ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.539

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.539 Rolnummer: A. 237307/XII-9593 Zaak: Arrest 261539 - Tucht (openbaar ambt) - 27/11/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-11-28 Raadplegingen: 132 - laatst gezien 2026-06-03 17:27 Fiche Arrest nr 261.539 van 27 november 2024...

Source officielle

134 min de lecture 29,280 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 27 november 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.539

Rolnummer:

A. 237307/XII-9593

Zaak:

Arrest 261539 – Tucht (openbaar ambt) – 27/11/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-11-28

Raadplegingen:

132 – laatst gezien 2026-06-03 17:27

Fiche

Arrest nr 261.539 van 27 november 2024 Openbaar ambt – Tucht (openbaar
ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 261.539 van 27 november 2024
in de zaak A. 237.307/XII-9593
In zake : XXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rob Trips kantoor houdend te 9990 Maldegem Mottedreef 10
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/Legal/CTX
gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 23 september 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 20 juli 2022
waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 255.993 van 9 maart 2023 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
XII-9593-1/64
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld.
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2024.
Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Rob Trips, die verschijnt voor verzoeker en adviseur Kirsten Peeters die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. In het arrest nr. 255.993 van 9 maart 2023 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is verworpen, worden de feiten als volgt weergegeven:
“3.1. Verzoeker is inspecteur van politie bij de Federale politie.
3.2. Met twee brieven van 30 september 2020 meldt de procureur des Konings van het parket van de procureur des Konings van Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, aan de dienst TIWK, dat lastens verzoeker een opsporingsonderzoek is geopend ‘inzake (doods-)bedreigingen tegenover HC [P] en mogelijks schending
XII-9593-2/64
beroepsgeheim’ en één ‘inzake belaging (IFG), overlast via elektronische communicatiemiddelen en hacking’. In beide brieven wordt gemeld dat het verder onderzoek wordt toevertrouwd aan de dienst enquêtes van het Comité P, dat op heden geen inzage of afschrift van de dossiers kan worden verleend en dat hij de dienst TIWK op de hoogte houdt omtrent het verder verloop van de zaken.
3.3. Met een brief van 1 juli 2021 bezorgt de procureur des Konings van het parket van de procureur des Konings van Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, aan de dienst TIWK een afschrift van het strafdossier lastens verzoeker ‘inzake bedreigingen en schending beroepsgeheim.’ Tevens wordt gemeld dat het strafdossier is geseponeerd wegens voorrang aan de tuchtrechtelijke afhandeling en dat het afschrift van het dossier is overgemaakt voor verder gevolg op tuchtgebied.
Met een brief van dezelfde dag bezorgt de procureur des Konings van het parket van de procureur des Konings van Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, aan de dienst TIWK een afschrift van het strafdossier lastens verzoeker ‘inzake belaging (IFG), overlast via elektronische communicatiemiddelen en hacking.’ Tevens wordt gemeld dat het strafdossier is geseponeerd wegens ‘misdrijf van relationele aard’ en dat het afschrift van het dossier is overgemaakt voor eventueel verder gevolg op tuchtgebied.
3.4. Op 26 november 2021 stelt de hogere tuchtoverheid een inleidend verslag op met daarin een voorstel van zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege.
Als datum van kennisneming van de feiten is 1 juli 2021 vermeld.
3.5. Op 9 februari 2022 stelt de hogere tuchtoverheid voor verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen.
Tegen dat voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad.
3.6. Op 8 juni 2022 adviseert de Tuchtraad ‘dat het ten laste gelegde feit sub 2.b niet bewezen is, dat de ten laste gelegde feiten sub 1, 2.a en 3, zoals omschreven in punt 5.1., bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend, dat het ten laste gelegde feit 2.a geen tuchtinbreuk uitmaakt in de zin van art. 3 van de wet van 13
mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, dat de feiten sub 1 en 3 een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten [en] dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware straf van het ontslag van ambtswege een gepaste straf is voor de bewezen feiten sub 1 en 3.’ In punt 5.1. van het advies stelt de Tuchtraad dat hij van oordeel is dat op basis van het tuchtdossier aan verzoeker de volgende tuchtvergrijpen ten laste worden gelegd:
‘1. tussen enkele dagen voor 28 augustus 2020 en 25 september 2020 zijn ex-partner I.M. op diverse manieren, zowel fysiek als via smartphone, mogelijks met behulp van internetinbraak, te hebben lastiggevallen;
2. door op schriftelijke wijze dreigend taalgebruik, onder meer aangaande de dood, te hebben geformuleerd a. ten aanzien van zijn directeur op 18 januari 2019, b. alsmede ten aanzien van zijn vorige levenspartner;
3. door informatie over de werking van de Federale Politie, informatie die onder zijn discretieplicht valt, te hebben meegedeeld aan een journalist van de geschreven pers in de periode van 21 tot en met 28 mei 2020.’ 3.7. Op 1 juli 2022 formuleert de hogere tuchtoverheid haar intentie om van het advies van de Tuchtraad af te wijken.
3.8. Op 9 juli 2022 dient verzoeker een aanvullend schriftelijk verweer in.
3.9. De hogere tuchtoverheid beslist op 20 juli 2022 aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen.
Dit is de bestreden beslissing.
XII-9593-3/64
De aan verzoeker ten laste gelegde feiten worden in de bestreden beslissing als volgt gekwalificeerd:
‘7. Kwalificatie van de tuchtvergrijpen Na analyse van het tuchtdossier ben ik van oordeel dat de feiten bedoeld in punt 3, de volgende tuchtinbreuken in de zin van art. 3 van de Tuchtwet uitmaken:
“Als personeelslid van de Federale Politie tekort te zijn gekomen aan de beroepsplichten, meer bepaald de integriteitsplicht, de plicht om de wetten en reglementen na te leven, de voorbeeldfunctie en de verplichting om te allen tijde bij te dragen tot de bescherming van de medeburgers en tevens de waardigheid van het ambt in het gedrang te hebben gebracht, meer bepaald het vertrouwen dat de publieke opinie, zijn collega’s en hiërarchie, de leden van het openbaar ministerie en van de dienst Enquêtes P dienen te hebben in een politieambtenaar, door tussen enkele dagen voor 28 augustus 2020 en 25 september 2020 zijn ex-partner I.M. op diverse manieren, zowel fysiek als via smartphone, met behulp van internetinbraak, te hebben lastiggevallen.”
(…)
“Als personeelslid van de Federale Politie tekort te zijn gekomen aan de beroepsplichten, meer bepaald de integriteitsplicht, de plicht om de wetten en reglementen na te leven, de voorbeeldfunctie en de verplichting om te allen tijde bij te dragen tot de bescherming van de medeburgers en tevens de waardigheid van her ambt in het gedrang te hebben gebracht, meer bepaald het vertrouwen dat de publieke opinie, zijn collega’s en hiërarchie, de leden van het openbaar ministerie en van de dienst Enquêtes P dienen te hebben in een politieambtenaar, door op schriftelijke wijze dreigend taalgebruik, onder meer aangaande de dood, te hebben geformuleerd ten aanzien van zijn directeur.[”]
(…)
“Als personeelslid van de Federale Politie tekort te zijn gekomen aan de beroepsplichten, meer bepaald de integriteitsplicht, de plicht om de wetten en reglementen na te leven, de voorbeeldfunctie en de discretieplicht en tevens de waardigheid van het ambt in het gedrang te hebben gebracht, meer bepaald het vertrouwen dat de publieke opinie, zijn collega’s en hiërarchie, de leden van het openbaar ministerie en van de dienst Enquêtes P dienen te hebben in een politieambtenaar, door informatie over de werking van de Federale Politie, informatie die onder zijn discretieplicht valt, te hebben meegedeeld aan een journalist van de geschreven pers.”
(…).’.”
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 56 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: tuchtwet) juncto artikel 7 van de
XII-9593-4/64
tuchtwet. Verzoeker zet uiteen dat de gewone tuchtoverheid minstens al op 21 oktober 2020 in kennis werd gesteld van de vermeende (doods)bedreigingen.
In se is dit volgens verzoeker zelfs eind september 2020 daar dit blijkt uit de verklaring van de gewone tuchtoverheid van 21 december 2020 aan het Comité P.
Hieruit volgt volgens verzoeker dat de gewone tuchtoverheid enerzijds reeds tijdig op de hoogte was van de bedreigingen lastens zijn persoon en dat anderzijds deze bedreigingen klaarblijkelijk toch een ernstige vrees veroorzaakten. Verzoeker stelt voorts dat de hogere tuchtoverheid door de procureur des Konings op 30 september 2020 werd ingelicht, hoewel de hogere tuchtoverheid stelt dat zij pas eind mei 2021 in kennis werd gesteld, terwijl nochtans in het tuchtdossier wordt verwezen naar een e-mailbericht van K.V.P. van 1 april 2019 waarbij die de gewone tuchtoverheid op de hoogte bracht van zijn aanvoelen dat verzoeker zijn directeur “een bal door de kop zou schieten”. Voorts meent verzoeker dat het ne-bis-in-idembeginsel is geschonden daar de tuchtoverheid hiervoor reeds een tuchtsanctie oplegde. Het is volgens verzoeker een raadsel waarom de tuchtoverheid op het moment van het verkrijgen van deze inlichtingen het tuchtdossier niet heeft geïnitieerd op basis van de vermeende (doods)bedreigingen aan het adres van de gewone tuchtoverheid. Te dezen stelt verzoeker dat het niet is omdat het Openbaar Ministerie de loutere kennisgeving doet van twee lopende opsporingsonderzoeken en er op dat ogenblik nog geen inzage kon worden verleend in de gebundelde feiten, dat de tuchtoverheid de ernst van de feiten niet kon inschatten. Wat artikel 7 van de tuchtwet betreft, voert verzoeker aan dat de tuchtoverheid als een redelijke en voorzichtige tuchtoverheid reeds de tuchtprocedure kon en moest hebben opgestart op basis van de door haar gekende elementen van de vermeende (doods)bedreigingen. Lopende deze procedure kon zij immers nog steeds andere beweerdelijke feiten voegen. Voorts doet verzoeker gelden dat, daar niet ter discussie staat dat artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet werd toegepast, nergens wordt aangevoerd waarom een eigen onderzoek –
minstens met betrekking tot de vermeende (doods)bedreigingen ten aanzien van de gewone tuchtoverheid – het opsporingsonderzoek op enige wijze zou hebben gehinderd, laat staan dat op enige wijze wordt aangevoerd waarom de tuchtoverheid zich op het ogenblik van de kennisneming van het aflopend misdrijf van de bedreigingen geen duidelijk beeld kon vormen over deze feiten en de
XII-9593-5/64
weerslag op de dienst. Tot slot wijst verzoeker op de verplichting voor de tuchtoverheid om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen, waarbij het bestaan van een strafonderzoek op zich geen deugdelijke reden is om de tuchtvordering niet op te starten. Hij stelt vast dat de tuchtoverheid bezwaarlijk kan beweren dat zij geen klaarheid had over – minstens een deel van – de feiten die zij de facto wilde vervolgen, met name de vermeende (doods)bedreigingen.
Verzoeker besluit dat het vertrekpunt van de verjaringstermijn derhalve foutief is, waardoor het inleidend verslag buiten de wettelijke termijn van zes maanden werd betekend.
5. In de memorie van wederantwoord zet verzoeker zijn middel verder uiteen. Hij voert aan dat de doodsbedreigingen centraal staan en dat de vraag rijst waarom de tuchtoverheid geen eigen onderzoek heeft gevoerd naar die feiten, maar wachtte op de afloop van het opsporingsonderzoek. Aan de orde is de vraag of de tuchtoverheid met de kennisneming van 21 oktober 2020 (of zelfs al in september 2020) over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om de tuchtprocedure op te starten. Verzoeker licht toe dat die data niet uit de lucht zijn gegrepen. Gelet op de verklaring van de gewone tuchtoverheid aan het Comité P en de e-mail van 28 september 2020 van de korpschef van een lokalepolitiezone aan de gewone tuchtoverheid waaruit blijkt dat hij alle beschikbare informatie bezorgde aan de gewone tuchtoverheid, kan de verwerende partij niet blijven negeren dat de gewone tuchtoverheid voldoende geïnformeerd was. Voorts verwijst verzoeker naar de nota van de gewone tuchtoverheid van 21 oktober 2020 tot tijdelijke intrekking van verzoekers dienstwapen, waaruit verzoeker afleidt dat de gewone tuchtoverheid wel degelijk op de hoogte was van de precieze inhoud van de vermeende bedreigingen. Hetzelfde geldt voor de hogere tuchtoverheid die de intrekking van het dienstwapen bekrachtigde.
Verzoeker besluit dat, gelet op de initiële kennisgevingen, de tuchtoverheid over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om de tuchtprocedure op te starten. Zelfs indien de tuchtoverheid aanvankelijk over onvoldoende gegevens zou hebben beschikt, blijkt niet dat zij aan het Openbaar Ministerie heeft gevraagd of zij een eigen onderzoek mocht voeren, dan wel of dit zou interfereren met het lopende opsporingsonderzoek. Ook het Openbaar
XII-9593-6/64
Ministerie opperde dit niet spontaan. Er kan dan ook niet worden ingezien waarom de tuchtoverheid geen eigen onderzoek voerde. Een dergelijk onderzoek had volgens verzoeker opheldering kunnen verschaffen, ook al betwist verzoeker de feiten. Tot slot herhaalt verzoeker zijn argumentatie dat de tuchtoverheid ook de redelijke termijn moet respecteren. In dat verband wijst verzoeker erop dat de tuchtoverheid pas na vijf maanden heeft geïnformeerd over de voortgang van het opsporingsonderzoek bij het Openbaar Ministerie, wat de redelijketermijneis schendt.
6. In de laatste memorie volhardt verzoeker in het eerste middel en zet hij uiteen waarom het auditoraatsverslag niet kan worden bijgevallen. Inzake de kennisneming van de feiten, voert verzoeker aan dat hij gegronde redenen heeft voor zijn standpunt dat de tuchtoverheid reeds vroeger over voldoende gegevens beschikte om de tuchtvordering te kunnen instellen. Er kan niet staande worden gehouden dat de gewone tuchtoverheid onvoldoende precieze kennis had van de vermeende doodsbedreigingen. Het volstaat dat de bedreiging is gekend door de bedreigde persoon. Verzoeker verwijst naar de verklaringen van V.P. en van zijn ex-partner en voert aan dat niet langer kan worden voorgehouden dat de mondeling geuite bedreigingen niet in verband staan met de schriftelijke bevestiging van de gelijkluidende bedreigingen. Op 28 september 2020 had de gewone tuchtoverheid de schriftelijke bevestiging van de uitspraak “ik ga hem een bal door zijn kop jagen”. Uit de melding van de parketmagistraat aan de hogere tuchtoverheid blijkt niet dat het opsporingsonderzoek louter op schriftelijke (doods-)bedreigingen zou slaan. De intrekking van verzoekers wapen toont volgens verzoeker aan dat de doodsbedreiging voldoende ernstig werd genomen. Hij herhaalt zijn argumentatie betreffende de beslissing tot intrekking van het dienstwapen en de bekrachtiging van die beslissing. Verzoeker herhaalt ook dat de tuchtoverheid niet tot de gerechtelijke eindbeslissing van 1 juli 2021 moest wachten om over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens te beschikken. De doodsbedreigingen ten aanzien van de gewone tuchtoverheid steunen immers hoofdzakelijk op de via forensische analyse verkregen databerichten van 18 januari 2019 en 6 december 2019. “Het bericht van 18 januari 2019 is de loutere bevestiging van wat ook op 19 januari 2019 reeds door de overheid gekend was” ingevolge de mededeling van
XII-9593-7/64
V.P. Inzake het stilzitten van de tuchtoverheid zet verzoeker uiteen dat het auditoraatsverslag niet kan worden gevolgd, omdat het advies van de Tuchtraad desbetreffend – dat slechts een loutere bewering omvat – niet kan worden bijgevallen. Verzoeker verwijst daartoe naar het deskundigenverslag van de Inspecteur-generaal in de procedure voor de Tuchtraad en herhaalt wat hij dienaangaande al in eerdere procedurestukken uiteenzette. Verzoeker wijst erop dat zijn ex-partner ook deel uitmaakt van de geïntegreerde politie, zodat men haar los van het opsporingsonderzoek had kunnen bevragen met verwijzing naar artikel 25 van de tuchtwet.
Beoordeling
7. In het tussenarrest nr. 255.993 van 9 maart 2023 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over dit middel voorlopig als volgt geoordeeld:
“De schending van artikel 56 van de tuchtwet 8. Artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet luiden:
‘Art. 56. De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld.
In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.’ Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de tuchtoverheid om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Deze bepaling garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat de tuchtoverheid op de in de wet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat.
Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid – maar niet de verplichting – om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. Het maakt het de tuchtoverheid mogelijk om, wanneer zij twijfels heeft over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn – het bewijs van de feiten die de betrokkene
XII-9593-8/64
