ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.160
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 16 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.160 Rolnummer: A. 243604/VII-42717 Zaak: Cassatiebeschikking 16160 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-21 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-05-23 10:16 Fiche Beschikking nr 16.160 van 16 januari 2025...
14 min de lecture · 2 943 mots
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Raad van State
Beschikking van 16 januari 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.160
Rolnummer:
A. 243604/VII-42717
Zaak:
Cassatiebeschikking 16160 – Raad voor Vreemdelingenbetwistingen – 16/01/2025
Rechtsgebied:
Bestuursrecht
Invoerdatum:
2025-01-21
Raadplegingen:
73 – laatst gezien 2026-05-23 10:16
Fiche
Beschikking nr 16.160 van 16 januari 2025 Vreemdelingen – Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
Beslissing : Niet toegelaten
Thesaurus CAS:
RAAD VAN STATE
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Afdeling administratie
Tekst van de beslissing
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.160 van 16 januari 2025
in de zaak A. 243.604/VII-42.717
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tristan Wibault kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
—————————————————————————————————————-
Het cassatieberoep, ingesteld op 27 november 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 315.503 van 28 oktober 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 10 december 2024 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
1. Verzoeker acht “de bewijskracht van akten die geldt voor rapporten ter ondersteuning van het verzoek van verzoeker” geschonden omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest oordeelt dat “[d]e informatie waarnaar verzoeker verwijst […] in dezelfde lijn [ligt] als de door verweerder gehanteerde informatie en […] dan ook niet in staat [is] de voormelde appreciatie te doen ombuigen.” Volgens
VII-42.717-1/7
verzoeker is net het tegendeel waar, met name dat de informatie waarop hij zich baseert niet “in dezelfde lijn” ligt als de informatie die de verwerende partij hanteert en hij verwijst naar een rapport van DRC met daarin de verklaringen van een expert die aangaande terugkerende Afghanen stelt dat “[t]hey are stigmatized as being contaminated. And as far as groups are concerned currently, people who are returned will be seen as traitors or even spies”.
De bewijskracht van een akte, afgeleid uit de artikelen 8.17 en 8.18
van het Burgerlijk Wetboek, betreft de vereiste eerbiediging van hetgeen in die akte schriftelijk is vastgelegd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt.
Door in het algemeen te overwegen dat “[d]e informatie waarnaar verzoeker verwijst […] in dezelfde lijn [ligt] als de door verweerder gehanteerde informatie”, na eerder in het bestreden arrest alle door beide partijen bijgebrachte stukken op te sommen en zonder uitdrukkelijk naar een specifiek geschrift te verwijzen, schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet de bewijskracht van het rapport waarnaar verzoeker verwijst. Bovendien oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voor wat uit Europa terugkerende Afghanen betreft dat “[u]it het geheel van de in het rechtsplegingsdossier aanwezig landeninformatie, die door beide partijen werd aangeleverd, [heden niet blijkt] dat in het algemeen of op het eerste zicht kan worden gesteld dat voor elke Afghaan die terugkeert uit Europa louter omwille van zijn verblijf in Europa een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen”.
Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond.
2. De in artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist
VII-42.717-2/7
zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voormelde bepalingen.
Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
Verzoeker verwijst opnieuw naar de in punt 1 supra vermelde verklaringen uit het rapport van DRC en voert aan dat de motivering uit het bestreden arrest daarmee tegenstrijdig is waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat “[v]erzoeker […] immers niet in concreto aannemelijk [maakt] dat hij omwille van zijn verblijf en werkzaamheden bij terugkeer naar Afghanistan gezien zal worden als iemand die de sociale normen niet respecteert”. Bovendien verwijt verzoeker de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bestreden arrest onvoldoende gemotiveerd te hebben door niet uiteen te zetten waarom de ene bron doorslaggevender is in zijn beoordeling dan de andere bronnen.
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest:
“9. In de aanvullende nota van 11 september 2024 wijst verzoeker op zijn verblijf in Europa/België en betoogt hij dat hij in geval van terugkeer naar Afghanistan omwille hiervan het risico loopt te worden vervolgd. Verzoeker legt bij de aanvullende nota een attest van zijn werkgever neer […] en verwijst naar landeninformatie […].
