ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.524

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 augustus 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.524 Rolnummer: A. 242740/X-18806 Zaak: Arrest 260524 - Sluitingen van vestigingen - 23/08/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-08-27 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-06-03 20:53 Fiche Arrest nr 260.524 van 23 augustus 2024...

Source officielle

25 min de lecture 5 309 mots

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab

 
Raad van State

Vonnis/arrest van 23 augustus 2024

ECLI nr:

ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.524

Rolnummer:

A. 242740/X-18806

Zaak:

Arrest 260524 – Sluitingen van vestigingen – 23/08/2024

Rechtsgebied:

Bestuursrecht

Invoerdatum:

2024-08-27

Raadplegingen:

107 – laatst gezien 2026-06-03 20:53

Fiche

Arrest nr 260.524 van 23 augustus 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken
en lokale besturen – Sluitingen van vestigingen Beslissing : Verwerping

Thesaurus CAS:

RAAD VAN STATE

UTU-thesaurus:

PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT – RAAD VAN STATE – Arresten (Raad van State)

Tekst van de beslissing

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER
nr. 260.524 van 23 augustus 2024
in de zaak A. 242.740/X-18.806
In zake: 1. de BV FBP SPORTSTUDIO
2. M.E.
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Scheerlinck kantoor houdend te 9000 Gent Martelaarslaan 134
bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan John Mees kantoor houdend te 2000 Antwerpen Mechelsesteenweg 12/13
tegen:
de STAD MORTSEL, vertegenwoordigd door de burgemeester bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Joke Derwa kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16
bij wie woonplaats wordt gekozen
————————————————————————————————–
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 14 augustus 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “[d]e beslissing d.d. 09/08/2024 van de burgemeester van de stad Mortsel, tot tijdelijke sluiting van een inrichting”.
X-18.806-1/18
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2024, om 14.00 uur.
Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.
Advocaten Frank Scheerlinck en Pieter-Jan Van Muysen, die verschijnen voor de verzoekende partijen en advocaat Joke Derwa, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De eerste verzoekende partij is een sportclub, gelegen te Mortsel.
De sportclub werd opgericht in 2020 en wordt uitgebaat in een gebouw dat eigendom is van tweede verzoeker, die de enige zaakvoerder ervan is. Tweede verzoeker is ook nog werkzaam bij De Lijn.
3.2. Op 31 juli 2024 vindt een explosie plaats aan de woning van tweede verzoeker te Hove. Diezelfde dag vindt ook een explosie plaats te Borgerhout.
X-18.806-2/18
3.3. In de nacht van 31 juli 2024 op 1 augustus 2024 vindt er ook een explosie plaats bij de onder randnummer 3.1 vermelde sportclub.
3.4. Op donderdag 1 augustus 2024 nodigt de verwerende partij tweede verzoeker uit om tegen maandag 5 augustus 2024 een schriftelijk verweer te voeren met betrekking tot een voorgenomen bestuurlijke sluiting van de onder randnummer 3.1 vermelde sportclub:
“Naar aanleiding van de explosie gericht tegen uw sportclub FBP
Sportstudio afgelopen nacht en dat de kans bestaat dat u opnieuw geviseerd wordt, wordt een bestuurlijke sluiting van deze inrichting overwogen. Deze aanslag heeft immers de openbare veiligheid in gevaar gebracht en had lichamelijke schade kunnen veroorzaken bij personeel, klanten, passanten en omwonenden.
Vermits u in het buitenland verblijft, kunnen we u fysiek niet uitnodigen voor een hoorzitting. Daarom kan u uw verweer schriftelijk indienen via dit mailadres, uiterlijk tegen maandag 5 augustus 2024, 9 uur.”
3.5. Nog op 1 augustus 2024 wijst de raadsman van tweede verzoeker erop dat zijn cliënt op vakantie is in het buitenland, en vraagt hij om zijn cliënt voor een hoorzitting uit te nodigen, wat kan vanaf 8 augustus 2024. Indien de verwerende partij zou vasthouden aan een schriftelijke verdediging tegen uiterlijk 5 augustus 2024, vraagt zijn raadsman aan de verwerende partij om hem “copie van het dossier door te willen mailen”. Tweede verzoeker zelf laat de verwerende partij op vrijdag 2 augustus 2024 weten dat hij zich graag persoonlijk had verdedigd, en vraagt de verwerende partij om een paar dagen uitstel voor de hoorzitting.
3.6. Met een mail van 2 augustus 2024 deelt de verwerende partij tweede verzoeker en zijn raadsman mee dat de hoorzitting op donderdag 8
augustus 2024 zal plaatsvinden.