gepleegd heeft, de ernst van de feiten en schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst -, een definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. De verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan evenwel slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. De tuchtoverheid heeft immers de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging.
De mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen moet derhalve worden opgevat als een uitzondering op de regel, waarvan slechts gebruik mag worden gemaakt wanneer de tuchtoverheid op basis van een eigen onderzoek er niet in slaagt om alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen. Een en ander heeft tot gevolg dat de Raad van State, wanneer een verzoeker aanvoert dat de tuchtvordering ten onrechte gekoppeld is aan de afloop van de gerechtelijke procedure, desgevraagd nagaat of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Bij ontstentenis van dat bewijs zal worden vastgesteld dat de tuchtvordering niet tijdig ingesteld is.
Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere)
tuchtoverheid beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
Het voorgaande sluit aan bij de leer van het arrest van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak nr. 190.728 van 20 februari 2009, dat weliswaar geen betrekking heeft op de in de tuchtwet vervatte regeling, maar die ook in de arresten nr. 197.017 van 19 oktober 2009 en nr. 201.862 van 15 maart 2010 inzake tuchtprocedures tegen politieambtenaren is gevolgd.
9. Het is voorts aan verzoeker, die de schending van artikel 56 van de tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat de door die bepaling voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd.
10. Niet wordt betwist dat de hogere tuchtoverheid daadwerkelijk de gerechtelijke eindbeslissing heeft afgewacht alvorens de tuchtprocedure op te starten. Zij maakte aldus toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet.
De bestreden beslissing neemt 1 juli 2021 – zijnde de datum waarop de procureur des Konings te Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, de hogere tuchtoverheid een eensluidend afschrift bezorgt van beide strafdossiers en de hogere tuchtoverheid informeerde dat het strafdossier inzake ‘bedreigingen en schending beroepsgeheim’ werd geseponeerd om reden dat voorrang wordt verleend aan de tuchtrechtelijke afhandeling en dat het strafdossier inzake ‘belaging (IFG), overlast via elektronische communicatiemiddelen en hacking’ werd geseponeerd om reden dat het een misdrijf van relationele aard betreft (zie supra, punt 3.3) – als de datum die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van het inleidend verslag.
XII-9593-9/64
Verzoeker van zijn kant, stelt zich op het standpunt dat de tuchtoverheid reeds vroeger over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen doordat de tuchtoverheid inzake het feit van de ‘doodsbedreigingen’ als datum van kennisneming een foutief vertrekpunt in aanmerking neemt aangezien de gewone tuchtoverheid reeds in september-oktober 2020 voldoende kennis had van het feit inzake de ‘doodsbedreigingen’.
Hij verwijst daartoe naar:
1.) de verklaring van de [gewone tuchtoverheid] tijdens diens verhoor door het Comité P waarin die stelt dat hij in september 2020 werd opgebeld door de korpschef van de politiezone […], die meldde dat de toenmalige partner van verzoeker melding maakte van doodsbedreigingen ten aanzien van de [gewone tuchtoverheid];
2.) de kennisgeving door het parket van 30 september 2020 aangaande de hangende opsporingsonderzoeken, waarin melding wordt gemaakt van feiten van ‘schriftelijke bedreiging, zonder bevel of voorwaarde’ en ‘schending van het beroepsgeheim’;
3.) een mailbericht van 1 april 2019 van K.V.P. waarbij die de [gewone tuchtoverheid] op de hoogte brengt dat verzoeker zou gezegd hebben dat hij zijn directeur “een bal door de kop zou schieten.”
11. Centraal staat aldus het gegeven of op de door verzoeker aangehaalde tijdstippen de (hogere) tuchtoverheid de vereiste voldoende zekerheid had om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden of de tuchtoverheid zich op dat ogenblik een duidelijk beeld kon of moest vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan verzoeker derwijze dat er op dat ogenblik sprake was van een kennisneming in de zin als hiervoor is gesteld.
Deze verjaring op grond van artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet, werd door verzoeker ook opgeworpen voor de Tuchtraad. Die kwam tot de volgende beoordeling:
‘(…)
Centraal staat bijgevolg de vraag of met de kennisneming d.d. 21 oktober 2020
(of zelfs in september 2020), waarnaar de verzoeker verwijst, de tuchtoverheid met betrekking tot de feiten van de “vermeende (doods)bedreigingen” over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om de tuchtprocedure op te starten, derwijze dat er op dat ogenblik sprake was van een kennisneming in de zin van artikel 56 van de Tuchtwet.
Op 30 september 2020 heeft de procureur des Konings twee brieven gericht aan de heer Directeur-Generaal, dienst TIWK, waarbij respectievelijk gemeld werd dat:
– er ten laste van verzoeker een opsporingsonderzoek geopend werd voor belaging (IFG), overlast via elektronische communicatiemiddelen en hacking ([…]);
– er ten laste van verzoeker een opsporingsonderzoek geopend werd voor “(doods-)bedreigingen tegenover HC (P.) en mogelijke schending van beroepsgeheim;
– het verdere onderzoek toevertrouwd werd aan de dienst enquêtes van het Comité P;
– op heden nog geen inzage/afschrift van het dossier kon worden verleend.
Door deze mededeling op zich kan niet gesteld worden dat de tuchtoverheid, in zoverre de ontvangst door de dienst TIWK beschouwd wordt als de ontvangst door de bevoegde tuchtoverheid, beschikte over voldoende kennis van de constitutieve elementen die bij het opleggen van een tuchtstraf aan de orde zijn, te weten het bewijs van de feiten die verzoeker gepleegd heeft, de ernst van de
XII-9593-10/64
feiten en de schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst.
Het kan de tuchtoverheid dan ook niet ten kwade worden geduid dat zij op dat moment de tuchtprocedure nog niet heeft opgestart.
Het is pas na ontvangst van het gehele strafdossier dat de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kon vormen over het bestaan en de ernst van de ten laste gelegde feiten en de toe rekening ervan aan de verzoeker.
Het is de tuchtoverheid die beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover ze beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen.
Inzake stelt de Tuchtraad vast dat de tuchtoverheid bij de beoordeling hiervan de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en die correct heeft beoordeeld.
Het vertrekpunt van de verjaringstermijn van de tuchtvordering is derhalve 1 juli 2021 zodat geoordeeld dient te worden dat het inleidend verslag binnen de wettelijke termijn van zes maanden aan de verzoeker op 29 november 2021
betekend werd.
Dit is ook het geval voor wat de tenlastelegging sub 2 betreft van de (doods)bedreigingen jegens de (P.).
Uit het tuchtdossier blijkt dat bij mail van 1 april 2019 (bijlage 2 aan P.V.
012006/20 d.d. 21/12/2020) de (KVP) de heer (P.) op de hoogte bracht van het gegeven dat verzoeker op vrijdag 29 maart 2019 telefonisch aan hem gezegd had dat hij ([P.) als [gewone tuchtoverheid] zou neerschieten omwille van de aanhoudende roblematiek die hij ervaart binnen de eenheid en dat verzoeker ook, daarbij volgens hem ook de heer […] viserend, de woorden “een bal door de kop schieten” gebruikt had.
Dit gegeven werd vervolgens op 2 april 2019 (bijlage 2 aan P.V. 012006/20
d.d. 21/12/2020) door (P.) medegedeeld aan (F.).
Uit de lezing van huidig tuchtdossier blijkt duidelijk dat de in deze zaak geviseerde (doods)bedreigingen van schriftelijke aard zijn meer bepaald zoals vervat in de Whatsapp-berichten van verzoeker die aan het licht zijn gekomen naar aanleiding van de klacht van (I.M.) op 25 september 2020 en die dateren van 18 januari 2019 van verzoeker aan (I.M.). Het zijn deze berichten die tevens voorwerp uitmaken van het gevoerde opsporingsonderzoek.
Van de elementen van dit opsporingsonderzoek kreeg de tuchtoverheid pas kennis door middel van de ontvangst van de stukken van het strafdossier op 1 juli 2021.
Er dient gesteld te worden dat de tuchtoverheid pas op dat ogenblik, na kennisname van het strafdossier en van de gerechtelijke eindbeslissing op 1 juli 2021, over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte over de constitutieve elementen die bij het opleggen van een tuchtstraf aan de orde zijn, zoals hierboven opgesomd.
In algemene bewoordingen werpt de verzoeker op dat artikel 56, tweede lid van de tuchtwet slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering kan verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen.
De beoordeling van het beginsel van de redelijke termijn dient zich in casu aan nu de voorwaarden [om] toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet vervuld zijn -en de tuchtoverheid dus niet over voldoende gegevens beschikt om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen- en de tuchtoverheid derhalve de gerechtelijke eindbeslissing afwacht om de tuchtvordering in te stellen.
XII-9593-11/64
Inzake wordt niet wordt betwist dat de tuchtoverheid daadwerkelijk de gerechtelijke eindbeslissing heeft afgewacht alvorens de tuchtprocedure op te starten. Zij maakte aldus toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet.
Wanneer de verzoeker aanvoert dat de tuchtvordering ten onrechte gekoppeld is aan de afloop van de gerechtelijke procedure, dient desgevraagd nagegaan te worden of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Bij ontstentenis van dat bewijs zal worden vastgesteld dat de tuchtvordering niet tijdig ingesteld is.
De Tuchtraad is van oordeel dat, gelet op het lopende opsporingsonderzoek, de parallelle uitvoering van tuchtrechtelijke onderzoekdaden (die de tuchtoverheid in staat kon stellen om op tuchtrechtelijk vlak meer duidelijkheid in de zaak te krijgen betreffende de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn) het opsporingsonderzoek zou gehinderd hebben en dat het geenszins vaststaat dat dergelijke tuchtrechtelijke onderzoekdaden zouden toegelaten hebben dat de tuchtoverheid op gr[o]nd daarvan over voldoende gegevens had beschikt om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen.
Volgens de Inspecteur-Generaal, zoals gesteld in het deskundigenverslag d.d. 5 mei 2022, heeft de tuchtoverheid een inerte houding aangenomen nu zij gedurende vijf maanden passief is gebleven om zich te bevragen bij het openbaar ministerie omtrent de stand van zaken van de lopende opsporingsonderzoeken meer bepaald tussen 30 oktober 2020 en de mail van 12 februari 2021.
De redelijkheid van de duur van een tuchtprocedure moet niet alleen worden beoordeeld aan de hand van de totale duur van de procedure en de duur van de eindfase maar ook aan de hand van de zorgvuldigheid waarmee de tuchtoverheid deze in de tussenliggende fasen heeft gevoerd. In elke fase van de procedure moet worden nagegaan of er in het licht van deze factoren sprake is van niet-gerechtvaardigde vertraging van de procedure.
De Tuchtraad is van oordeel dat een termijn van vijf maanden, alvorens zich te bevragen naar de stand van een recentelijk opgestart opsporingsonderzoek bij het openbaar ministerie, niet abnormaal lang en onredelijk is.
De beoordeling van het normale of abnormale karakter van de duur van de tuchtprocedure gebeurt in het licht van de omstandigheden van de zaak en aan de hand van de volgende criteria: de complexiteit van de zaak, de houding van degene lastens wie een tuchtprocedure wordt gevoerd en van de bevoegde autoriteiten, alsook het belang van de zaak voor de betrokken partijen.
Inzake wijst de Tuchtraad op het gegeven dat er twee opsporingsonderzoeken lopende waren betreffende verschillende misdrijven lastens verzoeker.
Het wordt onvoldoende aannemelijk gemaakt dat die duur van vijf maanden, in het licht van de omstandigheden van de zaak, abnormaal lang is om te spreken van een schending van de redelijke termijn.
Er is geen reden aan te nemen dat de tuchtoverheid een inertie kan ten laste gelegd worden waardoor het vertrekpunt van die verjaringstermijn vroeger had kunnen gebeuren.
Vervolgens werpt verzoeker op dat de tuchtoverheid het beginsel van de redelijke termijn, minstens de zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden, door te wachten van 1 juli 2021 tot 26 november 2021 om het inleidend verslag te betekenen nu toch geen enkele onderzoekdaad diende gesteld te worden.
De Tuchtraad wijst op het gegeven dat het inleidend verslag betekend werd aan de verzoeker op 29 november 2021.
Aan de orde in het voorliggende middel is voorts de vraag of, ondanks de vaststelling dat de in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet bepaalde termijn van zes maanden is nageleefd, de hogere tuchtoverheid, door “nodeloos ruim vijf
XII-9593-12/64
maanden” te wachten alvorens de tuchtprocedure op te starten, terwijl zij volgens verzoeker al over alle noodzakelijke gegevens beschikte uiterlijk op 1 juli 2021, niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht, zodat het beginsel van de redelijke termijn zou zijn geschonden.
De rechtspraak zet te dezen uiteen over de vraag of het stilzitten van de tuchtoverheid tussen de kennisneming van de feiten en de betekening van het inleidend verslag, ondanks de naleving van de verjaringstermijn van artikel 56, eerste lid, op zichzelf een schending van het beginsel van de redelijke termijn kon inhouden. In zijn arrest nr. 246.619 van 14 januari 2020, bevestigd in het arrest nr. 247.870 van 23 juni 2020, heeft de Raad van State deze controverse beslecht.
De redelijkheid van de duur van een tuchtprocedure moet niet alleen worden beoordeeld aan de hand van de totale duur van de procedure, maar ook aan de hand van de zorgvuldigheid waarmee de tuchtoverheid deze in de tussenliggende fasen heeft gevoerd, in functie van de concrete omstandigheden van de zaak, de aard en de complexiteit van de zaak, het gedrag van verzoeker en dat van de tuchtoverheid. In elke fase van de procedure moet worden nagegaan of er in het licht van deze factoren sprake is van niet-gerechtvaardigde vertraging van de procedure. De politieambtenaar weet krachtens artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet dat tegen hem een tuchtprocedure kan worden ingeleid binnen de zes maanden nadat de tuchtoverheid kennis heeft gekregen van de feiten, en dat na het verstrijken van deze termijn, geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld behalve wanneer het tweede lid van de voornoemde bepaling van toepassing is –
waardoor de wetgever aldus zelf de eerbiediging heeft gewaarborgd van het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan het beginsel van de redelijke termijn een corollarium is.
Wanneer het inleidend verslag binnen de wettelijke termijn is betekend en de tuchtoverheid met de nodige voortvarendheid heeft gehandeld om de tuchtzaak, rekening houdend met de specifieke gegevens ervan, haar beslag te geven, kan haar dus niet worden verweten dat zij het beginsel van de redelijke termijn heeft geschonden op de enkele grond dat zij gedurende de verjaringstermijn die haar voor het (desgevallend) verrichten van haar vooronderzoek en het betekenen van haar inleidend verslag was verleend, gedurende een bepaalde periode erin inactief is geweest.
Hiervoor is vastgesteld dat het inleidend verslag tijdens de wettelijke verjaringstermijn van zes maanden is betekend aan verzoeker. Het feit dat, volgens verzoeker, de hogere tuchtoverheid tijdens de verjaringstermijn van zes maanden “nodeloos vijf maanden heeft gewacht alvorens de tuchtprocedure op te starten”, kan op zich geen schending van het beginsel van de redelijke termijn opleveren, aangezien verzoeker geen gebrek aan voortvarendheid verwijt met betrekking tot de fasen van de tuchtprocedure na de betekening van het inleidend verslag op 29 november 2021.’ De Raad van State stelt vast dat de Tuchtraad tot het besluit komt dat het pas na ontvangst van een afschrift van beide strafdossiers is dat de hogere tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kon vormen over het bestaan en de ernst van de ten laste gelegde feiten en de toerekening ervan aan verzoeker. Uit de bestreden beslissing blijkt voorts dat de hogere tuchtoverheid zich wat dit betreft, bij deze overwegingen van de Tuchtraad heeft aangesloten. Verzoeker betrekt deze vaststellingen niet in zijn verzoekschrift. Voorts blijkt uit het gehele tuchtdossier dat verzoeker steeds de feiten heeft betwist.
12. Het standpunt van verzoeker wordt in de huidige stand van het geding niet bijgetreden.
Een eerste feitelijk argument dat verzoeker ter staving van zijn standpunt aanvoert is een uittreksel uit de verklaring van de gewone tuchtoverheid tijdens diens verhoor
XII-9593-13/64
door het Comité P op 21 december 2020 en dat hij als volgt in het verzoekschrift citeert:
‘Dit jaar in september werd ik opgebeld door de korpschef van de PZ […]. Hij deelde mij mee dat er in zijn dienst een klacht geakteerd werd lastens (verzoeker). Bij het akteren van de klacht van zijn toenmalige partner wegens belaging en stalking maakte ze ook melding van doodsbedreigingen door (verzoeker) naar mijn persoon toe.
Op basis van dit bericht stelde ik een voorstel tot intrekking van het dienstwapen van (verzoeker) op. De nota is aan de Directeur-generaal gericht. Die intrekking werd effectief uitgevoerd.