Uit het geheel van de in het rechtsplegingsdossier aanwezige landeninformatie, die door beide partijen werd aangeleverd, blijkt heden niet dat in het algemeen of op het eerste zicht kan worden gesteld dat voor elke Afghaan die terugkeert uit Europa louter omwille van zijn verblijf in Europa een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen.
Wel kunnen volgende risicoprofielen […] worden aangeduid:
(1) personen “die de religieuze, morele en/of sociale normen hebben overschreden”, dan wel hiervan worden beticht, ongeacht of deze handelingen of gedragingen plaatsvonden in Afghanistan, dan wel in het buitenland en;
(2) personen die “verwesterd” zijn, of als dusdanig worden gepercipieerd omwille van, bijvoorbeeld, hun activiteiten, gedrag, uiterlijk en geuite meningen, dewelke kunnen worden gezien als niet-Afghaans of niet-islamitisch, waarbij dit tevens doelt op personen die terugkeren naar Afghanistan, na een verblijf in westerse landen.
Niet elke Afghaan die terugkeert uit Europa zal verwesterd zijn of een verwestering worden toegedicht.
Het komt aan verzoeker toe concreet aan te tonen dat hij is verwesterd dan wel als verwesterd zal worden beschouwd of als een persoon die de religieuze, morele of
VII-42.717-3/7
sociale normen heeft overschreden. Beide risicoprofielen kunnen in een zekere mate met elkaar overlappen.
In het kader van een risico-analyse van de redelijke mate van waarschijnlijkheid voor een verzoeker om bij terugkeer naar Afghanistan te worden blootgesteld aan vervolging omwille van (toegeschreven) verwestering/overschrijding van religieuze, morele of sociale normen dringt zich een individuele beoordeling op waarbij rekening moet worden gehouden met risicobepalende factoren zoals het geslacht, de leeftijd, het gebied van herkomst en de conservatieve omgeving, de duur van het verblijf in het Westen, de aard van de tewerkstelling van de verzoeker, het gedrag van verzoeker, de zichtbaarheid van de verzoeker en de zichtbaarheid van de normoverschrijding (ook voor normoverschrijdingen in het buitenland), enzovoort.
In de EUAA ‘Country Guidance’ wordt gesteld dat vervolging van personen die onder dit profiel vallen in Afghanistan kan plaatsvinden omwille van een toegeschreven politieke of religieuze overtuiging of het behoren tot een specifieke sociale groep. De richtsnoeren van EUAA waarnaar de verwerende partij verwijst, kunnen worden bijgetreden (EUAA ‘Country guidance: Afghanistan’ van mei 2024, p. 57-61).
Bijgevolg dient verzoeker te concretiseren dat hij omwille van zijn verblijf in Europa/België nood heeft aan internationale bescherming.
Uit de volgende pertinente en terechte motieven van de bestreden beslissing blijkt dat verweerder verzoekers mogelijke problemen bij terugkeer omwille van zijn verblijf in België/Europa heeft onderzocht:
‘Uit de beschikbare landeninformatie (EASO Afghanistan Country Focus van januari 2022, EUAA Afghanistan: Targeting of individuals van augustus 2022, beschikbaar op https://coi.euaa.europa.eu/administration/easo/PLib/2022_08_EUAA_COI_Report_Af ghanistan_Targeting_of_individuals.pdf, EUAA Country Guidance Afghanistan van april 2022, en EUAA Key socio-economic indicators in Afghanistan and in Kabul city van augustus 2022, beschikbaar op https://coi.euaa.europa.eu/administration/easo/