3.7. Op 7 augustus 2024, om 16.04 uur, bezorgt de verwerende partij aan tweede verzoeker het op 2 augustus 2024 gedateerde bestuurlijk verslag.
X-18.806-3/18
3.8. Op 8 augustus 2024 vindt de hoorzitting plaats, in de aanwezigheid van tweede verzoeker, diens twee raadslieden, de waarnemend burgemeester van de stad Mortsel, een medewerker van de stad Mortsel, en drie medewerkers van de politiezone Minos. Het verweer omvat een op 8 augustus 2024 gedateerde nota met verweermiddelen. Van de hoorzitting wordt diezelfde dag nog een verslag opgesteld.
3.9. Met de bestreden beslissing van 9 augustus 2024 beslist de burgemeester van de stad Mortsel om de onder randnummer 3.1 vermelde sportclub te sluiten voor het publiek gedurende de termijn van één maand, vanaf 12
augustus 2024 tot en met 12 september 2024.
3.10. De bestreden beslissing wordt op 11 augustus 2024 aan de verzoekers ter kennis gebracht.
IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
X-18.806-4/18
V. Ernst van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
5. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van “het recht op tegenspraak en het recht op verdediging, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het hoorrecht alsook het zorgvuldigheidsbeginsel”.
6.1. In een eerste middelonderdeel achten de verzoekende partijen de hoorplicht geschonden doordat de burgemeester, die de bestreden beslissing heeft genomen, hen niet zelf heeft gehoord. “Overigens” blijkt er geen beslissing tot delegatie van de bevoegdheden van de burgemeester aan de waarnemend burgemeester die op de hoorzitting aanwezig was. Er blijkt geen sprake van enige in artikel 14 van de nieuwe gemeentewet bedoelde ontstentenis of verhindering van de burgemeester, waardoor het ambt van de burgemeester door de eerstgekozen schepen kon worden waargenomen.
6.2. In een tweede middelonderdeel menen de verzoekende partijen dat de hoorplicht werd geschonden doordat zij bij de oproeping niet “op afdoende wijze werden ingelicht”. In het bericht tot oproeping van de verwerende partij van 1 augustus 2024 wordt enkel gewag gemaakt van één explosie bij de sportclub en van het gegeven dat men opnieuw geviseerd zou worden. Evenwel blijkt uit de bestreden beslissing dat ook de ontploffing aan de privéwoning van tweede verzoeker als feitelijk element wordt aangenomen. Verder werd het gegeven dat er ernstige materiële schade werd aangericht niet meegedeeld, “noch werd deze opsomming in de desbetreffende oproeping weergegeven”, werd er geen gewag gemaakt van de voorgehouden link met het drugsmilieu ,“laat staan dat er verwezen werd naar een eerdere strafzaak waarin tweede beklaagde werd vrijgesproken”, noch werd vermeld dat men tweede verzoeker tracht te viseren
X-18.806-5/18
wegens zijn broer Z., “ofschoon dit weerhouden wordt om te stellen dat er een toekomstig gevaar bestaat”. Bijkomend bekritiseren de verzoekende partijen dat er geen enkele rechtsgrond werd vermeld in de oproeping en dat die evenmin werd medegedeeld tijdens de hoorzitting. Op geen enkel ogenblik werd er enig inhoudelijk verweer gevoerd met betrekking tot de toepassing van de artikelen 133
en 135 van de nieuwe gemeentewet, nu deze rechtsgronden hen niet ter kennis werden gebracht.
6.3. In een derde middelonderdeel bekritiseren de verzoekende partijen dat hen niet de mogelijkheid werd geboden om kennis te nemen van alle stukken, ofschoon zij “bij schrijven van 2 augustus 2024 bij monde van hun raadsman verzochten om kopie van het dossier en alle nuttige stukken”. Van “alle stukken uit het bestuurlijk dossier” waarnaar de bestreden beslissing verwijst, werd hen geen enkel stuk bezorgd. Verder blijkt dat de verzoekende partijen geen kennis hadden van de 21 berichten die blijkens de bestreden beslissing door burgers inzake de sluiting van de inrichting verstuurd zijn geworden. Het kunnen onmogelijk dezelfde berichten zijn die zijzelf hebben bijgebracht, nu dit maar 19
berichten betreffen. Ook de twee persberichten waarin tweede verzoeker gesteld zou hebben dat zijn broer het doelwit was en dat de ontploffingen daaraan gelinkt zouden zijn, werden de verzoekende partijen nooit ter kennis gebracht. Bovendien blijkt de vermelding daarover in de bestreden beslissing foutief, nu uit de mediaberichten blijkt dat het openbaar ministerie de link met het drugsmilieu nog onderzoekt en tweede verzoeker zelf heeft aangegeven “dat dit eveneens gezocht zou kunnen worden in hoofde van enkele ‘misgunners’ die jaloers zouden zijn”.