Ik stelde dan in oktober de nota op voor de intrekking van het dienstwapen nadat het parket de federale politie had ingelicht met mededeling van het notitienummer.’ Uit die verklaring blijkt dat aan de (gewone) tuchtoverheid werd meegedeeld dat de klachtindiener in het raam van zijn klacht lastens verzoeker, melding maakte van doodsbedreigingen door verzoeker naar de gewone tuchtoverheid toe. Niet blijkt dat hierbij (bijkomende) informatie werd gegeven over de concrete inhoud van de doodsbedreigingen, noch blijkt dat er enige verduidelijking werd gegeven over het bewijs ervan en de toerekening ervan aan verzoeker. Op het eerste gezicht maakt verzoeker bijgevolg niet aannemelijk dat die enkele mededeling de tuchtoverheid een voldoende duidelijk beeld bood of moest bieden omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan verzoeker, waarbij moet worden aangestipt dat verzoeker de feiten betwist. De omstandigheid dat de gewone tuchtoverheid in een dergelijke feitelijke situatie waarin hij de feiten noch de ernst ervan redelijkerwijze kon inschatten, ‘het zekere voor het onzekere’ neemt – zoals de verwerende partij het in haar nota stelt – en uit voorzorg een nota opstelt om het dienstwapen van verzoeker te laten intrekken, doet hieraan geen afbreuk.
Een tweede feitelijk argument dat verzoeker ter staving van zijn standpunt aanvoert is de kennisgeving door het parket van 30 september 2020 over de lopende opsporingsonderzoeken (zie supra, punt 3.2). Voor de analyse van deze kennisgevingen volstaat het in deze stand van het geding te verwijzen naar het hiervoor aangehaalde advies van de Tuchtraad dat wordt bijgevallen door de hogere tuchtoverheid en dat verzoeker niet betrekt bij de voorliggende kritiek. Te dezen volstaat dan ook vast te stellen dat eenzelfde conclusie geldt als wat het eerste aangebrachte argument betreft. Deze kennisgevingen maken enkel melding dat opsporingsonderzoeken lastens verzoeker werden geopend – waaronder een voor onder meer ‘(doods-)bedreigingen’ tegenover de gewone tuchtoverheid – maar uit niets blijkt dat hierbij (bijkomende) informatie werd gegeven over de concrete inhoud van de verzoeker ten laste gelegde feiten waaronder die doodsbedreigingen, noch blijkt eruit dat er enige verduidelijking werd gegeven over het bewijs ervan en de toerekening ervan aan verzoeker. In wezen heeft de tuchtoverheid aan de hand van deze kennisgevingen enkel weet van het bestaan lastens verzoeker van bepaalde opsporingsonderzoeken inzake niet nader bepaalde feiten. Ook dit stuk maakt niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid bij de kennisgeving op 30 september 2020
een voldoende duidelijk beeld had of moest hebben omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan verzoeker.
Wat het derde feitelijk argument betreft, stelt de verwerende partij in haar nota dat deze mogelijks geuite mondelinge bedreigingen niet weerhouden worden als tuchtvergrijp, zodat de datum van kennisname van die feiten zonder belang is. De verwerende partij verwijst naar hetgeen zij hierover in haar pleitnota nr. 2 van 18 mei 2022 voor de Tuchtraad heeft gesteld:
‘Feiten ter kennis gebracht anno 2019: handelen over één mogelijke mondelinge (doods)bedreiging d.d. 29.03.2019 van (verzoeker) aan het adres van de […],
XII-9593-14/64
gemeld door de toenmalige syndicaal afgevaardigde van (verzoeker) aan de Dir […]. Details worden meegedeeld door de getuige. Ondernomen acties TO:
Mondeling onderhoud tussen de partijen – feiten ontkend en gesprek opgenomen door (verzoeker) – geen PV noch tucht of een ordemaatregel zoals bv.
ontneming van bewapening.’ Voort blijkt uit het advies van de Tuchtraad dat die van mening is dat uit de lezing van het huidige tuchtdossier duidelijk blijkt dat de in de voorliggende tuchtzaak geviseerde (doods)bedreigingen van schriftelijke aard zijn terwijl de voornoemde bedreiging van mondelinge aard is en op het eerste gezicht die mondelinge bedreigingen niet als tuchtfeiten zijn opgenomen in de bestreden beslissing.
Verzoeker betrekt het voorgaande niet in zijn middel in het verzoekschrift, hoewel hij op het ogenblik van het indienen van de vordering tot schorsing kennis heeft van de voornoemde stukken en inzonderheid van de pleitnota nr. 2 nu hij in zijn verzoekschrift eruit citeert én die nota als referentiestuk is opgenomen in de bestreden beslissing. In het licht van wat hiervoor is gesteld, wordt aldus prima facie het standpunt van de verwerende partij in haar nota bijgevallen. In deze stand van het geding mag aldus worden aangenomen dat deze mondeling geuite bedreiging geen deel uitmaakt van het tuchtdossier. Aldus kan de kennisneming ervan op 1 april 2019 door de gewone tuchtoverheid geen kennisneming inhouden in de zin van het geschonden geachte artikel 56 van de tuchtwet wat de thans aan verzoeker ten laste gelegde feiten betreft.
Wat tot slot de ter terechtzitting ontwikkelde – en in de pleitnota verwoorde –
argumenten en kritieken betreft, zijn die nieuw en niet uiteengezet in het verzoekschrift. Er wordt derhalve in het raam van het prima facie onderzoek van de vordering tot schorsing geen rekening mee gehouden.
13. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker op het eerste gezicht weliswaar blijk geeft van een eigen feitelijke beoordeling van het tijdstip waarop de hogere tuchtoverheid over voldoende gegevens beschikte wat de wezenlijke elementen betreft die in de voorliggende tuchtzaak aan de orde zijn, maar hij maakt niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid door te oordelen dat zij pas na kennisname van het strafdossier en van de gerechtelijke eindbeslissing op 1 juli 2021, over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte over de constitutieve elementen die bij het opleggen van een tuchtstraf aan de orde zijn, de perken van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan.
Het eerste middel is in die mate niet ernstig.
14. In de mate dat verzoeker in fine van het middel ook aanvoert dat, gezien de toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet niet ter discussie staat, ‘nergens (wordt) aangevoerd waarom een eigen onderzoek minstens met betrekking tot de vermeende (doods-) bedreigingen ten aanzien van hoofdcommissaris (P.) het opsporingsonderzoek op enige wijze zou gehinderd hebben’, faalt deze grief op het eerste gezicht in rechte. De toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet vereist niet dat de hogere tuchtoverheid moet aanvoeren waarom een eigen onderzoek het lopende opsporingsonderzoek zou hinderen. Het is immers aan verzoeker die de schending van artikel 56 van de Tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat die bepaling niet is nageleefd, waarna de Raad van State, zoals hiervoor is uiteengezet (zie supra, punt 8) desgevraagd, nagaat of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen. Te dezen verzuimt verzoeker te voldoen aan zijn stelplicht nu hij zich in het verzoekschrift beperkt tot de algemene kritiek dat nergens wordt aangevoerd waarom een eigen onderzoek het opsporingsonderzoek op enige wijze zou hebben gehinderd, zonder dat hij evenwel aangeeft – in een context waarin verzoeker de feiten betwist en een opsporingsonderzoek aanhangig is – welke voor de hand liggende tuchtrechtelijke onderzoeksdaden de tuchtoverheid kon stellen om op tuchtrechtelijk vlak meer
XII-9593-15/64
duidelijkheid in de zaak te krijgen betreffende de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn – het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en de schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst – zonder daarbij het strafonderzoek te hinderen en die zouden toelaten dat de tuchtoverheid op grond daarvan over voldoende gegevens zou beschikken om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen.
Het eerste middel is in die mate niet ernstig.
De schending van artikel 7 van de tuchtwet 15. De grief dat artikel 7 van de tuchtwet is geschonden is op het eerste gezicht ontwikkeld vanuit het hiervoor niet ernstig bevonden uitgangspunt dat de tuchtoverheid reeds vroeger voldoende kennis had van het feit inzake ‘doodsbedreigingen’. Verzoekers kritiek gaat aldus uit van een feitelijke onjuiste grondslag en is om die reden niet ernstig.
Het eerste middel is in die mate niet ernstig.
De schending van het ne bis in idem beginsel 16. De grief dat het ne bis in idem beginsel is geschonden, is ontwikkeld vanuit het standpunt dat aan verzoeker reeds een tuchtstraf werd opgelegd voor het feit van de doodsbedreigingen van 18 december 2019.
In haar nota verwijst de verwerende partij naar haar hiervoor weergegeven uittreksel uit haar pleitnota nr. 2 voor de Tuchtraad (zie supra, punt 12) en stelt dat, in tegenstelling tot wat verzoeker in zijn verzoekschrift beweert, hieruit duidelijk blijkt dat aan verzoeker geen tuchtstraf werd opgelegd voor die feiten.
Verzoeker betrekt dit procedurestuk – dat hij, zoals hiervoor is gesteld, kent en moest kennen – niet bij zijn middel en voert overigens geen enkel stuk aan waaruit zijn standpunt wel zou kunnen blijken. Evenmin vindt verzoekers bewering steun in enig stuk van het dossier. In de huidige stand van het geding mist verzoekers kritiek derhalve feitelijke grondslag.
Het eerste middel is in die mate niet ernstig.
De schending van het redelijkheidsbeginsel 17. Verzoekers kritiek ter zake gaat eveneens uit van het hiervoor niet ernstig bevonden uitgangspunt dat de tuchtoverheid reeds vroeger klaarheid had over, minstens een deel, van de feiten die zij wilde vervolgen, met name de (doods)bedreigingen. Verzoekers kritiek gaat aldus uit van een feitelijk onjuiste grondslag en is om die reden niet ernstig.
Het eerste middel is in die mate niet ernstig.
Conclusie 18. Het eerste middel is niet ernstig.”
8. Verzoeker volhardt in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie in zijn standpunt uiteengezet in het verzoekschrift, dat hij parafraseert en verder beargumenteert, evenwel zonder argumenten aan te voeren die nopen tot een andersluidende beoordeling dan deze gemaakt in het schorsingsarrest.
9. Verzoekers standpunt dat de data waarop hij steunt om te besluiten dat de tuchtoverheid over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte, met name 21 oktober 2020 of zelfs al september 2020, niet uit
XII-9593-16/64
de lucht zijn gegrepen, alsook de verdere onderbouwing van dat standpunt door verwijzing naar reeds door verzoeker aangehaalde stukken of nieuwe stukken, zoals de beslissing tot tijdelijke intrekking van het dienstwapen en de bekrachtiging daarvan, doen niet anders oordelen. Verzoeker maakt daarmee immers niet aannemelijk – ook al meent hij dat hij daartoe over gegronde redenen beschikt – dat de tuchtoverheid op de door hem vermelde tijdstippen over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte met betrekking tot de constitutieve elementen die bij het opleggen van een tuchtstraf aan de orde zijn, met name het bewijs van de feiten die de betrokkene heeft gepleegd, de ernst van de feiten, de schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst. Verzoeker mag dan wel menen dat het niet ernstig is om te blijven negeren dat de gewone tuchtoverheid voldoende geïnformeerd was over de doodsbedreigingen, alsook dat het auditoraatsverslag desbetreffend “niet te verklaren” is, hij maakt dit geenszins aannemelijk.
10. Ook verzoekers argument dat een eigen onderzoek wel degelijk mogelijk was, daar de tuchtoverheid zijn ex-partner kon ondervragen, daaraan in de laatste memorie toevoegende dat zij als personeelslid van de geïntegreerde politie op grond van artikel 25 van de tuchtwet verplicht zou zijn loyaal mee te werken aan een dergelijk onderzoek, doet niet anders oordelen. Daargelaten dat dit nieuwe argumenten zijn die verzoeker had kunnen – en derhalve moeten –
uiteenzetten in zijn verzoekschrift, toont verzoeker niet aan dat de tuchtoverheid vooraleer een afschrift te ontvangen van de strafdossiers van die hoedanigheid van zijn ex-partner op de hoogte was.
11. Voorts verwijst verzoeker naar rechtspraak van de Raad van State. Daargelaten dat het Belgisch recht geen precedentenwerking kent, zodat verzoeker er geen leer uit kan halen, zet verzoeker niet uiteen hoe uit die verwijzing het bewijs zou volgen dat te dezen artikel 56 van de tuchtwet niet zou zijn nageleefd. Dit argument doet dus evenmin anders oordelen.
12. Wat verzoekers argument betreft dat de tuchtoverheid vijf maanden inert bleef om zich bij het Openbaar Ministerie te bevragen over de
XII-9593-17/64
voortgang van het opsporingsonderzoek, stelt de Raad van State vast dat verzoeker dat argument tevens en ook omstandiger in het tweede middel in zijn verzoekschrift aanvoert, zij het onder de noemer van de schending van de zorgvuldigheidsplicht, het vermoeden van onschuld en het onpartijdigheidsbeginsel. Dit argument wordt bijgevolg behandeld bij het onderzoek van het tweede middel.
13. In zoverre verzoeker voor het eerst in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, toont verzoeker niet aan dat hij die niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
14. In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het eerste middel thans ongegrond te bevinden.
15. Het eerste middel is ongegrond.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
16. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van de zorgvuldigheidsplicht, het vermoeden van onschuld, het onpartijdigheidsbeginsel en van artikel 32tredecies van de wet van 4 augustus 1996 ‘betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk’ (hierna: de wet van 4 augustus 1996). Voorts voert hij in het middel ook de schending van de redelijketermijneis aan.
In wat als een eerste grief kan worden beschouwd, moet het middel zo worden begrepen dat het, hoewel dit in het kopje van het middel niet
XII-9593-18/64
wordt aangekondigd, ook de schending van de redelijketermijneis aanvoert, enerzijds doordat de tuchtoverheid nadat zij bij brief van de procureur des Konings van 30 september 2020 in kennis was gesteld dat er opsporingsonderzoeken liepen, pas vijf maanden later voor het eerst bij het parket informeert naar een stand van zaken, en anderzijds doordat er tevens maanden verstreken zijn vooraleer de dienst Toezicht op de interne werking en kwaliteit van de Federale politie (hierna: dienst TIWK) het schrijven van het parket van 30 september 2020 aan de bevoegde tuchtoverheid heeft meegedeeld.
Verzoeker voert in het middel ook de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker acht dat beginsel geschonden doordat (1) de bestreden beslissing steunt op een onzorgvuldige feitenvinding daar de tuchtoverheid louter voortgaat op de eenzijdige verklaringen van de ex-partner van verzoeker, waarvan een herverhoor werd geweigerd, (2) de tuchtoverheid de feiten strafrechtelijk kwalificeert, wat de exclusieve bevoegdheid van het Openbaar Ministerie is, dat de zaken heeft geseponeerd, (3) niet blijkt dat het aanvullend verhoor van drie getuigen bij de besluitvorming werd betrokken. Verzoeker meent voorts dat de feiten niet bewezen zijn en niet als tuchtvergrijp kunnen worden gekwalificeerd en verduidelijkt dit aan de hand van een aantal feitelijke gegevens die hij omstandig detailleert.
Verzoeker voert in het middel ook aan dat het vermoeden van onschuld werd miskend, doordat een tuchtoverheid zich voor het bewijs van de feiten slechts kan steunen op vermoedens indien deze gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend zijn, hetgeen volgens hem hier “bezwaarlijk” het geval is.
Voorts voert verzoeker de schending van het onpartijdigheidsbeginsel aan. Naast een algemene uiteenzetting over wat het onpartijdigheidsbeginsel volgens verzoeker inhoudt, voert verzoeker aan dat de schending van dit beginsel onder meer moet worden gezien in het licht van de overwegingen met betrekking tot de verantwoording van de strafmaat, dat hij de wraking van de hogere tuchtoverheid heeft gevraagd waarvoor hij zijn beweegredenen had uiteengezet, en dat de hogere tuchtoverheid zich reeds in het
XII-9593-19/64
inleidend verslag een mening heeft gevormd over de zaak. Daar de tuchtoverheid zich baseert op het volledige tuchtdossier van verzoeker, acht hij het gepast om op de volgende aspecten te wijzen. Ten eerste verwijst verzoeker naar een door hem opgenomen gesprek met de gewone tuchtoverheid en de hogere tuchtoverheid dat plaatsvond hangende een vorige tuchtprocedure, waaruit hij de partijdigheid van de gewone tuchtoverheid afleidt. Die partijdigheid van de gewone tuchtoverheid zet zich volgens verzoeker door naar de tuchtprocedure die tot de bestreden beslissing heeft geleid. Hij leidt dit af uit het gegeven dat hem door de dienst HRM
van zijn eenheid een dienstvrijstelling werd opgelegd in afwachting van het verdere verloop van het dossier, waarin verzoeker de hand ziet van de gewone tuchtoverheid. Daar die maatregel volgens verzoeker een bestraffend karakter heeft, heeft de gewone tuchtoverheid zich alzo reeds uitgesproken over de schuld van verzoeker. Ook de hogere tuchtoverheid is “gecompromitteerd” daar zij reeds eerder beslissingen met grievend karakter nam in verzoekers dossier. Verzoeker wijst erop dat de hogere tuchtoverheid na kennisneming van het gerechtelijke dossier een einde stelde aan de intrekking van verzoekers dienstwapen, een maatregel die volgens verzoeker een bestraffend karakter had. Voorts wijst hij erop dat hem op een bepaald ogenblik een inleidend verslag werd betekend, samen met een voorstel tot voorlopige schorsing bij ordemaatregel, voorbereid door het personeelslid bij de dienst TIWK dat ook door de hogere tuchtoverheid als gemandateerde was aangewezen. Verzoeker besluit dat de tuchtoverheden sinds 2016 verschillende keren hebben getracht om hem via tuchtprocedures, interne maatregelen en financiële repercussies te bestraffen of in een slecht daglicht te stellen. Voorts voert verzoeker aan dat op het verzoek tot wraking pas in het voorstel van zware tuchtstraf werd geantwoord, na uitvoering van enkele onderzoekshandelingen. De hogere tuchtoverheid had zich volgens verzoeker probleemloos kunnen laten vervangen. Het antwoord op de wraking is volgens verzoeker nietszeggend. Daar de gewone tuchtoverheid beweert slachtoffer te zijn van de feiten, heeft de hogere tuchtoverheid zich door de gewone tuchtoverheid laten beïnvloeden om het ontslag van ambtswege op te leggen, omdat “men”
anders gezichtsverlies zou leiden. Ook inzake de feiten van schending van de geheimhoudingsplicht meent verzoeker dat de tuchtoverheid blijk geeft van vooringenomenheid. Verzoeker verwijst daartoe naar de verklaring van de gewone
XII-9593-20/64
tuchtoverheid bij diens verhoor door het Comité P dat zij vermoedt dat verzoeker achter het vermelde krantenartikel zit. Voorts wijst verzoeker erop dat de tuchtoverheid er niet in slaagt deze feiten te bewijzen en is afgeweken van het advies van de Tuchtraad desbetreffend.
Tot slot voert verzoeker in het tweede middel ook de schending aan van artikel 32tredecies, §§ 1 en 2, van de wet van 4 augustus 1996. Verzoeker wijst erop dat hij in toepassing van deze zogenaamde pestwetgeving een officiële klacht indiende gericht tegen de gewone tuchtoverheid en de vorige en huidige hogere tuchtoverheid. Volgens verzoeker is dit de reden waarom hem een tuchtstraf werd opgelegd.
17. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker aan zijn uiteenzetting over de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel toe dat een herverhoor van zijn ex-partner verduidelijking had kunnen brengen over verzoekers verklaring voor de vaststellingen inzake de vermeende inbraak in de smartphone van zijn ex-partner en inzake de vermeende belaging van zijn ex-partner. Hij wijst erop dat de technische data-analyse veronderstellingen bevat en er dus een overdreven bewijskracht aan wordt toegekend. Voorts voert verzoeker aan dat hij zich niet akkoord kan verklaren dat zonder meer wordt aangenomen dat het bewijs van de feiten mede is gesteund op de uitlezing van de Whatsapp-gesprekken, op het forensisch onderzoek van de smartphone van zijn ex-partner, op de analyse van het dataverkeer en de technische identificatie omtrent de communicatiemiddelen en dat dit lijkt tegen te spreken wat hij aanvoert. Het volstaat niet om zonder meer te beweren dat de opsporingsonderzoeken niet zijn geseponeerd omdat de feiten niet bewezen zouden zijn, maar om andere redenen.
Mochten de feiten bewezen zijn, dan zou verzoeker zijn gedagvaard. Verzoeker wijst er nog op dat aan de processen-verbaal in het opsporingsonderzoek geen bijzondere bewijswaarde kleeft. Wat de getuigenverhoren betreft, zet verzoeker uiteen dat uit de getuigenverhoren van M.V. en V. blijkt dat zijn ex-partner een klacht neerlegde omwille van een wraakactie na het verbreken van de relatie. Zijn ex-partner werd hiermee nooit geconfronteerd, noch met de “divergerende beweringen” van verzoeker, zodat een groter gewicht werd gehecht aan de
XII-9593-21/64
beweringen van zijn ex-partner. Wat de klacht wegens pesten betreft, meent verzoeker dat de verwerende partij niet kan staande houden dat zij daarvan geen weet heeft, daar verzoeker steeds transparant was naar “zijn hiërarchie”. Verzoeker acht het logisch dat hij die klacht niet bijbracht, gelet op het lopende opsporingsonderzoek. Hij wijst erop dat hij bij zijn memorie van wederantwoord wel enkele stukken voegt, waaronder een “deelklacht” met betrekking tot de voorliggende feiten. Verzoeker verwijst voorts naar “p. 20 en 21 van stuk 8-1” van het administratief dossier waaruit zou blijken dat hij daadwerkelijk een klacht indiende tegen de gewone tuchtoverheid maar ook tegen “topofficieren binnen zijn korps”, waaruit hij afleidt dat de pestklacht ontegensprekelijk verband houdt met de bestreden beslissing.
18. In de laatste memorie handhaaft verzoeker wat hij aanvoerde in het verzoekschrift tot nietigverklaring en de memorie van wederantwoord en verduidelijkt hij dit verder. Wat de schending van de redelijketermijneis betreft, komt verzoeker terug op wat hij in het eerste middel aanvoerde, met name dat de verwerende partij niet aantoont dat de tuchtoverheid geen eigen onderzoek kon voeren. Hij herhaalt dat zijn ex-partner kon worden verhoord en dat ook de gewone tuchtoverheid kon worden verhoord, nadat die haar verklaring had afgelegd in het kader van het opsporingsonderzoek. Voorts herhaalt hij dat vijf maanden niet informeren naar de stand van de opsporingsonderzoeken abnormaal lang is. Wat de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het vermoeden van onschuld betreft, voert verzoeker aan dat het standpunt in het auditoraatsverslag dat verzoekers kritiek steunt op zijn subjectieve interpretatie van de feitenvinding niet verklaart waarom het Openbaar Ministerie de beide dossiers zonder gevolg klasseerde.
Voorts bekritiseert verzoeker nogmaals dat de tuchtoverheid inert is gebleven en zijn ex-partner niet zelf heeft verhoord. Verzoeker merkt nog op dat de Tuchtraad op eigen initiatief tot het verhoor van de ex-partner had kunnen overgaan, zodat verzoeker niet kan worden verweten een procedurele mogelijkheid niet te hebben uitgeput. Wat de schending van artikel 32tredecies, §§ 1 en 2, van de wet van 4
augustus 1996 betreft, voegt verzoeker opnieuw enkele stukken toe aan zijn dossier. Hij wijst op de eindbeslissing van het arbeidsauditoraat van 1 februari 2024 waarbij de feiten van geweld en pesterijen bewezen werden verklaard ten
XII-9593-22/64
