ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.001
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.001 Rolnummer: A. 242236/VII-42558 Zaak: Cassatiebeschikking 16001 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/09/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-09-16 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-04 05:11 Fiche Beschikking nr 16.001 van 12 september 2024...
8 min de lecture · 1 543 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Beschikking van 12 september 2024
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.001
Rolnummer:
A. 242236/VII-42558
Zaak:
Cassatiebeschikking 16001 – Raad voor Vreemdelingenbetwistingen – 12/09/2024
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2024-09-16
Raadplegingen:
84 – laatst gezien 2026-06-04 05:11
Fiche
Beschikking nr 16.001 van 12 september 2024 Vreemdelingen – Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Afdeling administratie
Tekst van de beslissing
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.001 van 12 september 2024
in de zaak A. 242.236/VII-42.558
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
—————————————————————————————————————-
Het cassatieberoep, ingesteld op 20 juni 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 306.815 van 17 mei 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 5 juli 2024 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Algemeen
1. Verzoeker werpt in het opschrift van het enige middel de schending op van een hele reeks bepalingen. In de uiteenzetting van de drie onderdelen van het enige middel gaat hij slechts in op een aantal van deze bepalingen. Verzoekers kritiek wordt hierna in die mate behandeld. De schending van de overige bepalingen is op kennelijk niet ontvankelijke wijze opgeworpen.
VII-42.558-1/5
Eerste middelonderdeel: “schending artikel 149 van de Grondwet en miskenning van het artikel 39/76 § 1 Vw.”
2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dat “[d]e tewerkstelling van zijn familie […] de kern van verzoekers vluchtrelaas [raakt], zodat mag worden verwacht dat verzoeker zich hier meer over zou informeren bij zijn moeder met wie hij intussen weer contact heeft teneinde een concrete inschatting te maken van het risico dat hijzelf loopt”. Hierna stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat verzoeker een aanvullende nota heeft ingediend waarin hij verklaart dat hij opnieuw contact heeft met zijn moeder en vijf nieuwe elementen wenst in te dienen betreffende de werkzaamheden van zijn vader, namelijk een bankkaart van zijn vader, diens politiekaart en drie appreciatiebrieven, en dat verzoeker “betoogt dat hij dankzij het herstelde contact iets meer informatie kan geven over het werk van zijn vader, dat hij politiecommandant was en een raadslid in de stad Jalalabad, dat dit zijn connecties met parlementsleden kan verklaren.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dienaangaande dat “[d]e loutere verklaring dat zijn vader politiecommandant was en een raadslid in de stad Jalabad […] geenszins [vermag] het vastgestelde gebrek aan kennis over de werkzaamheden van zijn vader te weerleggen en zijn voorgaande desinteresse in de door hem aangehaalde oorzaak van zijn vrees voor vervolging te verschonen”. Na te hebben vastgesteld dat de tewerkstelling van verzoekers vader de kern van verzoekers asielrelaas raakt, is de beoordeling dat de bijgebrachte nieuwe elementen verzoekers gebrek aan kennis en zijn desinteresse in de voorgehouden oorzaak van zijn vrees voor vervolging niet verschonen, niet in strijd met die voorgaande vaststelling. Verzoeker toont geen tegenstrijdige motieven aan die elkaar opheffen en aldus tot een gebrek aan motivering zouden leiden.
Tweede middelonderdeel: “schending artikel 48/6 § 5 en 49/3 Vw.”