Ten slotte hebben de verzoekende partijen daags voor de hoorzitting dienen vast te stellen dat “de inhoud van het bestuurlijk verslag niet strookt met de werkelijkheid”. Daarbij werden enkele feitelijke gegevens betwist, “doch diende te worden vastgesteld dat tal van beweringen in het bestuurlijk verslag geënt zijn op informatie die niet kenbaar werd gemaakt aan verzoekers”.
X-18.806-6/18
6.4. In een vierde middelonderdeel bekritiseren de verzoekende partijen dat hen maar 18 uur werd toegekend om kennis te nemen van het bestuurlijk verslag – een periode die ook “de voorziene nachtrust” omvat – terwijl dit verslag reeds vijf dagen in het bezit was van de burgemeester.
Beoordeling
7. Krachtens de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur mag tegen niemand een maatregel worden genomen die van aard is zijn belangen ernstig aan te tasten, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt daarover op een nuttige wijze ter kennis te brengen van het bestuur.
8.1. De hoorplicht vereist in beginsel niet dat de betrokkene kan afdwingen dat deze plicht ten overstaan van de beslissende overheid zelf wordt uitgeoefend. Het volstaat dat de betrokkene zich met kennis van zaken schriftelijk kan uiten en dat het beslissend orgaan op het ogenblik van de beslissing kennis kan nemen van het standpunt van de bestuurde.
De verzoekende partijen werden op 8 augustus 2024 gehoord door onder anderen een schepen van de stad Mortsel, op dat ogenblik waarnemend burgemeester, en een medewerker van de stad Mortsel (zie randnummer 3.8). Zij hebben hun standpunt geformuleerd in een verweernota die zij naar aanleiding van de hoorzitting hebben neergelegd en van de hoorzitting is tevens een verslag opgesteld, zodat op dit vlak aan de hoorplicht lijkt te zijn voldaan. Het antwoord op de vraag of de op de hoorzitting aanwezige waarnemend burgemeester al dan niet gedelegeerd was om de bevoegdheden van de burgemeester – die finaal de bestreden beslissing heeft genomen – is prima facie niet van aard om anders te besluiten.
8.2. Het eerste middelonderdeel is niet ernstig.
X-18.806-7/18
9.1. Op 1 augustus 2024 werd tweede verzoeker er door de verwerende partij van in kennis gesteld dat hij zou gehoord worden “[n]aar aanleiding van de explosie gericht tegen uw sportclub FBP Sportstudio afgelopen nacht”, “dat de kans bestaat dat u opnieuw geviseerd wordt” en dat “een bestuurlijke sluiting van deze inrichting [wordt] overwogen”, nu “[d]eze aanslag […] immers de openbare veiligheid in gevaar [heeft] gebracht en […] lichamelijke schade [had] kunnen veroorzaken bij personeel, klanten, passanten en omwonenden” (randnummer 3.4).
9.2. Prima facie wordt aangenomen dat de bestreden sluiting van de sportclub in essentie gestoeld is op de aanslag tegen die sportclub, dewelke lichamelijke schade aan personeel, klanten, passanten en omwonenden had kunnen veroorzaken. Dat er in de oproeping van 1 augustus 2024 geen melding werd gemaakt van de explosie bij de privéwoning van tweede verzoeker, de link met het drugsmilieu, de vrijspraak in de strafzaak tegen tweede beklaagde, en het gegeven “dat men tweede verzoeker tracht te viseren wegens zijn broer [Z.]”, doet op het eerste gezicht niet aannemen dat de verzoekende partijen niet op afdoende wijze werden ingelicht, zoals zij voorhouden, temeer nu het aan de verzoekende partijen vóór de terechtzitting medegedeelde bestuurlijk verslag wél van een en ander melding maakt, en de verzoekende partijen deze gegevens blijkens de stukken van het dossier kenden.
9.3. Dat de rechtsgrond van de bestreden beslissing – artikel 133 en artikel 135 van de nieuwe gemeentewet – de verzoekende partijen vooraf niet bekend was, doet in de huidige stand van het geding evenmin tot een schending van de hoorplicht besluiten. De in de oproeping vermelde maatregel werd uitdrukkelijk in het belang van de openbare veiligheid gekaderd. Prima facie volstaat het dat de verzoekende partijen, bijgestaan door twee raadslieden, ervan in kennis werden gesteld dat een bestuurlijke sluiting van de inrichting werd overwogen omdat de aanslag de openbare veiligheid in gevaar heeft gebracht en de kans bestond dat verzoekers opnieuw werden geviseerd. Het lijkt de verwerende partij in de gegeven omstandigheden niet ten kwade te kunnen worden geduid dat de verweernota van
X-18.806-8/18
de verzoekende partijen enkel ingaat op de artikelen 119 en 134 van de nieuwe gemeentewet en niet op de artikelen 133 en 135 ervan.
9.4. Het tweede middelonderdeel is niet ernstig.
10.1. Het betoog van de verzoekende partijen dat zij niet op nuttige wijze tegenspraak hebben kunnen voeren omdat hen niet alle stukken bekend waren, kan prima facie evenmin bijval vinden, nu vooralsnog niet blijkt welke relevante stukken de verzoekende partijen niet ter kennis zouden zijn gebracht.