aanzien van de gewone tuchtoverheid. Verzoeker werpt voor het eerst ook de schending op van artikel 32septies, § 1, van de wet van 4 augustus 1996, daar door de werkgever geen bewarende maatregelen werden getroffen naar aanleiding van zijn klacht en hij zet de procedure desbetreffend uiteen. Wat de schending van artikel 32tredecies, §§ 1 en 2, van de wet van 4 augustus 1996 betreft, wijst verzoeker erop dat de bewijslast dat de bestreden beslissing vreemd is aan de door verzoeker ingediende klacht op de werkgever berust en dat de verwerende partij niet voldoet aan die bewijslast daar zij verklaarde niet op de hoogte te zijn geweest van de klacht van verzoeker tegen enkele van zijn leidinggevenden. Verzoeker besluit dat het vast staat dat de gewone tuchtoverheid een sturende rol had in de tuchtprocedure. Dat blijkt volgens verzoeker uit het door hem opgenomen gesprek met de gewone tuchtoverheid op 5 april 2019 en het gegeven dat de gewone tuchtoverheid op de hoogte was van de communicatie en informatie tussen het parket enerzijds en de hogere tuchtoverheid en dienst TIWK anderzijds.
Beoordeling
Inzake de schending van de redelijketermijneis
19. In het tussenarrest nr. 255.993 van 9 maart 2023 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over dit middel voorlopig als volgt geoordeeld:
“22. Wat de schending betreft van de redelijketermijnvereiste, bestaat geen absolute drempel waaronder of waarboven de duur van een tuchtprocedure noodzakelijkerwijze redelijk of onredelijk is. De beoordeling van het normale of abnormale karakter van de duur van een tuchtprocedure gebeurt immers in het licht van de omstandigheden van de zaak en aan de hand van de volgende criteria: de complexiteit van de zaak, de houding van degene lastens wie een tuchtprocedure wordt gevoerd en van de bevoegde autoriteiten, alsook het belang van de zaak voor de betrokken partijen. De enkele kritiek dat een procedure lang heeft geduurd en, meer algemeen, de absolute tijdsduur ervan, volstaat aldus op zich niet om te besluiten tot het onredelijk karakter ervan. Te dezen komt het aan verzoeker toe voldoende aannemelijk te maken dat die duur, in het licht van de omstandigheden van de zaak en aan de hand van de voormelde criteria, abnormaal lang is.
Anders dan hoe verzoeker het ziet, miskent het enkele gegeven dat (pas) op 12 februari 2021 de tuchtoverheid een eerste maal informeert bij de procureur des Konings naar de stand van zaken, op zich niet de redelijke termijn, noch getuigt dit op zich van een niet-toegelaten inertie van de tuchtoverheid. Het komt aan
XII-9593-23/64
verzoeker toe in concreto aannemelijk te maken dat die duur, […] in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak en aan de hand van de voormelde criteria, abnormaal lang is, hetgeen hij niet doet. Hij beperkt zich immers tot het vaststellen van de duur, tot de blote bewering dat, naar zijn mening, ‘de beoordeling door de Tuchtraad hieromtrent niet gevolgd (kan) worden’, en tot de affirmatie dat ‘hoedanook (…) het stilzitten van de tuchtoverheid gedurende een termijn van vijf maanden, gelet op de concrete omstandigheden, onredelijk (is)’, doch hij verzuimt uiteen te zetten waarom zulks in concreto zo is. In de mate dat verzoeker zich beperkt tot het zich stellen van de vraag ‘welke parallelle onderzoeksdaad de overheid zou kunnen/moeten gevoerd hebben die het opsporingsonderzoek redelijkerwijze kon hinderen’, is die kritiek op het eerste gezicht niet ontvankelijk nu het aan verzoeker toekomt aannemelijk te maken waarin de schending precies bestaat en hij zich hierbij niet kan beperken tot het in vraag stellen van de regeling.
Wat de kritiek betreft dat er maanden zijn verstreken vooraleer de dienst TIWK het schrijven van het parket van 30 september 2020 aan de bevoegde tuchtoverheid heeft meegedeeld, maakt verzoeker niet aannemelijk in welke mate deze feitelijkheid de bestreden beslissing heeft beïnvloed. Zoals uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken (zie supra, punt 11), bevatten de brieven van de procureur des Konings van 20 september 2020 onvoldoende duidelijke informatie over de ten laste gelegde feiten, het bewijs ervan en de toerekenbaarheid om als kennisgeving in de zin van artikel 56 van de tuchtwet te kunnen worden beschouwd.
Het gegeven dat er maanden zijn verstreken vooraleer de dienst TIWK die brieven heeft bezorgd aan de bevoegde tuchtoverheid is op het eerste gezicht in dat kader irrelevant, nu verzoeker niet aanvoert en dus niet aannemelijk maakt dat een vroegere verzending een weerslag had gehad op de bestreden beslissing, of dat hierdoor de redelijketermijnvereiste werd miskend. Uit wat voorafgaat volgt dat op het eerste gezicht niet blijkt dat de door verzoeker aangevoerde grief een invloed kon uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, aan verzoeker een waarborg heeft ontnomen of als gevolg had dat ze de bevoegdheid van de steller van de handeling beïnvloedde. Aldus heeft verzoeker prima facie geen belang bij de grief en kan die overeenkomstig artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, geen aanleiding geven tot een nietigverklaring en derhalve ook niet tot de schorsing.
Het tweede middel is in die mate niet ernstig.”
20. Verzoeker volhardt in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie in zijn standpunt uiteengezet in het verzoekschrift, zonder in te gaan op de overwegingen in het schorsingsarrest. In de laatste memorie herneemt verzoeker enkel gedeeltelijk de reeds in het eerste middel aangevoerde en beoordeelde grief dat de tuchtoverheid een eigen onderzoek had kunnen voeren.
In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het middelonderdeel thans ongegrond te bevinden.
21. Het middelonderdeel is ongegrond.
XII-9593-24/64
Inzake de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel
22. In het tussenarrest nr. 255.993 van 9 maart 2023 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over dit middel voorlopig als volgt geoordeeld:
“24. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaan niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
25. In zoverre verzoeker van oordeel is dat de bestreden beslissing steunt op een onzorgvuldige feitenvinding omdat ze louter steunt op de eenzijdige klacht van zijn ex-partner, die eveneens politieambtenaar is en die, naar verzoeker stelt, hem ‘absoluut wou benadelen omwille van diens initiatief tot het verbreken van de relatie’ wordt vastgesteld dat verzoeker dit louter poneert en dit argument ontwikkelt hierbij volledig abstractie makend van de nochtans zeer omstandige motivering van de bestreden beslissing. Niettegenstaande de omstandige formele motivering duidt verzoeker geen enkel element aan waaruit blijkt dat de hogere tuchtoverheid zich bij zijn tuchtdossier enkel heeft gebaseerd op de eenzijdige klacht van de ex-partner. Zijn kritiek betreft aldus op het eerste gezicht enkel een eigen subjectieve appreciatie van de feitenvinding. Een dergelijke eigen aanname, veronderstelling en kritiek zonder enig begin van bewijs volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing onzorgvuldig tot stand is gekomen. Overigens bemerkt de Raad van State, verwijzend naar zijn navolgende beoordeling van het vierde middel (zie infra, punt 53 e.v.), dat uit de bestreden beslissing en inzonderheid uit het onderdeel ervan betreffende het bewijs en de toerekening van de tuchtfeiten, het bewijs van de feiten mede is gesteund op de uitlezing van Whatsapp-gesprekken gevoerd tussen hemzelf en zijn ex-partner – en dus berichten betreft die hij zelf heeft gestuurd-, op het forensisch onderzoek van de smartphone van I.M., de analyse van dataverkeer en de technische identificatie omtrent de communicatiemiddelen, zodat dit alleen al lijkt tegen te spreken wat verzoeker thans zonder enig begin van bewijs aanvoert.
26. In zoverre verzoeker van oordeel is dat de hogere tuchtoverheid onzorgvuldig is geweest door het door verzoeker gevraagde verhoor van I.M. te weigeren, past het deze grief te kaderen in de in artikel 38quinquies, eerste lid, van de tuchtwet voorziene mogelijkheid tot horen van getuigenverklaringen. Deze bepaling laat de hogere tuchtoverheid toe ‘de nuttige getuigenverklaringen die zij nodig acht’ te horen, ambtshalve of op verzoek. Zij beslist daar discretionair over in functie van haar verplichting om een zorgvuldig feitenonderzoek te voeren en de feiten die zij
XII-9593-25/64
aldus bewezen acht, gepast te beoordelen. Het is de hogere tuchtoverheid die te dien aanzien moet uitmaken of, in het kader van een correcte feitenvinding, het voorgestelde getuigenverhoor een meerwaarde aan het onderzoek kan verlenen en dat zij in functie daarvan een aangevraagd getuigenverhoor kan weigeren of toestaan.
Te dezen wordt vastgesteld dat in de kennisgeving van de waarnemende directeur-generaal aan verzoeker inzake ‘de verlenging van de termijn met de noodzakelijke termijn, bedoeld in artikel 38sexies van de Tuchtwet, teneinde artikel 38quinquies van de Tuchtwet toe te passen’ van 6 januari 2022, het volgende is te lezen:
‘3. Opdracht.
[…]
U motiveert uw verzoek tot het verhoren van hogergenoemde personen als volgt:
[…]
o het verhoor van I.M.
U motiveert uw verzoek tot haar verhoor omdat deze nuttige uitleg kan verschaffen over haar uitlatingen ten aanzien van u, die zijn ingegeven door haar onvrede voor het beëindigen van de relatie.
[…]
4. Beslissing […]
Ik motiveer mijn beslissing om I.M. niet bijkomend te laten verhoren als volgt:
De verhoren van I.M., voorhanden in het overgemaakte strafdossier, lijken mij te volstaan om de contextuele situatie te kunnen schetsen.’ Verzoeker beperkt zich in zijn grief tot de blote kritiek dat het gevraagde herverhoor werd geweigerd, hierbij louter ponerend dat men zich klaarblijkelijk al een beeld had gevormd op basis van de verklaring van I.M. en op basis van de betrokkenheid van de gewone tuchtoverheid als slachtoffer, hierbij volledig abstractie makend van de voormelde redengeving waarom het verhoor werd geweigerd. Aldus geeft hij evenmin aan waarom de reden om verhoor te weigeren, niet deugdelijk zou zijn, derwijze dat het niet-ingaan op zijn vraag tot horen, tot gevolg heeft dat de tuchtstraf onregelmatig is omdat niet alle elementen van de zaak behoorlijk onderzocht werden en zodoende de zorgvuldige besluitvorming heeft geschonden. Zijn kritiek betreft aldus op het eerste gezicht enkel een eigen subjectieve appreciatie van de reden van de weigering van het verhoor. Een dergelijke eigen aanname, veronderstelling en kritiek zonder enig begin van bewijs volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing onzorgvuldig tot stand is gekomen. Overigens bemerkt de Raad van State dat verzoeker, om redenen die hem eigen zijn, in zijn verweer niet doet blijken dat hij de Tuchtraad niet vroeg toepassing te maken van artikel 49 van de tuchtwet om alzo toch I.M. te kunnen laten horen, noch dat hij deze grief voorlegde aan de Tuchtraad ten einde die toe te laten deze grief op zijn merites te onderzoeken. Hij betrekt dit niet-uitputten van een procedurele mogelijkheid evenmin bij zijn kritiek. Deze grief mist derhalve de vereiste ernst.
27. In zoverre verzoeker doet gelden dat de hogere tuchtoverheid in het inleidend verslag, in het voorstel tot zware straf en in de bestreden beslissing de tenlastegelegde feiten strafrechtelijk kwalificeert en interpreteert, verzuimt verzoeker op het eerste gezicht om dit ook maar op enige wijze aannemelijk te maken. Aldus komt hij tekort aan zijn stelplicht die te dezen geldt.
Ten overvloede bemerkt de Raad van State alvast, op het eerste gezicht, dat uit de kwalificatie van de tuchtvergrijpen (zie supra, pt 3.2) op geen enkele wijze blijkt dat deze strafrechtelijk gekwalificeerd werden. Voorts kan niet worden betwist dat het Openbaar Ministerie de lopende opsporingsonderzoeken niet geseponeerd heeft omdat de feiten die het voorwerp ervan zijn, niet bewezen zouden zijn, maar wel om
XII-9593-26/64
andere redenen. De hogere tuchtoverheid kon derhalve op basis van een analyse van de strafdossiers de feiten voor bewezen houden zonder deze strafrechtelijk te kwalificeren. Deze grief mist derhalve de vereiste ernst.
28. In zoverre verzoeker doet gelden dat niet blijkt dat de positieve elementen uit de drie aanvullende verhoren betrokken werden bij de besluitvorming, blijkt prima facie uit de bestreden beslissing en inzonderheid uit de hierna geciteerde rubriek ‘bewijs en toerekening van de tuchtfeiten’ (zie infra, punt 56) dat deze drie aanvullende verhoren in de besluitvorming wel betrokken werden. Zulks lijkt te volstaan, te meer dat verzoeker verzuimt dit gegeven bij zijn kritiek te betrekken en aldus tekort komt aan zijn stelplicht. Op de tuchtoverheid rust immers, vanuit het oogpunt van de zorgvuldige feitenvinding, slechts de plicht alle nuttige gegevens bij de besluitvorming te betrekken. De omstandigheid dat aan die (welwillendheids)getuigen niet het door verzoeker gewenste (positieve) gevolg wordt gekoppeld, toont op zich niet aan dat de tuchtoverheid onzorgvuldig is geweest bij de feitenvinding, tenzij verzoeker het tegendeel aannemelijk maakt. Dat doet verzoeker niet, zodat hij te dezen tekort schiet in zijn stelplicht aangezien hij zich beperkt tot het zonder meer louter poneren dat niet blijkt dat de positieve elementen – hierbij de vraag openlatend dewelke dat te dezen zijn – bij de besluitvorming betrokken werden. Deze grief mist derhalve de vereiste ernst.
29. In zoverre verzoeker inzake de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel nog gewag maakt van het gebrek aan bewijs van de feiten en hun kwalificatie als tuchtvergrijp, en daarbij verwijst naar een aantal gegevens die volgens hem niet bij de besluitvorming betrokken werden, wordt vastgesteld dat deze kritieken ontwikkeld worden hierbij volledig abstractie makend van de (omstandige)
motivering van de bestreden beslissing inzake het bewijs van de hem ten laste gelegde feiten. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid, zodat het voor een verzoeker niet volstaat om elementen aan te voeren die volgens verzoeker niet bij de besluitvorming werden betrokken, zonder hierbij aannemelijk te maken dat, door dit niet te doen, de besluitvorming op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden derwijze dat de bestreden beslissing hierdoor onwettig is. Dat doet verzoeker niet. Hij beperkt zich tot het opzij schuiven van de redenen waarom de feiten bewezen zijn en gekwalificeerd worden als tuchtvergrijp en tot te wijzen op een aantal andere feitelijkheden om aan te tonen dat, naar zijn overtuiging, de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
In het licht hiervan gaat verzoeker, met de blote kritiek dat het te dezen om loutere vermoedens gaat die op geen enkele wijze bewezen zijn verklaard, en dat de hogere tuchtoverheid is voorbijgegaan aan het feit dat I.M. met het indienen van haar klacht wraak wilde nemen, op het eerste gezicht volkomen voorbij aan de motivering in de bestreden beslissing en inzonderheid aan het onderdeel ervan betreffende het bewijs en de toerekening van de tuchtfeiten. Daaruit blijkt op het eerste gezicht dat de feiten bewezen worden geacht op grond van niet louter de verklaring van zijn ex-partner, maar dat de feitenvinding mede is gesteund op de uitlezing van Whatsapp-gesprekken gevoerd tussen hemzelf en zijn ex-partner – en dus berichten betreft die hij zelf heeft gestuurd -, op het forensisch onderzoek van de smartphone van I.M., de analyse van dataverkeer en de technische identificatie omtrent de communicatiemiddelen. Overigens wordt bemerkt dat de omstandigheid dat een deel van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten zich in de privésfeer voordeden, op zich niet bepalend is voor de vraag of die feiten een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt. Dit alles lijkt tegen te spreken wat verzoeker thans zonder enig begin van bewijs aanvoert.
In zoverre verzoeker aanneemt dat wegens het ontbreken van een voorafgaand onderzoek ‘de tuchtoverheid de feiten geïnterpreteerd heeft op een wijze die nefast is voor verzoeker’ en dat door het ontbreken van dat onderzoek niet is uitgegaan van de juiste feiten, is vooreerst vast te stellen dat de in artikel 38 van de tuchtwet
XII-9593-27/64
voorziene mogelijkheid om een voorafgaand onderzoek te bevelen wanneer de zaak voor de bevoegde tuchtoverheid onvoldoende duidelijk is om onmiddellijk een inleidend verslag op te stellen, geen verplichting is. Niets belet aldus dat de hogere tuchtoverheid ook zonder een dergelijk onderzoek onmiddellijk een inleidend verslag opstelt. De enkele omstandigheid dat geen vooronderzoek is gevoerd ter bepaling of de tuchtoverheid met kennis van zaken kan beslissen, doet derhalve op zich niet blijken dat de tuchtoverheid niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld bij de feitenvinding. Het komt aan verzoeker toe dat aannemelijk te maken. De enkele omstandigheid dat hij zelf nog ‘aanvullende onderzoeksdaden’ –
verzoeker doelt allicht op de getuigenverhoren waarom hij heeft verzocht –
voorstelde, doet op zich hiervan niet blijken nu die mogelijkheid steeds aan verzoeker toekomt, ook in het geval dat een voorafgaand onderzoek zou zijn gevoerd.
30. Het tweede middel is in die mate niet ernstig.”
23. Verzoeker volhardt in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie in zijn standpunt uiteengezet in het verzoekschrift, zonder in te gaan op de overwegingen in het schorsingsarrest. In de mate dat verzoeker in de memorie van wederantwoord voor het eerst opwerpt dat verzoekers verklaring voor de vaststellingen inzake de vermeende inbraak in de smartphone van zijn ex-partner en inzake de vermeende belaging van zijn ex-partner, nooit werd onderzocht, alsook dat de technische data-analyse veronderstellingen bevat, geeft hij op laattijdige – en dus niet-ontvankelijke – wijze een nieuwe invulling aan het middelonderdeel. Ook ter weerlegging van de overwegingen uit het schorsingsarrest dat het bewijs van de feiten, in tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, niet enkel steunt op de verklaring van zijn ex-partner, maar ook op een reeks andere stukken en gegevens, kan verzoeker niet volstaan met het zich “uiteraard niet akkoord verklaren”. Verzoekers standpunt dat desbetreffend ten onrechte een bijzondere bewijswaarde wordt toegekend aan de processen-verbaal in de strafdossiers, doet niet anders oordelen. Verzoeker steunt dit argument immers op de foute premisse dat het Openbaar Ministerie de feiten niet bewezen achtte, want dat hij anders zou zijn gedagvaard. Het Openbaar Ministerie heeft duidelijk aangegeven waarom het besloot tot seponering, met name wegens “voorrang aan de tuchtrechtelijke afhandeling” en wegens “misdrijf van relationele aard”. Daaruit kan verzoeker niet afleiden dat het Openbaar Ministerie de feiten niet bewezen achtte. Daargelaten of “de” door verzoeker niet nader gepreciseerde processen-verbaal al dan niet met een bijzondere bewijswaarde zijn bekleed, zet verzoeker niet uiteen waarom de tuchtoverheid zich niet mocht steunen op die
XII-9593-28/64
processen-verbaal om de feiten te bewijzen noch waarom de tuchtoverheid alzo onzorgvuldig zou handelen. Het loutere gegeven dat de Tuchtraad uit eigen beweging zijn ex-partner had kunnen verhoren – een argument dat verzoeker in de laatste memorie opwerpt –, weerlegt de hiervoor weergegeven motivering in het schorsingsarrest ter verwerping van de grief dat zij niet werd herverhoord, niet.
Verzoeker maakt immers niet aannemelijk dat de bestreden beslissing hierdoor op een onzorgvuldige wijze zou zijn tot stand gekomen.
In zoverre verzoeker voor het eerst in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, toont verzoeker niet aan dat hij die niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het middelonderdeel thans ongegrond te bevinden.
24. Het middelonderdeel is ongegrond.
Inzake de schending van het vermoeden van onschuld
25. Wat de aangevoerde schending van het vermoeden van onschuld betreft, beperkt verzoeker zich tot het standpunt dat een tuchtoverheid zich voor het bewijs van de feiten slechts kan steunen op vermoedens indien deze gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend zijn, hetgeen volgens hem hier “bezwaarlijk” het geval is. Waarom dit zo zou zijn, verduidelijkt verzoeker niet, zodat hij tekortschiet in zijn stelplicht.
26. Het middelonderdeel is derhalve niet-ontvankelijk.
XII-9593-29/64
Inzake de schending van het onpartijdigheidsbeginsel
27. In het tussenarrest nr. 255.993 van 9 maart 2023 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over dit middel voorlopig als volgt geoordeeld:
“32. Het onpartijdigheidsbeginsel, zoals van toepassing op organen van het actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de personeelsleden en de leden van bestuurlijke organen die mede een beslissing nemen, als de structurele onpartijdigheid van die personeelsleden en bestuurlijke organen op het vlak van de organisatie van deze organen, het verloop van de procedure en het tot stand komen van hun beslissingen.
Verzoeker voert in wezen de subjectieve partijdigheid aan van de hogere tuchtoverheid. Voor zover van toepassing op organen van het actief bestuur, houdt dat te dezen in dat de hogere tuchtoverheid zich moet onthouden van deelname aan het besluitvormingsproces in de voorliggende tuchtzaak indien zij een persoonlijk en rechtstreeks belang heeft bij die zaak. Dit kan ook een moreel belang zijn, onder meer wanneer de hogere tuchtoverheid reeds een duidelijk standpunt heeft ingenomen en niet zonder gezichtsverlies op dat standpunt zou kunnen terugkomen.
Subjectieve partijdigheid wordt evenwel niet vermoed en mag slechts worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die deze partijdigheid aantonen. Een loutere subjectieve indruk van partijdigheid volstaat niet om de aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel aannemelijk te maken.
Het komt aan verzoeker toe de daadwerkelijke vooringenomenheid van de hogere tuchtoverheid in de voorliggende tuchtzaak aan te tonen.
33. Verzoeker brengt verschillende aanwijzingen aan die volgens hem de partijdigheid van de hogere tuchtoverheid aantonen. Zij worden hierna op hun merites onderzocht.
Vooreerst wijst verzoeker erop dat hij een wrakingsverzoek heeft ingediend tegen de hogere tuchtoverheid dat verworpen werd. Het enkele feit dat de bevoegde tuchtoverheid een wrakingsverzoek heeft verworpen volstaat op zich niet om aan te nemen dat de hogere tuchtoverheid niet meer in staat zou zijn om op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in de zaak van verzoeker, ook niet als verzoeker meent dat volgens hem hij ‘gegronde redenen’ had om een verzoek tot wraking in te dienen. Het komt aan verzoeker toe om met bijkomende en specifieke objectieve gegevens aannemelijk te maken dat zulks te dezen wel het geval zou zijn. Verzoeker reikt die niet aan. De kritiek dat het wrakingsverzoek pas werd verworpen in het voorstel van zware tuchtstraf, waarbij volgens verzoeker dat antwoord ‘nietszeggend’ was, doet zulks alvast niet blijken nu die kritiek niet meer lijkt te zijn dan een individuele overtuiging, die te dezen niet volstaat om aan te nemen dat de hogere tuchtoverheid niet met de vereiste afstandelijkheid en onpartijdigheid heeft besloten.
Eenzelfde vaststelling geldt wat verzoekers mening betreft dat ‘reeds op basis van de overwegingen in het inleidend verslag’ de hogere tuchtoverheid zich reeds publiekelijk een mening heeft gevormd over de tuchtzaak. Ook wat deze aanwijzing betreft, laat verzoeker na bijkomende en specifieke gegevens aan te reiken waaruit precies in het inleidend verslag de aangevoerde vooringenomenheid zou blijken. Hij komt aldus tekort aan zijn stelplicht.
XII-9593-30/64
