strijden met de motieven van het arrest. Het rechtscollege voldoet aan de motiveringsplicht wanneer de motieven de partijen en de Raad van State toelaten te begrijpen waarom de ermee strijdige argumenten niet worden aangenomen.
Het middel dat de schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert, kan slechts ontvankelijk zijn in zoverre het de bestreden beslissing verwijt dat het rechtscollege daarin niet de redenen opgeeft waarop zijn beslissing steunt of niet antwoordt op de middelen die de eiser voor dat rechtscollege heeft aangevoerd. Het middel is daarentegen niet ontvankelijk in zoverre het aanvoert dat de vermelde redenen onjuist of onwettig zijn of dat het rechtscollege de aangevoerde middelen niet afdoende weerlegt.
7. Blijkens de stukken waarop de Raad van State acht kan slaan, heeft verzoekster in haar beroepschrift voor de beroepscommissie het volgende doen gelden:
“Ten tweede vernietigt de klachtencommissie de beslissingen BVM, voor zover de beslissingen in concreto tot gevolg hebben dat [verweerder] niet over stromend water in zijn cel beschikt, dat [verweerder] geen (wezenlijke) individuele wandeling heeft, dat de cel van [verweerder] niet
IX-10.365-8/15
voldoet aan een zekere comfortwarmte en [verweerder] niet beschikt over voldoende dekens in zijn cel.
Wat dit onderdeel van de beslissing betreft, dient in hoofdorde te worden benadrukt dat deze aspecten geen deel uitmaken van de bestreden individuele beslissingen van de directie. Het gaat daarentegen wel om materiële omstandigheden als gevolg van de bestreden beslissingen, die niet onder het toepassingsgebied van het klachtenrecht vallen. De overwegingen van de klachtencommissie hebben betrekking op de infrastructuur van de gevangenis en zijn zaken waarop de directeur bij het nemen van een individuele beslissing geen vat heeft.
Aangaande de bewering inzake de ijskoude temperaturen in zijn cel, kan alleen maar bevestigd worden dat de temperatuur sinds 21 oktober 2022
nooit lager was dan 21,5°C en meestal tussen 22°C en 23°C heeft geschommeld; op de cellen is een constante temperatuur. De temperatuur in de cel werd op 4 november 2022 evenwel met 1 graad verhoogd en aan [verweerder] werd een extra deken op cel gegeven.
De klachtencommissie van Brugge besliste op 22 november 2022[…] dat een klacht van een gedetineerde omdat het op zijn cel ijskoud zou zijn, niet-
ontvankelijk was omdat niet werd aangetoond dat de directie in dezen een geïndividualiseerde beslissing ten aanzien van hem heeft genomen.
De klachtencommissie van Beveren oordeelde eerder in een beslissing van 24 november 2020 dat een BVM, die onder andere bestond uit de maatregelen van individuele wandeling op de wandeling aangesloten op de beveiligde cel en van observatie overdag en tijdens de nacht (om het uur), niet onredelijk, noch onevenredig was.”
8. Over de wandeling antwoordt de beroepscommissie:
“De directie moet er in de uitvoering van het BVM ook op toezien dat de gedetineerde de mogelijkheid heeft om minstens één uur per dag in de buitenlucht te verblijven.[…] Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft eerder al geoordeeld dat het niet voldoet wanneer de buitenruimte maar 2m2 groter is dan de cel, omgeven is door muren van 3
meter hoog en waarbij de toegang tot de open lucht afgesloten is met metalen tralies en een net.[…] In dit dossier had [verweerder] ook slechts toegang tot een beperkte buitenruimte, omgeven door muren van 5 meter hoog en waarbij de open lucht afgesloten was door een plafondrooster en een tl-lamp. Naar analogie van de rechtspraak van het EHRM, besluit de beroepscommissie dat dat niet volstaat voor ‘een uur per dag in de buitenlucht’ en er bijgevolg sprake is van een schending van artikel 113 § 2 3° van de basiswet.”
9. De verwerping van het beroep van verzoekster op het punt van de wandeling steunt op in de beslissing veruiterlijkte motieven.
IX-10.365-9/15
De stelling van verzoekster dat haar verwijzing naar een vroegere beslissing van dezelfde klachtencommissie een “afzonderlijke juridische betwisting” zou vormen, kan niet worden bijgevallen. In het beroepschrift van verzoekster is dit onderdeel opgenomen in één alinea, zonder nadere uitwerking, ter ondersteuning van het middel over stromend water, de individuele wandeling en comfortwarmte. Het cassatiemiddel steunt uitsluitend op het uitblijven van een reactie op een ter ondersteuning van het middel aangevoerd argument, niet op het nalaten van een reactie op het middel zelf. Alleen dit laatste vormt een schending van artikel 149 van de Grondwet.