2. In het bestreden arrest wordt de door verzoeker voorgehouden “welgesteldheid van zijn familie” wel degelijk betrokken in de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming. Zo wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er eerst op dat, wat betreft de voorgehouden represailles ten aanzien van personen die het goed hadden ten tijde van voormalige regime, verzoeker niet toelicht uit welke informatie zou blijken dat zijn verklaringen betreffende het stelen van gronden en andere eigendommen
VII-42.558-2/5
overeenstemmen met de beschikbare informatie. Verzoeker toont de onwettigheid van dit motief niet aan door enkel het tegendeel voor te houden. Voorts verbiedt artikel 48/6, § 5, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet om bij zijn beoordeling ook rekening te houden met het feit dat dergelijke represailles in het verleden niet blijken te zijn uitgevoerd tegen (de familie van) verzoeker. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht dus mee in rekening te brengen dat niet blijkt dat verzoeker en zijn familie in het verleden problemen met de taliban zouden hebben gekend en nog minder dat zij problemen met de taliban zouden hebben gekend omdat zij welstellend waren.
Derde middelonderdeel: “schending artikel 48/3, §§4-5Vw.
3. Vanaf punt 4.8.2 van het bestreden arrest behandelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers “vrees wegens (gepercipieerde) verwestering”. Hij maakt in punt 4.8.2.2 een uitgebreide analyse van de situatie van Afghanen die uit het Westen terugkeren naar hun land van herkomst, waarbij volgens hem “heden niet [blijkt] dat in het algemeen kan worden gesteld dat voor elke Afghaan die terugkeert uit Europa louter omwille van zijn verblijf aldaar een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen”, doch waarbij hij als een risicoprofiel aanvaardt “personen die ‘verwesterd”
zijn, of als dusdanig worden gepercipieerd omwille van, bijvoorbeeld, hun activiteiten, gedrag, uiterlijk en geuite meningen, dewelke kunnen worden gezien als niet-Afghaans of niet-Islamitisch, waarbij dit tevens doelt op personen die terugkeren naar Afghanistan, na een verblijf in westerse landen”. Volgens het bestreden arrest komt het “aan verzoeker toe concreet aan te tonen dat hij is verwesterd dan wel als verwesterd zal worden beschouwd […]”. In punt 4.8.2.3 van het bestreden arrest gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan omstandig en concreet in op de vraag of en in welke mate sprake is van verwestering en of verzoeker “bij terugkeer naar Afghanistan gezien zal worden als zijnde ‘besmet’ door de westerse waarden” waarbij het zowel gaat om verwestering zelf als om gepercipeerde verwestering. Hij besluit in punt 4.8.2.4 dat “[g]elet op verzoekers individuele omstandigheden […] in casu niet [kan] worden aangenomen dat hij dient te vrezen voor vervolging of ernstige schade omwille van een terugkeer uit Europa en/of een (toegeschreven) verwestering en/of een (toegeschreven) overschrijding van religieuze, morele en/of sociale normen”.
VII-42.558-3/5
Uit het voorgaande blijkt, anders dan verzoeker voorhoudt, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet enkel een voorgehouden verwestering maar ook een voorgehouden gepercipieerde of toegeschreven verwestering in zijn beoordeling betrekt.
Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet.
Vierde middelonderdeel: “miskenning van het artikel 3 EVRM”
4. Zoals de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitdrukkelijk aangeeft, stemt artikel 48/4, § 2, b), van de vreemdelingenwet in beginsel overeen met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in de mate dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade omwille van folteringen of van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Verzoeker toont niet aan dat de beoordeling van deze elementen in het bestreden arrest een gebrek vertoont zodat in die mate evenmin sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt verder niet op onwettige wijze dat een terugkeer naar Afghanistan alsnog aanleiding kan geven tot een schending van artikel 3 van het EVRM doch dat die mogelijkheid dan buiten de eigenheid van het asielrecht valt. Waar verzoeker laat gelden dat het in dat geval niet gaat om een beroep met volle rechtsmacht noch om een van rechtswege schorsend beroep, doet dit op zich geen afbreuk aan het feit dat dit een effectief rechtsmiddel vormt.
Conclusie
5. Het enige middel is in al zijn onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
BESLUIT:
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.
VII-42.558-4/5
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf september tweeduizend vierentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Carlo Adams
VII-42.558-5/5
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ORD.16.001
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...