In zoverre dat verzoeker een aanwijzing van de vooringenomenheid ziet in het feit dat tijdens een nog lopende vorige tuchtprocedure een gesprek, dat verzoeker (eenzijdig) opnam, werd gevoerd en waarbij de gewone tuchtoverheid en de vroegere titularis van de functie van hogere tuchtoverheid aanwezig waren, en op grond waarvan volgens verzoeker kan worden getwijfeld aan de onpartijdigheid van de hogere tuchtoverheid, gaat verzoeker op het eerste gezicht voorbij aan het feit dat de titularis van de functie van hogere tuchtoverheid die de thans bestreden tuchtstraf oplegde, niet op dat gesprek aanwezig was. Anders dan hoe verzoeker het lijkt te zien, kleeft de aard van de subjectieve onpartijdigheid waarvan hij te dezen gewag maakt niet aan de functie maar aan de persoon die de functie uitoefent en zulks los van de vraag of een dergelijk gesprek in het kader van een voorgaande tuchtprocedure lastens verzoeker tussen andere gesprekspartners dan de hogere tuchtoverheid zelf, het vermoeden keert dat de hogere tuchtoverheid zijn leidend mandaat op een integere en onpartijdige manier vervult en zonder dat in deze stand van het geding moet worden onderzocht of het door verzoeker uitgeschreven, eenzijdig opgenomen audio-gesprek waaruit die vooringenomenheid zou blijken, rechtmatig als overtuigingsstuk mag worden aangewend. In zoverre verzoeker wijst op de uit dat gesprek blijkende vooringenomenheid van de gewone tuchtoverheid, die wel op dat gesprek aanwezig was, stelt de Raad van State vast dat uit niets blijkt dat de gewone tuchtoverheid de hogere tuchtoverheid heeft kunnen beïnvloeden nu niet blijkt dat hij heeft deelgenomen aan de besluitvorming.
In zoverre verzoeker een aanwijzing ziet in het feit dat de gewone tuchtoverheid verzoeker, in afwachting van het verdere verloop van de tuchtprocedure, vrij van dienst stelde en waarbij volgens verzoeker die maatregel een bestraffend en willekeurig karakter vertoont, gaat verzoeker er aan voorbij dat deze maatregel definitief is, zodat de onregelmatigheid of onwettigheid ervan niet meer in vraag kan worden gesteld. Verzoekers kritiek dat die maatregel een bestraffend karakter vertoont behoeft bijgevolg geen verdere beoordeling. De enkele omstandigheid dat verzoeker een ordemaatregel, zoals de dienstvrijstelling er een lijkt te zijn, werd opgelegd in de loop van de voorliggende procedure, houdt op zich niet het bewijs van partijdigheid van de hogere tuchtoverheid in, te meer dat bij een ordemaatregel er geen uitspraak wordt gedaan over de schuld van verzoeker. Voorts blijkt niet dat die maatregel door de hogere tuchtoverheid werd opgelegd en uit niets blijkt dat, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert of veronderstelt, de hogere tuchtoverheid die maatregel heeft opgedragen. Ook wat deze aanwijzing betreft, laat verzoeker aldus op het eerste gezicht na bijkomende en specifieke gegevens aan te reiken die aantonen dat de hogere tuchtoverheid doet blijken van vooringenomenheid.
Eenzelfde conclusie geldt wat de teruggave van het dienstwapen betreft, nadat dit eerder was ingetrokken. De enkele omstandigheid dat de directeur-generaal van de gerechtelijke politie een einde stelt aan de intrekking van het dienstwapen, houdt op zich niet het bewijs van partijdigheid van de hogere tuchtoverheid in wanneer die erna besluit de tuchtvordering in te stellen. Hetzelfde geldt wat verzoekers kritiek betreft dat de kennisgeving van dat inleidend verslag werd gevolgd door een voorstel tot schorsing bij ordemaatregel. Ook wat deze aanwijzingen betreft, laat verzoeker aldus op het eerste gezicht na bijkomende en specifieke gegevens aan te reiken die aantonen dat de hogere tuchtoverheid doet blijken van vooringenomenheid. In de mate dat verzoeker voorts vindt dat de intrekking van het dienstwapen een bestraffend karakter heeft, verliest verzoeker ook wat deze maatregel betreft, uit het oog dat die definitief is zodat de onregelmatigheid of onwettigheid ervan niet meer in vraag kan worden gesteld. Verzoekers kritiek dat die maatregel een bestraffend karakter vertoont behoeft bijgevolg geen verdere beoordeling en kan er niet toe leiden dat er vooringenomenheid is aangetoond.
Voorts verzuimt verzoeker zijn overtuiging dat de hogere tuchtoverheid van buitenaf onder druk werd gezet – door hoofdcommissaris P. – om de bestreden
XII-9593-31/64
beslissing te nemen, te ondersteunen met bijkomende en specifieke gegevens ter zake waaruit zou kunnen blijken dat de hogere tuchtoverheid niet meer in volle vrijheid zou hebben kunnen oordelen. De enkele omstandigheid dat hoofdcommissaris P. volgens verzoeker een persoonlijk belang heeft bij het voorliggende tuchtdossier volstaat geenszins ter zake.
Verzoeker wijst er ten slotte nog op dat zelfs wanneer de Tuchtraad oordeelt dat bepaalde feiten niet bewezen zijn of als tuchtvergrijp gekwalificeerd kunnen worden, de hogere tuchtoverheid volgens hem zonder doorslaggevende argumenten afwijkt van dit advies. Deze stelling wordt louter geponeerd – volledig [abstractie]
makend van de motivering voor die afwijking zoals die is vervat in de intentie tot afwijken van dat advies – zonder concreet te verduidelijken waarom zulks aantoont dat de hogere tuchtoverheid doet blijken van vooringenomenheid.
Uit wat voorafgaat volgt dat op het eerste gezicht verzoeker het bewijs van subjectieve partijdigheid niet levert. De subjectieve onpartijdigheid die verzoeker in wezen aanvoert in de vorm van een individuele overtuiging, volstaat te dezen niet om aan te nemen dat de hogere tuchtoverheid niet met de vereiste afstandelijkheid en onpartijdigheid heeft besloten.
Aangezien geen schending van het onpartijdigheidsbeginsel aannemelijk is gemaakt, doet bijgevolg niet ter zake, de verwijzing door verzoeker, als alternatief om de schending van het onpartijdigheidsbeginsel te vermijden, naar de volgens hem bestaande mogelijkheid voor de hogere tuchtoverheid om zich te laten vervangen.
34. Het tweede middel is in die mate niet ernstig.”
28. Noch in de memorie van wederantwoord noch in de laatste memorie gaat verzoeker nog in op de aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel.
In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het middelonderdeel thans ongegrond te bevinden.
29. Het middelonderdeel is ongegrond.
Inzake de schending van artikel 32tredecies, §§ 1 en 2, van de wet van 4 augustus 1996
30. In het tussenarrest nr. 255.993 van 9 maart 2023 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over dit middel voorlopig onder meer als volgt geoordeeld:
XII-9593-32/64
“35. De te dezen relevante bepalingen van de welzijnswet luiden:
‘Art. 32tredecies. § 1. De werkgever mag noch de arbeidsverhouding van de werknemers bedoeld in § 1/1 beëindigen noch een nadelige maatregel treffen ten aanzien van dezelfde werknemers na de beëindiging van de arbeidsverhoudingen, behalve om redenen die vreemd zijn aan het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, de klacht, de rechtsvordering of de getuigenverklaring.
(…).
§ 1/1. Genieten de bescherming bedoeld in paragraaf 1:
(…).
3° de werknemer die een klacht heeft ingediend bij de politiediensten, bij het openbaar ministerie of bij de onderzoeksrechter, waarbij hij hun tussenkomst verzoekt om één van de volgende redenen:
a) de werkgever heeft geen preventieadviseur gespecialiseerd in de psychosociale aspecten van het werk aangeduid;
b) de werkgever heeft niet voorzien in procedures die in overeenstemming zijn met afdeling 2 van dit hoofdstuk;
c) volgens de werknemer heeft het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk er niet toe geleid dat een einde werd gesteld aan de feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk;
d) volgens de werknemer werden de procedures van afdeling 2 van dit hoofdstuk niet wettig toegepast;
e) de interne procedure is niet geschikt, gelet op de ernst van de feiten waarvan hij het voorwerp is geweest;
4° (…).
§ 2. De bewijslast van de in § 1 bedoelde redenen en rechtvaardiging berust bij de werkgever, wanneer de arbeidsverhouding werd beëindigd of de maatregelen werden getroffen binnen twaalf maanden volgend op het indienen van een verzoek tot interventie, het indienen van een klacht of het afleggen van een getuigenverklaring.
Deze bewijslast berust eveneens bij de werkgever wanneer deze beëindiging plaatsvond of deze maatregel werd getroffen nadat een rechtsvordering werd ingesteld, en dit tot drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.
(…).’ Naar luid van artikel 32tredecies, § 1, eerste lid, van de welzijnswet mag de werkgever noch de arbeidsverhouding van de werknemers bedoeld in paragraaf 1/1
beëindigen, noch een nadelige maatregel treffen ten aanzien van dezelfde werknemers na de beëindiging van de arbeidsverhoudingen, behalve om redenen die vreemd zijn aan het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, de klacht, de rechtsvordering of de getuigenverklaring.
Op grond van artikel 32tredecies, § 2, van de welzijnswet berust de bewijslast van de in paragraaf 1 bedoelde redenen en rechtvaardiging bij de werkgever, wanneer de arbeidsverhouding werd beëindigd of de maatregelen werden getroffen binnen twaalf maanden volgend op – onder meer – het indienen van een klacht.
36. De door artikel 32tredecies van de welzijnswet geboden bescherming heeft betrekking op represailles van de werkgever die het gevolg zijn van het indienen van het verzoek tot formele psychosociale interventie.
Artikel 32tredecies van de welzijnswet wil de werknemer beschermen tegen represailles die geïnspireerd zijn door het feit zelf van het indienen van de klacht.
De door artikel 32tredecies van de welzijnswet geboden bescherming sluit evenwel
XII-9593-33/64
niet uit dat de nadelige maatregel – te dezen de zware tuchtstraf tot ontslag van ambtswege – wordt gerechtvaardigd door redenen die afgeleid zijn uit feiten die in het verzoek tot interventie als pesterijen worden aangemerkt. Dat er een verband bestaat met die feiten, verhindert niet het nemen van de maatregel. Alleen mag de maatregel niet het (rechtstreekse) gevolg zijn van het indienen van de klacht.
37. Voorafgaand bemerkt de Raad van State dat verzoeker zijn klacht niet overlegt, zodat niet kan worden nagegaan of die klacht, zoals hij stelt in het verzoekschrift, ‘bij uitbreiding’ ook is gericht tegen de huidige titularis van de functie van hogere tuchtoverheid. Dit verzuim belet dat verzoekers bewering niet op haar merites kan worden getoetst. Ter terechtzitting stelt verzoeker in zijn pleitnota weliswaar dat het ‘logisch’ is dat hij die klacht niet bijbrengt ‘gelet op het lopende opsporingsonderzoek,’ maar los van de vraag of dit een wettige reden is om dit van hemzelf uitgaande stuk aan het wettigheidstoezicht van de Raad van State te onttrekken door het niet aan de Raad van State voor te leggen – desgevallend met toepassing van artikel 87, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948
‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak [van de Raad van State]’ (hierna: algemene procedureregeling) – gaat thans dit argument niet (meer) op, nu verzoeker ter terechtzitting en in de voornoemde pleitnota erkent dat hij sinds 12 december 2022 inzage in het kwestieuze dossier heeft en overigens andere stukken uit dat dossier wel overlegt en voegt bij de pleitnota. Uit wat voorafgaat volgt aldus dat verzoeker aan de hand van de door verzoeker overgelegde stukken aldus niet aannemelijk maakt dat de titularis van het ambt van hogere tuchtoverheid op het ogenblik van het nemen van zijn bestreden beslissing kennis had of moest hebben van een pestklacht die lastens hem zou zijn ingediend.
Het standpunt van de verwerende partij wordt prima facie daarom ter zake bijgevallen.
Los van het voorgaande, maakt in elk geval in de huidige stand van het geding de verwerende partij aannemelijk dat, anders dan hoe verzoeker het in de voorliggende grief ziet, de verzoeker in de bestreden beslissing verweten feiten bewezen zijn, zoals blijkt uit de navolgende beoordeling van het vierde middel (zie infra, punt 53
e.v.). Er wordt naar verwezen. Niet blijkt aldus dat de verzoeker verweten feiten, zoals verzoeker aanvoert, terug te brengen zijn tot het indienen door verzoeker van zijn klacht bij de algemene inspectie van de Federale en de Lokale politie. […]
Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker niet aantoont dat de verwerende partij niet is geslaagd in de op haar rustende bewijslast dat de bestreden beslissing is ingegeven door redenen die vreemd zijn aan het indienen van een klacht wegens pesten.
Verzoekers standpunt dat het indienen van de klacht wegens pesten reden is van zijn ontslag, wordt in de huidige stand van het geding niet bijgevallen.
Het middel is in die mate niet ernstig.”
31. Verzoeker volhardt in de memorie van wederantwoord in zijn standpunt uiteengezet in het verzoekschrift, zonder in te gaan op de overwegingen in het schorsingsarrest. Hij beperkt zich ertoe door hem geselecteerde stukken uit het dossier van het arbeidsauditoraat te voegen bij de memorie van wederantwoord, evenwel zonder uiteen te zetten hoe hieruit zou volgen dat de ingediende pestklacht verband houdt met de bestreden tuchtbeslissing. Ook de verwijzing naar “p. 20 en 21 van stuk 8-1” van het administratief dossier doet niet anders oordelen, daar deze verwijzing niet klopt en het niet duidelijk is waarop die
XII-9593-34/64
verwijzing wel slaat, laat staan dat eruit zou blijken dat verzoekers klacht “[o]ntegensprekelijk” verband houdt met de bestreden beslissing.
Bij de laatste memorie voegt verzoeker opnieuw enkele stukken uit het dossier van het arbeidsauditoraat toe, alsook de brief van het arbeidsauditoraat van 1 februari 2024 waaruit blijkt dat het dossier wordt afgesloten, dat (enkel) de feiten ten aanzien van de gewone tuchtoverheid bewezen worden geacht, dat aan de betrokkene een waarschuwing werd gericht dat hij geen nieuwe feiten mag plegen, en dat het dossier wordt afgehandeld zonder strafvervolging indien de betrokkene die voorwaarde naleeft. Uit die brief blijkt ook dat de klacht niet gericht was tegen de hogere tuchtoverheid die de bestreden beslissing heeft genomen, maar tegen de vorige titularis van het ambt. Aldus kunnen de overwegingen in het arrest van nr. 255.993 van 9 maart 2023, datverzoeker niet aannemelijk maakt dat de titularis van het ambt van hogere tuchtoverheid op het ogenblik van het nemen van zijn bestreden beslissing kennis had of moest hebben van een pestklacht die lastens hem zou zijn ingediend, worden bijgevallen, nu blijkt dat er geen dergelijke klacht bestond.
In zoverre verzoeker voor het eerst in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, zoals zijn grief over de vermeende schending van artikel 32septies van de wet van 4 augustus 1996 ingevolge het ontbreken van bewarende maatregelen, toont verzoeker niet aan dat hij die niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het middelonderdeel thans ongegrond te bevinden.
32. Het middelonderdeel is ongegrond.
XII-9593-35/64
Conclusie
33. Het tweede middel is in de aangegeven mate niet ontvankelijk en voor het overige ongegrond.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
34. In het derde middel voert verzoeker de schending aan van het redelijkheids-, het proportionaliteits- en het evenredigheidsbeginsel. In wat hij als een eerste onderdeel beschouwt, voert hij de schending aan van het redelijkheids-
en proportionaliteitsbeginsel. Verzoeker herhaalt vooreerst dat hij de verweten feiten niet heeft gepleegd en dat deze in geen geval tuchtinbreuken uitmaken. Hij stelt tevens dat de overheid geen enkele omstandigheid heeft opgeworpen in zijn voordeel, terwijl tuchtdossiers à charge en à décharge moeten worden gevoerd.
Daarenboven wordt schijnbaar ook geen rekening gehouden met de aanwezigheid van een goede beoordeling in het persoonlijk dossier van verzoeker, noch met de aanwezige felicitaties die de kwaliteit van zijn werk aantonen, noch met het feit dat zijn terugkeer in zijn eenheid positief werd onthaald – wat tot gevolg heeft dat hij geen eerlijke kans kreeg om zijn integriteit te bewijzen en zijn blazoen op te poetsen. Dat leidt ertoe dat de elementen aangehouden in de bestreden beslissing onvoldoende zijn om een geschonden vertrouwensrelatie te rechtvaardigen. Voorts voert verzoeker in het middel ook de schending aan van de redelijke termijn in die zin dat op 1 juli 2021 kennis werd genomen van een kopie van het strafdossier, terwijl werd gewacht tot 21 november 2021 om het inleidend verslag te betekenen, hoewel er geen voorafgaand onderzoek werd gevoerd, noch onderzoeksdaden werden gesteld. Wat de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel of van het proportionaliteitsbeginsel als bijzondere toepassing ervan betreft, zet verzoeker tot slot het toepasselijk juridisch-theoretisch kader uiteen.
In wat als een tweede onderdeel kan worden beschouwd, voert verzoeker de schending van het evenredigheidsbeginsel aan, aansluitend bij zijn
XII-9593-36/64
eerdere grieven. Volgens hem is de strafmaat buitenproportioneel. De individuele omstandigheden van verzoeker blijven volgens verzoeker onderbelicht, hij heeft zich “ten andere al genoegzaam dienen te verantwoorden voor deze feiten” en er werden reeds maatregelen opgelegd die als een bestraffing kunnen worden aangezien. Volgens hem miskent de straf het evenredigheidsbeginsel “aangezien de beslissing vooreerst niet berust op feitelijk juiste en op zich rechtens relevante motieven en er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing”. Hij stelt dat waar de tuchtoverheid aanvankelijk een blanco strafblad aan verzoeker koppelde en de strafmaat daarop baseerde, blijkt dat de hogere tuchtoverheid zich gedurende de procedure tot heroverweging alsnog beroept op twee voorgaande tuchtstraffen. Verzoeker voert aan dat hij het niet eens is met de stelling dat hij hieromtrent zijn verweer heeft kunnen voeren in het debat voor de Tuchtraad. Tot slot betoogt verzoeker dat, daar de hogere tuchtoverheid in haar overwegingen in aansluiting op het advies van de Tuchtraad stelt dat “noch de leeftijd van verzoeker, noch de staat van dienst noch de familiale situatie van verzoeker noch zijn medische toestand van aard zijn afbreuk te doen aan deze voorgestelde tuchtstraf”, en daar zij steunt op een voorgaande veroordeling wegens een schending van de discretieplicht, dit de doorslaggevende factoren zijn om tot de strafmaat te komen. Uit de formele motivering moet blijken met welke individuele beoordelingskenmerken rekening werd gehouden. Deze motivering blijft niet overeind nu verzoeker zowel de huidige feiten als de kwalificatie als tuchtfeiten betwist en gelet op het feit dat verzoeker niet eerder negatief werd geëvalueerd. Indien de tuchtoverheid ongunstige antecedenten in de formele motivering opneemt om de tuchtstraf te motiveren, moeten deze antecedenten trouwens correct worden vastgesteld en gewaardeerd. Daarbij ziet verzoeker niet in op welke wijze de tuchtoverheid de bijkomende – en voor verzoeker gunstige –
getuigenverklaringen bij haar beoordeling betrekt, hetgeen zij als zorgvuldige en onpartijdige overheid zou moeten doen. De overheid moet de aan verzoeker verweten feiten op een correcte wijze kwalificeren, waarbij de proportionaliteit van een tuchtstraf wordt beoordeeld in het licht van de ernst van de bestrafte tekortkomingen, rekening houdend met de concrete en individuele omstandigheden waarin deze werden begaan.
XII-9593-37/64
35. In de memorie van wederantwoord werpt verzoeker bijkomend op dat de feiten in hun juiste context moeten worden bekeken. Wat de grief betreft dat de hogere tuchtoverheid lopende de tuchtprocedure zich alsnog op twee voorgaande zware tuchtstraffen beroept, wijst hij erop dat één van die tuchtstraffen inmiddels is vernietigd door de Raad van State.
36. In de laatste memorie handhaaft verzoeker vooreerst wat hij uiteenzette in het verzoekschrift tot nietigverklaring en de memorie van wederantwoord. Hij benadrukt daarbij dat de redelijketermijneis geschonden is en betwist dat het inleidend verslag tijdig werd betekend.
Beoordeling
Wat de schending van het redelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel betreft
37. In het tussenarrest nr. 255.993 van 9 maart 2023 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over dit middelonderdeel voorlopig als volgt geoordeeld:
“40. Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur (of van het proportionaliteitsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is), veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.
De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of proportionaliteitsbeginsel miskent.
Aangezien het aan de Raad van State niet toekomt ambtshalve te beoordelen of de tuchtoverheid onredelijk heeft gehandeld, toetst de Raad van State de vraag of de bestreden beslissing te kort komt aan de eis van redelijkheid enkel aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten, die volgens hem doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel miskent. Op verzoeker rust aldus de bewijslast om aannemelijk te maken dat het door hem
XII-9593-38/64
aangevoerde beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden door de hogere tuchtoverheid.
41. Aangaande de strafmaat stelt de bestreden beslissing:
‘C. Betreffende de strafmaat Het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.
Volgens de Tuchtraad is dit niet het geval ook niet rekening houdend met het gegeven dat volgens de Tuchtraad de straf enkel kan w[o]rden opgelegd uit hoofde van de bewezen feiten zijnde deze sub l en 3.
De verzachtende omstandigheid, zoals aangehaald door de tuchtoverheid in het voorstel van zware straf van het blanco strafblad, blijkt na opvraging door de Tuchtraad ervan niet overeind te blijven staan nu op het ogenblik van de feiten sub 1 en sub 3 de verzoeker geenszins beschikte over een blanco tuchtstraffenblad maar integendeel reeds twee zware tuchtstraffen opliep.
Dit feit werd aan een tegensprekelijk debat onderworpen nu per mail van 5 mei 2022 de tuchtoverheid het aangepaste tuchtstraffenblad overmaakte aan de Tuchtraad en er aldus op 18 mei 2022 door de verzoeker de mogelijkheid bestond zich des omtrent te verdedigen.
Daarenboven komt het feit dat de opgelegde tuchtstraffen eveneens betrekking hadden op een inbreuk door verzoeker op zijn discretieplicht, die tevens vervat zit in het beroepsgeheim (waarvoor hem in mei 2020 ook een tuchtstraf werd opgelegd).
Er is in se dus sprake van recidive.
De Tuchtraad meent d[a]t het gepast voorkomt tevens te wijzen op volgende elementen meer bepaald:
– het feit dat de vertrouwensbreuk des te ernstiger is vermits verzoeker klaarblijkelijk niet heeft geleerd uit de eerder bijzonder ernstige vertrouwensbreuk maar naar aanleiding waarvan hem nog een kans geboden werd; dat de aanwezigheid van de verzoeker in strijd is met het belang van de dienst;
– het gegeven dat de bewezen feiten een imagoschade veroorzaken aan de federale politie bij de gerechtelijke overheid;
– noch de leeftijd van verzoeker, de staat van dienst noch de familiale situatie van verzoeker noch zijn medische toestand zijn van aard afbreuk te doen aan deze voorgestelde tuchtstraf.
Daarenboven vertoont de verzoeker een wangedrag met repetitief karakter en moet de aanwezigheid van de verzoeker strijdig geacht worden met het belang van de dienst.
Ik sluit mij op dit punt aan bij de overwegingen uit het advies van de Tuchtraad.’ Gelet op de uitdrukkelijke verwijzing naar het advies van de Tuchtraad waarbij wordt aangesloten, moet derhalve ook de motivering van de Tuchtraad aangaande de strafmaat mee in overweging worden genomen. Die luidt:
‘De tuchtoverheid beschikt bij het bepalen van de aard en de ernst van de tuchtsanctie over een ruime appreciatiebevoegdheid, die de redelijkheid als grens heeft.