Voorts kent het Belgisch recht geen precedentenwerking, die de beroepscommissie ertoe zou verplichten aan te geven waarom zij het anders ziet dan in een vorige, zelfs bij veronderstelling rechtens en feitelijk identieke zaak.
De vermelding van een vroegere uitspraak van de beroepscommissie in verzoeksters beroepschrift vormt bijgevolg noch een “afzonderlijke”, noch een “juridische” betwisting.
10. Het middel, dat uitgaat van een andere zienswijze, faalt naar recht.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
11. Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 110, § 1, iuncto artikel 113, § 2, eerste lid, 3°, van de basiswet.
Noch in de memorie van toelichting, noch in de parlementaire stukken is volgens verzoekster een aanwijzing te vinden over de concrete “modaliteiten” en minimale normen waaraan de individuele wandeling moet voldoen. Er werd niet nader gespecificeerd in enig uitvoeringsbesluit aan welke
IX-10.365-10/15
minimum criteria “een uur in de buitenlucht” dient te voldoen noch welke infrastructuur daarvoor dient te worden gebruikt.
De bestreden beslissing stelt dat de directie in de uitvoering van de BVM erop moet toezien dat de gedetineerde de mogelijkheid heeft om minstens één uur per dag in de buitenlucht te verblijven. De bestreden beslissing verwijst op dit punt enkel naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 9 oktober 2008, waarin werd geoordeeld dat de infrastructuur niet voldoet wanneer de buitenruimte maar twee vierkante meter groter is dan de cel, om te besluiten dat de infrastructuur van de gevangenis van Beveren niet volstaat, waarbij de beroepscommissie gewag maakt van een “beperkte buitenruimte”, terwijl in de gevangenis te Beveren de buitenruimte twintig vierkante meter is en de beveiligde cel waar de gedetineerde ten tijde van de bestreden beslissing verbleef tien vierkante meter is.
Door na vergelijking tussen beide situaties te oordelen dat de uitvoering van de individuele wandeling op de binnenplaats aangesloten op de beveiligde cel, waar verweerder verbleef ten tijde van de bestreden beslissing, niet volstaat voor “één uur per dag in de buitenlucht”, geeft de beroepscommissie een foutieve interpretatie aan artikel 113, § 2, eerste lid, 3°, van de basiswet. De bestreden beslissing legt immers enkele strengere normen op waarin de basiswet niet voorziet.
Door deze extra voorwaarden te koppelen aan artikel 113, § 2, eerste lid, 3°, van de basiswet wordt geraakt aan de bevoegdheid van de directeur om een BVM op te leggen die evenredig is aan de dreiging conform artikel 110, § 1, in fine, van de basiswet. De vrijheid van de directeur wordt aan banden gelegd inzake de beoordeling van de aanwezige dreiging en de te nemen BVM.
In de toelichting bij het middel merkt verzoekster nog op dat één van de specifieke redenen die worden aangehaald om een BVM op te leggen het extreme ontvluchtingsgevaar is. Er wordt rekening gehouden met het risico
IX-10.365-11/15
dat verweerder van buitenaf hulp zou krijgen om te ontvluchten. De infrastructuur van de binnenplaats aangesloten op de beveiligde cel is van dien aard dat de risico’s op ontvluchting met hulp van buitenaf worden uitgesloten, precies door de hoge muur (5 meter) en het raster dat op de opening bovenaan ligt. Zij heeft bij het opleggen van de BVM een afweging gemaakt en geoordeeld dat de infrastructuur van de binnenplaats die aangesloten is op de beveiligde cel waar verweerder alsdan verbleef, vereist was op dat ogenblik.
Beoordeling
12. Artikel 110, § 1, van de basiswet luidt:
“Onverminderd de door de Koning te bepalen algemene veiligheidsvoorschriften, kan de directeur, wanneer er ernstige aanwijzingen bestaan van een gevaar voor de orde of de veiligheid, ten aanzien van een gedetineerde bijzondere veiligheidsmaatregelen bevelen.
De bijzondere veiligheidsmaatregel moet evenredig zijn aan de bedreiging en van die aard zijn dat hij ze verhelpt.”
Artikel 113, § 2, eerste lid, inleidende zin en 3°, van de basiswet luidt:
“In de gevallen bepaald in artikel 112, […] 5° [dat is: de onderbrenging in een beveiligde cel, zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn], draagt de directeur er zorg voor dat de gedetineerde:
[…]
3° de mogelijkheid heeft om minstens één uur per dag in de buitenlucht te verblijven.”
13. In de beslissing waartegen beroep is ingesteld bij de beroepscommissie, oordeelt de klachtencommissie:
“De bijzondere veiligheidsmaatregel moet bovendien evenredig zijn aan de bedreiging en moet de bedreiging verhelpen.