Verzoekers’ kritiek dat zij geen kennis zouden hebben gehad van de in de bestreden beslissing vermelde 21 berichten die burgers inzake de sluiting van de inrichting hebben verstuurd, kan op het eerste gezicht geen bijval vinden.
Immers blijkt prima facie niet dat deze berichten zouden verschillen van de berichten die verzoekers zelf met hun verweernota hebben bijgebracht. Verder lijken deze 21 berichten enkel ten voordele van de verzoekende partijen te worden vermeld, nu de bestreden beslissing erop wijst dat zij uitgaan van klanten van de sportclub “met verklaringen van enkel positieve ervaringen over [tweede verzoeker] en de sportclub”.
Wat de aan verzoekers niet meegedeelde persberichten betreft, “waarin tweede verzoeker gesteld zou hebben dat zijn eigen broer het doelwit was en [dat] de ontploffingen daaraan gelinkt zouden zijn”, lijkt in de huidige stand van de rechtspleging te kunnen volstaan met de vaststellingen dat tweede verzoeker in deze persberichten zelf aan het woord komt, zodat deze hem bekend moeten zijn geweest en dat de link met verzoekers broer ook in het bestuurlijk verslag is opgenomen.
Ten slotte maken de verzoekende partijen in hun verzoekschrift niet concreet duidelijk welke (andere) informatie op grond waarvan het bestuurlijk verslag werd opgesteld hen niet werd medegedeeld.
X-18.806-9/18
10.2. Het derde middelonderdeel is niet ernstig.
11.1. Het komt de Raad van State op het eerste gezicht voor dat de aan de verzoekende partijen toegekende tijdspanne van 18 uren om kennis te nemen van het bestuurlijk verslag, inderdaad kort is. Het doet vooralsnog evenwel geen schending van de hoorplicht aannemen, nu de verzoekende partijen, zoals aangegeven in de bestreden beslissing, bijgestaan werden door twee raadslieden en een omstandige verweernota met meerdere bijlagen hebben ingediend. Bovendien geven de verzoekende partijen in hun verzoekschrift prima facie niet concreet aan welke bijkomende argumenten zij eventueel nog hadden kunnen ontwikkelen.
11.2. Het vierde middelonderdeel is evenmin ernstig.
12. Het middel is in zijn geheel niet ernstig.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
13. De verzoekende partijen voeren in een tweede middel de schending aan van de “artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en als algemeen rechtsbeginsel alsook als beginsel van behoorlijk bestuur in samenhang gelezen met een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, alsook de schending van het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel, steeds in samenhang gelezen met de artikelen 133 en 135 van de Nieuwe Gemeentewet”.
14.1. In een eerste middelonderdeel betogen de verzoekende partijen dat het bestuurlijk verslag geen enkel objectief element bevat dat aantoont dat de explosies een gekende werkwijze uitmaken van het criminele drugsmilieu, die met haar repetitief karakter en gericht tegen dezelfde personen, gebouwen of voertuigen moet intimideren, en die een reëel risico op een nieuwe aanslag
X-18.806-10/18
aantoont. De burgemeester gaat er “automatisch” van uit dat een en ander gelinkt is aan het drugsmilieu, terwijl dit door het openbaar ministerie nog wordt onderzocht.
Dat de daders ervan zouden uitgaan dat tweede verzoeker nog banden heeft met zijn broer en hij daardoor in de toekomst een doelwit zou zijn, “blijkt al helemaal nergens uit”. De bewering dat tweede verzoeker zelf heeft aangegeven dat het gebeurde gelinkt is aan het drugsmilieu, en in het bijzonder aan zijn eigen broer, “is volstrekt onjuist”, en steunt op stukken die niet worden bijgebracht. Meer nog, blijkt uit de persberichten die de verzoekende partijen bijbrengen dat tweede verzoeker ook andere mogelijke oorzaken aanhaalt. In elk geval toont de motivering niet aan dat de explosies in het drugsmilieu kaderen, dat zij tegen tweede verzoeker zijn gericht wegens zijn familiale band, en dat er een ernstig en reëel gevaar voor de openbare orde zou zijn.
14.2. In een tweede middelonderdeel betogen de verzoekende partijen dat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt gesteld dat uit de vaststellingen van de politie zou blijken dat de uitbating van de sportclub aanleiding geeft tot de effectieve verstoring en mogelijk toekomstige verstoring van de openbare orde en veiligheid. De vaststellingen hebben geen betrekking op de uitbating van de inrichting, doch wel op de eigenaar van het betreffende pand, zijnde tweede verzoeker. Dit eigenaarschap blijft bestaan, zelfs wanneer de uitbating wordt gestaakt door de bestreden beslissing. Ten tijde van de aanslag was er overigens geen uitbating van de zaak, daar het jaarlijks verlof was.