Bij het bepalen van de tuchtsanctie zal de tuchtoverheid rekening dienen te houden met de aard van de ten laste gelegde feiten, de tuchtrechtelijk vervolgde persoon, de omstandigheden waarin de feiten gepleegd zijn, de goede werking van de dienst en de weerslag van de inbreuk en de bestraffing op het gedrag van andere personeelsleden.
XII-9593-39/64
Bij de beoordeling van de redelijkheid van de opgelegde tuchtsanctie moet de beleidsvrijheid waarover het bestuur in deze aangelegenheid beschikt, gerespecteerd w[o]rden en enkel een volkomen in wanverhouding tot de fout staande straf kan als onwettig gekwalificeerd worden, dit is een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die fout zou opleggen.
Het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.
Een schending van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt.
Volgens de Tuchtraad is dit niet het geval ook niet rekening houdend met het gegeven dat volgens de Tuchtraad de straf enkel kan worden opgelegd uit hoofde van de bewezen feiten zijnde deze sub 1 en 3.
Bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing dient uitgegaan te worden van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent.
De tuchtoverheid heeft in concret[o] met motieven toegespitst op deze zaak uiteengezet waarom naar haar oordeel de tuchtsanctie “ontslag van ambtswege”
dient opgelegd te worden.
De tuchtoverheid heeft [o]nder meer terecht de volgende elementen in rekening gebracht:
– de voorbeeldfunctie van verzoeker waardoor de tuchtoverheid een streng verwachtingspatroon mag hanteren;
– het gegeven dat de feiten te zwaarwichtig zijn om bestraft te worden met enkel een aanmaning of een formele afkeuring;
– het gegeven dat de ten laste gelegde feiten afbreuk doen aan de voorbeeldfunctie, de integriteitplicht, de verplichting tot bescherming van de burgers, de plicht om de wetten en reglementen na te leven en de waardigheid van het ambt van politieambtenaar;
– de onherroepelijke vertrouwensbreuk ten aanzien van verzoeker die door deze feiten worden veroorzaakt, zowel in hoofde van de overheden waarbij verzoeker tewerkgesteld is.
In tegenstelling met de tuchtoverheid is de Tuchtraad van oordeel dat de bewezen feiten niet de afzetting als straf verantwoorden maar wel het ontslag van ambtswege.
De verzachtende omstandigheid, zoals aangehaald door de tuchtoverheid in het voorstel van zware straf van het blanco strafblad, blijkt na opvraging door de Tuchtraad ervan niet overeind te blijven staan nu op het ogenblik van de feiten sub 1 en sub 3 de verzoeker geenszins beschikte over een blanco tuchtstraffenblad maar integendeel reeds twee zware tuchtstraffen opliep.
Dit feit werd aan een tegensprekelijk debat onderworpen nu per mail van 5 mei 2022 de tuchtoverheid het aangepaste tuchtstraffenblad overmaakte aan de Tuchtraad en er aldus op 18 mei 2022 door de verzoeker de mogelijkheid bestond zich desomtrent te verdedigen.
De verzachtende omstandigheid van de goede evaluatie is niet van aard om afbreuk te doen aan de voorgestelde straf van het ontslag van ambtswege nu dit niet opweegt tegen al het vorige.
XII-9593-40/64
Daarenboven komt het feit dat de opgelegde tuchtstraffen eveneens betrekking hadden op een inbreuk door verzoeker op zijn discretieplicht, die tevens vervat zit in het beroepsgeheim (waarvoor hem in mei 2020 ook een tuchtstraf werd opgelegd).
De Tuchtraad meent dat het gepast voorkomt tevens te wijzen op volgende elementen meer bepaald:
– het feit dat de vertrouwensbreuk des te ernstiger is vermits verzoeker klaarblijkelijk niet heeft geleerd uit de eerder bijzonder ernstige vertrouwensbreuk maar naar aanleiding waarvan hem nog een kans geboden werd;
– dat de aanwezigheid van de verzoeker in strijd is met het belang van de dienst;
– het gegeven dat de bewezen feiten een imagoschade veroorzaken aan de federale politie bij de gerechtelijke overheid;
– noch de leeftijd van verzoeker, de staat van dienst noch de familiale situatie van verzoeker noch zijn medische toestand zijn van aard afbreuk te doen aan deze voorgestelde tuchtstraf.
Het kan niet worden ontkend dat de feiten die de tuchtoverheid als zeer ernstig aanziet een zwaardere tuchtstraf rechtvaardigen.
Daarbij komt nog dat de feiten van die aard zijn dat verzoeker ermee de integriteit en de waardigheid die de tuchtoverheid van haar ambtenaren mag verwachten in het gedrang heeft gebracht. Aan dit element heeft de tuchtoverheid een belangrijk gewicht gegeven bij het bepalen van de strafmaat.
Daarenboven vertoont de verzoeker een wangedrag met repetitief karakter en moet de aanwezigheid van de verzoeker strijdig geacht worden met het belang van de dienst.
Verzoeker maakt niet aannemelijk dat er geen deugdelijke redenen werden opgegeven voor het ontslag van ambtswege dat wordt voorgesteld door de tuchtoverheid.’ 42. Ter staving van de schending van het redelijkheidsbeginsel verwijst verzoeker enkel naar het feit dat volgens hem de in de bestreden beslissing aangehouden elementen onvoldoende zijn om een geschonden vertrouwensrelatie met verzoeker te rechtvaardigen, waarbij hij opsomt: zo zou er geen rekening zijn gehouden met de aanwezigheid van een goede beoordeling in het persoonlijk dossier van verzoeker, noch met de aanwezige felicitaties, noch met een verklaring van commissaris van politie M. naar aanleiding van verzoekers terugkeer in zijn dienst.
In de mate dat verzoeker meent dat de bestreden beslissing onredelijk is omdat, naar zijn mening, de in de bestreden beslissing in aanmerking genomen elementen onvoldoende zijn, geeft verzoeker op het eerste gezicht aan het redelijkheidsbeginsel een draagwijdte die dit beginsel niet heeft. Die kritiek betreft immers niet de redelijkheid van de bestreden beslissing die immers enkel betrekking heeft op het redelijk aanwenden van de beleidsvrijheid en niet op deugdelijkheid van de motieven van de strafmaat of de zorgvuldige vinding ervan.
De schending van het redelijkheidsbeginsel is immers enkel aan de orde als vaststaat dat de bestreden beslissing steunt op deugdelijke (materiële) gronden, zodat kritiek op de deugdelijkheid van die grondslagen, niet kan worden ingepast in het redelijkheidsbeginsel. In die mate mist op het eerste gezicht verzoekers kritiek juridische grondslag.
In de mate dat verzoeker opwerpt dat er geen rekening werd gehouden met voor hem positieve elementen in het dossier, toont het enkele gegeven dat de hogere tuchtoverheid een andere mening is toegedaan omtrent de afweging en het gewicht van de door verzoeker aangevoerde positieve elementen, op het eerste gezicht op zich niet aan dat de hogere tuchtoverheid inzake de beoordeling van de strafmaat tot een onredelijke conclusie is gekomen waaruit de schending van het redelijkheidsprincipe moet blijken. Dat er positieve elementen in verzoekers dossier
XII-9593-41/64
zijn die in aanmerking kunnen worden genomen is een zaak, maar een andere zaak is of dat zulks – gelet op hiervoor aangehaalde motieven voor de strafmaat – inhoudt dat het ondenkbaar is dat een andere overheid in dezelfde omstandigheden tot dezelfde besluitvorming zou zijn gekomen.
De redenen waarom aan verzoeker voor de hem ten laste gelegde feiten de bestreden tuchtstraf is opgelegd, blijken uit het hiervoor geciteerde uittreksel uit de bestreden beslissing en uit het advies van de Tuchtraad waarbij de hogere tuchtoverheid zich uitdrukkelijk heeft aangesloten. Er wordt naar verwezen. De argumenten die verzoeker aanvoert, doen weliswaar blijken van een andere appreciatie ter zake van verzoeker, maar die maken in de concrete omstandigheden van de feiten en verzoekers persoonlijkheid, niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat te buiten is gegaan. De omstandigheid dat verzoeker een andere mening is toegedaan, maakt op het eerste gezicht evenmin de keuze van de straf onredelijk.
43. Het middel is in die mate niet ernstig.”
38. Verzoeker volhardt in de memorie van wederantwoord in zijn standpunt uiteengezet in het verzoekschrift, zonder in te gaan op de overwegingen in het schorsingsarrest. Met de loutere overweging dat de feiten in hun context moeten worden bekeken en dat er sprake is van verzachtende omstandigheden, zeker onder invloed van “de pestwetgeving”, toont verzoeker niet aan dat de hogere tuchtoverheid de grenzen van de redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat te buiten is gegaan. Ook de loutere verwijzing naar het gegeven dat één van de zware tuchtstraffen waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen inmiddels door de Raad van State is vernietigd, doet niet anders oordelen. Verzoeker zet niet uiteen hoe de vernietiging van één van de twee zware tuchtstraffen waarnaar de bestreden beslissing verwijst tot gevolg zou hebben dat het redelijkheidsbeginsel of het proportionaliteitsbeginsel zouden zijn geschonden. Daarenboven gebeurt de beoordeling van de redelijkheid van de straf ex tunc op grond van de gegevens die voorlagen toen de hogere tuchtoverheid de strafmaat bepaalde.
In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het eerste middelonderdeel thans ongegrond te bevinden.
39. Het middelonderdeel is ongegrond.
XII-9593-42/64
Wat de schending van het evenredigheidsbeginsel betreft
40. In het tussenarrest nr. 255.993 van 9 maart 2023 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over dit middelonderdeel voorlopig als volgt geoordeeld:
“44. Verzoeker voert in het middel de schending aan van het evenredigheidsbeginsel. Het middel wordt ook vanuit dat oogpunt onderzocht.
45. Over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf wordt door de (hogere)
tuchtoverheid discretionair geoordeeld. Het evenredigheidsbeginsel in tuchtzaken is geschonden wanneer tussen de in aanmerking genomen feiten en de opgelegde sanctie geen redelijk verband van evenredigheid zou bestaan.
Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de (hogere) tuchtoverheid bij haar beoordeling binnen de grenzen is gebleven van wat nog als redelijk kan worden aangezien. Een schending van het evenredigheidsbeginsel veronderstelt derhalve dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.
De Raad van State gaat voorts bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond.
Aangezien het aan de Raad van State niet toekomt ambtshalve te beoordelen of de opgelegde tuchtstraf in een redelijke verhouding van evenredigheid staat tot de tuchtfeiten, toetst de Raad van State de vraag of de bestreden beslissing te kort komt aan de eis van evenredigheid enkel aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten, die volgens hem doen blijken dat de bestreden beslissing het evenredigheidsbeginsel miskent. Op verzoeker rust aldus de bewijslast om aannemelijk te maken dat het door hem aangevoerde beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden door de hogere tuchtoverheid.
46. Wat die door verzoeker aangevoerde elementen betreft, beperkt verzoeker zich tot het opwerpen dat ‘de tuchtrechtelijke beslissing moet aantonen dat de keuze van de sanctie rekening houdt met de ernst van de lastens het personeelslid weerhouden feiten en de context waarbinnen die feiten werden gepleegd, alsook met de persoonlijkheid, de loopbaan en het ziektebeeld van het personeelslid’ en tot het poneren dat ‘deze individuele omstandigheden van verzoeker (…) onderbelicht (blijven),’ maar hij verzuimt om op voldoende concrete wijze uiteen te zetten waarom dat zulks te dezen is derwijze dat aldus moet blijken dat er tussen de in aanmerking genomen feiten en de opgelegde sanctie geen redelijk verband van evenredigheid bestaan. Het komt, zoals hiervoor is gesteld, niet aan de Raad van State toe om deze beoordeling te maken. Voorts zet verzoeker niet uiteen in welke mate het in de loop van de procedure betrekken in de besluitvorming van voorgaande tuchtstraffen, terwijl initieel bij het inleiden van de tuchtvordering werd uitgegaan van een blanco tuchtblad, tot gevolg kan hebben dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de in aanmerking genomen feiten en de opgelegde sanctie. Dat tegen die voorgaande tuchtstraffen een beroep tot
XII-9593-43/64
nietigverklaring is ingediend, is in de context van de beoordeling van de geschonden bepaling, niet relevant. Hetzelfde geldt wat verzoekers kritiek betreft dat hij, naar zijn zeggen, geen verweer ter zake heeft kunnen voeren.
47. Het derde middel is in die mate niet ernstig.”
41. Verzoeker gaat in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie niet meer in op de schending van het evenredigheidsbeginsel en aldus ook niet op de overwegingen in het schorsingsarrest.
In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het tweede middelonderdeel thans ongegrond te bevinden.
42. Het middelonderdeel is ongegrond.
Wat de schending van de redelijketermijneis betreft
43. In het tussenarrest nr. 255.993 van 9 maart 2023 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over dit middelonderdeel voorlopig als volgt geoordeeld:
“48. Hoewel niet uitdrukkelijk aangegeven in het kopje van het middel, voert verzoeker ook als grief de schending aan van de redelijketermijneis doordat, samengevat, de hogere tuchtoverheid er, na de ontvangst van de strafdossiers in beide opsporingsonderzoeken, vijf maanden over heeft gedaan om het inleidend verslag aan verzoeker te betekenen.
49. Deze kritiek wordt niet bijgevallen.
Te dezen wordt immers niet betwist dat het inleidend verslag binnen de wettelijke verjaringstermijn van zes maanden is betekend aan verzoeker. Het feit dat, volgens verzoeker, ondanks het feit dat er geen voorafgaand onderzoek werd gevoerd en er geen enkele onderzoeksdaad diende te worden gesteld, vijf maanden werd gewacht om het inleidend verslag te betekenen, kan op zich geen schending van de redelijke termijn opleveren, aangezien verzoeker geen gebrek aan voortvarendheid verwijt met betrekking tot de fasen van de tuchtprocedure na de betekening van het inleidend verslag op 29 november 2021.
50. Het middel is in die mate niet ernstig.”
44. Verzoeker handhaaft in de laatste memorie zijn standpunt uiteengezet in het verzoekschrift, zonder in te gaan op de overwegingen in het schorsingsarrest. Hij beperkt zich ertoe in de laatste memorie aan te voeren dat hij
XII-9593-44/64
wel degelijk betwist dat het inleidend verslag tijdig werd betekend, en dat hij reeds uiteenzette dat de tuchtoverheid pas de nodige diligentie aan de dag zou hebben gelegd, mocht zij een actieve rol hebben opgenomen. Die argumenten werden echter reeds aangevoerd in het eerste middel en bij de bespreking van dat eerste middel ongegrond bevonden.
In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het derde middelonderdeel thans ongegrond te bevinden.
45. Het middelonderdeel is ongegrond.
Conclusie
46. Het derde middel is ongegrond.
D. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
47. In het vierde middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van de materiëlemotiveringsplicht, doordat de overheid er niet in slaagt het bewijs te leveren van de aangevoerde feitelijkheden die de proportionaliteit van de maatregel dienen te verantwoorden.
Op basis van wat reeds werd uiteengezet, meent verzoeker dat niet werd voldaan aan de motiveringsplicht nopens de tenlastegelegde feiten. Volgens verzoeker is het te dezen duidelijk dat men zich lastens verzoeker enkel baseert op de verklaring van de ex-partner van verzoeker, die volgens hem haar subjectief relaas kracht bijzet door een selectie aan belastende berichten. Voorts doet verzoeker gelden dat uit de motivering dan ook moet blijken waarom de tuchtoverheid meende dat de waardigheid van het ambt in het gedrang werd gebracht. Verzoeker stelt dat hij zulks geenszins kan afleiden uit de motivering van de bestreden beslissing.
XII-9593-45/64
Verzoeker erkent weliswaar dat de tuchtoverheid discretionair beoordeelt of de feiten een tuchtvergrijp uitmaken, maar te dezen wordt er geen enkele relevante koppeling gemaakt tussen zijn privésituatie en waarom deze handelingen een concrete tekortkoming uitmaken aan de beroepsplichten. Ook met betrekking tot de motivering van de strafmaat blijft de tuchtoverheid volgens verzoeker in gebreke. Verzoeker stelt dat hij niet kan uitmaken waarom hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. Het is uit de motivering dat de motieven voor de strafmaat duidelijk moeten blijken. De overweging dat verzoeker “een wangedrag met repetitief karakter vertoont” en dat de “aanwezigheid van verzoeker strijdig moet geacht worden met het belang van de dienst” is schijnbaar ingegeven door “het gegeven dat de bewezen feiten een imagoschade veroorzaken aan de federale politie bij de gerechtelijke overheid,” maar dat wordt nergens verduidelijkt, laat staan dat dit materieel wordt gemotiveerd. Daarenboven lijkt de enige overweging daartoe te zijn dat verzoeker reeds eerder een tuchtsanctie kreeg wegens “schending van de geheimhoudingsplicht”. Dat is onvoldoende om het bestreden ontslag te rechtvaardigen. Verzoeker heeft zich voor wat de overwegingen van de Tuchtraad betreft dat het tenlastegelegde feit “sub 2 b” niet bewezen is en dat het tenlastegelegde feit “sub 2 a” geen tuchtinbreuk uitmaakt, aangesloten bij deze overwegingen van de Tuchtraad. De hogere tuchtoverheid motiveert niet afdoende waarom zij hieromtrent afwijkt van dit advies.
48. In de memorie van wederantwoord beklemtoont verzoeker dat het wel degelijk relevant is dat de feiten zich gedeeltelijk hebben afgespeeld in de privésfeer, omdat die feiten pas tuchtrechtelijk kunnen worden bestraft indien zij de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen. Voorts verduidelijkt verzoeker waarom de bestreden beslissing niet afdoende motiveert waarom zij afwijkt van het advies van de Tuchtraad. Indien de bedreigingen daadwerkelijk zouden zijn geuit, dan kunnen ze door de Tuchtraad niet worden bestraft wegens een aantasting van het recht op een privéleven. Het komt de tuchtoverheid toe te motiveren waarom aan het recht op een privéleven en op een gezinsleven afbreuk kan worden gedaan.
XII-9593-46/64
49. In de laatste memorie handhaaft verzoeker zijn standpunt. Ook een ambtenaar heeft recht op de bescherming van zijn privéleven. Steeds moet worden aangetoond dat de feiten een weerslag kunnen hebben op het functioneren van de dienst en de waardigheid van het ambt kunnen schaden.
Beoordeling
50. In het tussenarrest nr. 255.993 van 9 maart 2023 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over dit middel voorlopig als volgt geoordeeld:
“53. Uit de uiteenzetting van verzoeker kunnen op het eerste gezicht de volgende wettigheidskritieken worden afgeleid: (1) de feiten zijn niet of onvoldoende bewezen, en bovendien louter gesteund op de verklaringen van de ex-partner van verzoeker, (2) er wordt niet gemotiveerd waarom feiten uit de privésfeer de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen, (3) verzoeker kan uit de formele motivering niet opmaken waarom hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd en (4) de hogere tuchtoverheid motiveert niet afdoende waarom zij afwijkt van het advies van de Tuchtraad wat de appreciatie betreft van het feit ‘sub a)’ en ‘sub b)’.
In deze stand van het geding wordt het middel vanuit deze analyse onderzocht.
54. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op ‘afdoende’ wijze.
Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn.
55. Verzoeker voert inzake deze grief ook de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht.
De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen.
De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid beoordeelt aldus discretionair of zij onachtzaamheden gepleegd door personeelsleden van de
XII-9593-47/64
geïntegreerde politie bij het uitvoeren van hun ambtsverplichtingen als tuchtrechtelijk strafbare vergrijpen aanmerkt. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van, te dezen, de kwalificatie van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten als tuchtvergrijpen in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
56. Vooreerst doet verzoeker, in algemene termen, gelden dat de feiten niet of onvoldoende bewezen, en bovendien louter zijn gesteund op de verklaringen van de ex-partner van verzoeker.
In de motivering van de bestreden beslissing, wordt in de rubriek inzake ‘Bewijs en toerekening van de tuchtfeiten’ het volgende gesteld:
‘(…).
Gelet op het schrijven d.d. 01/07/2021 van de procureur des Konings te Oost-
Vlaanderen, afdeling Dendermonde, met de melding dat het strafdossier inzake ‘belaging, overlast via elektronische communicatiemiddelen en hacking tegenover de genaamde I.M.’ ten laste van u een misdrijf betreft van relationele aard en om die reden werd geseponeerd en houdende het overmaken van een eensluidend verklaard afschrift van dit strafdossier;
Gelet op het schrijven d.d. 01/07/2021 van de procureur des Konings te Oost-
Vlaanderen, afdeling Dendermonde, met de melding dat het strafdossier inzake ‘(doods-)bedreigingen tegenover HCP R.P. en schending van het beroepsgeheim’ ten laste van u werd geseponeerd teneinde voorrang te verlenen aan de tuchtrechtelijke afhandeling en houdende het overmaken van een eensluidend verklaard afschrift van dit strafdossier;
Gelet dat u vanaf enkele dagen voor de relatiebreuk d.d. 28 augustus 2020 tot 25 september 2020 uw ex-partner I.M. op diverse manieren, zowel fysiek als via smartphone, met behulp van internetinbraak, heeft belaagd;
Gelet dat uit forensisch onderzoek van de smartphone van I.M. is gebleken dat u op 25 augustus 2020 een oude IPhone 6S van I.M., nog in bruikleen door uw dochtertje (voor het spelen van spelletjes), hebt gemanipuleerd. Via het Apple-
account (Apple ID), dewelke nog aangemeld was op deze IPhone, hebt u zich zonder toestemming de toegang verschaft tot de logingegevens en paswoorden van verschillende applicaties, in gebruik door I.M.;
Gelet dat u, na confrontatie met deze meldingen van veiligheidsinbreuken, aan I.M deze in eerste instantie hebt toegeschreven aan handelingen die uw dochter zou hebben gesteld op de oude IPhone van I.M., dewelke zij aan de minderjarige in bruikleen had gegeven; dat u na een bijkomende confrontatie door I.M.
middels een screenshot hebt verduidelijkt dat u op vernoemde oude IPhone een update had uitgevoerd; gelet dat I.M. heeft verklaard u daarop duidelijk te hebben aangemaand van het toestel af te blijven, daar dit haar IPhone-toestel met account en applicaties betrof; dat na deze aanmaning bij I.M. opnieuw een veiligheidsmelding werd geregistreerd;
Gelet dat u internetinbraak heeft gepleegd op de smartphone van I.M. en dat u haar applicaties heeft geconsulteerd en gekopieerd; dat u vervolgens veelvuldige berichten van beschuldigende aard hebt gestuurd aan I.M. en haar omgeving; dat u hierbij gebruik heb gemaakt van de inhoud van privéberichten van I.M.; dat u de bekomen informatie tevens hebt aangewend om I.M. te observeren en controleren; dat u daarnaast ook de sociale media heeft gebruikt om informatie en beelden van I.M. te posten, vergezeld van ongepaste teksten; gelet dat technische elementen uit divers dataverkeer, vermeld in het stafdossier deze internetinbraak, consultatie en kopij name van de applicaties van I.M.
onderbouwen;
XII-9593-48/64
Gelet dat analyse van dataverkeer en technische identificatie omtrent de communicatiemiddelen hebben aangetoond dat de meeste bezwarende communicatiedata zich situeren in de periode rond 28 augustus 2020 en zijn verstuurd door een smartphone Samsung SM-A505FN vanuit de zendlocatie van uw woonplaats Aalst; dat u in die periode gebruik hebt gemaakt van dit type smartphone;
