ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.062
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.062 Rolnummer: A. 241413/XII-9627 Zaak: Arrest 262062 - Bewakingsondernemingen - 22/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-30 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-05-23 10:39 Fiche Arrest nr 262.062 van 22 januari 2025 Instellingen, Binnenlandse...
8 min de lecture · 1,687 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Vonnis/arrest van 22 januari 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.062
Rolnummer:
A. 241413/XII-9627
Zaak:
Arrest 262062 – Bewakingsondernemingen – 22/01/2025
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2025-01-30
Raadplegingen:
80 – laatst gezien 2026-05-23 10:39
Fiche
Arrest nr 262.062 van 22 januari 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken
en lokale besturen – Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Verwerping
overige
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)
Tekst van de beslissing
ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.062 no lien 281038 identiques
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER
nr. 262.062 van 22 januari 2025
in de zaak A. 241.413/XII-9627
In zake : K.E.
woonplaats kiezend te 9900 Eeklo Blekerij 60
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Bailleul kantoor houdend te 8630 Veurne Zuidstraat 58
tegen:
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische vernieuwing
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 27 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing 22 februari 2024 waarbij de identificatiekaart voor bewakingsagent van verzoekster wordt ingetrokken en de aanvraag voor nieuwe identificatiekaarten wordt geweigerd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.
Adjunct-auditeur Lennard Michaux heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23
augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ en over de vordering tot schorsing met
XII-9627-1/7
toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 januari 2025.
Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Tristan Carolus, die loco advocaat Thomas Bailleul verschijnt voor de verzoekende partij en adviseur Michiel Woedstadt, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Adjunct-auditeur Lennard Michaux, dartoe gemachtigd bij besluit van 28 februari 2024 van de auditeur-generaal, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 22 februari 2023 vraagt de bewakingsonderneming Team Service Security voor verzoekster een nieuwe identificatiekaart voor bewakingsagent aan. Op dat moment is verzoekster reeds in het bezit van identificatiekaarten voor bewakingsactiviteiten bij twee andere firma’s.
3.2. Op 14 maart 2023 start de verwerende partij een onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden in het kader van deze aanvraag.
3.3. Bij dit onderzoek komt in hoofde van verzoekster een proces-verbaal van het Parket van West-Vlaanderen aan het licht. Dit proces-verbaal wordt opgenomen in het verslag van het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden. Op basis hiervan besluit de Commissie onderzoeken naar ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.062 XII-9627-2/7
de veiligheidsvoorwaarden dat verzoekster niet meer voldoet aan de voorwaarden voor verkrijging (en behoud) van de identificatiekaarten.
3.4. Verzoekster wordt hiervan op de hoogte gebracht bij aangete-kend schrijven van 23 augustus 2023, waarna zij op 31 augustus 2023 een verweer indient, alsook in september 2023 e-mails verstuurt om haar spijt te betuigen.
3.5. Op 25 januari 2024 wordt verzoekster gehoord door de verwerende partij.
3.6. De Commissie onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden is vervolgens van oordeel dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 61, 6°, de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ (hierna: de wet van 2 oktober 2017), meer in het bijzonder aan het profiel als voorgeschreven door artikel 64 van deze wet.
3.7. De minister van Binnenlandse Zaken neemt op 22 februari 2024
de thans bestreden beslissing waarin wordt vastgesteld dat verzoekster niet langer voldoet aan de voorwaarde gesteld in artikel 61, 6°, van de wet van 2 oktober 2017
en beslist om de nog geldige identificatiekaarten van verzoekster in te trekken en haar de in aanvraag zijnde identificatiekaart te weigeren.
IV. Toepassing korte debattenprocedure
Exceptie wegens gebrek aan een ontvankelijk middel
Uiteenzetting van de exceptie
4. In de nota werpt de verwerende partij de niet-ontvankelijkheid van het beroep op wegens het gebrek aan een ontvankelijk middel gericht tegen de bestreden beslissing. Zij laat gelden dat verzoeksters verzoekschrift veeleer als een klachtbrief dient te worden beschouwd waarin slechts enkele losstaande beweringen worden geformuleerd. Hieruit kan volgens de verwerende partij ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.062 XII-9627-3/7
hoogstens worden afgeleid dat verzoekster het niet eens is met de genomen beslissing waarbij haar identificatiekaarten werden ingetrokken en haar aangevraagde identificatiekaart werd geweigerd. Verzoekster voert evenwel niet aan dat die beslissing onwettig is omdat ze werd genomen met schending van een welbepaalde rechtsregel of een welbepaald rechtsbeginsel, laat staan dat zij uiteenzet op welke wijze die schending zich zou voordoen. De verwerende partij benadrukt dat het aan verzoekster toekomt om in haar verzoekschrift voldoende duidelijk te omschrijven op grond van welke onwettigheid of onwettigheden zij de schorsing beoogt van de bestreden beslissing en dat door dit niet te doen de rechten van verdediging van de verwerende partij in het gedrang komen. Het voorliggend verzoekschrift komt volgens de verwerende partij manifest te kort aan voormelde substantiële vereiste en is derhalve kennelijk niet ontvankelijk.
