ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.960
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 26 augustus 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.960 Rolnummer: A. 242521/VII-42595 Zaak: Cassatiebeschikking 15960 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/08/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-08-28 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-03 21:23 Fiche Beschikking nr 15.960 van 26 augustus 2024...
6 min de lecture · 1 183 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Beschikking van 26 augustus 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.960
Rolnummer:
A. 242521/VII-42595
Zaak:
Cassatiebeschikking 15960 – Raad voor Vreemdelingenbetwistingen – 26/08/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-08-28
Raadplegingen:
81 – laatst gezien 2026-06-03 21:23
Fiche
Beschikking nr 15.960 van 26 augustus 2024 Vreemdelingen – Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
Beslissing : Niet toegelaten
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Afdeling administratie
Tekst van de beslissing
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 15.960 van 26 augustus 2024
in de zaak A. 242.521/VII-42.595
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Zouhaier Chihaoui kantoor houdend te 1083 Ganshoren Landsroemlaan 40
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
—————————————————————————————————————-
Het cassatieberoep, ingesteld op 19 juli 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 309.158 van 1 juli 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 2 augustus 2024 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
1. Volgens verzoekster heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest niet onderzocht of de vermeende tegenstrijdigheden over haar woonplaatsen in Ghana ernstig genoeg waren om haar algemene geloofwaardigheid te ondermijnen, dan wel of het om kleine inconsistenties gaat op grond waarvan zij het voordeel van de twijfel moet krijgen.
VII-42.595-1/4
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen behandelt in punt 2.3.7.3.1 van het bestreden arrest de tegenstrijdigheden in verzoeksters verklaringen over haar woonplaatsen in Ghana en merkt op dat deze manifest niet overeenstemmen. Hij wijst op het belang van duidelijkheid daarover vermits verzoeksters voorgehouden problemen zich ook zouden hebben afgespeeld na haar terugkeer richting Accra vanaf 2022 en hij besluit dat verzoeksters tegenstrijdige verklaringen daarom reeds de geloofwaardigheid van de door haar beweerde problemen in ernstige mate ondermijnen. Hiermee geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk aan dat en waarom volgens hem de tegenstrijdigheden over verzoeksters woonplaatsen in Ghana haar algemene geloofwaardigheid ondermijnen. Verder treedt de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf, zodat het hem niet toekomt deze door de feitenrechter gemaakte beoordeling over te doen.
Daarnaast bevat het bestreden arrest een aantal motieven om tot de ongeloofwaardigheid van verzoeksters relaas te besluiten, namelijk de tegenstrijdigheid tussen verzoeksters verklaringen op het commissariaat-generaal en de dienst Vreemdelingenzaken over de beweerde problemen met haar ex-partner (punt 2.3.7.3.2), het feit dat het niet aannemelijk is dat verzoekster in maart 2022 meteen bij een vreemde man zou zijn ingetrokken (punt 2.3.7.3.3), de ongeloofwaardigheid van de gevolgen na verzoeksters beweerde ontsnapping aan haar ex-partner (punt 2.3.7.3.4), de ongeloofwaardigheid van de voorgehouden omstandigheden na verzoeksters vertrek uit Ghana (punt 2.3.7.3.5) en het feit dat verzoekster nooit enig document heeft voorgelegd waarmee zij kan aantonen dat zij ooit aangifte heeft gedaan bij de politie (punt 2.3.7.3.6).
Verzoekster gaat ook voorbij aan de vaststelling in het bestreden arrest “dat verzoekster niet in concreto aannemelijk maakt dat zij bij terugkeer naar Ghana, los van haar ongeloofwaardig bevonden relaas, een vrees dient te koesteren dat zij als jonge dakloze vrouw het slachtoffer zou worden van mensenhandel of andere vormen van misbruik”.
Anders dan verzoekster voorhoudt, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dus op gemotiveerde wijze vast dat de tegenstrijdigheden over haar voorgehouden woonplaatsen in Ghana evenals een aantal andere elementen leiden tot de algemene ongeloofwaardigheid van het vluchtrelaas. Verzoeksters kritiek mist in die mate feitelijke grondslag zodat zij er geen schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: EVRM), van artikel 149 van de Grondwet of van artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het
VII-42.595-2/4
grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna:
vreemdelingenwet) mee aantoont.
2. De beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, in navolging van de voor hem bestreden beslissing, dat het niet aannemelijk is dat verzoekster na de voorgehouden ondergane gebeurtenissen niet méér voorzichtigheid aan de dag legde dan mee te gaan met de eerste de beste man, die zij niet kende, om bij hem thuis als zijn vriendin samen te wonen, behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de feitenrechter. De Raad van State treedt als cassatierechter niet in de zaak zelf. Verzoekster toont met haar kritiek dat het om subjectieve veronderstellingen en niet om een objectieve analyse zou gaan dan ook geen schending aan van artikel 3 van het EVRM, artikel 149 van de Grondwet of artikel 39/65 van de vreemdelingenwet.
3. Verzoekster houdt derhalve voor doch toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen haar medische certificaten heeft afgewezen “zonder een grondige en contextuele evaluatie van de verklaringen van verzoekster”. In het licht van de vastgestelde algemene ongeloofwaardigheid van het asielrelaas vermocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te volstaan met de vaststellingen “dat het neergelegde psychologisch attest enkel vermeldt dat verzoekster sinds 17 juni 2024 psychologisch begeleid wordt in het gesloten centrum waar zij verblijft, doch niet welke (psychologische)
problemen zij ondervindt” en dat uit het medisch attest enkel een litteken blijkt. Verzoekster toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het licht van alle omstandigheden van de zaak geen voldoende grondig en nauwgezet onderzoek heeft gevoerd zoals vereist door artikel 3 van het EVRM.
4. Het enige middel is kennelijk ongegrond.
BESLUIT:
1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.
VII-42.595-3/4
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig augustus tweeduizend vierentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Carlo Adams
VII-42.595-4/4
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.15.960
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...