PLib/2022_08_EUAA_COI_Report_Key_socio_economicindicatorsinAfghanistanand inKabulcity.pdf) kan verder niet worden afgeleid dat het loutere gegeven enige tijd in het Westen te hebben verbleven volstaat om bij een terugkeer naar uw land van herkomst het bestaan van een nood aan internationale bescherming aan te tonen. Vlak na de machtsovername door de taliban werd het internationaal luchtverkeer van en naar Afghanistan opgeschort, maar dit werd hervat in de eerste helft van 2022. Ook paspoorten werden opnieuw afgeleverd door de taliban. Sommige personen konden geen paspoort verkrijgen. Er werd gerapporteerd dat personen aan de grens werden verhinderd om het land te verlaten of aan checkpoints werden gecontroleerd. Het gaat over personen met een specifiek profiel, voornamelijk gelinkt aan de voormalige overheid en veiligheidsdiensten. Uit de landeninformatie blijkt niet dat in het algemeen kan gesteld worden dat personen die terugkeren uit het buitenland of het Westen het risico lopen dat nodig is om te kunnen spreken van een gegronde vrees voor vervolging. Personen die terugkeren naar Afghanistan kunnen door de taliban of de maatschappij met argwaan bekeken worden en geconfronteerd worden met stigmatisering of uitstoting. Stigmatisering of uitstoting kunnen slechts in uitzonderlijke gevallen beschouwd worden als vervolging. De taliban toont enerzijds begrip voor personen die het land verlaten omwille van economische redenen en stelt dat dit niets te maken heeft met een angst voor de taliban, maar anderzijds bestaat een narratief ten aanzien van de ‘elites’ die Afghanistan verlaten, die niet als goede Afghanen of moslims beschouwd worden. Wat betreft de negatieve perceptie blijkt nergens in de aanwezige informatie dat het eventuele bestaan hiervan aanleiding zou geven tot situaties van vervolging of ernstige schade. De taliban riep daarnaast meermaals op aan Afghanen in het buitenland om terug te keren naar Afghanistan.
Voorts werd er gerapporteerd over enkele terugkeerders die het slachtoffer werden van
VII-42.717-4/7
geweld. Uit de objectieve landeninformatie blijkt dat deze incidenten verband houden met hun specifieke profiel, en niet gerelateerd waren aan hun verblijf buiten Afghanistan. Indien er ernstige en aangetoonde problemen zouden zijn met de manier waarop de taliban terugkerende Afghanen behandelt, zou dit gemeld zijn door een van de instellingen of organisaties die de situatie in het land in het oog houden.
Bij de individuele beoordeling van de vraag of er al dan niet een redelijke mate van waarschijnlijkheid is dat de verzoeker met vervolging wordt geconfronteerd omwille van een verblijf in het buitenland of gepercipieerde verwestersing, moet rekening worden gehouden met risicobepalende omstandigheden, zoals: het geslacht, de gedragingen van de verzoeker, het gebied van herkomst, de conservatieve omgeving, de perceptie van traditionele genderrollen door de familie, de leeftijd, de duur van het verblijf in een Westers land, en de zichtbaarheid van de persoon. De verzoeker om internationale bescherming dient dan ook in concreto aannemelijk te maken dat hij omwille van zijn verblijf in Europa nood heeft aan internationale bescherming. In uw geval haalt u geen concrete elementen aan waaruit zou blijken dat u, in geval van terugkeer, dusdanig negatief zou worden gepercipieerd dat er gewag kan worden gemaakt van vervolging zoals bepaald in de Vluchtelingenconventie of van ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming. Evenmin blijkt uit uw verklaringen en uit de beoordeling ervan dat u voor uw komst naar België in de specifieke negatieve aandacht van de taliban stond of dat u een specifiek profiel heeft dat het risico loopt door de taliban te worden vervolgd, waardoor er redelijkerwijze van uitgegaan kan worden dat de taliban u niet zal viseren bij een terugkeer naar uw land van herkomst. Bovendien brengt uzelf geen concrete elementen aan waaruit blijkt dat u in geval van terugkeer vervolging zou dienen te vrezen. Het is in de eerste plaats aan de verzoeker om internationale bescherming om zijn vrees aannemelijk te maken.