14.3. Volgens een derde middelonderdeel komt een sluiting van de inrichting niet evenredig en proportioneel voor, nu blijkt dat de feiten die aanleiding geven tot de bestreden beslissing plaatsvonden op een ogenblik dat er geen uitbating was. Voorts werd “de voorgehouden oorzaak van de feiten”, te weten een zogenaamde verdwenen partij verdovende middelen, “inmiddels weerlegd”, zodat “[d]eze voorgehouden oorzaak om over te gaan tot intimidatie […] niet meer voorhanden [is]”. Het is tegenstrijdig om, enerzijds, met zekerheid te stellen dat de feiten gelinkt zijn aan het drugsmilieu en, anderzijds, de voorgehouden oorzaak van die feiten, te weten de verdwenen partij verdovende
X-18.806-11/18
middelen, niet in overweging te nemen. De verzoekende partijen wijzen er nog op dat er zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gedurende twaalf dagen geen enkel incident meer had voorgedaan. Zij gaven ook aan dat de kwestieuze feiten enkel ’s nachts plaatsvinden – gelet op de aard ervan, en het feit dat daders niet wensen herkend te worden – zodat een sluiting geen effect kan hebben. De “objectieve waarnemingen” in verband met de aanslagen waarnaar de burgemeester in verband met het al dan niet nachtelijk karakter van de feiten verwijst, zijn niet terug te vinden in het dossier. Ten slotte wordt er geen enkele motivering gegeven omtrent mogelijke alternatieve maatregelen Zo stelden de verzoekende partijen voor om zelf extra maatregelen te nemen zoals het plaatsen van een poort, gaven zij aan dat er reeds een politioneel cameratoezicht werd geïnstalleerd dat zijn vruchten afwierp aangezien er zich geen enkel incident meer voordeed, en wordt melding gemaakt van politiepatrouilles. Volgens de verzoekende partijen konden er nog tal van andere maatregelen genomen worden, zoals een beperkte uitbating gedurende bepaalde uren of voor bepaalde activiteiten (zoals de individuele trainingen en dergelijke). Behalve met het zelf installeren van een afscheiding, werd er geen rekening mee gehouden, evenmin als met “het incidentloze tijdsverloop”. De bestreden beslissing beperkt er zich toe te stellen dat de kwestieuze maatregel gepast en proportioneel voorkomt, gelet op het grote en reële risico, “zonder dienaangaande de inhoud van de argumentatie toch op enige wijze [te] trachten te ontmoeten”.
Beoordeling
15.1. Het bestuurlijk verslag, waarop de bestreden beslissing is gesteund, stelt dat “[h]et plegen van een aanslag tegen een handelszaak, gebouw of voertuig, waarbij er veel materiële schade wordt berokkend, […] een gekende modus operandi in het crimineel milieu [betreft]”, dat het “een vorm van intimidatie [betreft] gericht tegen personen die gelinkt zijn aan de geviseerde handelszaak en/of personen die wonen op het geviseerde adres”, dat “[s]inds 2015
[…] er in de directe Antwerpse regio meer dan 200 van zulke aanslagen of intimidatiepogingen voorgevallen [zijn]”, dat “[u]it de lange reeks [v]an
X-18.806-12/18
geweldsdelicten in de directe Antwerpse regio […] bovendien [blijkt] dat de aanslagen of intimidatiepogingen vaak een repetitief karakter hebben en meermaals kunnen gericht worden tegen dezelfde personen, gebouwen en/of voertuigen”, en dat dit laatste ook blijkt met betrekking tot het tegen verzoekers gerichte geweld. De verwerende partij lijkt aldus goed vertrouwd te zijn met de modus operandi die werd gebruikt bij de aanslag op verzoekers’ sportclub. Verder lijkt in het bestuurlijk verslag op goede gronden te worden aangegeven dat tweede verzoeker de oudere broer is van de voortvluchtige drugscrimineel Z. en dat deze laatste “na zijn veroordeling gevlucht [zou] zijn naar Dubai”. In de huidige stand van de rechtspleging wordt aangenomen dat in het bestuurlijk verslag terecht kon worden geconcludeerd dat “[u]it de gebruikte modus operandi, en de directe en indirecte betrokken entiteiten […] sterke aanwijzingen [blijken] dat de aanslag kadert in de georganiseerde drugscriminaliteit”. In de bestreden beslissing legt de burgemeester duidelijk, en vooralsnog voldoende overtuigend, uit waarom hij – gesteund op het bestuurlijk verslag – aanneemt dat de sportclub van de verzoekende partijen geen willekeurig doelwit was en de gebruikte handelswijze een gekende modus operandi is in het drugsmilieu. Het betoog van de verzoekende partijen dat de burgemeester er “automatisch” van uitgaat dat een en ander gelinkt is aan het drugsmilieu, kan gezien het voormelde prima facie geen bijval vinden.