Gelet dat u tijdens uw gerechtelijk verhoor omtrent de feiten formeel de beschuldigingen van overlast middels gebruik van elektronische communicatiemiddelen en internetinbraak hebt ontkend; dat uw vermeende ongewenste toegang tot digitale applicaties en accounts van I.M. via haar oud telefoontoestel, volgens u gebaseerd is geweest op haar vroegere instemming om deze te mogen gebruiken alsook het gevolg zijn van een manipulatiefout door I.M. uitgevoerd op haar huidige IPhone, dit nadat de relatie was beëindigd; dat u tot slot heeft verklaard I.M. en haar entourage te hebben benaderd op diverse manieren, om hen te confronteren met de door u gepercipieerde ontrouw van I.M. ten opzichte van uw persoon;
Gelet dat uit het strafdossier is gebleken dat u private informatie omtrent geplande handelingen van I.M., verkregen uit haar Apple-toestel en account, heeft misbruikt om vermoedens van (vermeende) ontrouw te verifiëren middels fysieke observatie; dat u tijdens uw gerechtelijk verhoor de observatie van I.M.
hebt bevestigd, om reden dat u bevestiging zocht voor uw sterk vermoeden van vermeende ontrouw van I.M. ten aanzien van uzelf;
Gelet dat u op Facebook het fictief profiel […] hebt aangemaakt en gebruikt om een persoon uit de omgeving van I.M. te benaderen en uw vermoeden van ontrouw van I.M. jegens u te toetsen aan de waarheid om haar hiermee vervolgens te kunnen confronteren;
Gelet dat uit het strafdossier blijkt dat u het bestaan van en het gebruik van dit profiel tijdens uw gerechtelijk verhoor hebt bevestigd; dat het bestaan van dit profiel aldus u kadert in de voorbereidings- en uitvoeringsfase van uw DSU-opdrachten; dat u dit profiel heeft gecreëerd en gebruikt om op sociale media-informatie te verzamelen over potentiële targets;
Gelet dat I.M. op 25 september 2020 in het raam van haar klachtneerlegging heeft verklaard dat u schriftelijke (doods-)bedreigingen hebt geformuleerd ten aanzien van uw directeur; dat I.M. elektronisch berichtenverkeer tussen uzelf en haar via de applicatie Whatsapp in het raam van haar klacht heeft overhandigd onder de vorm van screenshots van haar IPhone; gelet dat meerdere (doods-)
bedreigingen aan het adres van […] en A.V. na forensische analyse van de GSM
van I.M zijn aangetroffen, verstuurd door het privé-oproepnummer (…), dat door u wordt/werd gebruikt, met een type smartphone dat u ook in die periode hebt gebruikt;
Gelet dat uit het strafdossier blijkt dat u tijdens uw gerechtelijk verhoor omtrent deze feiten hebt verklaard u zich niet te kunnen herinneren dat u zulke berichten heeft verstuurd; dat u in uw verklaring hebt aangegeven dat, mochten er zulke berichten bestaan van uw hand, dit privé-berichten zijn dewelke nooit verspreid werden en kaderden in een uiting van uw frustratie vanwege handelingen, mogelijks gesteld door HCP R.P., door u gedefinieerd als zijnde pesterijen;
Gelet dat I.M. op 25 september 2020 heeft verklaard dat u op 21 mei 2020 de journalist […] van het ‘Nieuwsblad’ hebt gecontacteerd, hetgeen heeft geresulteerd in een fysieke ontmoeting op 28 mei 2020 tussen jullie beiden in uw woning; gelet dat I.M. hier kort getuige van is geweest; gelet dat u heeft gesproken over het gebruik van een CGSU-communicatiesysteem ‘BELLA’, dat u volgens I.M. als een ‘illegaal en niet-goedgekeurd systeem’ hebt bestempeld, ‘slecht voor de gezondheid en de privacy’; gelet dat op 30 mei 2020 het artikel […] verscheen, vergezeld van een profielfoto van […], geschreven door
XII-9593-49/64
journalist […];
Gelet dat I.M. een screenshot van uw schrijven aan de journalist aan de verhoorders heeft overhandigd; dat hierin vermeld staat dat u de journalist […]
aanschrijft met de vraag samen met hem een lijvig dossier tegen de top van Federale Politie, de directeur […] en de dienst intern toezicht ‘af te toetsen’, een dossier dat zou worden toegedekt door het Vast Comité P;
Gelet dat forensisch onderzoek van de gsm van I.M. heeft aangetoond dat u middels diverse berichten aan I.M. gecommuniceerd heeft over de ontmoeting met de journalist, vooraleer voornoemd artikel verscheen. Ook deze berichten aan I.M. zijn verstuurd door het privé-oproepnummer (…), dat door u wordt/werd gebruikt, met een type smartphone dat u in die periode hebt gebruikt.
Gelet dat u omtrent deze beschuldiging hebt verklaard dat u éénmaal telefonisch contact hebt gehad met journalist […], na het verschijnen van het desbetreffend artikel in het Nieuwsblad, dit met als doel te vragen wie hem deze informatie had gegeven; dat u na confrontatie met het berichtenverkeer en de data hebt verklaard dat dit grootspraak van uwentwege was, dat u onder geen beding informatie heeft meegegeven; dat u aan de journalist zou hebben meegedeeld pas informatie te zullen verschaffen éénmaal u DSU en de politie zou hebben verlaten;
Gelet u tijdens uw hoorzitting uw reden van contact met journalist […] hebt toegewezen aan het feit dat u een vroegere schoolvriend van hem was;
Gelet dat de procureur des Konings te Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde oordeelde dat de feiten van ‘belaging (IFG), overlast via elektronische communicatiemiddelen en hacking’ een misdrijf van relationele aard uitmaken;
Gelet dat de procureur des Konings te Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde oordeelde dat de feiten van ‘(doods-)bedreigingen tegenover HCP R.P. en schending van het beroepsgeheim’ tuchtrechtelijk dienen te worden beoordeeld;
dat het sepot om reden van voorrang aan de tuchtrechtelijke afhandeling niet betekent dat het parket van oordeel is dat er geen misdrijf is;
Gelet de door u gevraagde bijkomende onderzoeksdaden in de vorm van drie getuigenverhoren alwaar ik kennis heb van genomen:
*CP M.S. […], die getuigt over zijn vroegere samenwerking met u als toenmalig inspecteur in de periode van midden juni 2008 tot 1 februari 2014, waarin hij u beschrijft als een fijn medewerker om mee om te gaan, hij vanaf 1 februari 2014
tewerkgesteld werd te Gent en dat hij bij zijn terugkeer als […]van u sedert 1 maart 2021 zo goed als niet met u heeft kunnen samenwerken, maar er zich nog nooit problemen hebben voorgedaan op zijn niveau en u voorzien was voor re-integratie bij de dienst observatie in oktober 2021 maar een verkeersongeval dit heeft verhinderd;
*1CP M. VDV. […], die getuigt over zijn persoonlijke vriendschapsband met u sedert 2013 en zijn rol als uw vertrouwenspersoon, stelt dat zijn aanwezigheden bij u buiten zijn diensturen plaatsvinden in hoedanigheid van persoonlijke vriend en niet als politieambtenaar, confirmeert dat uw vroegere relatie met I.M. in de slotfase van problematische aard was waarin I.M. ook niet als ‘vrij van zonden’ diende te worden beschouwd en somt daarbij diverse mogelijke handelingen, gesteld door I.M., die hij als ‘niet correct’ percipieert jegens u en tot slot herhaalt dat zijn tussenkomsten als tussenpersoon tijdens jullie relatieconflicten steeds heeft gekaderd als tussenpersoon in de privésfeer en niet beroepsmatig;
*1INP M.V. […], dewelke beschrijft dat jullie relatie louter professioneel van aard is in het kader van zijn functie als uw wijkinspecteur, hij in deze functie destijds enkele malen op uw aanvraag heeft bemiddeld tijdens een relatieconflict met I.M., die uiteindelijk in moeilijke doch niet onoverkomelijke omstandigheden werd beëindigd en hierin stelt dat beide partijen zich steeds correct hebben gedragen en u tot slot definieert als een voorbeeldig inwoner met
XII-9593-50/64
goede inborst en het hart op de tong, die een goede verstandhouding heeft met de buren;
(…).’ Uit deze overwegingen uit de bestreden beslissing blijkt dat het argument van verzoeker dat de feiten niet bewezen zijn en louter op de eenzijdige verklaringen van zijn ex-partner steunen, feitelijke grondslag mist, aangezien op het eerste gezicht het bewijs van de feiten mede is gesteund op een grondige analyse van de strafdossiers, de uitlezing van Whatsapp-gesprekken gevoerd tussen verzoeker zelf en zijn ex-partner – en dus berichten betreft die hij zelf heeft gestuurd –, op het forensisch onderzoek van de smartphone van I.M., de analyse van dataverkeer en de technische identificatie omtrent de communicatiemiddelen. Verzoeker, die verzuimt de hiervoor aangehaalde overwegingen uit de bestreden beslissing bij zijn kritiek te betrekken, brengt niets aan tegen die vaststellingen die blijken uit die overwegingen. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering of meent dat die verder moet gaan, maakt die daarom niet onwettig, noch impliceert zulks dat de hogere tuchtoverheid, door dit anders te zien dan verzoeker, tot een conclusie is gekomen die de grens van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan, waardoor de materiëlemotiveringsplicht geschonden is. Het komt aan verzoeker toe concreet aan te duiden waarom dit het geval zou zijn, hetgeen hij niet doet.
57. Voorts doet verzoeker, in algemene termen, gelden dat niet gemotiveerd wordt waarom feiten uit de privésfeer de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen.
In de motivering van de bestreden beslissing, wordt in de rubriek inzake ‘definitief advies van de Tuchtraad – analyse’ het volgende gesteld:
‘Maken de feiten een tuchtvergrijp uit De Tuchtraad is van oordeel dat de bewezen feiten sub 1 en sub 3 tuchtfeiten uitmaken in de zin [van] artikel 3 zoals hiervoor aangehaald en dat de door de tuchtoverheid geciteerde bepalingen correct en pertinent zijn.
Daarenboven is het de houding van verzoeker inzake die beteugeld wordt. Het betaamt een politieambtenaar niet dergelijke feiten te plegen lastens een collega.
Daardoor schendt hij de waardigheid van het politieambt.
Ook het feit sub 3 is tuchtrechtelijk laakbaar nu van een politieambtenaar een reserve wordt verwacht ten aanzien van de pers. Door zelf een journalist te contacteren en zich bereid te verklaren om aan deze gegevens door te sluizen waardoor hij zijn discretieplicht schendt, schendt hij de waardigheid van het ambt (art. 132, al. 1 WGP en punt 28 deontologische code) en kan hij het vertrouwen van de bevolking in de politie aantasten (punt 28 deontologische code).
De Tuchtraad ziet het gegeven dat verzoeker deel uitmaakt van DSU, een gespecialiseerde eenheid, een vermeldenswaardig element bij de discretieplicht nu van de l[e]den van die eenheid een zeer grote discretie kan verwacht worden gelet op het veiligheidsaspect dat des te meer in acht dient genomen te w[o]rden.
De discretieplicht is het verbod van bekendmaking van gegevens en feiten, waartoe de beoefenaars van bepaalde beroepen en openbare ambtenaren gehouden zijn op grond van deontologische codes en/of contractuele verplichtingen.
Zonder in te gaan op het feit of al dan niet vertrouwelijke/geheime informatie werd overgemaakt aan de journalist, kan met zekerheid geoordeeld w[o]rden dat de verzoeker zijn discretieplicht geschonden heeft, hetgeen hem conform de kwalificatie duidelijk ten laste wordt gelegd.
lk sluit mij op dit punt aan bij de overwegingen uit het advies van de Tuchtraad.
In tegenstelling met hetgeen de hogere tuchtoverheid vooropstelt, is de Tuchtraad van mening dat het verzenden door de verzoeker aan I.M. van
XII-9593-51/64
privé-berichten, waarin hij doodsbedreigingen uitte ten aanzien van de heer P.
– voorwerp van tenlastelegging sub 2. a -, geen tuchtvergrijp uitmaakt.
De Tuchtraad is van oordeel dat in de intieme privékring, zoals ten aanzien van een partner, het mogelijk moet zijn voor een politieambtenaar volledig vrij te spreken zonder enige beperking van zijn vrijheid van mening nu dit gesprek normaliter niet naar buiten wordt gebracht en geacht kan worden binnen de privésfeer te blijven en aldus de waardigheid van het ambt niet kan schaden.
Het is duidelijk dat de verzoeker deze berichten stuurde vanuit een grote frustratie en woede ten aanzien van zijn oversten maar dergelijke ventilatie moet mogelijk blijven ook voor leden van het politieapparaat. Zo niet wordt het hen onmogelijk gemaakt om relaties te onderhouden met derden omdat zij anders in elke partnerverhouding vooruitziend dienen te zijn en moeten afwegen/overschouwen of de kans erin zit dat de partner in staat zou of zal zijn de inhoud van de door hem verstuurde berichten in de openbaarheid te brengen (door bijvoorbeeld een klacht in te dienen).
Ik sluit mij niet aan bij de hierboven vermelde conclusies van de Tuchtraad, omwille van de volgende overwegingen (reeds gemotiveerd in het tweede voorstel tot zware tuchtstraf, hernomen in referentie 2.30):
Gelet de procureur des Konings te Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde oordeelde dat de feiten van ‘(doods)bedreigingen tegenover HCP R.P.’ tuchtrechtelijk dienen te worden beoordeeld; dat het sepot om reden van voorrang aan de tuchtrechtelijke afhandeling niet betekent dat het parket van oordeel is dat er geen misdrijf is;
Gelet op het systematisch karakter van het dreigend taalgebruik;
Gelet deze bedreigende formuleringen niet op één dag (18 januari 2019), plaatsvonden zoals de Tuchtraad vermeldt in haar eindadvies, maar in de onderzochte gelimiteerde tijdsvork plaatsvonden op:
d.d. 18/01/2019: n.a.v. een nakende tuchtsanctie: ‘Ben wel i e destructieve mindset’ + ‘Donker kantje’ + ‘Wil mensen dood doen en dingen opblazen!!!!’+
‘maandag p. de keel oversnijden’ + ‘ik kan dat… ik zou er niet slechter van slapen’+ ‘heb geen wapens maar kan er wel aan geraken’ + ‘straks dj KILLER
(ikke)’, en d.d. 06/12/2019: n.a.v. consultatie wedde: ‘Als K p. zie ik sla hem de kliniek in’, en d.d. 04/02/2020: voorwerp van de discussie onbekend: ‘…’ + ‘en dit zijn echt wel pesterijen…puur sang’ + ‘op een dag sta ik met een bivakmuts voor hem en sla k hem los KO. Dat zal geschieden!!!’;
Gelet dit gegeven aantoont dat de geuite schriftelijke (doods-)bedreigingen aan HCP R.P. geen éénmalig momentum van uiting van frustratie of ventileren was;
Gelet dit gestadig formuleren van meerdere (doods-)bedreigingen in de onderzochte tijdsvork zou kunnen wijzen op een mogelijke persistentie en dus groeiende aannemelijke geloofwaardigheid dat de schrijver de daad bij het woord zou kunnen voegen;
Gelet de gebruikte woordenschat, de draagwijdte van de ongelimiteerde onbeperktheid van het recht op vrije meningsuiting in vraag stelt, in casu ten aanzien van zijn werkgever en hiërarchie;
Overwegende dat de vrijheid van meningsuiting niet absoluut is en beperkingen van deze vrijheid aanvaardbaar zijn, overeenkomstig artikel 10, tweede lid van het EVRM. De bijzondere hoedanigheid van een politieambtenaar en de verplichtingen die aan deze functie zijn verbonden, verplichten de betrokken politieambtenaar tot een grotere discretie en terughoudendheid. Deze inmenging schendt niet de vrijheid van meningsuiting van de politieambtenaar.
Het personeelslid mag dit echter niet doen op een wijze die de eer of de waardigheid van zijn ambt in gevaar brengt of de belangen van de werkgever schaadt.
Gelet dat bij de gespecialiseerde eenheden van de Federale Politie en in het
XII-9593-52/64
bijzonder de dienst DSU het gegeven van onderling vertrouwen fundamenteel is voor een goede interne werking.
Overwegende dat een goede interne werking in gevaar komt wanneer zou blijken dat dit vertrouwen, dat in deze eenheid mogelijks nog hoger ligt dan andere politie-eenheden, werd geschonden. Dat gebrek aan vertrouwen kan leiden tot een negatieve impact op de slaagkansen tijdens de uitvoering van delicate en gevaarlijke missies.
Overwegende dat een personeelslid die een collega meerdere malen (met de dood) bedreigt, zelfs in de privésfeer, […] vanzelfsprekend een ordeproblematiek uit[maakt].
Een dergelijk personeelslid laten verder werken alsof er niets aan de hand is, is voor mij deontologisch onmogelijk te verantwoorden. Ik ben de mening toegedaan dat ik als hogere tuchtoverheid dit alles niet zomaar naast mij neer kan leggen en dat dit wel degelijk een tuchtvergrijp kan uitmaken.
Overwegende dat dit tuchtfeit als zodanig ernstig kan beschouwd worden dat dit een onherroepelijke vertrouwensbreuk veroorzaakt in hoofde van de overheden waarbij het personeelslid tewerkgesteld is; (…).’ Verzoeker verzuimt bij zijn kritiek de voorgaande overwegingen uit de bestreden beslissing te betrekken. Anders dan hoe verzoeker het ziet, verschaft de formele motivering van de bestreden beslissing hem op het eerste gezicht voldoende duidelijkheid waarom de hogere tuchtoverheid in concreto van mening is waarom de feiten als tuchtfeiten worden gekwalificeerd en waarom feiten uit de privésfeer de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen. Dat volstaat in het licht van de door verzoeker geschonden geachte formelemotiveringsplicht, te meer dat verzoeker zich in het middel zoals ontwikkeld in het verzoekschrift, beperkt tot het formuleren van een algemene kritiek, zonder bij die kritiek de concrete overwegingen uit de formele motivering te betrekken. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering of meent dat die verder moet gaan, maakt die daarom niet onwettig.
Anders dan hoe verzoeker het poneert, blijkt op het eerste gezicht uit de formele motivering dat voorts wel een ‘relevante koppeling’ is gemaakt tussen verzoekers privésituatie en de vraag waarom die handelingen een tekortkoming uitmaken aan de beroepsplichten. Verzoeker, die verzuimt deze overwegingen uit de bestreden beslissing bij zijn kritiek te betrekken, brengt niets aan tegen de vaststellingen die blijken uit die overwegingen. Dat verzoeker zich niet in deze motieven kan vinden impliceert nog niet dat de hogere tuchtoverheid, door dit anders te zien dan verzoeker, tot een conclusie is gekomen die de grens van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan, waardoor de materiëlemotiveringsplicht geschonden is. Het komt aan verzoeker toe dit concreet aan te duiden waarom dit het geval zou zijn, hetgeen hij niet doet.
58. Ten derde doet verzoeker, in algemene termen, gelden dat hij uit de formele motivering niet kan opmaken waarom hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd.
In de motivering van de bestreden beslissing, wordt in de rubriek inzake ‘definitief advies van de Tuchtraad – analyse’ het volgende gesteld:
‘C. Betreffende de strafmaat Het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.
Volgens de Tuchtraad is dit niet het geval ook niet rekening houdend met het gegeven dat volgens de Tuchtraad de straf enkel kan worden opgelegd uit hoofde van de bewezen feiten zijnde deze sub l en 3.
XII-9593-53/64
De verzachtende omstandigheid, zoals aangehaald door de tuchtoverheid in het voorstel van zware straf van het blanco strafblad, blijkt na opvraging door de Tuchtraad ervan niet overeind te blijven staan nu op het ogenblik van de feiten sub 1 en sub 3 de verzoeker geenszins beschikte over een blanco tuchtstraffenblad maar integendeel reeds twee zware tuchtstraffen opliep.
Dit feit werd aan een tegensprekelijk debat onderworpen nu per mail van 5 mei 2022 de tuchtoverheid het aangepaste tuchtstraffenblad overmaakte aan de Tuchtraad en er aldus op 18 mei 2022 door de verzoeker de mogelijkheid bestond zich des omtrent te verdedigen.
Daarenboven komt het feit dat de opgelegde tuchtstraffen eveneens betrekking hadden op een inbreuk door verzoeker op zijn discretieplicht, die tevens vervat zit in het beroepsgeheim (waarvoor hem in mei 2020 ook een tuchtstraf werd opgelegd).
Er is in se dus sprake van recidive.
De Tuchtraad meent dat het gepast voorkomt tevens te wijzen op volgende elementen meer bepaald:
– het feit dat de vertrouwensbreuk des te ernstiger is vermits verzoeker klaarblijkelijk niet heeft geleerd uit de eerder bijzonder ernstige vertrouwensbreuk maar naar aanleiding waarvan hem nog een kans geboden werd; dat de aanwezigheid van de verzoeker in strijd is met het belang van de dienst;
– het gegeven dat de bewezen feiten een imagoschade veroorzaken aan de federale politie bij de gerechtelijke overheid;
– noch de leeftijd van verzoeker, de staat van dienst noch de familiale situatie van verzoeker noch zijn medische toestand zijn van aard afbreuk te doen aan deze voorgestelde tuchtstraf.
Daarenboven vertoont de verzoeker een wangedrag met repetitief karakter en moet de aanwezigheid van de verzoeker strijdig geacht worden met het belang van de dienst.
lk sluit mij op dit punt aan bij de overwegingen uit het advies van de Tuchtraad.’ Voorts is in de motivering van de bestreden beslissing in de rubriek inzake de ‘beslissing’ het volgende gesteld:
‘(…)
Gelet dat de tuchtfeiten bedoeld in punt 3 vaststaan en toegerekend dienen te worden, dat ze krachtens de motivering uiteengezet in punt 5, een tuchtvergrijp uitmaken in de zin van art. 3 van de Tuchtwet;
• Gelet dat een personeelslid van de politie te allen ti[j]de een voorbeeldfunctie heeft en dat de tuchtfeiten bedoeld in punt 3 dan ook niet kunnen worden getolereerd en dat tuchtrechtelijke gevolgen zich opdringen;
• Overwegende dat het doen naleven van de wet een van de belangrijkste taken van de politie is. De integriteit die van de personeelsleden wordt verwacht vereist dat zij zelf de wetten en reglementen naleven.
• Gelet dat uit de procedure voor de Tuchtraad blijkt dat u geenszins beschikte over een blanco tuchtstraffenblad maar integendeel reeds twee zware tuchtstraffen opliep; Gelet dat dit feit werd onderworpen aan een tegensprekelijk debat voor de Tuchtraad en er aldus op 18 mei 2022 voor u de mogelijkheid bestond zich hieromtrent te verdedigen; Gelet op de uitgevoerde tuchtstraf d.d. 22/01/2020 van de inhouding van de wedde van 10% voor de duur van 2 maanden naar aanleiding van uw schending van het beroepsgeheim; Gelet op de uitgevoerde tuchtstraf d.d. 25/05/2020 van terugzetting in weddeschaal naar aanleiding van […] onrechtmatige raadpleging databank & gebrek aan discretie m.b.t. datagegevens DSU-leden;
• Met betrekking tot het tuchtfeit van hinderlijk (achter)volgen – psychologisch overbelasten middels elektronische communicatiemiddelen en internetinbraak:
XII-9593-54/64
o Gelet dat dit tuchtfeit kan worden vastgesteld en toegerekend, dat ze, krachtens de motivering uiteengezet in punt 5, een tuchtvergrijp uitmaakt in de zin van art. 3 van de Tuchtwet;
o Gelet dat intra-familiaal geweld en internetinbraak zowel in het huidige, als vorige Nationaal Veiligheidsplan als prioritair veiligheidsfenomeen werd opgenomen;
o Overwegende dat het doen naleven van de wet een van de belangrijkste taken van de politie is. De integriteit die van de personeelsleden wordt verwacht vereist dat zij zelf de wetten en reglementen naleven;
o Gelet dat dit tuchtfeit een onherroepelijke vertrouwensbreuk veroorzaakt in hoofde van de overheden waarbij het personeelslid tewerkgesteld is;
o Overwegende het hierboven vermelde, het tuchtfeit van hinderlijk (achter)volgen psychologisch overbelasten middels elektronische communicatiemiddelen en internetinbraak, met de daaruit volgende tuchtvergrijpen al voldoende is om de zware tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen.
• Met betrekking tot het tuchtfeit van schriftelijke (doods-)bedreigingen gericht aan de […]
o Gelet dat dit tuchtfeit kan worden vastgesteld en toegerekend, dat ze, krachtens de motivering uiteengezet in punt 5, een tuchtvergrijp uitmaakt in de zin van art. 3 van de Tuchtwet;
o Overwegende dat de professionele relaties tussen de personeelsleden gebaseerd zijn op onder meer wederzijds respect, solidariteit, ploeggeest, zelfdiscipline, loyauteit en billijkheid;
o Overwegende dat de toepassing van voormelde principes vereist, dat de personeelsleden bij elk optreden of elke handeling de waarden van de geïntegreerde politie toepassen: vanuit wederzijds respect en waardering de interne relaties bevorderen;
o Gelet dat dit tuchtfeit een onherroepelijke vertrouwensbreuk veroorzaakt in hoofde van de overheden waarbij het personeelslid tewerkgesteld is;