U dient zulks in concreto aannemelijk te maken. Hier blijft u echter in gebreke. Uit het geheel van bovenstaande vaststellingen blijkt dat het niet volstaat om op algemene wijze te verwijzen naar het feit dat men omwille van zijn verblijf in Europa als verwesterd gepercipieerd zal worden en bij terugkeer naar Afghanistan vervolgd zal worden. Deze vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade dient geïndividualiseerd en geconcretiseerd te worden. U bracht geen informatie aan waaruit het tegendeel blijkt.’ Hierbij dient er nog op gewezen dat verweerder in de aanvullende nota van 9 september 2024, ingevolge de update van de landeninformatie en analyse inzake de situatie voor terugkeerders uit Europa, tot dezelfde conclusie komt als in de bestreden beslissing.
De informatie waarnaar verzoeker verwijst ligt in dezelfde lijn als de door verweerder gehanteerde informatie en is dan ook niet in staat de voormelde appreciatie te doen ombuigen.
Verzoeker beperkt zich in het verzoekschrift tot de loutere stellingen dat hij geïntegreerd is in de maatschappij en dat hij door zijn levensstijl en lang verblijf in Europa problemen zal ondervinden om zich bij een eventuele terugkeer te re-
integreren in de Afghaanse samenleving. Verzoeker laat echter na zijn beweringen te concretiseren. Verzoeker brengt geen enkel concreet element aan waaruit kan worden afgeleid dat hij bij terugkeer naar Afghanistan zou worden vervolgd door de taliban.
Het loutere gegeven dat verzoeker werkzaam is op de Belgische arbeidsmarkt, zoals blijkt uit het door verzoeker neergelegd attest van zijn werkgever […], kan aantonen dat hij zich in zekere mate aanpast aan de omstandigheden van zijn verblijf, maar dit is, rekening houdend met het geheel aan informatie die zich in het rechtsplegingsdossier bevindt, niet van die aard om te leiden tot de vaststelling dat verzoeker dient te vrezen voor vervolging wegens een terugkeer uit Europa. Verzoeker maakt immers niet in concreto aannemelijk dat hij omwille van zijn verblijf en werkzaamheden bij terugkeer naar Afghanistan gezien zal worden als iemand die de
VII-42.717-5/7
sociale normen niet respecteert en dat hij in die zin een risico loopt om vervolgd te worden door de taliban, die hem zouden kunnen beschouwen als een persoon die waarden heeft ontwikkeld die vreemd zijn aan de door hen verdedigde waarden.
Verzoeker slaagt er dan ook niet in de voormelde terechte en pertinente motivering, die grondslag vindt in het administratief dossier, te ontkrachten of weerleggen, noch een gegronde vrees voor vervolging dan wel reëel risico op ernstige schade in zijn hoofde aan te tonen.
Gelet op het voorgaande maakt verzoeker, een vierentwintigjarige jongeman die drie jaar in België verblijft en in Afghanistan nog over een netwerk beschikt, niet aannemelijk dat hij omwille van zijn verblijf in Europa een risico loopt om vervolgd te worden bij een terugkeer naar Afghanistan.
Met deze motivering overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat op basis van alle door beide partijen aangeleverde landeninformatie niet in het algemeen kan worden gesteld dat in hoofde van iedere uit Europa terugkerende Afghaan louter omwille van dit verblijf in Europa een gegronde vrees voor vervolging bestaat. Verzoeker gaat met zijn kritiek voorbij aan deze omstandige motivering en toont daarmee geen gebrekkige of tegenstrijdige motivering in het bestreden arrest aan, doch vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond.
3. Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ noch de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zijn van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarmee te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid is gedaan.
In de mate dat verzoeker voormelde bepalingen geschonden acht waar hij in het opschrift van het middel een schending van “de motiveringsplicht” opwerpt, is het middel kennelijk niet ontvankelijk.
4. Verzoeker verwijst in het opschrift van het middel naar de artikelen 39/76 en 48/6 van de vreemdelingenwet doch zet hij niet uiteen, minstens niet anders dan met de voormelde ongegrond bevonden kritiek, op welke wijze deze bepaling zou zijn geschonden met het bestreden arrest.
VII-42.717-6/7
Het enige middel is in die mate kennelijk onontvankelijk.
BESLUIT:
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zestien januari tweeduizend vijfentwintig door:
Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
VII-42.717-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.160
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
© 2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.66
== Fluctuat nec mergitur ==
Sources officielles : consulter la page source
JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Belgique
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...
Belgique
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9
JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...