Het besluit in het bestuurlijk verslag dat de dadergroep achter de aanslag er blijkbaar van uitgaat dat tweede verzoeker nog banden onderhoudt met zijn broer Z., wat hem “ook in de toekomst een mogelijk doelwit [maakt] om druk te zetten op [Z.]”, wordt niet overtuigend tegengesproken door de verzoekende partijen, temeer nu uit een door henzelf bijgebracht persbericht (VRT, dd. 1/8/2024) blijkt dat tweede verzoeker niet uitsluit dat er een link is met zijn veroordeelde broer. Tweede verzoeker noemt dit ook in een tweede persbericht (Gazet van Antwerpen, dd. 2/8/2024) “een mogelijke piste”. Verder hebben de daders het volgens zijn raadsman in het eerste persbericht (VRT, dd. 1/8/2024) op de familie van Z. gemunt doordat Z. zelf in het buitenland vertoeft. Het betoog van de verzoekende partijen dat “helemaal nergens uit [blijkt]” dat de daders ervan
X-18.806-13/18
uitgaan dat tweede verzoeker nog banden heeft met zijn broer en dat hij daardoor in de toekomst een doelwit zou zijn, kan prima facie geen bijval vinden.
Mede gezien de in het bestuurlijk verslag beschreven schade ingevolge de aanslag op de sportclub, lijkt de aanname dat er een ernstig en reëel gevaar voor de openbare orde bestaat, niet zonder grond.
15.2. Het eerste middelonderdeel is niet ernstig.
16.1. In het bestuurlijk verslag wordt prima facie terecht aangenomen dat de te dezen gehanteerde modus operandi erin bestaat een aanslag te plegen tegen (onder andere) een handelszaak, waarbij veel materiële schade wordt berokkend, teneinde de aan de geviseerde handelszaak gelieerde personen te intimideren, en waarbij deze intimidatiepogingen vaak een repetitief karakter hebben. In het bestreden besluit, dat deze overwegingen herneemt, wordt in het licht daarvan op het eerste gezicht op goede gronden aangenomen dat uit de vaststellingen van de politie blijkt dat “[e]en sluiting van de inrichting […]
eventuele rivaliserende bendes of actoren uit het drugsmilieu ervan [moet]
weerhouden opnieuw publiekelijk geweld te gebruiken om [tweede verzoeker] en diens familie te viseren”, zodat “de aantrekkingspool voor geweldgerelateerde incidenten ten aanzien van FBP Sportstudio verminderd worden”. Dat tweede verzoeker na het nemen van de bestreden beslissing eigenaar blijft van het gebouw waarin de uitbating plaatsvindt en dat de sportclub wegens jaarlijks verlof gesloten was op het ogenblik van de aanslag, doen prima facie niet anders besluiten. Het neemt op het eerste gezicht immers niet weg dat door de opgelegde sluiting van de sportclub, waarvan tweede verzoeker – tegen wiens persoon de aanslag lijkt te zijn gericht – de enige zaakvoerder is, deze een minder aantrekkelijk doelwit voor de aanslagplegers wordt, en de kans op een verstoring van de openbare veiligheid wordt verminderd. In de bestreden beslissing lijkt in dit verband op goede gronden te worden aangenomen dat door de kwestieuze maatregel “de aantrekkingspool”
van de sportclub “voor geweldgerelateerde incidenten” wordt verminderd.
X-18.806-14/18
16.2. Het tweede middelonderdeel is niet ernstig.
17.1. Verzoekers’ kritiek in het derde middelonderdeel op het gegeven dat de bestreden beslissing tegen de uitbating van de kwestieuze sportclub is gericht, kan gezien het gestelde onder randnummer 16.1 prima facie geen bijval vinden. Verder wordt op het eerste gezicht niet aangetoond dat de overweging in het bestreden besluit dat het gegeven “[d]at de aanslagen eerder ’s nachts werden gepleegd […] niet [uit]sluit dat ze op een later ogenblik overdag zouden worden gepleegd” de grenzen van de redelijkheid zou te buitengaan of anderszins onwettig zou zijn. Ten slotte blijkt op het eerste gezicht niet dat de verwijzing van de burgemeester naar “objectieve waarnemingen in verband met de aanslagen”
betrekking zou hebben op het “al dan niet nachtelijk karakter van zulke feiten”, zoals de verzoekende partijen blijkbaar voorhouden.
17.2. Dat luidens een persbericht (GvA, 2/8/2024) de kwestieuze aanslagen op de eigendom van de verzoekende partijen “volgens verschillende bronnen in het drugsmilieu” verband houden met een partij cocaïne die “verdwenen” zou zijn op kaai 1742 in de Waaslandhaven, en dat de douane volgens datzelfde persbericht heeft gecommuniceerd over de inbeslagname van een partij cocaïne op diezelfde kaai, verplichtte de verwerende partij er op het eerste gezicht nog niet toe om dit gegeven bij haar beoordeling te betrekken. Dit geldt prima facie nog meer nu datzelfde persbericht ook reveleert dat de federale gerechtelijke politie Antwerpen ter zake nog steeds een onderzoek voert, en nu het bestuurlijk verslag geen enkel concreet element aanreikt waaruit zou blijken dat de inbeslagname van de partij cocaïne een link zou hebben met de kwestieuze aanslag op de sportclub. Voorts overtuigen de verzoekende partijen er op het eerste gezicht niet van dat ingevolge de inbeslagname van de partij cocaïne “[de] voorgehouden oorzaak om over te gaan tot intimidatie […] niet meer voorhanden [is]”.