o Overwegende het hierboven vermelde, het tuchtfeit van schriftelijke (doods-)bedreigingen gericht aan de […], met de daaruit volgende tuchtvergrijpen al voldoende is om de zware tuchtstraf “ontslag van ambtswege” op t[e] leggen.
• Met betrekking tot het tuchtfeit van schending van de geheimhoudingsplicht o Gelet dat dit tuchtfeit kan worden vastgesteld en toegerekend, dat ze, krachtens de motivering uiteengezet in punt 5, een tuchtvergrijp uitmaakt in de zin van art. 3 van de Tuchtwet;
o Overwegende dat u personeelslid bent van DSU, een gespecialiseerde eenheid, dat van personeelsleden van deze eenheid een zeer grote discretie kan verwacht worden gelet op het veiligheidsaspect dat des te meer in acht dient genomen te worden;
o Overwegende dat u een wangedrag vertoont met repetitief karakter;
o Gelet op dat u door de schending van de geheimhoudingsplicht wraak wou nemen voor eerdere opgelegde tuchtstraffen;
o Gelet dat dit tuchtfeit een onherroepelijke vertrouwensbreuk veroorzaakt in hoofde van de overheden waarbij het personeelslid tewerkgesteld is;
o Overwegende het hierboven vermelde, het tuchtfeit van schending van de geheimhoudingsplicht, met de daaruit volgende tuchtvergrijpen al voldoende is om de zware tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen.
• Gelet op Art. 7. Van de Tuchtwet dat wanneer aan een personeelslid meer dan een tuchtvergrijp wordt toegerekend, kan tegen dat personeelslid slechts een tuchtprocedure worden aangespannen die slechts aanleiding kan geven tot een enkele tuchtstraf;
XII-9593-55/64
• Overwegende dat de Tuchtraad in haar definitief advies ook van oordeel is dat de door mijn ambt voorgestelde zware straf van ontslag van ambtswege al volstaat en een gepaste straf is voor de bewezen feiten, door de Tuchtraad gedefinieerd als sub 1 en 3;
• Gelet op een goede evaluatie (wegens de afwezigheid van een evaluatie);
• Gelet dat de tuchtfeiten een onherroepelijke vertrouwensbreuk veroorzaken in hoofde van de overheden waarbij het personeelslid tewerkgesteld is;
• Overwegende dat u een wangedrag vertoont met repetitief karakter;
• Overwegende dat een zware tuchtstraf te verantwoorden kan zijn aangezien de tuchtfeiten te zwaarwichtig zijn om bestraft te worden met enkel een aanmaning of een formele afkeuring in de zin van de Tuchtwet; dat de tuchtfeiten immers principieel middels ontslag kunnen gestraft worden, rekening houdend met de erdoor geschonden beroepsplichten, meer bepaald de voorbeeldfunctie, de integriteitsplicht, de discretieplicht, de verplichting tot bescherming van de medeburgers en de plicht om de wetten en reglementen na te leven, en met het feit dat deze tuchtfeiten tevens de waardigheid van het ambt in het gedrang hebben gebracht’.
Voorts stelt het advies van de Tuchtraad het volgende inzake de beoordeling van de strafmaat:
‘Beoordeling door de Tuchtraad De tuchtoverheid beschikt bij het bepalen van de aard en de ernst van de tuchtsanctie over een ruime appreciatiebevoegdheid, die de redelijkheid als grens heeft.
Bij het bepalen van de tuchtsanctie zal de tuchtoverheid rekening dienen te houden met de aard van de ten laste gelegde feiten, de tuchtrechtelijk vervolgde persoon, de omstandigheden waarin de feiten gepleegd zijn, de goede werking van de dienst en de weerslag van de inbreuk en de bestraffing op het gedrag van andere personeelsleden.
Bij de beoordeling van de redelijkheid van de opgelegde tuchtsanctie moet de beleidsvrijheid waarover het bestuur in deze aangelegenheid beschikt, gerespecteerd worden en enkel een volkomen in wanverhouding tot de fout staande straf kan als onwettig gekwalificeerd worden, dit is een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die fout zou opleggen.
Het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.
Een schending van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt.
Volgens de Tuchtraad is dit niet het geval ook niet rekening houdend met het gegeven dat volgen[s] de Tuchtraad de straf enkel kan worden opgelegd uit hoofde van de bewezen feiten zijnde deze sub 1 en 3.
Bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing dient uitgegaan te worden van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent.
De tuchtoverheid heeft in concreto met motieven toegespitst op deze zaak uiteengezet waarom naar haar oordeel de tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’ dient opgelegd te worden.
XII-9593-56/64
De tuchtoverheid heeft onder meer terecht de volgende elementen in rekening gebracht:
– de voorbeeldfunctie van verzoeker waardoor de tuchtoverheid een streng verwachtingspatroon mag hanteren;
– het gegeven dat de feiten te zwaarwichtig zijn om bestraft te worden met enkel[…] een aanmaning of een formele afkeuring;
– het gegeven dat de ten laste gelegde feiten afbreuk doen aan de voorbeeldfunctie, de integriteitsplicht, de verplichting tot bescherming van de burgers, de plicht om de wetten en reglementen na te leven en de waardigheid van het ambt van politieambtenaar;
– de onherroepelijke vertrouwensbreuk ten aanzien van verzoeker die door deze feiten worden veroorzaakt, zowel in hoofde van de overheden waarbij verzoeker tewerkgesteld is.
In tegenstelling met de tuchtoverheid is de Tuchtraad van oordeel dat de bewezen feiten niet de afzetting als straf verantwoorden maar wel het ontslag van ambtswege.
De verzachtende omstandigheid, zoals aangehaald door de tuchtoverheid in het voorstel van zware straf van het blanco strafblad, blijkt na opvraging door de Tuchtraad ervan niet overeind te blijven staan nu op het ogenblik van [de] feiten sub 1 en sub 3 de verzoeker geenszins beschikte over een blanco tuchtstraffenblad maar integendeel reeds twee zware tuchtstraffen opliep.
Dit feit werd aan een tegensprekelijk debat onderworpen nu per mail van 5 mei 2022 de tuchtoverheid het aangepaste tuchtstraffenblad overmaakte aan de Tuchtraad en er aldus op 18 mei 2022 voor de verzoeker de mogelijkheid bestond zich desomtrent te verdedigen.
De verzachtende omstandigheid van de goede evaluatie is niet van aard om afbreuk te doen aan de voorgestelde straf van het ontslag van ambtswege nu dit niet opweegt tegen al het vorige.
Daarenboven komt het feit dat de opgelegde tuchtstraffen eveneens betrekking hadden op een inbreuk door verzoeker op zijn discretieplicht, die tevens vervat zit in het beroepsgeheim (waarvoor hem in mei 2020 ook een tuchtstraf werd opgelegd).
De Tuchtraad meent dat het gepast voorkomt tevens te wijzen op volgende elementen meer bepaald:
– het feit dat de vertrouwensbreuk des te ernstiger is vermi[ts] verzoeker klaarblijkelijk niet heeft geleerd uit de eerder bijzonder ernstige vertrouwensbreuk maar naar aanleiding waarvan hem nog een kans geboden werd;
– dat de aanwezigheid van de verzoeker in strijd is met het belang van de dienst;
– het gegeven dat de bewezen feiten een imagoschade veroorzaken aan de federale politie bij de gerechtelijke overheid;
– noch de leeftijd van verzoeker, de staat van dienst noch de familiale situatie van verzoeker noch zijn medische toestand zijn van aard afbreuk te doen aan de voorgestelde tuchtstraf.
Het kan niet worden ontkend dat de feiten die de tuchtoverheid als zeer ernstig aanziet een zwaardere tuchtstraf rechtvaardigen.
Daarbij komt nog dat de feiten van die aard zijn dat verzoeker ermee de integriteit en de waardigheid die de tuchtoverheid van haar ambtenaren mag verwachten in het gedrang heeft gebracht. Aan dit element heeft de tuchtoverheid een belangrijk gewicht gegeven bij het bepalen van de strafmaat.
Daarenboven vertoont de verzoeker een wangedrag met repetitief karakter en moet de aanwezigheid van verzoeker strijdig geacht worden met het belang van de dienst.
XII-9593-57/64
Verzoeker maakt niet aannemelijk dat er geen deugdelijke redenen werden opgegeven voor het ontslag van ambtswege dat wordt voorgesteld door de tuchtoverheid. (…).’ Verzoeker verzuimt bij zijn kritiek de voorgaande overwegingen uit de bestreden beslissing te betrekken, alsook het advies van de Tuchtraad waarbij de hogere tuchtoverheid zich wat dit punt betreft, heeft aangesloten. Anders dan hoe verzoeker het ziet, verschaft die formele motivering van de bestreden beslissing hem prima facie voldoende duidelijkheid waarom de hogere tuchtoverheid in concreto naar haar oordeel meent dat de tuchtsanctie ‘ontslag van ambtswege’ dient te worden opgelegd. Dat volstaat in het licht van de door verzoeker geschonden geachte formelemotiveringsplicht, te meer dat verzoeker zich in het middel zoals ontwikkeld in het verzoekschrift, beperkt tot het formuleren van een algemene kritiek, zonder bij die kritiek de concrete overwegingen uit de formele motivering te betrekken. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering of meent dat die verder moet gaan, maakt die daarom niet onwettig. Voorts gaat de formelemotiveringsplicht te dezen niet zover dat ze de hogere tuchtoverheid ertoe zou verplichten de uitgedrukte motieven nog nader te expliciteren.
Verzoeker, die verzuimt deze formeel uitgedrukte motieven bij zijn kritiek te betrekken, brengt niets aan tegen de argumenten die blijken uit die overwegingen.
Dat verzoeker zich niet in deze motieven kan vinden impliceert nog niet dat de hogere tuchtoverheid, door dit anders te zien dan verzoeker, tot een conclusie is gekomen die de grens van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan, waardoor de materiëlemotiveringsplicht geschonden is. Het komt aan verzoeker toe dit concreet aan te duiden waarom dit het geval zou zijn, hetgeen hij niet doet. Het argument van verzoeker dat hij uit de motivering niet zou kunnen opmaken waarom hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, mist feitelijke grondslag.
59. In zoverre tot slot wordt aangevoerd dat de hogere tuchtoverheid niet afdoende motiveert waarom zij afwijkt van het advies van de Tuchtraad wat de tenlastegelegde feiten ‘sub 2’ en ‘sub 2a’ betref[t], moet vooreerst worden bemerkt dat verzoeker in zijn wettigheidskritiek niet het gegeven betrekt dat artikel 54, eerste lid, van de tuchtwet voorziet in een bijzondere formelemotiveringsplicht indien de hogere tuchtoverheid beoogt af te wijken van het advies van de Tuchtraad.
Luidens deze bepaling moet, wanneer de hogere tuchtoverheid beoogt af te wijken van het advies, zij de redenen hiertoe aan[geeft] en ze, samen met de voorgenomen straf, ter kennis breng[t] van het betrokken personeelslid (GwH 28 februari 2013, nr. 25/2013, punt B.7.). Het betreft derhalve een specifieke pleegvorm die enkel bestaat wanneer, zoals te dezen, wordt afgeweken van het advies van de Tuchtraad.
Deze in hoofde van de hogere tuchtoverheid opgelegde specifieke pleegvorm om de redenen tot afwijking van het advies van de Tuchtraad aan te geven en ter kennis te brengen van het personeelslid, strekken ertoe om aan het betrokken personeelslid, ter vrijwaring van zijn recht van verdediging, de mogelijkheid te bieden zich schriftelijk tegen het voorstel tot afwijking te verweren en de redenen daartoe te betwisten. Dit verweer dient door de hogere tuchtoverheid te worden betrokken bij haar beoordeling wanneer zij een eindbeslissing neemt over de tuchtprocedure.
In het licht van (het doel van) deze wettelijke pleegvorm en van het feit dat verzoeker kennis heeft genomen van deze voorbereidende handeling – zodat mag worden aangenomen dat verzoeker aldus de redenen kent waarom de hogere tuchtoverheid voorneemt af te wijken van het advies van de Tuchtraad -, en gebruik heeft gemaakt van haar recht op verweer, zet verzoeker niet uiteen in welke mate de bestreden beslissing – daarnaast – nog expliciet formeel moet motiveren waarom er wordt afgeweken van het advies van de Tuchtraad nu hij het afdoende karakter van deze specifieke voorbereidende – formeel te motiveren – handeling niet bij zijn
XII-9593-58/64
kritiek betrekt en zo ja, waarom in deze specifieke wettelijke context er alsnog een motiveringsplicht wat dit punt betreft, zou gelden. Prima facie faalt derhalve de kritiek van verzoeker in rechte. Dat volstaat om deze grief niet ernstig te bevinden.
Conclusie 60. Het vierde middel is niet ernstig.”
51. Verzoeker volhardt in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie in zijn standpunt uiteengezet in het verzoekschrift, zonder in te gaan op de overwegingen in het schorsingsarrest.
In zoverre verzoeker voor het eerst in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, met name zijn grief dat de tuchtoverheid niet afdoende motiveert waarom een afbreuk kan worden gedaan aan het recht op privéleven, toont verzoeker niet aan dat hij die niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het middel thans ongegrond te bevinden.
52. Het vierde middel is ongegrond.
E. Vijfde middel
Uiteenzetting van het middel
53. In het vijfde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 19 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 ‘tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: het koninklijk besluit van 26 november 2001). In wat als een eerste grief kan worden beschouwd, stelt verzoeker dat door het gebruik van een algemeen mandaat op grond van artikel 19 van het koninklijk besluit van
XII-9593-59/64
26 november 2001 de hogere tuchtoverheid naar andere actoren inzake het tuchtdossier minstens de indruk wekt dat deze gemandateerde personen de tuchtoverheid in de tuchtprocedure vertegenwoordigen. Zo is minstens niet duidelijk welke communicatie werd gevoerd door de dienst TIWK met de procureur des Konings “inzake de adviesplicht en of deze dienst wel bevoegd was om zelf een interpretatie te geven aan het antwoordschrijven van het Parket, dan wel om te beslissen dat dit schrijven niet aan het dossier wordt toegevoegd”.
Volgens verzoeker is dit tevens een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het recht van verdediging. In wat als een tweede grief kan worden beschouwd, stelt verzoeker vast dat de dienst TIWK slechts na vijf maanden heeft geïnformeerd over de voortgang van het opsporingsonderzoek. Het gebruik van het algemeen mandaat in de zin van artikel 19 van het koninklijk besluit van 26
november 2001 kan volgens verzoeker niet tot doel hebben om een buffer in de tijd te creëren zodat de tuchtoverheid niet in personam kennis krijgt van de voortgang van tuchtdossiers om alzo tijd te kopen voor deze tuchtoverheid. Volgens verzoeker is het aannemelijk dat de dienst TIWK, die volgens hem een capaciteitsprobleem kent, bewust wacht tot een ogenblik waarop capaciteit voorhanden is. Pas dan wordt het tuchtdossier schijnbaar overgemaakt aan de bevoegde tuchtoverheid, hetgeen volgens artikel 56 van de tuchtwet het beginpunt is van de vervaltermijn van zes maanden. Door aldus de ontvangst door de bevoegde tuchtoverheid kunstmatig uit te stellen, kan men de tuchtprocedure rekken, hetgeen een schending van de redelijke termijn inhoudt. Het ontvangen van alle informatie inzake het strafdossier, de voortgang ervan en de toestemming houdende het gebruik ervan voor tuchtdoeleinden door een lid van de dienst TIWK als gemandateerde van de tuchtoverheid moet worden beschouwd als een handeling die door de tuchtoverheid zelf werd uitgevoerd “alsof zij kennis heeft van de feiten”.
54. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker zonder meer de uiteenzetting van het vijfde middel. Hij voegt daaraan vervolgens de overweging toe dat in het licht van het eerste middel des te meer de vraag rijst “op grond van welke overwegingen de tuchtoverheid heeft beslist dat het verloop van
XII-9593-60/64
het strafonderzoek moet worden afgewacht, want wanneer had zij dan wel zelf kennis van dat lopend opsporingsonderzoek?”.
55. In de laatste memorie voegt verzoeker aan zijn argumentatie toe dat de gemandateerde alle informatie “ogenblikkelijk” moet bezorgen aan de bevoegde tuchtoverheid. Op de dienst TIWK rust de rechtsplicht tot handelen van zodra hij in toepassing van de omzendbrief COL 4/2003 informatie over mogelijke tuchtfeiten ontvangt en zijn optreden is onderworpen aan de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de zorgvuldigheidsplicht.
Beoordeling
56. In het tussenarrest nr. 255.993 van 9 maart 2023 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over dit middel voorlopig als volgt geoordeeld:
“62. De eerste grief werd ook voorgelegd aan de Tuchtraad. Die antwoordde het volgende:
‘4.1.1.5. De schending van artikel 19 uitvoeringsbesluit tucht De verzoeker werpt op dat:
– door het gebruik van een algemeen mandaat de tuchtoverheid naar andere actoren de indruk wekt dat de gemandateerde personen de tuchtoverheid in de tuchtprocedure vertegenwoordigen;
– zo in casu niet duidelijk is welke communicatie de dienst TIWK gevoerd heeft met de procureur des Konings inzake de adviesplicht en of deze dienst wel bevoegd was om zelf een interpretatie aan dit antwoordschrijven te geven dan wel om te beslissen dat dit schrijven niet aan het dossier werd toegevoegd.
Beoordeling door de Tuchtraad De Tuchtraad wijst hier op twee vaststellingen:
1. de verzoeker koppelt geen gevolg aan de door hem gedane opmerkingen;
2. het niet relevant is om na te gaan of de adviesplicht rechtsgeldig werd nageleefd nu er inzake geen adviesplicht bestond.’ In het verzoekschrift beperkt verzoeker zich tot formuleren van vaststellingen doch hij verzuimt uiteen te zetten waarom hieruit een schending van het aangevoerde artikel 19 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 moet blijken. Hij poneert wel dat dit ‘tevens een schending (is) van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het recht van verdediging’, doch zet evenmin uiteen waarom dat zo is. Een dergelijke uiteenzetting voldoet niet aan het voorschrift van artikel 2, § 1, 3° van de algemene procedureregeling en is bijgevolg prima facie niet ontvankelijk.
Het middel is in die mate niet ernstig.
63. Inzake de tweede grief gaat verzoeker uit van het standpunt dat de dienst TIWK, omwille van capaciteitsproblemen, ettelijke maanden heeft gewacht alvorens het schrijven van de procureur des Konings waarin meegedeeld werd dat er tegen verzoeker verscheidene opsporingsonderzoeken liepen, aan de bevoegde
XII-9593-61/64
tuchtoverheid te bezorgen, waardoor artikel 19 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 en de redelijke termijn geschonden zijn.
Met het schrijven van de procureur des Konings van 30 september 2020 werd aan de dienst TIWK enkel melding gemaakt dat opsporingsonderzoeken lastens verzoeker werden geopend inzake niet nader bepaalde feiten. Zoals uit de beoordeling van het eerste middel reeds is gebleken (zie supra, punt 12) blijkt niet uit die kennisgeving op 30 september 2020 dat de hogere tuchtoverheid vanaf die kennisgeving een voldoende duidelijk beeld had of moest hebben van de feiten in de zin van artikel 56
van de tuchtwet. Die voldoende duidelijke kennisname van de feiten was er pas op het tijdstip dat de procureur een afschrift van de strafdossiers overmaakte, te weten 1 juli 2021. Dat de dienst TIWK in die tussentijd gewacht heeft om het schrijven van de procureur des Konings van 30 september 2020 aan de bevoegde tuchtoverheid over te maken, en dat die dienst in die tussentijd op 12 februari 2021
voor het eerst naar de stand van zaken in de opsporingsonderzoeken informeerde, heeft aldus geen nadelige impact op het tijdsverloop van de tuchtprocedure kunnen hebben in die zin dat hierdoor, naar verzoeker stelt, de ontvangst door de bevoegde tuchtoverheid kunstmatig werd uitgesteld ten einde de tuchtprocedure te rekken.
Uit wat voorafgaat volgt dat op het eerste gezicht, naar wat ook al is gebleken bij de beoordeling van het tweede middel (zie supra, punt 22), niet blijkt dat de door verzoeker aangevoerde grief een invloed kon uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, aan verzoeker een waarborg heeft ontnomen of als gevolg had dat ze de bevoegdheid van de steller van de handeling beïnvloedde. Aldus heeft verzoeker prima facie geen belang bij de grief en kan die overeenkomstig artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, geen aanleiding geven tot een nietigverklaring en derhalve ook niet tot de schorsing.
64. Het vijfde middel is niet ernstig.”
57. Verzoeker volhardt in de memorie van wederantwoord in zijn standpunt uiteengezet in het verzoekschrift, zonder in te gaan op de overwegingen in het schorsingsarrest. Verzoeker beperkt zich tot de overweging dat de vraag rijst “op grond van welke overwegingen de tuchtoverheid heeft beslist dat het verloop van het strafonderzoek moet worden afgewacht, want wanneer had zij dan wel zelf kennis van dat lopend opsporingsonderzoek?”. Nog daargelaten of het louter opwerpen van die vraag, zonder inhoudelijke argumentatie, beantwoordt aan de definitie van een middel in de zin van artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ zoals van toepassing ten tijde van het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring en de memorie van wederantwoord, is het louter opwerpen van die vraag niet van aard om de beoordeling van het vijfde middel in het tussenarrest te ondergraven.
In de laatste memorie voegt verzoeker aan zijn argumentatie toe dat de gemandateerde alle informatie “ogenblikkelijk” moet bezorgen aan de
XII-9593-62/64
bevoegde tuchtoverheid, gelet op de rechtsplicht tot handelen die rust op de dienst TIWK van zodra hij in toepassing van de omzendbrief COL 4/2003 informatie over mogelijke tuchtfeiten ontvangt, alsook gelet op de zorgvuldigheidsplicht.
Verzoeker meent dat “deze gang van zaken” wel degelijk een invloed kon uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, met name of de tuchtoverheid dan wel de gemandateerde opteerde om inert te blijven gedurende het opsporingsonderzoek. Verzoeker weerlegt daarmee evenwel niet de vaststelling gedaan in het tussenarrest dat het wachten door de dienst TIWK om het schrijven van de procureur des Konings van 30 september 2020 aan de bevoegde tuchtoverheid te bezorgen, alsook het op 12 februari 2021 voor het eerst informeren naar de stand van zaken in de opsporingsonderzoeken, geen nadelige impact kon hebben op het tijdsverloop van de tuchtprocedure in die zin dat hierdoor de ontvangst door de bevoegde tuchtoverheid kunstmatig werd uitgesteld ten einde de tuchtprocedure te rekken. Zoals uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken, was er pas een voldoende duidelijke kennisname van de feiten op het tijdstip – 1 juli 2021 – dat de procureur des Konings een afschrift van de strafdossiers bezorgde. Daar aldus werd vastgesteld dat er geen sprake is van inertie, is het van geen belang na te gaan of de tuchtoverheid dan wel de gemandateerde inert bleef. In de mate dat verzoeker verwijst naar een arrest van de Raad van State om zijn grief kracht bij te zetten, stelt de Raad van State vast dat, daargelaten dat het Belgisch recht geen precedentenwerking kent zodat verzoeker er derhalve geen leer uit kan halen, de vergelijking mank loopt. In de zaak die tot het vermelde arrest leidde, stelde de Raad van State immers vast dat de inertie van de dienst TIWK een directe impact had op het startpunt van de verjaringstermijn, wat te dezen niet het geval is.
In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het vijfde middel thans ongegrond te bevinden.
58. Het vijfde middel is ongegrond.
BESLISSING
XII-9593-63/64
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 44 euro.
3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig november tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier.
De griffier De voorzitter
Greta Scheveneels Chantal Bamps
XII-9593-64/64

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.539

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.539

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.