Beoordeling
5. Artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement) zoals het luidde en van toepassing was op het voorliggende beroep, vereist dat het verzoekschrift tot nietigverklaring “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” bevat.
De uiteenzetting van een middel vereist dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid die volgens verzoekster werd geschonden, als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing werd geschonden.
Opdat een middel ontvankelijk zou zijn, is minstens vereist dat summier doch duidelijk de beweerde onregelmatigheid van de bestreden beslissing wordt aangegeven. De vereiste om een middel voldoende duidelijk en nauwkeurig te formuleren strekt er toe het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de verwerende partij te waarborgen.
Het komt overigens niet aan de Raad van State toe om uit een
XII-9627-4/7
juridisch niet onderbouwde uiteenzetting zelf middelen te construeren die voldoen aan de vereiste van de algemene procedureregeling.
6. Verzoekster laat in het verzoekschrift gelden wat volgt:
“Gezien verzoekster haar opleiding tot bewakingsagent en havenbewaking tot een goede einde heeft gebracht.
Gezien verzoekster tewerkgesteld is bij diverse bewakingsfirma’s.
Gezien verzoekster op 04.11.2022 een (zeer beperkte) winkeldiefstal pleegde.
Gezien verzoekster meteen de diefstal onmiddellijk bekende en daarenboven haar verantwoordelijkheid nam.
Gezien er vanuit Stad ROESELARE een gemeenschapsdienst opgelegd werd.
Gezien de gemeenschapsdienst met glans door verzoekster werd uitgevoerd.
Gezien verzoekster dus reeds haar straf onderging.
Gezien naar aanleiding van de feiten dd. 04.11.2022 verzoekster in kennis werd gesteld van het advies van verweerder tot intrekking van haar identificatiekaart en weigering van haar nieuwe aanvraag tot nieuwe identificatiekaart op 23.08.2023.
Gezien de raadsman van verzoekster een schrijven dd. 31.08.2023 richtte waarin gesteld werd dat een intrekking/weigering zeer verregaande gevolgen zou hebben voor verzoekster. Zij zou haar werkzaamheden niet langer kunnen voeren.
Gezien verzoekster tevens zelf via mails dd. 18.09.2023 haar oprechte spijt toonde.
Gezien bij schrijven dd. 22.02.2024 verzoekster op de hoogte werd gesteld dat haar identificatiekaart voor bewakingsagent geweigerd en ingetrokken werd.
Gezien de opgelegde sanctie echter proportioneel dient te zijn met de inbreuk.
Gezien het niet de bedoeling kan zijn dat verzoekster haar vaste tewerkstelling verliest ten gevolge van een kleine misstap, waarvoor zij daarenboven reeds de gevolgen heeft moeten dragen.
Gezien daarom beroep wordt aangetekend tegen de beslissing dd. 22.02.2024.
Gezien verzoekster een vordering instelt tot voorlopige schorsing van de beslissing dd. 22.02.2024.
[…]
Gezien verzoekster eveneens een vordering instelt tot vernietiging van de beslissing dd. 22.02.2024.”
7. Het verzoekschrift bevat geen middel in de zin als hiervoor is omschreven.
De uiteenzetting van de middelen in het verzoekschrift is een substantiële vereiste. Het ontbreken van enig middel in het verzoekschrift heeft dan ook de niet-ontvankelijkheid van het beroep tot gevolg.
8. Het beroep is niet ontvankelijk. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen.
XII-9627-5/7
XII-9627-6/7
V. Toepassing korte debattenprocedure – Vordering tot schorsing
9. De zaak kan met korte debatten een oplossing krijgen zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het algemeen procedure-reglement. Er is bijgevolg geen grond meer om uitspraak te doen over de vordering tot schorsing.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing
3. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig januari tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Chantal Bamps, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Chantal Bamps
XII-9627-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.062
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...