Verzoekers’ betoog dat van zodra tweede verzoeker terug was van vakantie de sportclub gedurende twaalf dagen werd uitgebaat zonder enig incident, doet op het eerste gezicht niet anders besluiten.
X-18.806-15/18
17.3. Waren er volgens de verzoekende partijen ten slotte nog tal van andere maatregelen mogelijk waartoe de verwerende partij niet heeft beslist, het toont prima facie nog niet aan dat de bestreden maatregel tot sluiting van de sportclub gedurende een maand de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan of anderszins onwettig zou zijn. Een gebeurlijke verlenging van de maatregel vereist een nieuwe beslissing gesteund op een nieuw onderzoek. Wat betreft het voorstel van de verzoekende partijen om een poort te plaatsen, geeft de bestreden beslissing op het eerste gezicht terecht aan dat dit geen garantie biedt dat de veiligheid wordt verzekerd, gezien een explosief makkelijk over een poort kan worden gegooid.
17.4. Het derde middelonderdeel is evenmin ernstig.
18. Het middel is in zijn geheel niet ernstig.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
19. De verzoekende partijen voeren in een derde middel de schending aan van de artikelen 133 en 135 van de nieuwe gemeentewet.
Zij bekritiseren dat voorafgaand aan de bestreden beslissing geen overleg heeft plaatsgevonden met de gerechtelijke instanties, en dat de bestreden beslissing niet werd bekrachtigd door de gemeenteraad, dan wel het college van burgemeester en schepenen.
20. Voor het geval geponeerd zou worden dat de artikelen 133 en 135 van de nieuwe gemeentewet niet voorzien in een dergelijk overleg of in een bekrachtiging, wijzen de verzoekende partijen erop dat de artikelen 134ter, 134quater, 134quinquies, 134sexies en 134septies van de nieuwe gemeentewet wél in een overleg met de gerechtelijke instanties of in een bekrachtiging voorzien.
X-18.806-16/18
Dit terwijl deze bepalingen handelingen viseren die te wijten zijn aan de inrichting zelf, en de verzoekende partijen geen enkele strafbare handeling hebben gesteld of aan dergelijke handeling gelieerd kunnen worden. De voormelde bepalingen bieden meer waarborgen tegen willekeur en voorzien bovendien in een preventieve maatregel die beperkt is tot drie maanden.
21. De verzoekende partijen suggereren om de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen:
“Schenden de artikelen 133 en 135 van de Nieuwe Gemeentewet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in die zin dat in deze wetsbepalingen, in geval het risico op de verstoring van de openbare orde en veiligheid niet te wijten is aan enige gedraging van betrokkenen, noch enige handeling in de inrichting zelf, niet voorzien is, wanneer de preventieve maatregelen van de sluiting van een inrichting zou worden overwogen, in een overleg met gerechtelijke overheden en evenmin in een navolgende bevestiging van de genomen beslissing door het College van burgemeester en schepenen, terwijl dit voor dezelfde preventieve maatregel van de sluiting van de inrichting wel voorzien is wanneer dit geënt is op andere rechtsgronden die wel een eigen gedraging verwijten dan wel een (strafbaar) handelen in de inrichting zelf?”
Beoordeling
22.1. Het komt voor dat de burgemeester zich voor de juridische grond van de bestreden beslissing heeft beroepen op de artikelen 133 en 135 van de nieuwe gemeentewet. Meer bepaald beoogt de bestreden beslissing de openbare orde te beschermen. De verzoekende partijen tonen prima facie niet aan dat deze rechtsgrond ondeugdelijk zou zijn.
22.2. De artikelen 133 en 135 van de nieuwe gemeentewet voorzien niet dat voorafgaand aan het nemen van een daarop gestoelde beslissing overleg moet plaatsvinden met de gerechtelijke instanties, of dat een dergelijke beslissing bekrachtigd dient te worden door de gemeenteraad of het college van burgemeester en schepenen. Zij lijken dan ook niet geschonden.
X-18.806-17/18
22.3. In zoverre de verzoekende partijen suggereren om de onder randnummer 21 vermelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, volstaat de vaststelling dat deze prejudiciële vraagstelling niet bestaanbaar is met het te dezen uiterst dringende karakter van de voorliggende schorsingsvordering die zij hebben ingesteld.
22.4. Het middel is niet ernstig.
23. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig augustus tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit:
Stephan De Taeye, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Stephan De Taeye
X-18.806-18/18