De klachtencommissie meent dat de volgende zaken de proportionaliteit en de redelijkheid schenden:
[…]
– Het gegeven dat [verweerder] geen wezenlijke individuele wandeling heeft: de klachtencommissie is van oordeel dat het recht op een dagelijkse
IX-10.365-12/15
individuele wandeling van 1 uur zoals voorzien in artikel 113, § 1, 3°
onvoldoende gewaarborgd is door de vijf meter hoge ommuurde buitenruimte die even groot is als de cel van [verweerder] en waar een TL-lamp in licht voorziet. Het is aan de directie om hiervoor een alternatief te voorzien zodat [verweerder] daadwerkelijk zijn recht op een individuele wandeling kan uitoefenen.”
14. In een niet door verzoekster aangevochten onderdeel van de bestreden uitspraak verwerpt de beroepscommissie de exceptie van onontvankelijkheid van de klacht van de gedetineerde over de individuele wandeling in een buitenruimte die “niet voldoet aan de minimumvereisten voor menswaardige detentie”, “aangezien het zou gaan om materiële omstandigheden die geen beslissing uitmaken van de directie”:
[Artikel 113, § 2, eerste lid, van de basiswet] voorzie[t] expliciet [in] een zorgplicht van de directie in het kader van een bijzondere veiligheidsmaatregel. De verantwoordelijkheid van de directeur verbonden aan een plaatsing in een beveiligde cel in het kader van een bijzondere veiligheidsmaatregel, stopt met andere woorden niet bij de beslissing zelf, maar strekt zich uit tot het volledige verblijf in die cel.
15. De inhoudelijke beoordeling van de opgelegde maatregel door de beroepscommissie is hiervóór sub 8 aangehaald.
16. De beroepscommissie, die besluit dat de in concreto aan de gedetineerde opgelegde maatregel – namelijk in “een beperkte buitenruimte, omgeven door muren van 5 meter hoog en waarbij de open lucht afgesloten was door een plafondrooster en een tl-lamp” – “niet volstaat voor ‘een uur per dag in de buitenlucht’”, voegt geen voorwaarde toe aan de wet. Het oordeel dat de toepassing van de beveiligingsmaatregel gelet op de rechtspraak van het EHRM
in strijd is met de wet – en verzoekster dus tekortschiet in de op haar rustende zorgplicht – voegt geen voorwaarde toe aan de wet, maar is de veruiterlijking van de rechterlijke toetsing, door de bodemrechter, van de uitvoering van de beveiligingsmaatregel waarvan de verantwoordelijkheid aan verzoekster wordt toegerekend.
IX-10.365-13/15
Het middel, geput uit de schending van artikel 113, § 2, eerste lid, 3°, van de basiswet is ongegrond.
17.1. De beroepscommissie, zoals de klachtencommissie vóór haar, oordeelt of “de beslissing [die door of namens de directeur ten aanzien van een gedetineerde genomen werd en] waarover geklaagd is: 1° in strijd is met een in de gevangenis geldend wettelijk voorschrift of met een bindende bepaling van een in België geldend verdrag; of 2° bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht” (artikel 158, § 2, iuncto artikel 162, § 3, van de basiswet).
Zij beoordeelt bijgevolg rechtmatig of de BVM en de omstandigheden waaronder inzonderheid de dagelijkse wandeling als onderdeel van “het volledige verblijf in [de] cel” is georganiseerd, overeenkomstig artikel 110, § 1, van de basiswet “evenredig zijn aan de bedreiging”.
17.2. Verzoekster heeft in haar beroepschrift voor de beroepscommissie artikel 110 van de basiswet, noch de thans aangevoerde schending ervan, vermeld. Naast opmerkingen over de observatiemaatregel en over de temperatuur in de cel is in het beroepschrift specifiek over de wandeling enkel te lezen wat volgt:
“De klachtencommissie van Beveren oordeelde eerder in een beslissing van 24 november 2020 dat een BVM, die onder andere bestond uit de maatregelen van individuele wandeling op de wandeling aangesloten op de beveiligde cel […] niet onredelijk, noch onevenredig was.”
In die mate is het middel, geput uit de schending van artikel 110, § 1, van de basiswet nieuw en dus onontvankelijk.
17.3. De Raad van State vermag als cassatierechter voorts niet te treden in de beoordeling van de feiten. Hij mag dus niet in de plaats van de beroepscommissie beoordelen of, anders dan de beroepscommissie het ziet, de
IX-10.365-14/15
opgelegde maatregel wel in een redelijk verband van evenredigheid staat tot het concrete ontvluchtingsgevaar.
Het middel is ook in die mate onontvankelijk.
18. Het middel, voor zover ontvankelijk, faalt naar recht.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24
euro.
3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verwerende partij niet bekendgemaakt.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier november tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren
IX-10.365-15/15

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.263

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.263

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.