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.524

Gerelateerde publicatie(s)

gevolgd door:

ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.987

Print deze pagina
 

Afdrukformaat

S
M
L
XL

 

Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
 

Sluit Tab



[email protected]

©  2017-2026 ICT Dienst – FOD Justitie

Powered by PHP 8.5.0

Server Software Apache/2.4.66

== Fluctuat nec mergitur ==




JUPORTAL. L avertissement officiel du portail precise qu il n existe pas de droit d auteur sur les arrets et jugements.

A propos de cette decision

ECLI
ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.524

Décisions similaires

Belgique

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

Fiscal NL

ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1

JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Ondernemingsrechtbank Gent Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:ORGNT:2026:JUG.20260512.1 Rolnummer: O/25/00961 Rechtsgebied: Insolventierecht - Overige Invoerdatum: 2026-05-13 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-05-18 12:30 Fiche 1 Eens werd vastgesteld dat de toepassingsvoorwaarden van artikel XX.229 WER zijn voldaan, kan de rechtbank...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 No Rôle: P.25.1301.F Affaire: R. contra M. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal - Autres Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 124 - dernière vue...

Belgique

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

Fiscal FR

ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9

JUPORTAL Base de données publique de la jurisprudence belge Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour de cassation Jugement/arrêt du 06 mai 2026 No ECLI: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.9 No Rôle: P.26.0121.F Affaire: L. contra K. Chambre: 2F - deuxième chambre Domaine juridique: Droit pénal Date d'introduction: 2026-05-15 Consultations: 122 - dernière vue 2026-05-18 10:25...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.